Alle berichten (3007)

Sorteer op

10897279662?profile=originalToen was het gezellig met Jet Bussemaker en Jan Peter Balkenende.

 

Het hele team was druk met de voorbereidingen, een week van te voren kwam het verzoek richting het team van ICM van het net nieuw geinstalleerde Indisch Platform onder voorzitterschap van Herman Bussemaker. Het leek net het Eurosongfestval, want er moest een soort kleine pasar malam zijn. Ja, dan nog de programmering van het arrangement van liedjes.  Je kunt moeilijk de mensen die van ver komen 3 uren voor een leeg podium zetten. Dus het ICM entertainment team Marshal Manengkei en Albert van Prehn sprokkelende diverse leden van andere formatie bij elkaar voor deze gelegenheid, en het Indisch strijdlied werd geboren "Storm never last". 

Het andere team zorgde dat andere schrijvers en documaker werden benaderd. Andere team zorgde voor de rest.  

Alleen met een geoliede orgaan is zo iets te verwezenlijken. Waarom ICM heeft vertrouwen en kriediet opgebouwd bij iedereen, blindelings varen ze hier op! Geen woorden maar 15 jaren daden achter de schermen en geen Indo Jago gedrag, en toegankelijk voor alle Indo's. 

Nu komt het en toch werd dit feestje  waar 300 Indo's  en de landelijke pers op afkwamen, bedorven door onze Jetje Bussemaker met Indische wortels  van VWS.

JP gaf de opdracht op de NIOD rapporten te onderzoeken en met voorstellen te komen richting de tweede Kamer, die kwam niet. Na 8 maanden viel het Kabinet, ook heeft onze Jetje niet zo'n soort overdracht geregeld voor haar opvolger; Wel had ze de tijd in die maanden om haar Indische boek te schrijven de presenteren bij IHC Bronbeek, de zoveelste!  Wij waren 8 maanden toen verder; 

Wat het tijdbestek betreft vertoont de Stille Tocht van 19 maart jl. - zonder dat je het beseft kunnen 5 jaren Manifestatie Indische Gemeenschap gaan vieren - nu vele overeenkomsten steeds "uitstellen desondanks de diverse aanmanningen van de voorzitter van de Tweede Kamer", Jet Bussemaker werd door de gong gered ( De val van het Kabinet), wie zal Martin van Rijn redden ? 

Lees verder…

Vergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers

10897284858?profile=originalVergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers

 

Duitse Joden achter Indische Kawat

 

door Werner Stauder

 

Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers. Het doel van dit artikel is het eerherstel van deze mensen. Om aan deze anonieme groep een gezicht te geven zal ik het lot van de heer Otto Moszkowicz als voorbeeld naar voren halen.

 

Otto Johann Ludwig Moszkowicz, geboren in 1911, was in Nederlands-Indië als ingenieur werkzaam bij de B.P. Maatschappij in Terisi, Djatibarang op West-Java. De heer Moszkowicz was één van de honderden Joden, die in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk waren ontvlucht en zich in Nederlands-Indië hadden gevestigd omdat zij dachten, daar een veilig heenkomen te hebben gevonden onder de Nederlandse bescherming. Zij kwamen van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het prikkeldraad. Velen van hen hebben het niet overleefd, waaronder ook de heer O.J.L. Moszkowicz. Tijdens de recherches voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt. Meer dan 70 jaar geleden, op 19 januari 1942, voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de desbetreffende autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Ik nam daarom het besluit, mij intensief met deze Nederlands-Indische doofpotaffaire bezig te houden om in mijn boek een waarheidsgetrouw beeld te scheppen van alle gebeurtenissen rondom de tragische dood van 411 onschuldige gevangenen, waaronder talrijke Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hoger hand willens en wetens heeft laten verdrinken en aan de bemanning vervolgens het bevel gaf, daarover te zwijgen. Ook Otto Moszkowicz was één van deze verzwegen Joodse oorlogsslachtoffers. Met het onderstaande verhaal wil ik hem en al de anderen uit de anonimiteit halen en postuum eer bewijzen.

 

Het begon allemaal op 10 mei 1940. Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2.800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitstalige landen afkomstige Joden. Dat ook deze Joden, die juist voor de nazi’s gevlucht waren en zich in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren. Op deze bewuste Erev Sjabbat van de 3e Ijar 5700, die om 18:11 uur plaatselijke tijd begon, werd de Parasja Emor gelezen. Na de sjabbatviering werd Otto Moszkowicz laat op de avond door Nederlandse politie-agenten en BB-ambtenaren gearresteerd en naar het politiebureau gebracht, waar hij de nacht achter tralies doorbracht samen met andere Duitse en Joodse arrestanten. De volgende dag werden zij op transport gezet naar een verzamelkamp op West-Java en van daar uit naar Tandjong Priok, de haven van Batavia, waar een KPM-schip klaar lag om hen verder te brengen naar het eiland Onrust. Zij moesten aan de kade in het gelid gaan staan, omringd door zwaar gewapende inheemse militairen, en ontvingen de mededeling, dat zij zich aan boord van het schip moesten begeven nadat aan een tafel de gegevens van alle arrestanten waren genoteerd. Ook de heer Moszkowicz moest zijn naam en adres opgeven en zijn portemonnaie, portefeuille, sleutels, horloge enz. inleveren. Alles werd geregistreerd en in zakjes gestopt. Daar zag hij later nooit meer iets van terug. Tegen de avond werden ze aan boord gebracht en moesten meteen naar het bloedhete overvolle ruim toe. Na ca. 1 ½ uur varen werden ze aan wal gebracht. De ontscheping van de gevangenen vond onder groot militair vertoon plaats met veel geschreeuw en gesnauw. Ze werden daarbij dikwijls geschopt en geslagen. Onder het toeziend oog van de kampcommandant kapitein H. J. de Vries werden Otto Moszkowicz en zijn lotgenoten via een hoge, met prikkeldraad omgeven en van tralies voorziene poort gedreven en in groepen van ruim 100 man naar de diverse barakken afgevoerd, dertig in getal. Daar werden de Joden van de overige Duitsers gescheiden en apart gezet. Elke barak was 30-40 meter lang en 5 meter breed, had een vochtige betonnen vloer zonder bedden, was afgedekt met gegolfd plaatijzer en slechts schaars belicht. Bovendien wemelde het er van allerlei ongedierte. Iedere barak was genummerd en werd door middel van een drie meter hoge omrastering afgescheiden van de overige barakken en het was ten strengste verboden de prikkeldraadomheining dichter dan op 2 meter afstand te benaderen. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. Een van hen was Johnnie Duell, de directeur van het Metropooltheater in Batavia, die als Duitse Jood in de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front had meegevochten en zelfs voor zijn moedig optreden als piloot gedecoreerd werd. Ondanks het feit dat hij zich tot Nederlander had laten naturaliseren, kwam hij toch evengoed samen met Otto Moszkowicz in barak 18 op het eiland Onrust terecht. Zij moesten een bundel stro oprapen en daarmee een plekje op de kale vloer zoeken om daarop te slapen. Dekens tegen de nachtelijke afkoeling werden niet uitgereikt en zowel fysiek alsook verbaal geweld was geen uitzondering.

 

De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden. Niemand stond er blijkbaar bij stil dat deze mensen helemaal geen Duitse staatsburgers meer waren en dat zij juist uit Nazi-Duitsland moesten vluchten om aan de afgrijselijke jodenvervolging te ontsnappen. Dat de Duitse Joden door de Nederlandse politie werden gearresteerd in het land waar zij rust en vrijheid dachten te vinden, en dan op het beruchte eiland Onrust ook nog in een zogenaamde ‘Jodenbarak’ werden opgesloten in plaats van hen als vluchtelingen op te vangen en hen politiek asiel te verlenen is ronduit schandalig te noemen. Dat dit echter niet per vergissing gebeurde, maar juist van hogerhand beslist werd blijkt uit het feit, dat het besluit hiervoor door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer werd genomen als een veiligheidsmaatregel op grond van artikel twintig van de Regeling Staat van Oorlog en Beleg. De Duitse Joden werden in Indië als ‘veiligheidsrisico’ beschouwd omdat men vreesde, dat zij door de nazi’s konden worden gechanteerd met hun familieleden in de concentratiekampen. Om deze reden liet Starkenborgh de veiligheid voor de menselijkheid gaan met alle gevolgen van dien. Zo werd ook de onschuldige ingenieur Otto Johann Ludwig Moszkowicz het slachtoffer van dit noodlottige besluit en kwam onder onmenselijke omstandigheden achter het prikkeldraad terecht.

 

In de vroege ochtend van 15 mei 1940 werd hij getuige van de brute moord op zijn jonge barakgenoot Rudolf Frühstück. De geïnterneerden van barak 18 gingen naar buiten om te luchten. Vlak voor de omheining waren enkele Javanen in de hoge bomen geklommen om daar wat takken af te kappen in verband met het monteren van een elektrische leiding. Natuurlijk was dit voor Moszkowicz en zijn barakgenoten een prachtige afleiding om naar te kijken en ook de jonge Frühstück was één van deze toeschouwers. Met opgeheven hoofd stond hij gefascineerd te kijken hoe snel en behendig deze inlanders in de boom konden klimmen en had daarbij niet eens door dat hij inmiddels op minder dan twee meter van de prikkeldraadomheining was gekomen. Onbewust wilde hij op een gegeven moment met zijn hand op één van de peilers van het hek steunen, waardoor die hand zich dus boven het verboden gebied bevond met het gevolg dat hij nietsvermoedend en zonder waarschuwing door een sergeant van het bewakingsdetachement van achteren werd doodgeschoten door een welgemikt schot in de hartstreek. Er ontstond onmiddellijk een groot tumult in het kamp. Zijn barakgenoten renden naar hem toe om hem te helpen, waaronder ook dr. Emil Mengert uit Batavia, terwijl ook militairen van alle kanten kwamen aanlopen, die de arts onder bedreiging van het geweer dwongen zijn patiënt te verlaten en iedereen de barak in joegen. Uit de omliggende barakken klonken luide protesten tegen deze handelwijze. Onder de toegesnelde militairen bevond zich ook kapitein De Vries, die, met zijn pistool in de hand, de zwaargewonde jongeman zieltogend in het gras aantrof. Kort daarop stierf hij. Rudolf Frühstück was een jonge Jood, die in de jaren ’30 van Duitsland naar Singapore emigreerde, maar daarna zijn toevlucht in Nederlands-Indië zocht toen de oorlog tussen Engeland en Duitsland uitbrak, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in Indië veilig zou zijn. Frühstück ontmoette in Indië de dood, die hij in Duitsland wilde ontlopen. Heel tragisch!

 

Toen de gouverneur-generaal van Starkenborgh samen met de legercommandanten luitenant-generaal Berenschot en generaal-majoor Schilling eind mei 1940 het kamp op het eiland Onrust bezocht en constateerde dat de toestand daar ‘zeer onvoldoende’ was, gaf hij opdracht om onmiddellijk een centraal kamp te bouwen waar alle Duitse mannen van de hele Indische Archipel konden worden ondergebracht. In alle haast werd er in het zuiden van Atjeh op het eiland Sumatra het centrale kamp Lawé Sigala-gala gebouwd in de Alasvalei vlakbij Kota Tjané. Op 6 juli 1940 ging het eerste transport van vijfhonderd man met de Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elke blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werden vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.

 

Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten het kamp op Sumatra te ontruimen en de gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. In een geheim codebericht aan minister van Kleffens schreef Starkenborgh: “Britsch-Indië is bereid onderbrengen Duitsche geïnterneerden welke vertrekken 28 December en 2 Januari. Het schijnt mij juister gezien belang maatregel de Duitsche Regeering Uwerzijds inlichten, echter niet voordat tweede groep is aangekomen omdat eerder bekendmaken eventueele Japansche voor ontzetting zou kunnen verhaasten dan wel pogingen zou kunnen uitlokken om het transport op zee op te vangen. De datum van aankomst zal ik U nader seinen.” Er was hierbij dus slechts sprake van twee transporten. Over een derde transport staat niets in de officiële telegramwisseling tussen de gouverneur-generaal en de minister in Londen. Op dat moment bevonden zich nog ruim 2450 Duitse en Joodse gevangenen in Lawé Sigala-gala, die in met prikkeldraad ‘beveiligde’ vrachtauto’s werden overgebracht naar de havenstad Sibolga. Op 29 december 1941 vertrok het eerste transport geïnterneerden met de KPMer Ophir uit Sibolga. Het schip had bijna duizend gevangenen aan boord, waaronder zich dertig fanatieke nazi’s bevonden, de rest waren vooral jonge mannen, velen uit de blokken A en D, enkelen uit F en C en een heel enkele uit E en B. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd Duitsers aan boord, eveneens uit de diverse blokken zorgvuldig geselecteerd zodat de gevaarlijkste gevangenen alvast het land uit waren. Op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport uit Sibolga met 477 Duitse gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff. Deze groep, waartoe ook Otto Moszkowicz behoorde, bestond uit de rest van Blok E, het Joodse blok, mannen van wie de namen met L t/m Z begonnen en de ouderen uit alle andere blokken alsook zeelui. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan, dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië zijn aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? Wist men soms van tevoren al dat het schip nooit zou aankomen?

 

De kans om Bombay te bereiken was eigenlijk reeds vanaf het vertrek vrijwel nihil omdat de Van Imhoff, die blijkbaar doelbewust niet als gevangenentransport aangemerkt was, al door Japanse verkenningsvliegtuigen gesignaleerd werd toen het nog in de haven van Sibolga lag. De omstandigheden aan boord waren voor de geïnterneerden mensonterend. De 477 grotendeels bejaarde gevangenen werden beneden in het bloedhete ruim van het vrachtschip opgesloten en zaten dicht opeengepakt in 2 meter brede kooien van prikkeldraad, elk met een capaciteit voor dertig man. Omdat elke kooi amper één meter tien hoog was en het voor de gevangenen dus onmogelijk was rechtop te staan, hurkten en lagen zij dicht op elkaar. Er was te weinig drinkwater, ventilatie en sanitaire voorzieningen waren vrijwel nihil. In de kooien hing een vreselijke stank en het was er niet uit te houden van de hitte. Alleen al het laten vertrekken van het schip onder deze barre omstandigheden, die sterke overeenkomsten vertonen met die in de slavenschepen van de West-Indische Compagnie zoals de Leusden waar ik straks nog op zal terugkomen, was reeds een grove schending van het volkenrecht. Daar komt nog bij dat er onvoldoende reddingsmiddelen op het schip aanwezig waren om iedereen te kunnen redden en, zo later bleek, sowieso uitsluitend bedoeld waren om de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement in veiligheid te brengen.

 

Het duurde dan ook niet lang totdat er zou gebeuren wat iedereen vreesde, want omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door één van de bommen scheurde op een gegeven moment de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het schip langzaam begon te zinken. Toen de Van Imhoff tegen één uur slagzij begon te maken, werd door kapitein Hoeksema de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en de Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden, zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.

 

Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden. Een van hen, Stephan Walkowiak, kreeg bij deze poging weliswaar een schot dwars door zijn hand, werd daarna echter door inheemse militairen in een van de achterste reddingsboten bloedend aan boord gehesen hoewel er vanuit de motorsloep gecommandeerd werd de man aan zijn lot over te laten.

 

Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden de mannen er na twee uur zwoegen alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en te water te laten. Officieel kon de sloep slechts 42 inzittenden bevatten, maar desondanks konden er toch wel 53 man mee en in een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. De riemen en het noodrantsoen waren helaas door de Nederlanders uit de boot verwijderd maar gelukkig lagen de mast en de zeilen er nog in. Velen waren vanaf het schip in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.

 

Tegen de avond van 19 januari 1942, rond half zeven, verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal zijn 411 onschuldige Duitse en Joodse gevangenen hierbij omgekomen. Een van hen was Otto Johann Ludwig Moszkowicz. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd!

 

Onder de slachtoffers bevonden zich naast de talrijke Joden ook enkele tientallen protestantse zendelingen, katholieke missionarissen, dominees en priesters, ook diverse bekende kunstenaars waaronder de kunstschilder Walter Spies en zelfs een groot aantal actieve en gepensioneerde KNIL-militairen en politie-ambtenaren, die al meer dan 20 jaar genaturaliseerd waren en trouwe dienst aan de koningin bewezen. Van al deze gevangenen kan derhalve moeilijk gezegd worden dat zij nazi's of gevaarlijke elementen geweest zouden zijn hetgeen hun gruwelijke dood zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de bemanning en de bewakers zichzelf in de reddingsboten in veiligheid hadden gebracht terwijl zij de aan hen toevertrouwde gevangenen keihard aan hun lot overlieten druist in tegen alle regels op zee. Tot op heden zijn de verantwoordelijken nooit berecht!

 

Dit verhaal zal ongetwijfeld nare herinneringen oproepen bij de lezers die bekend zijn met de koloniale geschiedenis van Nederland, want het lijkt wel een déjà vu. Op 1 januari 1738 verging in een onweer voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname het slavenschip Leusden van de West-Indische Compagnie, waarbij kapitein Outjes willens en wetens ruim 700 slaven, die benedendeks aan kettingen waren vastgeklonken, liet verdrinken terwijl hij zelf met zijn Nederlandse bemanning op de sloepen stapte en naar de wal vertrok. De kapitein durfde de slaven niet los te laten omdat hij bang was dat ze de bemanning op het zinkende schip zouden overmeesteren. Dezelfde reden gaf ook kapitein Hoeksema aan ten opzichte van de Duitse gevangenen op de Van Imhoff. Op 18 november 1737 vertrok de Leusden vanaf het Nederlandse Fort Elmina aan de kust van het huidige Ghana naar Suriname met honderden slaven aan boord. Benedendeks was het erg donker en benauwd en door het ontbreken van sanitaire voorzieningen stonk het daar verschrikkelijk. Het slavenruim van de Leusden was in twee lagen verdeeld zodat er meer slaven vervoerd konden worden. Hetzelfde principe werd 200 jaar later ook toegepast op het ruim van de Van Imhoff. Vandaar dat de kooien waarin de Duitsers opgesloten werden slechts één meter tien hoog en twee meter breed waren waardoor zij net als de slaven op de Leusden op elkaar gepakt als haringen in een ton zaten. Zowel de mannelijke alsook de vrouwelijke slaven waren naakt en twee aan twee aan elkaar geketend. Toen het slavenschip eind december 1737 zijn eindbestemming naderde kwam het voor de kust van Suriname in een noodweer terecht. De slaven zaten als ratten in de val toen de romp brak en water de ruimen binnen stroomde. Kapitein Outjes had namelijk de luiken dicht laten spijkeren om te voorkomen dat de slaven naar boven zouden komen, toch hoe hadden ze dat kunnen doen als ze vastgeketend waren? Zonder ook maar één vinger uit te steken om hen te redden liet de kapitein de sloepen strijken en vertrok met zijn bemanning. Ruim 700 onschuldige Afrikaanse slaven hebben deze scheepsramp niet overleefd en men moet zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze grootste tragedie uit de Nederlandse scheepvaarthistorie bijna 300 jaar lang in het moederland zelf vrijwel onbekend bleef. Het antwoord laat zich wel raden.

 

Terug naar de Van Imhoff. Ook de weinige overlevenden, in de beide booten en op de vlotten, die de volgende ochtend werden waargenomen door het KPM-schip Boelongan, mochten op uitdrukkelijk bevel van de Commandant Zeemacht niet gered worden. Daarom weigerde de kapitein om humanitaire hulp aan de drenkelingen te verlenen en gaf onder luid gemor van zijn eigen inlandse bemanning het bevel te vertrekken en de drenkelingen zonder water en voedsel aan hun lot over te laten. Hij beriep zich hiervoor op een geheime order van admiraal Helfrich. Een van de drenkelingen, de Duitse Jood Arno Schönmann uit Soerabaja, sprong van een vlot in het water en zwom het schip achterna. Een inlandse matroos, die medelijden toonde, gooide hem een werplijn toe. Schönmann probeerde daaraan omhoog te klimmen, werd daaraan echter gehinderd door de eerste stuurman en is achteraf verdronken. De vlotten dreven af en werden nooit teruggevonden. Ook twee inzittenden van de beide booten hebben het niet gehaald. Zo waren er uiteindelijk van de 477 geïnterneerde Duitsers nog slechts 65 overlevenden, die door de Nederlandse autoriteiten op het eiland Nias, waar zij enkele dagen later aanspoelden, opnieuw werden gevangengezet.

 

Uit de zeer geheime correspondentie uit 1942 tussen gouverneur Starkenborgh in Batavia en minister van Kleffens in Londen blijkt duidelijk dat het Van Imhoff-schandaal in Nederland al vanaf het begin angstvallig in de doofpot is gestopt. Het openbaar worden van de ware toedracht zou de autoriteiten tot de hoogste instanties zowel in Batavia alsook in Londen en later ook in Den Haag behoorlijk in verlegenheid gebracht hebben en moest dus koste wat het kost geheim gehouden worden. De bemanning en het bewakingsdetachement kregen reeds enkele dagen na hun aankomst in Padang het bevel de ware toedracht rondom het gebeurde met de Van lmhoff geheim te houden. In een telegram aan de Minister van Buitenlandse Zaken in London, de heer Eelco Nicolaas van Kleffens, schreef Starkenborgh op 1 februari 1942: “Daar vele geruchten reeds de omloop deden ook onder Duitsche vrouwen dat schip met geïnterneerden vergaan en aangezien het voorts ongewenscht is publicatie langer uit te stellen wegens kans eerder bericht buitenlandsche radio, is heden een korte verklaring uitgegeven dat een transport het voorwerp van Japansche actie is geworden welke een groot aantal slachtoffers heeft geëischt. Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk niets gezegd teneinde verkeerden indruk buitenland te vermijden.” Niettegenstaande deze poging om de ware toedracht te verbergen wisten enkele overlevenden vanaf het eiland Nias later toch een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen door te geven naar Duitsland.

 

Een klacht wegens moord, die een Duitse overlevende in 1953 tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff bij de Nederlandse justitie indiende, werd twee jaar later weliswaar in onderzoek genomen, maar resulteerde uiteindelijk 1958 in de conclusie dat er geen redenen waren om een strafvervolging in te stellen. Men beriep zich hiervoor o.a. op de ‘volledige’ scheepsverklaring, die kapitein H.J. Hoeksema op woensdag 4 februari 1942 samen met de vierde stuurman M.R. van der Sluis en de hoofdwerktuigkundige J. van der Ploeg aflegde voor de havenmeester van Batavia, de heer W.H. Morren  ten havenkantoor Tandjong Priok.

 

Ondanks de nadrukkelijke vermelding dat deze verklaring geheel overeenkomstig de waarheid en zonder bijvoeging of weglating van daadzaken zou zijn, roept het lezen van dit zeven A4-tjes tellende document toch wel enkele vragen op: De kapitein verklaarde dat de geïnterneerden goede ligging hadden in de daarvoor genoemde dekken, maar in hoeverre kan bij prikkeldraadkooien van 2 meter breed en 1 meter hoog van een goede ligging gesproken worden? De kapitein heeft samen met zijn bemanning en de militairen het zinkende schip verlaten terwijl daar nog honderden gevangenen in het ruim opgesloten waren, waarvan uiteindelijk 411 personen omkwamen die grotendeels gered hadden kunnen worden. In hoeverre kan hij dan beweren dat hij en zijn ondergeschikten zich aan hun verplichtingen hebben gehouden en steeds met de meeste zeemanschap hebben gehandeld? Een goede kapitein verlaat als laatste het zinkende schip! In zijn verklaring wil kapitein Hoeksema ons laten geloven, dat de reddingsboten allemaal vol waren en dat er voor de 477 geïnterneerden geen plaats was, hetgeen enerzijds betekent dat er al vanaf het begin geen rekening werd gehouden met een eventuele redding van de Duitse geïnterneerden, maar anderzijds spreekt hij zichzelf ook tegen. De Nederlanders beschikten over een motorsloep en vier gewone reddingssloepen met elk een minimale capaciteit van 42 inzittenden. Uit het feit dat er in de achtergelaten vijfde sloep uiteindelijk 53 man konden plaatsnemen blijkt, dat er ruim voldoende plaats was om een groot aantal drenkelingen te kunnen redden. De 84 bemanningsleden en 62 bewakers zaten dus heel uitgebreid in de sloepen terwijl er nog ruim 100 man erbij hadden gekund. Sowieso hadden ze de Joden mee moeten nemen, die in principe niet eens geïnterneerd hadden mogen worden. Wat de zwemmers betreft, die probeerden de reddingsboten te bereiken, heeft de kapitein het in zijn verslag weliswaar over een gewonde geïnterneerde, die in een van de sloepen werd meegenomen, maar hij verzuimde daarbij te vermelden, dat deze Duitser gewond raakte doordat er dwars door zijn hand geschoten werd bij zijn poging om aan boord van de boot te klimmen. Verder wordt in de verklaring de aanwezigheid van voldoende reddingsvesten en enkele reddingsmatrassen vermeld, maar wat hadden de drenkelingen eraan als zij door de haaien werden aangevallen en de Boelongan de volgende dag weigerde om de Duitse overlevenden aan boord te laten? Al deze vragen bleven tot op heden onbeantwoord.

 

In 1964 kreeg de cineast Dick Verkijk van Herman Wigbold van de VARA de opdracht om een documentaire over de Van Imhoff-affaire te maken voor de actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’. Vrij Nederland schreef op 1 februari 1969 met betrekking tot het feit dat de kapitein van het zinkende schip de gevangenen in het ruim aan hun lot overliet nadat hij zichzelf in veiligheid had gebracht: ‘Voor Wigbold stond vast dat er geweigerd is Duitsers te redden omdat zij Duitsers waren!’ Hoewel Justitie weigerde om gegevens hieromtrent aan Verkijk te verstrekken was hij er desalniettemin in geslaagd een nauwkeurige reportage over deze beschamende gebeurtenis te maken, die echter nooit is uitgezonden omdat de toenmalige televisiecommissaris Jan Willem Rengelink de uitzending botweg verboden had. Zo bleef de documentaire achter slot en grendel op de planken liggen en was later nergens meer te vinden. Gewoon spoorloos verdwenen! Wij kunnen er gerust van uit gaan, dat het ruwe materiaal vernietigd is. Een tweede documentaire van Verkijk over hetzelfde onderwerp, die wel aanzienlijk korter was dan de eerste, werd door de VARA-voorzitter Jaap Burger persoonlijk verboden, waarbij het niet uitgesloten is dat dit in overleg met de toenmalige regering gebeurde gezien het feit dat Jaap Burger onder Willem Drees oud-fractievoorzitter van de PvdA was.

 

Hoe dan ook, Dick Verkijk liet het er niet bij zitten en publiceerde de resultaten van zijn onderzoek op vrijdag 16 april 1965 in Het Parool, hetgeen nogal enige opschudding veroorzaakte. Naar aanleiding hiervan wijdde Der Spiegel op 22 december 1965 en 7 februari 1966 twee uitgebreide artikelen met foto’s en ooggetuigenverslagen aan de pogingen van zowel de VARA-leiding alsook van de Nederlandse autoriteiten het Van Imhoff-schandaal in de doofpot te stoppen. Dit had tot gevolg, dat de fractieleider van de PSP in de Tweede Kamer, Lankhorst, op 15 februari 1966 lastige vragen over deze affaire aan de toenmalige minister van Defensie Piet de Jong (Kabinet Cals) stelde. In zijn reactie wees de Jong op het onderzoek uit 1956 met het resultaat dat het ministerie van Buitenlandse Zaken de regering in Bonn destijds liet weten dat geen strafvervolging zou worden ingesteld. Ook in maart 1966 werd in de Eerste Kamer door de PSP, gesteund door de PvdA en de ARP, een voorloper van het CDA, op meer inlichtingen over de gebeurtenissen rondom de Van Imhoff aangedrongen. Minister De Jong gaf hierop de schriftelijke reactie, dat er geen onjuiste beslissingen waren genomen en dus geen grond aanwezig was voor een strafrechtelijke vervolging tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff. De Kamers kwamen daarna niet meer op het gebeurde terug en de discussie was gesloten.

 

Zo belandde de hele affaire opnieuw in de doofpot en werd door de latere publicaties van Van Heekeren en Bezemer slechts ten dele openbaar gemaakt. Tot op heden werd niemand verantwoordelijk gesteld voor de dood van 411 geïnterneerde Duitsers en Joden, waaronder Otto Moszkowicz, waardoor het Van Imhoff-schandaal nog steeds een zwarte bladzijde in de geschiedenis van maritiem Nederland zal blijven.

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf.

Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.

Lees verder…

Een Balinese nacht.

10897287281?profile=original Een Balinese nacht.

De nacht, niet alleen duisternis om je heen. Boven je wordt je voorzien van duizenden kleine lantaarntjes die je weg wijzen in het donker. Zwijgend staan ze aan de hemel, zo mysterieus en uitnodigend.

Op het pad voor je rent een gekko de weg over om van de ene schuilplaats naar de andere te gaan, zijn fortuin zoekend op een andere locatie.

Hij mag blij zijn dat het even stil is op de weg, want weldra zullen de vele kleine voertuigen weer hun eigendom eisen van deze zelfde weg.

De duizenden scootertjes, de vele taxi’s, de vele voetgangers met ieder hun eigen bestemming, sommigen haasten zich naar huis na een lange werkdag, anderen lopen te slenteren om te genieten van de exotische nacht die zo anders is als waar zij vandaan komen, dat verre land wat ze even gelaten hebben voor wat het is, vakantie heet dat.

De donkere schaduwen van de bamboe en de hoge bomen vertellen je dat het tijd is om jouw rustplaats op te zoeken zodat je hen de volgende dag weer in alle pracht en praal met hun kleuren van bladeren en bloemen in het zonlicht van de dag kunt bewonderen.

De nacht heeft niet alleen de stilte, naar gelang je jouw weg vervolgt kom je vele etensgeuren tegen die vanuit de vele restaurantjes aan de kant van de weg je tegemoet komen en jou uit  nodigen om deel te nemen aan het eetfestijn waar velen voor jou hun plaats reeds gevonden hebben en zich smakelijk te goed doen van de vele heerlijke gerechten.

Je loopt erlangs, want het is niet de bedoeling om deze nacht er deel aan te nemen, je hebt jouw deel reeds in de vroege avond gehad en je bent nu op weg naar de vele winkeltjes met hun koopwaar, en misschien kom je wel wat tegen wat je eigenlijk niet nodig hebt, maar gewoon als tastbare herinnering wil mee nemen naar huis, thuis zo ver hier vandaan en waar je nu even niet aan herinnerd wil worden.

Even verderop klinkt muziek vanuit een bar die je als een magneet trekt naar de plaats van waar het vandaan komt en voor je het weet zit je aan een tafeltje genietend van een lekker drankje te luisteren naar de klanken van de muziekinstrumenten die bespeeld worden door een paar lokale muzikanten.

Ach, het lijkt allemaal zo leuk, men speelt met het publiek, men lacht men zingt en men komt ook nog bij je aan tafel om een praatje met je te maken.

Het hoort erbij en het is hun dagelijkse werkritueel, avond aan avond, nacht na nacht, iedere keer zijn ze er met hun instrumenten, en iedere keer weer zingen ze het hoogste lied en jij, je luistert ernaar en mijmert gelukkig over de heerlijke tijd die je op het moment hebt. Het is alsof je nooit meer anders wil, nooit meer terug naar de wereld van haastige spoed zelden goed en de zinloze verplichtingen die daar, waar je jouw thuis hebt, zo belangrijk lijken.

Even wordt je herinnerd aan het feit dat je nog slechts enkele dagen hebt om hier te zijn en ook aan de lange terugreis naar huis, en je neemt je voor om van de laatste dagen nog even bewust intens te gaan genieten.

Dan raakt jouw drankje op en de muzikanten hebben hun dagelijkse taak volbracht en maken aanstalten om huiswaarts te keren, terug naar hun vrouw en gezin die op hun wachten.

Dan is het ook voor jou tijd om terug te gaan naar het hotel waar je tot rust komt om de volgende dag en nacht het avontuur weer aan te gaan.

Op de weg terug kom je de gekko van daarnet weer tegen, haastig rennend over de weg terug naar waar hij vandaan kwam eerder aan het begin van de avond. Blijkbaar heeft zijn nieuw stek niet hetgeen gebracht wat hij ervan verwacht had en even schiet het je te binnen dat ook voor hem geldt dat het gras groener blijkt bij de buurman.

Of zou hij niet welkom geweest zijn en is er een andere gekko die zijn jachtterrein niet zo maar wil delen met een ander? Je weet het niet, en de gekko zal jou het antwoord niet geven. Geheimzinnig kijkt hij je in het voorbijgaan aan en verdwijnt dan in het nachtelijk struikgewas aan de kant van de weg.

Aan de ander kant van de weg roept een man en wenkt je uitnodigend om gebruik te maken van zijn taxi, hopende dat je deze avond kan zorgen voor wat inkomen zodat zijn gezin weer wat te eten heeft. Tegelijkertijd komt er naast je een andere taxi rijdend voorbij, toeterend om aandacht vragend en je besluit gemakshalve om in te stappen, de andere taxi man teleurstellend achter te laten.

In je hotelkamer kijk je via het raam nog even de nacht in, de schaduwen van de bomen tegen de sterrenhemel zijn het laatste beeld van de nacht voor je jouw ogen sluit om verder te dromen van alle mooie dagen die nog in het verschiet liggen.

De nacht is voorbij, een van de vele zwoele en romantische nachten op Bali, het tropen paradijs.

Albert van prehn.  9 mei 2014. (I.C.M)

Lees verder…

10897284268?profile=original Verzwegen drama , 

Duitse Joden waren ook in Nederlands-Indië niet veilig,  

door Werner Stauder

 

Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers.

 

Tijdens de recherches voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt.

Talrijke Joden waren in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk ontvlucht en hadden zich in Nederlands-Indië gevestigd omdat zij dachten daar onder Nederlandse bescherming een veilig heenkomen te hebben gevonden. Zij kwamen echter van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de vervolging door de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het kawat (prikkeldraad). Velen van hen hebben het niet overleefd.

Op 19 januari 1942 voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Momenteel werk ik aan een boek over de tragische dood van 411 onschuldige Duitse burgergevangenen, onder wie vele Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hoger hand willens en wetens heeft laten verdrinken.

Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, op 10 mei 1940 te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitsland en Oostenrijk afkomstige Joden.

Dat ook deze Joodse vluchtelingen, die zich juist in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren.

Velen van hen werden opgesloten in de cellen van het beruchte Fort Ngawi, anderen werden naar het eiland Onrust gebracht. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden.

In augustus 1940 werden alle gevangenen overgebracht naar een groot verzamelkamp op Sumatra en volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Blok E was het ‘Jodenblok’.

Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten de Duitse en Joodse gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. Zij werden overgebracht naar de havenstad Sibolga, van waaruit op 29 december 1941 het eerste transport vertrok met de KPM’er Ophir. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd gevangenen en op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport met 478 gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff.

Tot deze laatste groep behoorden ook de Joden van Blok E wier namen met L tot en met Z begonnen. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië waren aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? En waarom was dit schip niet als gevangenentransport aangemerkt?

Omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door een van de bommen scheurde de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het langzaam begon te zinken. Toen het schip tegen één uur slagzij begon te maken, werd de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen, omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.

Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden.

Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden zij er alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en met 53 man te water te laten. In een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. Velen waren in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.

Tegen de avond verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal kwamen 411 gevangenen om. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd.

  

 

Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf. Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.

Lees verder…

Postume eer KNIL-militair

10897279473?profile=originalExclusieve artikelen van de Telegraaf redactie
Locoburgemeester Boudewijn Revis (l.) en Carel van der Vecht junior.
do 08 mei 2014, 05:30

Dappere officier krijgt alsnog onderscheiding

Postume eer KNIL-militair

Jeroen Ketelaars

DEN HAAG - 

Bijna zeventig jaar nadat hij door Indonesische extremisten werd mishandeld en vermoord, kreeg militair Carel van der Vecht gisteren in Den Haag alsnog het Mobilisatie-Oorlogskruis toegekend.

Voor de familie van de dappere beroepsofficier van het toenmalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) is de postume onderscheiding een warme huldeblijk voor zijn moedige daden. „Het is grandioos. De erkenning voor wat mijn vader heeft gedaan, daar was het ons om te doen”, zegt zoon Carel van der Vecht junior. „Nu kunnen we de gebeurtenissen eindelijk een plekje geven.”

Jarenlang wisten de nabestaanden van de militair niet wat er met hem was gebeurd. Pas recent kwam daarover duidelijkheid: Van der Vecht werd op 13 november 1945 genadeloos mishandeld en doodgeschoten.

Carel van der Vecht was in 1913 in Nederlands-Indië geboren. Hij studeerde aan de KMA in Breda en trad daarna toe tot het KNIL. In 1942 werd hij krijgsgevangene van de Japanners. Na de Japanse capitulatie volgde een chaotische periode in Indonesië waarin nationalistische extremisten dood en verderf zaaiden.

Lees verder op http://www.telegraaf.nl/premium/feed/krantart/krantart_denhaag/22599569/__Postume_eer_KNIL-militair__.html

Lees verder…

10897281895?profile=originalOPGEVANGEN KINDEREN NOG ALTIJD ÉÉN GROTE FAMILIE

Boek over leven Pa van der Steur door Jeroen Ketelaars

 

Telegraaf DEN HAAG, donderdag

De Stichting Tong Tong uit Den Haag gaat een boek uitgeven over Johannes van der Steur, die zich in toenmalig Nederlands-Indië ontfermde over duizenden kinderen. Voor de uitgave is schrijfster Vilan van de Loo nog op zoek naar ’Steurtjes’, zoals de vroegere bewonertjes van de tehuizen liefdevol genoemd worden.

„Een hoop hebben zich aangesloten bij de Bond van Oud-Steurtjes, maar zeker niet allemaal”, vertelt Van de Loo, die momenteel bezig is met het doornemen van meters aan archiefmateriaal. Dat zoveel mannen en vrouwen die vroeger in een tehuis van Van der Steur woonden, zich in één organisatie verenigd hebben, zegt iets over de onderlinge band. Niet voor niets staat de grondlegger van de organisatie dan ook beter bekend als ’Pa van der Steur’. „Hij heeft de kinderen altijd het gevoel meegegeven dat zij samen een gezin vormden. En hoewel ’pa’ er niet meer is, willen velen het familiegevoel in stand houden.”

Zendeling

De in 1865 geboren zendeling Johannes van der Steur arriveerde in 1893 in wat toen nog Nederlands-Indië heette. Daar zou hij onder de militairen gaan werken, maar hoewel hij hun altijd pastorale zorg is blijven verlenen, ging hij zich ook toeleggen op de zorg voor kinderen.

Aanvankelijk werden er slechts vier ondergebracht in het militaire tehuis, maar uiteindelijk kwam er een eigen terrein van de grond. „Daar bevonden zich een jongenstehuis, een meisjestehuis, een kerk, een kerkhof en werkplaatsen waar de kinderen met hun handen leerden werken”, aldus Van de Loo. „Het groeide uit tot een imperium.”

Pa van der Steur, die later bijgestaan werd door onder anderen zijn zus Marie, zorgde ervoor dat ’zijn’ pakweg 7000 kinderen liefde, aandacht en structuur kregen. Ze werden opgevoed in een warme, maar ook gedisciplineerde omgeving. „De Steurtjes waren doorzetters. Ze hielden van aanpakken en doorzetten. Veel van hen zijn dan ook goed terechtgekomen.”

Het boek moet volgend jaar verschijnen, zeventig jaar na het overlijden van de ’vader’ van die grote familie, die zich ook nog eens inzette voor veteranen. Tijdens de aanstaande Tong Tong Fair, die op 29 mei op het Malieveld van start gaat, wijdt Van de Loo in ieder geval één talkshow aan Pa van der Steur.

Lees verder…
10897287071?profile=originalICM stelde voor deze week de speellijst van video's voor uw samen dit keer thema pasar malam:
 
VOOR MEER  VIDEO REPORTAGES http://icmonline.ning.com/video/ 
Voor Pasar Malam Online Sfeer dvd bestel@icm-online.nl 
 
Lees verder…

10897286674?profile=originalVerkrachte Indonesische vrouw krijgt mogelijk stokslagen

Een 25-jarige Indonesische vrouw die door een groep mannen werd verkracht als vergelding voor buitenechtelijke seks, krijgt mogelijk stokslagen.

Foto:  AFP

Dat meldt persbureau AP. Het slachtoffer heeft volgens de lokale autoriteiten de islamitische wetgeving overtreden en moet daarom publiekelijk gestraft worden. 

De vrouw zou in haar eigen huis door acht mannen zijn verkracht toen zij haar betrapten terwijl zij seks had met een getrouwde man. Het tweetal werd met uitwerpselen besmeurd en de man werd in elkaar geslagen. Vervolgens droegen de acht mannen hen over aan de islamitische politie in de conservatieve provincie Atjeh. 

Het hoofd van de Shariawetgeving in het district, Ibrahim Latief, verklaarde woensdag dat zowel de man als de vrouw negen stokslagen moeten krijgen voor het overtreden van de geloofswet. 

De mannen die verantwoordelijk worden gehouden voor de verkrachting hangt een gevangenisstraf tot vijftien jaar boven het hoofd.

Door: NU.nl
Lees verder…

De 4 mei herdenkingen met een Indisch tintje.

10897283681?profile=original                                             

10897262476?profile=original

10897239901?profile=originalDe 4 mei herdenkingen met een Indisch tintje.

Achter de ICM schermen hebben veel ijverigen het comité 4 en 5 benadert, per mail, telefonisch of zelfs persoonlijk. Juist uit een hoek waar men het niet van verwacht. Het ICM virus begint overal zich te nestelen, alleen al een goede zaak.

Eindelijk wordt in 1 adem ook Nederlands Indie genoemd. Het besef begint te komen dat Nederland en Indie 1 geschiedenis vormen dat al eerder in oktober 2009  door PvdA ''er Marijke van Dijke deze befaamde woorden over haar lippen kreeg. "Het is onze gemeenschappelijke geschiedenis!".

 

Uiteraard had ik verwacht dat een voordracht over Nederlandse Indie kwam van Adriaan van Dis of van Hans Vervoort. Dat is dit jaar nog een brug te ver kennlijk, maar wie weet, misschien volgend jaar.

 

Al heel snel werden mijn gevoelens gecompenseerd toen broederlijk Mark Rutte en Martin van Rijn de Indie kranslegging legden. Bij mij de gedachte opkwam: Martin die Indische zaak komt goed, schiet wel beetje op, de tijd dringt": aldus Mark Rutte.

Wilt U het comité 4 en 5 bedanken voor hun inspanning dat kan.

Zaterdag  31 mei bij de  presentatie van "Liefde als ruwe diamant"  in samenwerking met Indisch Platform en Nationaal Comité 4 en 5 mei bij Galerie Korpershoek in Nieuw Leusen zie http://icmonline.ning.com/profiles/blogs/zaterdag-31-met-presentatie-van-liefde-als-ruwe-diamant-ism

Lees verder…

Specerijen van Indonesië: Kaneel

10897285660?profile=originalSpecerijen van Indonesië:                 Kaneel

Kaneel is een van de vier zogenaamde fijne specerijen die al vrijwel vanaf het begin van de VOC tot de vaste handelswaar behoorden. Overal ter wereld wordt kaneel gebruikt als keukenspecerij. In veel Aziatische landen, met name in China, wordt kaneel reeds duizenden jaren gebruikt als geneesmiddel. Rond 2800 jaar v. Chr. Wordt het al genoemd in het kruidenboek van de Chinese keizer Shennung en ook in het oude Egypte en in andere streken in het Midden Oosten was kaneel al bekend.

Foto - De kaneelboom, waarvan de binnenbast van de jonge scheuten gebruikt worden

Vaak werd hei daar gebruikt in parfums. In India wordt het veelvuldig toegevoegd aan het mengsel waarvan wierook wordt gemaakt. Ook in de Bijbel wordt kaneel genoemd en zo hoog gewaardeerd dat het als een waardig geschenk aan koningen en andere hoogwaaardigheids-bekleders wordt gegeven. Ook werd het in de tijden van Mozes gebruikt als toevoeging aan zalfolie voor de Tabernakel (Exodus 30: 23-25).

In oude geneeskunsten werd kaneel vooral gebruikt als stimulerend middel bij de spijs-vertering en darmverstoppingen. Ook bij nierproblemen en bij aandoeningen aan de urinewegen werd het vaak met succes toegepast. Kaneel is vanouds een medicinaal toevoegingsmiddel dat de levensvitaliteit sterk verhoogt.

10897285686?profile=originalfoto - Kaneel voordat het gedroogd is

Onderzoeken hebben aangetoond dat kaneel tevens een belangrijk middel is bij de bestrijding van kankerweefsel en stopt het de vermeerdering van schadelijke bacteriën in het lichaam. Omdat in kaneel ook conserverende stoffen zitten, kan het in het lichaam helpen tegen ziektes die met schimmelvormingen te maken hebben, zoals ‘candida’. Op het moment wordt er uitgebreid onderzoek gedaan naar de relatie van kaneel tot diabetes. Men heeft

 

 

 

 

 

 

 

10897286275?profile=original foto -Oude prent van arbeiders bezig met het “schillen” van de kaneel

al ontdekt dat stoffen die in kaneel zitten, de vorming van hoge bloedsuikers tegengaan. Aan de universiteit van Kopenhagen wordt onderzocht dat kaneel een belangrijke bijdrage levert aan pijnbestrijding bij artrose. Men heeft geconstateerd dat bij gebruik van kaneel in combinatie met honing door bijvoorbeeld yoghurt of muesli, de pijneffecten bij artrose na een week bijna verdwenen zijn. In veel andere landen, waaronder in Nederland, wordt artrosepatiënten verteld dat ze “er maar mee moeten leren leven.....” en worden pijnstillers voorgeschreven. In Canada is ontdekt dat gebruik van kaneel in dagelijkse gerechten bijdraagt aan

10897286066?profile=originalfoto Kaneel in pijpjes en als poeder

verbetering van het geheugen en de concentratie bij kinderen. Al met al kan gerust worden beweerd dat kaneel een “superspecerij” is, waarvan de werking nog niet half is ontdekt. Weliswaar is kaneel tegenwoordig ook als supplement verkrijgbaar, maar dat streeft waarschijnlijk zijn doel voorbij. Het is namelijk nog niet aangetoond dat dit werkzaam is. In ieder geval wordt zwangere vrouwen afgeraden om dit als supplement te gebruiken en om kaneel in beperkte mate bij de bereiding van het dagelijkse eten te gebruiken.

De kaneelboom groeit uitsluitend in een tropisch klimaat en dan ook nog liefst in de kuststreken. De boom wordt twee tot drie keer per jaar gesnoeid en daarbij voorkomt men dat de boom te hoog wordt, wat de oogst bemoeilijkt. Als de boom zeven jaar oud is, kan hij voor het eerst worden “geschild”. Van de ca. 2 meter lange scheuten wordt de bast afgestroopt, waarbij de binnenbast van het schors gescheiden wordt. Die binnenbast rolt zich hierbij vanzelf op en wordt gedroogd. Bij het drogen verkleurt het van lichtgroen naar lichtbruin. De kaneelboom komt van nature voor in het kustgebied van Ceylon (nu: SriLanka). In de 16e eeuw werden deze gebieden veroverd door de Portugezen. Samen met de inheemse bevolking verdreef de VOC medio de 17e eeuw de Portugezen en voegden het toe aan het handels-monopoly van de Compagnie.

In de keuken wordt kaneel veel gebruikt als smaakmaker in zoete gerechten, zoals gebak en snoep-waren. De combinatie appel en kaneel, zoals bijvoorbeeld in een appeltaart is niet meer weg te denken. Ook het gebruik van kaneel in koffiesoorten (met name mokka) en in kruidenthee is bekend. In India en in de landen rond de Middellandse Zee wordt kaneel veel gebruikt bij het kruiden van vlees, vleeswaren en groentegerechten. Het is tevens een onderdeel van de meeste kerrie- en massalasoorten en vormt samen met komijn de ideale smaakcombinatie.

f10897286075?profile=originaloto -De combinatie van honing en kaneel heeft een geneeskrachtige werking

De VOC ontving jaarlijks tussen de 0,6 en 1 miljoen pons kaneel. Het merendeel hiervan werd afgezet in Europa. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bracht kaneel tussen de 2 en 3 gulden per pond op, wat in de 18e eeuw uiteindelijk opliep tot 8 à 9 gulden per pond. Men noteerde in de boeken als inkoopprijs: 25 cent per pond. De Heren van de VOC legden de vorstendommen van Ceylon een “schatting” op en dat garandeerde een levering van zo’n 125 ton kaneel per jaar in het begin. In 1796 werd Ceylon veroverd door de Engelsen en richtte de VOC zich nood-gedwongen tot het aanleggen   van uitgebreide plantages in Indonesië, waar de kaneelboom bijzonder goed gedijde en liep de totale oogst op naar ongeveer 8000 ton per jaar.       

______________________ 

Lees verder…

Het verhaal van Eddy Samson Humphrey de la Croix

10897279684?profile=originalHet verhaal van Eddy Samson  Humphrey de la Croix

foto -Eddy Samson thuis in 2012

De geschiedbeoefening over Indische Nederlanders vindt voornamelijk plaats dáár waar de meesten van hen wonen: in Nederland en Noord-Amerika. Er zijn mensen die dat in het perspectief van een Indische diaspora plaatsen. We mogen gelukkig constateren dat in de laatste 25 jaar de productie van geschiedenisboeken en het aantal films en documentaires over de geschiedenis van Indische Nederlanders flink is gegroeid.
De aandacht voor Indo’s die er niet in zijn geslaagd te repatriëren of gekozen hebben in Indonesië te blijven, is echter achtergebleven. De banden met Nederland zijn altijd gebleven, niet altijd via familie of vrienden maar ook mentaal. Indo’s zullen zich ook altijd Nederlander blijven voelen.

Eddy Samson is op 3 april 1934 in de Boomstraat in Surabaya geboren uit een Indische vader en een Menadonese moeder. Vader was Johannes Alexander Samson


(Madiun 1907) en moeder de Menadonese Femina Korang. Hij vertelt dat zijn familie ook een gedeeltelijk Portugese oorsprong heeft. De overgrootvader van vaderszijde was een volbloed Portugees, die een Molukse vrouw trouwde. Opa van vaders kant was gehuwd met Augustien Abels, een totok.
Eddy Samson is getrouwd met een Indonesische en heeft vier kinderen, Fabian, Febe Augustien, Johannes en Eduard. Hij is in Surabaya opgegroeid in de Boomstraat, de huidige Jalan Brambangan. Vader Samson was vóór de oorlog ambtenaar bij de Staatsspoorwegen. Eddy Samson’s komt met al die gemengde relaties uit een echte Indo-familie.

De oorlogsjaren

Toen de oorlog Nederlands-Indië had bereikt, was zijn vader Johannes ingedeeld bij de Luchtbeschermingsdientst (LBD). Na de capitulatie in maart 1942 kwam hij terecht in de Jaarmarktgevangenis, waar hij twee jaar zou zitten. Daarna lieten de Japanners hem “vrij”, dat wil zeggen: hij moest spoorwegen gaan aanleggen. Dat zou duren tot half 1945, niet lang voordat de

10897280284?profile=originalfoto- Het vlagincident op 19 september 1945

oorlog zou eindigen. De jonge Eddy zat toen met moeder in    een huis aan de Jalan Kendjeran, de dienstwoning van zijn vader.
Voor Eddy was de Japanse tijd de eerste grote ingreep in zijn leven: de school werd bijna vier jaar onderbroken, de toekomst en eigen leven waren onzeker geworden, en het gezin ondervond een zeer aanzienlijke materiële achteruitgang omdat bezittingen moesten worden verkocht om te overleven.

Bersiap en Indonesische vrijheidsstrijd

Eddy vertelt al snel over de Bersiap-tijd die direct aansloot op het einde van de oorlog. Hij zegt dat de pemoeda’s, de jonge revolutionairen, zijn vader op een dag opwachtten om hem aan te spreken op zijn werk dat hij voor de Japanners had gedaan en op het feit dat hij in 1945 vóór hun capitulatie was vrijgelaten. Eddy merkt op dat deze pemoeda’s vóór de oorlog bij de spoorwegen, de ondergeschikten waren van zijn vader. Hij maakt hier de toespeling op persoonlijke rancune en afrekening als motieven voor hun optreden. Dus niet zozeer gedreven door het ideaal van de onafhankelijkheid. De 12-jarige Eddy heeft meegemaakt dat zijn ouders door pemoeda’s werden afgeranseld.
In die roerige tijd vertrokken Eddy’s moeder en de kinderen naar Tambaksari, waar hij voorheen ooit op school had gezeten. De wijk was een buurt waar veel Indo’s , Menadonezen en Molukkers zaten. Moeder heeft toen gewerkt in een gaarkeuken van een opvangkamp voor Nederlandse en Indische ex-krijgsgevangenen en burgers die geen huis meer hadden of in afwachting waren van een verhuizing of een gezins-hereniging. De wijk stond onder bewaking van pemoeda’s. Op een dag   gelastten   dezen   de  in  de keuken werkzame vrouwen te evacueren en ze zouden via Mojokerto westwaarts richting Jombang gaan. Meerdere Indo-families werden toen geëvacueerd. Eddy herinnert zich dat een familie Soemobito daartoe behoorde en een van zijn tantes. Omdat Eddy tijdens de werkuren van zijn moede meestal ging rondzwerven in de stad, was hij op het moment van de evacuatie gescheiden van zijn moeder. Hij wist niet waar ze was toen hij haar aan het eind van de dag weer opzocht. Dit kwam echter goed omdat het transport niet meer is doorgegaan.

Tijdens een van zijn zwerftochten door Surabaya kwam Eddy Samson op 19 september 1945 terecht in het centrum van de stad, in Tunjungan. Samen met een groep jongens uit allerlei hoeken van de stad, waren ze op zoek naar andere vrienden. Ze stonden op een gegeven moment voor het gebouw van de vrijmetselaarsloge De Vriendschap. Daar kwamen ze vaak omdat het tijdelijk in gebruik was als opvangkamp en er veel Indo’s en Nederlanders zaten. Eddy werd er getuige van de gebeurtenis die later bekend is geworden als het vlagincident. Op dat moment haalden Indonesiërs op het dak van het Oranje Hotel, toen nog met de Japanse naam Yamato Hotel, de Nederlandse vlag naar beneden. Ze scheurden de blauwe baan eraf en hesen de vlag als de Indonesische rood-witte.

10897280677?profile=originalDe “Rode Brug” (Jembatan Merah) waar in oktober 1945 heel veel Indonesiërs en Britten omkwamen in de Slag om Surabaya

In het gebouw De Vriendschap logeerden op dat moment Nederlandse en Engelse paratroepers én mr. Willem Ploegman. Deze voorzitter van de afdeling Surabaya van het Indo-Europees Verbond stond op de nominatie de eerste Indische burgemeester van de stad te worden. Ploegman zag de revolutionaire Indonesiërs de vlag strijken en wilde hen beletten de vlag te schenden en stak de straat over richting het hotel. Eddy Samson vertelt dat de straat intussen was volgelopen met pemoeda’s en andere Indonesiërs, die met genoegen het tafereel meemaakten. Toen gebeurde het snel: Ploegman werd vanuit de massa mensen neergestoken door iemand met een bajonet. Eddy Samson zag hem ineenzijgen. Indische jongens die in De Vriendschap waren, kwamen snel naar buiten en tilden het lichaam van Ploegman op en brachten het naar binnen. Het bleek dat het slachtoffer op dat moment nog leefde, hij ademde zichtbaar. Hij werd per auto getransporteerd naar de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting aan de Jalan Simpang. Mr. Ploegman zou onder

zijn verwondingen bezwijken. Het vlagincident zou in oktober en november worden gevolgd door veel gewelddadiger en heftiger momenten van een nieuw uitgebroken oorlog.

De slag om Surabaya

Achterom kijkend zegt Eddy Samson dat hij en andere jongens erg roekeloos zijn geweest en niet bewust van de risico’s die ze als Indo liepen. Soms was er een handgemeen met intimiderende Indonesiërs, maar bang is hij niet geweest. In ieder geval heeft hij de gewelddadige en dramatische gebeurtenissen van oktober en november 1945 van dichtbij meegemaakt. Zo herinnert hij zich de komst van de Britse Ghurka-militairen in de loop van oktober en de strijd die ze meteen moesten leveren tegen de pemoeda’s die de stad hadden bezet toen er na de Japanse capitulatie een machtsvacuüm  was ontstaan. Naast beschietingen met kanonnen en tanks, bombardeerden de Engelsen de stad vanuit de lucht. Het was ook echt oorlog. De pemoeda’s werden nog een geduchte tegenstander omdat ze erin slaagden de Japanners te ontwapenen en hun magazijnen in bezit te nemen. In diezelfde maand was er voor Eddy Samson ook goed nieuws: vader was weer terug en het gezin herenigde zich in het zogeheten B-kamp in de havenwijk Perak.
Op 26 oktober 1945 bereikte Brigade-generaal A.W.S. Mallaby met de gouverneur Suryo van Surabaya een overeenkomst over een bestand. Een belangrijk onderdeel ervan was dat de Indonesiërs niet zou worden gevraagd hun wapens over te dragen. Echter, als gevolg van een misverstand tussen Mallaby in Surabaya en generaal Christison in Jakarta, strooiden de Britten op 27 oktober per vliegtuig folders boven de stad uit waarin juist stond die wapens te overhandigen. De Indonesiërs voelden zich verraden en het bestand liep gevaar. Brigade-generaal Mallaby was zich dat niet bewust en op 30 oktober ging hij zelf de stad rond om het bestand kenbaar te maken. Aangekomen bij de later geheten Rode Brug, Jembatan Merah, stuitte hij op revolutionairen. Daar is Mallaby omgekomen in nogal onduidelijke omstandigheden.
De Engelsen zijn als reactie daarop 10 november 1945 een offensief begonnen met inzet van schepen, vliegtuigen, tanks en extra troepen. De stad werd binnen drie dagen ingenomen, gevechten zouden nog drie weken duren. Voor Indonesiërs is ondanks de nederlaag Surabaya de stad van de helden geworden. Monumenten en beelden op verschillende plekken in de stad houden de herinnering overeind.

10897281261?profile=originalFoto -Het gebouw van de Sociéteit “De Vriendschap”

Evacuatie naar Menado

De Nederlandse regering adviseerde Indo’s en Nederlanders aan naar Nederland te gaan om   in een veilige omgeving bij te komen. Eddy’s vader had daar wel oren naar, maar moeder wilde liever richting de familie in Menado. Eind 1945 vertrekt het gezin daarheen om na een jaar weer terug te keren in Surabaya. Vader kon in Menado aan de slag op het belastingkantoor, zodat hij ondanks de staat waarin de (voormalige) kolonie zich bevond zijn gezin kon onderhouden. Eddy ging weer naar school en kwam in de zogenaamde voorklas terecht, die hem moest voorbereiden verder te gaan op de MULO.

Terug naar Surabaya

Vader kon weer werken bij zijn oude werkgever de Staatsspoorwegen. Eddy kreeg de kans naar de zogeheten Herstel-MULO te gaan. Dit onderwijs heette zo omdat er na de onderbreking door de oorlog in het curriculum aansluiting moest worden gezocht naar het lesprogramma zoals dat tot de Japanse bezettingstijd eruit zag. Eddy zat op de Moendoeschool in Tamansari en behaalde al in 1947 het diploma van de MULO. In 1950 wilde hij naar de HBS op de Soerabaja School Vereniging, locatie Gentengkali-Zuid. Hij heeft daar twee jaar op gezeten en doubleerde. Een diploma halen lukte ook niet omdat de school na de soevereiniteitsoverdracht niet meer open ging. Voor Nederlands onderwijs was er geen plek meer in de jonge republiek, die de herinneringen aan de koloniale periode leek te willen wissen.

Na 1950 als burger van Indonesië én Indo

In 1951 slaagde Eddy erin bij het handelshuis Lindeteves-Stokvis NV te werken als volontair, terwijl hij ook nog school volgde. Dat zou hij één jaar doen. Het kunnen verdienen van geld was een nieuwe gewaarwording. Inkomen betekende meer vrijheid, leuke dingen doen en interessante mensen ontmoeten. Vader zou tot 1957 bij de Staatsspoorwegen werken voordat de Indonesiërs het bedrijf nationaliseerden. Eddy ging na Lindeteves naar de tweejarige zeevaartschool in zijn eigen Soerabaja en behaalde het diploma “Indonesische Kleine Vaart”. Als leerling-stuurman werkte hij van 1952 tot 1953 bij de Nederlandse rederij KPM (Koninklijke Pakketvaart Mij). Vanaf 1954 stapte hij over naar de Nederlandse Handelsmaatschappij om van 1955 tot 1962 te werken bij  veembedrijf Strohoedenveem.

In Indonesië blijven of naar Nederland?

In de jaren vijftig had vader Samson zijn paspoort ingeleverd ten gunste van de Indonesische nationaliteit, de warga negara. Reden hiervoor was dat hij daarmee zijn opgebouwd pensioen zou kunnen behouden. Eddy begrijpt de beslissing van zijn vader, maar heeft moeite met de consequenties. Zijn redenering is dat hij als minderjarige niet kon en mocht meebeslissen over zijn eigen lot. In de optieverklaring had zijn vader de namen van zijn vrouw en zoon Eddy niet genoemd. Eddy meent dat dit een onrechtvaardigheid is die zijn lot heeft bepaald om in Indonesië te moeten blijven, ook al was hij toen nog minderjarig. Het Indonesische burgerschap leek een goede keuze omdat Nederland en Indonesië een solide overdracht hadden geregeld. Maar al zeer snel wilde Indonesië diverse afspraken niet nakomen. Alles wat Nederlands was raakte min of meer verdacht.

Eerst werd onderwijs alleen in   het Indonesisch toegestaan, vervolgens werden vrijwel alle (Indo) Europeanen dwarsgezeten, geïntimideerd en bedreigd met verlies van hun baan of gewoonweg fysiek. Sociaal-economisch ging het intussen achteruit met het land. De voormalige kolonisator werd de zondebok en Nieuw-Guinea nog onder Nederlands bestuur, werd de aanleiding om een breuk        te forceren. In 1957 werden     alle Nederlandse ondernemingen genationaliseerd en vervolgens Indo’s en Nederlanders letterlijk weggejaagd.

De jaren zestig in Indonesië

De periode 1957 tot 1967 was volgens Eddy Samson een heel moeilijke. Indo’s werden er op aangekeken Nederlanders te zijn en werden daarom tegengewerkt. Banen moesten worden afgestaan ten gunste van Indonesiërs, scholen werden gesloten en het was verboden Nederlands te spreken. Daarbij kwam nog dat het eind jaren vijftig moeilijk was om werk te vinden. In de praktijk kon Eddy Samson dat oplossen door zwart aan het werk te gaan als o.a. chauffeur of losse werkkracht bij allerlei werkgevers en bedrijfjes.

10897281477?profile=originalFoto- Gebouw van  “Lindevetes-Stikvis”, waar Eddy Samson in de jaren 1951-1952 heeft gewerkt

Deze situatie duurde tot ongeveer 1967. Op de vraag wat het jaar 1965 betekende toen Soeharto de macht van Soekarno overnam en de Nieuwe Orde, Orde Baru, vestigde, antwoordt Eddy Samson dat iedereen gedwongen werd het land van communisten te zuiveren.                                         Met name betekende dat een extra in de gaten houden van   alle Chinezen omdat men veronderstelde dat zij loyaal waren tegenover de nieuwe Volksrepubliek. Het was een gevaarlijke periode omdat je niet wist of iemand jou kon aangeven of je nu communist was of niet. Angst en wantrouwen maakten het leven onaangenaam. Je kon het beste niet tegen de heersende machten in te gaan.

De wens te vertrekken, maar nooit toegelaten tot Nederland

Vanaf de vroege jaren vijftig begon Eddy Samson zich al minder prettig te voelen in Indonesië. Hij heeft in 1950 en 1951 pogingen gedaan om als verstekeling naar Nederland te reizen. Eerder, in 1945 en zonder dat zijn ouders het wisten had hij dat ook al geprobeerd. Het zien vertrekken van Indische kennissen en vrienden in de gewelddadige en angstige maanden na 17 augustus 1945, had bij hem ook een verlangen gewekt eens te zien wat Nederland nu voor een land was. Hij zag de schepen gaan waarop hij ook wilde meevaren. En dat deed hij ook op de Zuiderkruis toen hij zich aansloot bij een groep Indo’s die gingen vertrekken. Maar verder dan Singapore kwam hij niet; nadat de douane hem ontdekte werd hij op een vrachtboot retour Surabaya gezet. De tweede poging in 1947 met de Johan van Oldenbarnevelt eindigde opnieuw in Singapore. Eddy Samson zegt te zijn verraden, maar weet niet door wie. Het driemaal is scheepsrecht kwam niet uit in 1951.

Aangemonsterd als werknemer-volontair wederom met een groep Indo’s, volgde dezelfde afgang als de voorgaande twee keer.
Eddy Samson besloot in de jaren zestig de officiële weg te bewandelen met het aanvragen van een visum voor Nederland. Op de eerste en tweede aanvraag in respectievelijk 1957 en 1960 kreeg hij afwijzingen. Op zijn smeekbrief van 1963 direct gericht aan de koningin kreeg hij in 1966 een afwijzend besluit. De redenen van afwijzing zijn hem nooit duidelijk geworden. Hierna heeft Eddy Samson zich erbij neergelegd. “Sudah, ik denk dat het geluk wat dat betreft niet voor mij is weggelegd”. Wilde hij dan zo graag een Nederlander zijn? Nee, dat was niet zozeer het punt. Hij is kind van beide culturen en landen. Eddy Samson voelt zich een Indo, houdt van Indonesië maar ook van Nederland, het verre land dat zijn leven mede heeft bepaald en dat hij ook altijd zelf wilde ervaren als inwoner. Die historische verbondenheid met Nederland voelt hij als een deel van zichzelf en zal er altijd blijven. Bij zijn kinderen en kleinkinderen ligt dat anders. Zij voelen zich geen Indo maar zijn zich bewust van hun afkomst.

10897281295?profile=originalfoto -Eddy Samson thuis: portretten van “zijn” drie koninginnen aan de muur

Indonesië in de jaren zestig

Langzaam maar zeker werd Indonesië een stabiel land, al was dat als gevolg van een harde dictatuur en een keihard optredend leger. In 1968 herstelden de diplomatieke betrekkingen met voormalig kolonisator Nederland. Eddy Samson ging het intussen ook beter. In 1970 was hij in dienst van Tegra (Teeuwen Graanhandel) dat gevestigd was in Nederland, in het Noord-Brabantse Rijen. Het bedrijf was op zoek naar een Nederlands sprekende opkoper van caplex (voederproduct op basis van gedroogde cassave). Eddy Samson bleek over de kwalificaties te beschikken en hij werd de tussenpersoon voor Tegra in Indonesië. Het salaris was goed en hij had een leuke baan waarin hij succesvol was. In 1972 besloot hij toch iets anders te gaan doen en koos voor een bestaan op zee. De drang om Nederland toch ooit te zien bleek te groot. Hij is toen wel in Rotterdam aangekomen, maar mocht niet van boord omdat hij geen visum had. Wél heeft hij de Hollandse duinen gezien en kanalen, veel en grote kanalen (waarschijnlijk bedoelde hij de Nieuwe Waterweg) voordat het schip kon aanleggen. De vaderlandse bodem was toen héél dichtbij.

Na Nederland letterlijk slechts te hebben gezien vanaf de boot, berustte hij in het kennelijke lot dat voet zetten op Nederlandse bodem er niet in zat. Het varende bestaan ruilde hij in voor een betrekking bij de tandpasta-fabrikant Prodent. Het was een goede baan in de marketing. In 1990 toen hij 56 werd kreeg Eddy Samson de gelegenheid het pensioen in een keer af te kopen en te stoppen met werken. Toch heeft hij op verzoek van het bedrijf er nog twee jaar gewerkt om zich daarna te storten in nieuwe interesses.

Pensionering: nieuwe activiteiten

Wat Eddy Samson na zijn actieve loopbaan is gaan doen, verschilt niet van dat van vele gepensioneerden in Nederland. Hij vervulde taken in de vakbond voor de chemische industrie Federasi Buruch Pekerja Seluruh Indonesia (FBSI). Maar de grote passie is geworden de oprichting in 1999 van de huidige Indo Club Soerabaja, dat in het begin het Bureau De Indo heette. Guus Kost en F. van Lichten waren de mede-oprichters. Doel was om de Indo’s te vinden en in het bijzonder de ouderen, van wie ze vermoedden dat een aantal wel steun konden gebruiken. En anders wel uit een isolement moesten worden gehaald. Bezorgdheid was er bij de oprichters of deze Indo’s genoeg inkomen hadden en hoe het met hun gezondheid en welzijn was gesteld. Zelf Indo’s zijnde die het na moeilijke jaren goed is gegaan, beseften ze dat niet iedereen dat tot stand heeft gebracht. Signalen zijn er natuurlijk altijd geweest omdat ze bekend waren met de Stichting Hulp aan Landgenoten in Indonesië, HALIN. En uit eigen waarnemingen wisten ze van het bestaan van armlastige Indo’s.

Eddy Samson en zijn kompanen voelden de sterke behoefte en noodzaak die mede-Indo’s te bereiken, die misschien te malu waren zich te melden of die niet de beschikking hadden over de (informatie)kanalen om zich bekend te maken. Eddy Samson gebruikte zijn kwaliteiten als netwerker en wist mensen in Indonesië en Nederland enthousiast te krijgen voor zijn plannen.

10897281873?profile=originalfoto -Indo Club Soerabaja; Koempoelan 24 mei 2009. Rechts-voor (gehurkt) Eddy Samson

Een andere belangrijke activiteit is zijn betrokkenheid bij het behoud van het cultureel erfgoed in Surabaya. In het bijzonder dat van gebouwen met een (kunst)historische waarde uit vooral de periode 1850-1950. Veel van deze gebouwen mochten niet worden gesloopt maar leden vervolgens structureel aan het nodige onderhoud. Het tropische klimaat maakt dat des te noodzakelijker. Het gevolg daarvan is dat de gebouwen er vuil en vervallen uitzien. Eddy maakt deel uit van de Poesaka Soerabaja, dat sinds 2010 een samenwerkingsverband is tussen 25 verschillende initiatieven ter behoud van het erfgoed. Eddy Samson is zelf ook nog eens een adviseur van het gemeentebestuur op dit onderwerp.

Bij Eddy Samson thuis

Recent

Eddy Samson heeft medewerking verleend aan de televisieserie Van Dis in Indonesië, die in 2012 is uitgezonden door de VPRO. Na mijn gesprek met Eddy was mijn conclusie dat Van Dis welhaast niet om hem heen zou kunnen. Daarnaast heeft hij meegewerkt aan een programma van Omroep Max over Indo’s in Indonesië. De uitzending zal zijn op november 2012.
Eddy Samson is duidelijk geen persoonlijkheid die “low profile” opereert. Vanuit betrokkenheid bij zijn Indische medemens en het Nederlands cultureel erfgoed zet hij zich actief in. Met name via PR-achtige activiteiten en het voortdurend onderhouden van zijn netwerken. Hiermee draagt hij bij aan het in stand houden van een Indische gemeenschap in Indonesië, meer dan een halve eeuw na het einde van Indië.
Daarnaast blijft hij een intermediair tussen o.a. de stichtingen HALIN en Tileng, particulieren enerzijds en de Indische gemeenschap anderzijds. Eddy Samson houdt daarmee de vinger aan de pols bij zijn mede-Indo’s die in kwetsbare situaties verkeren.                               Bron: www.indischhistorisch.nl

Meer informatie:                    Internet:
Stichting HALIN (Hulp aan land-genoten in Indonesië)
Stichting Help de Indischen in Indonesië
Stichting Tileng
Surabaya Heritage Society
Surabaya Memory (project van de Petra Universiteit)                  Literatuur:
Vilan van de Loo, Familie gebleven. Hulp aan landgenoten in Indonesië, Edam 2009

Lees verder…

Volkskrant - Wij hebben ons zelf de Eu ingerommeld!


 

10897285258?profile=originalVolkskrant - Wij hebben ons zelf de Eu ingerommeld

 

 

 


 

*******( Bron van onze Fre) met mijn reactie was betrokken bij de invoering van de Euro binnen het bankwezen als Int. Management Consultant, staat ook in boek dat per 24 mei uikomt =======================

===

Toch jammer dat burgerij nu pas beginnen te jammeren, en niet toen bij het tekenen van het Verdrag in Maastricht ergens in 1999 .   De Nederlandse Overheid was aan gelegen om de Euro zo snel mogelijk in te voeren, de vele droomscenario's passeerden de revu..

Een onderdeel van de Basda richtlijnen om de burgers doelmatig te informeren en te gewennen aan alle economieen van de verschillende lidstaten zoals o.a. Spanje en Italie. Het bewustwordingsproces om de waarde  van het geld die van 1000 eenheden naar 1 eenheid gingen.

Nederlandse Overheid  die al heel snel de prijs in euros invoerde, en richtlijnen zoals beide valuta te vermelden op de prijzen tot 3 jaren na de invoering geheel aan zijn laars lapt. Geen toezichthouder in velden te bekennen. Hierdoor werden de kopers, dus de burgers,  op het verkeerde been gezet.  Juist de Overheid schaart zich  aan de verkoopkant net als de rest van  alle verkopende partijen in Nederland. Zij  gebruikten de euro als een marketing instrument om het koopgedrag van de consument kuntsmatig met de Euro te stimuleren.: Een pak melk van 98 cent kost ons in eens 98 cent eur, ipv van 40 cent Euro. Sterker nog zit nu zelfs boven de € 1. Of een huis dat geprijsd staat voor 350.000 NLG / dat op € 160.000 komt gelijk op € 350.000 wordt geprijsd.

Toch prachtig dat  je koopwaar met 100% wordt opgewaardeerd, nogmaals voor alle verkopende partijen, inclusief de Overheid.

Basda richtlijnen hielden o.a. in begrotingstekort en het aantal werklozen.  Vermelden van de lokale valuta en de Euro voor de invoering, tijdens - en drie jaren na de invoering. Vermelding alle documenten ;j advertenties, informatiekanalen, bij uitgifte van kwitantie, kasbonnen noem maar op. Velen kunnen ze wel herinneren dat na een jaar alles was verdwenen in tegenstelling tot de zuidelijke landen, waarvan ik persoonlijk getuige van ben. Ook toetreding van de laatste eurolanden is tegen het verdrag in.  Doordat Nederland niet aan die Basda -richtlijnen hield leek de woning nu aantrekkelijker te zijn om te kopen, maar helaas slechts het gulden teken werd verruild voor het Euro teken. In Spanje waar ik verbleef werden tot ver 2004 de prijzen in peseta's en euro's vermeld.Ook was de afspraak dat de zwakke landen later pas zouden toetreden.

Wij zijn er nog niet . De overheid heeft gelijk bij die conversie van NLG naar de Euro gerommeld en het begrotingstekort hiermee afgedekt en alle staatsbedrijven in de etalage gezet. Ook gerommeld met het aantal werklozen.

Conclusie:

Alle verkopende partijen hebben de consument op het verkeerd been gezet tijdens de invoering van de euro. De prijsstijgingen staan niet in schril contrast tot de de lonen, die 4 % stijgen per jaar, heeft de euro gezorgd voor een prijsstijging van 100%, daarkomen nu knogeens de kosten en claims van Brussel er boven op?

De vraag heeft Europa gezorgd voor Nederlandse economie. Nee, voor de Euro was draaide die al doelmatig. Heeft additioneel niets aantoegevoegd alleen verslechtert door bijvoorbeeld door het omvallen van landen als Griekenland.  De Euro heeft juist gezorgd dat binnen de Nederlandse economie forse omzetten werden binnen gehaald door de Overheid en de verkopende partij, ten koste van de burgerij. Hierdoor het economisch verkeer geheel ontwricht raakt. De fors gestegen energie prijzen, de prijzen bij de pom, en de forse stijgen van alle belastingen. 280 miljard binnen de Nederlandse economie aan omgaat dus Nederlandse bestedingen.

Toch om na te denken voor Mark Rutte om zijn woorden om te zetten in daden, want Engeland geen Euro-lid heeft prima gedaan.  Nederland moet het nog Internationaler zoeken bij landen als China, Indonesia en Zuid Amerika ...., de export naar Duitsland zal hier totaal geen invloed op hebben. 

Terug naar de gulden kost ook bakken geld om het organisatorisch en faciltaire technisch, dan de kredietbeoordeling,  maar Nederland heeft de sterke gulden weer terug en haar Imago van toen, en niet die door de andere slechte draaiende landen als Griekenlad, Portugaal etc..... wordt dit imago beschadigd.

De Euro zone is net als communicerende vaten:

De sterke landen worden zwakker, en niet zwakke landen krijgen extra impuls om sterker te worden.

Wie kan zich niet herinneren toen de Berlijnse muur viel, wie die rekening moest betalen . Tot op heden betaald west-Duitsland nog deze "dure rekening".

 

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/11304/Vonk/article/detail/3647210/2014/05/04/We-hebben-onszelf-de-EU-ingerommeld.dhtml#.U2YAq-ni42w.facebook

Lees verder…

Aandacht voor ’buitenkampers’

Aandacht voor ’buitenkampers’

• Premier Rutte bij het Indisch Monument in Den Haag. De ’vergeten’ buitenkampers en slachtoffers van de Bersiapperiode moeten een herdenkingsplaats missen. FOTO: SERGE LIGTENBERG
article17_1.jpg

In de aanloop naar de dodenherdenking vraag ik aandacht voor twee grote groepen helden en slachtoffers van de oorlog in Nederlands-Indië voor wie tot nu toe geen specifieke herdenkingen worden gehouden. Deze mensen dreigen zo onverdiend in de vergetelheid te raken.

Toen Nederlands-Indië door Japan werd bezet kwamen de (Indo-)Europese militairen en hun inheemse collega’s als dwangarbeiders in krijgsgevangenenkampen terecht. Burgers – mannen, vrouwen en kinderen – werden onder erbarmelijke omstandigheden opgesloten in interneringskampen.

Een grote groep Indo-Europeanen kon buiten de kampen blijven als zij ten minste één inheemse (Indonesische) voorouder hadden. Veelal waren dat oudere mannen en moeders, oma’s en tantes wier mannen waren gesneuveld of in kampen zaten.

Zonder baan en inkomen moesten zij zien te overleven, terwijl ook zij in de ogen van de Indonesiërs ’Belanda’s’ waren, vijanden. Om aan voedsel te komen, moesten zij alles wat van waarde was, zoals sieraden en andere bezittingen, te gelde maken. Banktegoeden waren door de bezetter geconfisqueerd. Jonge kinderen moesten het veld in en de straat op om iets eetbaars op te scharrelen.

De duizenden ’buitenkampers’ die zichzelf en hun kroost moedig door de oorlog heen moesten slepen, zijn helden, die in en door Nederland nooit als zodanig zijn bevestigd. Ook in eigen kring werd hun heldenrol na de oorlog genegeerd.

Ook de Bersiapslachtoffers zijn een vergeten groep. Duizenden onschuldige en weerloze (Indische) Nederlanders, mannen, vrouwen en kinderen, en anderen die werden verdacht van Nederlandse sympathieën, werden in het gezagsvacuüm na de capitulatie van Japan door opgehitste en dolgedraaide Indonesische jongeren gemarteld en vermoord onder de kreet Bersiap (’Wees bereid’). Het juiste aantal slachtoffers kan tot op heden niet nauwkeurig worden vastgesteld, maar de schattingen lopen van 3500 tot 22.000. Honderden slachtoffers zijn nooit teruggevonden.

Nu, bijna 70 jaar later, is er in Nederland nog geen plek waar de – nog zeer weinige – overlevenden en de nabestaanden van slachtoffers van de ’Bersiap-periode’ hun verloren dierbaren kunnen gedenken. Er is ook geen monument ter ere van de dappere ’buitenkampers’.

Daarom pleiten wij ervoor deze groepen ergens in Nederland een waardige plek te geven waar zij kunnen worden herdacht. Bij voorkeur nabij het Nationaal Indisch Monument in Den Haag, dé Indische stad van Nederland.

Lees verder…

10897255061?profile=originalVerontruste Amerindo's uit Amerika zoeken hun heil in Holland.

Verontruste berichten van Amerindo's uit Amerika.

De laatste tijden ontvang ik veel verontruste bericht van Indo's uit Amerika. Midden in de nacht word ik mijn bed uitgebeld, en ben meestal gelijk klaar wakker, want verder slapen kun je niet meer naar het horen van deze berichten. Ik zie het om heen binnen mijn familie. Komen over uit Australië of Amerika, en blijven dan hier drie / vier maanden hangen. Wij oudjes in Holland of Spanje hebben toch vele kamers over voor je familie als zij komen logeren. Kan mij herinneren in Calpe (Spanje)  keek je toch uit naar je familie, kinderen of kennissen dat ze bij je kwamen logeren, en dan nam je ze op sleep touw.

Zo zit Astrid, mijn vrouw, nadat wij onze casa in Calpe niet meer hebben regelmatig drie/vier maanden in Australië of in Tanzania. Is toch een rijkdom als Indo’s in Spanje, Australië, Amerika en Afrika dat je over en weer bij elkaar kunt verblijven, en is toch weer onze adat. Zeker nu bij het ouder worden.

Deze bewegingen zie ik niet alleen in mijn kringen, maar nadrukkelijk op ICM, want aan de adressen van de abonnee/lid men toch over twee verblijfplaatsen beschikken.  Moesten daarom op ICM in abonnementadminstratie een extra woonplaats implementeren. Zo herkenbaar voor mij ook verbleef op twee plaatsen tot  het jaar2009 , en niiet te vergeten iedere keer je postverzendingen aanpassen bij PTT Post. Want je hebt op je tweede verbliif alle facilitaire voorzieningen. Weliswaar via de Schotel; wij zaten op Canal plus, die in Nederland staat geregistreerd, dan je Internet, en je telefoon. Dan ligt ook voor de hand dat je op dat adres je post ontvangt. Dat je belastingaangifte hierdoor niet mist om het aan te geven.

Maar nu hoor ik links en rechts, The Care in Amerika is onbetaalbaar geworden. Het met Obama Care zet er nog een schepje boven op. Helaas heb ik mij niet verdiept in die materie.

Een gemiddeld gezin met twee kinderen betaalt rond de 900 dollar aan premie in de maand en de reductation (eigen bijdrage) is 10.000 dollar, dus als je chronisch ziek bent dan ben je goed de pisang.. Dus heel snel gerekend zijn de eerste kosten totaal 20.000 dollar voor je eigen rekening.  Hoe ouder je wordt des te meer je wordt geconfronteerd met gebreken en gelukkig worden wij ouder, en dit geldt niet voor iedere helaas; Mijn dochter 45 jaar, en nu mijn schoonzus nog geen 52 jaar. Veel ste vroeg!

 

Nederland bedraagt basispremie per persoon vanaf € 90 plus eigen bijdrage € 378. Staat dit in groot schril contrast met Nederland, naast de pensioenen toch de beste zorg ! Hoe lang dat zo blijft is de vraag, want Brussel wilt zich ook hiermee gaan bemoeien, en dan zal Mark Rutte zijn dreigingen dit keer wel moeten verzilveren in echte daden. Want toen ik in Calpe woonde en de Spaanse / Franse media volgde ergens in 2003 viel mijn ook op de koppen, dat deze vonden dat de pensioenen van Nederland in een soort Euro pensioen fonds gestort dienen te worden, naast de andere lidstaten (die geen cent hebben te makken voor dit fonds). Nu duiken deze stromingen weer op. Misschien dat wij allen op eens wel achter Geert Wilders gaan staan, zelf ben ik geen fan van een Geert Wilders, laat dat duidelijk zijn.

Terug naar de ouderen in Amerika;

Voor de ouderen in Amerika is dit helemaal niet meer op te brengen. Ik vroeg mij al af waarom veel ouderen uit California en overigen nu vaak in Holland zaten? De meesten hebben nog hun Nederlands paspoort behouden, en ontvangen een deel van de AOW. Deze zijn nu gelukkig in Nederland verzekerd, en dan valt Amerika onder de buitenlandse dekking. Dus je moet eerst zelf de rekeningen in Amerika voor The Care betalen en zodra je Holland op je verblijf adres zit kan je het weer declareren bij de zorgverzekeraar.

De betrokken hebben uiteraard vele jaren in Nederland gewoond; want anders ontvangen ze geen AOW. Gelukkig maar dat deze alternatieve oplossing bestaan, maar hoe het kan is voor mij een raadsel, lijkt een beetje op de Pelita constructie als je als Nederlander in Indonesie woont.

 

Editor ICM

Ferry Schwab sr,

 

Lees verder…

Tropenmuseum wil groots verbouwen

10897283069?profile=originalTropenmuseum  wil groots verbouwen

Het Tropenmuseum in Amsterdam wil flink gaan verbouwen. Een van de plannen is het in ere herstellen van de originele entree.

"Dat is een van de ambities, maar alle scenario's moeten nog worden uitgewerkt", zegt interim-directeur Jan Willem Sieburgh.

 

Het gebouw, dat in 1926 werd geopend, had oorspronkelijk een trappenentree, waarmee de bezoeker direct in de lichthal stond. Die entree werd in de jaren zeventig gesloopt. Nu komen museumbezoekers binnen in de kelder van het gebouw en komen ze via een wenteltrap bij de lichthal.

Aan de ambities van het museum hangt een prijskaartje. "Dat gaat over tientallen miljoenen", licht Sieburgh toe. Het museum bekijkt de haalbaarheid van de plannen. 

Klappen 

Het Tropenmuseum heeft de laatste jaren flinke klappen gehad. Het museum dreigde twee jaar geleden nog te moeten sluiten omdat het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) flink werd gekort op de rijkssubsidie. Het museum gaat daarom samen met het Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden en het Afrikamuseum in Berg en Dal.

Sieburgh is hoopvol over het geld dat hij nodig heeft voor de renovatie. "Daar zijn allerlei manieren voor", legt hij uit. "We kunnen naar overheden, stad, provincie, het rijk, de eigenaar van het gebouw en fondsen-werving."

 

Foto: ANP 

Het museum neemt de tijd voor de plannen. "Het is echt een meerjarenplan." Met de grootse verbouwing moet het museum de concurrentie aan kunnen met de andere bekende Amsterdamse trekpleisters. Het museum kreeg onlangs van de gemeente Amsterdam 250.000 euro om de Mauritsvleugel van het gebouw een opknapbeurt te geven. Die herinrichting is in volle gang en moet in de zomer zijn afgerond.

 

 

Lees verder…

10897279067?profile=originalDe Krakatau tragedie   “Ontsnapt uit de kaken van de dood” door:  Rick Blekkink

Het vulkanische eiland Krakatau vormt een permanent gevaar voor onder andere de kustgebieden van Indonesië. Rick Blekkink onthult de schokkende feiten in zijn boek: “Ontsnapt uit de kaken van de dood”. Het ongelooflijke verhaal over een Indië-veteraan uit Hedel. Het eerste exemplaar van deze historische roman wordt op vrijdag 18 april 2014 gepresenteerd en uitgereikt aan de Inspecteur-generaal der Krijgsmacht, tevens Inspecteur der Veteranen, Luitenant-generaal der Mariniers A.G. (Ton) van Ede.  De  uitreiking

Oude tekening van de Krakatau voor de uitbarsting van 1883

vindt plaats op landgoed De Zwaluwenberg in Hilversum. De schrijver, zelf veteraan, heeft het boek opgedragen aan de talrijke slachtoffers die tijdens de catastrofale uitbarsting van het vulkanische eiland Krakatau in 1883 het leven verloren.

Een onderschat gevaar

De catastrofale vulkaanuitbarsting op het eiland Krakatau ging gepaard met huiveringwekkend hoge tsunami’s, die onder andere door de Straat Soenda rolden en de nabijgelegen kustgebieden van Java en Sumatra compleet verwoestten. Het was een ramp die uitzonderlijk veel leed heeft veroorzaakt. Hele families werden toen uitgeroeid; talloze vrienden en bekenden deelden dit onfortuinlijke lot. Voor hen restte slechts massagraven of ze werden nooit meer teruggevonden. Op het restant van de vroegere Krakatau is in de loop der decennia een nieuw eiland ontstaan, dat de naam “Anak Krakatau” (kind van Krakatau) gekregen heeft. Het eiland dat jaarlijks minstens vijf meter in hoogte toeneemt, is zeker zo gevaarlijk als zijn beruchte voorganger. Het gevaar wordt echter ernstig onderschat. Wat er in 1883 in dit deel van de wereld is gebeurd, kan zomaar opnieuw gebeuren. Alleen zullen nu de gevolgen vele malen erger zijn, omdat de bevolkingsdichtheid sindsdien massaal is toegenomen.

Over het boek

Hoofdpersoon in het verhaal is Andreas Braam uit Hedel, een Indië-veteraan die in 1887 na een vijfjarig dienstverband ernstig getraumatiseerd op weg is naar huis en in de stoomtrein terugkijkt op zijn leven. De auteur brengt   in dit op historische feiten gebaseerde boek niet alleen de rampzalige vulkaanuitbarsting op het   eiland   Krakatau   onder   de

10897279076?profile=originalZeer spectaculaire foto van Anak Krakatau tijdens de uitbarsting in november 2010 met bliksemflitsen

aandacht van de lezer. Ook het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indische Leger), de Nederlandse samenleving, de scheepvaart en vooral het koloniale leven in Nederlands-Indië gedurende de tweede helft van de 19e eeuw worden ruimschoots besproken. Het is een ontroerend verhaal over vriendschap, liefde, religie, tempo doeloe en vooral het omgaan met de angst. Het is een roman die het onweerstaanbare verlangen naar Indië beschrijft en de gevolgen van keuzes die de hoofdpersoon maakt. Een jongeman, die regelmatig met de dood te maken krijgt en daardoor van het leven leert houden.

Het boek verschijnt op 22 april en is te bestellen bij Bol.com en bij de auteur: rickblekkink@ziggo.nl. Vermeld in uw mail a.u.b. duidelijk het afleveradres en het aantal exemplaren. Bestellingen bij vooruitbetaling te voldoen op ING Bank: NL47INGB0004136418 t.n.v HJM Blekkink. De prijs is: € 20,95. In Nederland geen verzendkosten.

Lees verder…

Indonesisch kolonialisme mag? door: Nino Solisa

10897287060?profile=originalIndonesisch kolonialisme mag? door: Nino Solisa

Nino Solisa is een student in       de Rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit van Groningen, waar hij onder andere onderzoek deed naar de vraag of de Zuid Molukken zelfbeschikkingsrecht hadden.                                       De vraag of de Zuid-Molukken   wel of niet zelfbeschikkingsrecht hadden kan volgens Solisa niet zo rechtlijnig beantwoord worden als door historicus Cees Fasseur.

In zijn bijdrage aan O&D van 8 januari dit jaar tracht emeritus hoogleraar Cees Fasseur het recht op zelfbeschikking van de Zuid-Molukken te marginaliseren. Fasseur reageerde op het op 6 januari gepubliceerde artikel van professor Verbon, die oud-premier Dries Van Agt een bijzondere selectiviteit verweet in zijn verontwaardiging over aantasting van internationaal recht. Hiermee neemt de maatschappelijke discussie over de gewelddadige beëindiging van de treinkaping bij De Punt in 1977 een interessante wending. Vanuit het licht van de oorspronkelijke discussie lijkt de in Nederlands-Indië geboren Fasseur (oud-collega en intimus van Van Agt) aan het grote publiek duidelijk te willen maken dat de omgekomen Molukse treinkapers streden voor een onjuiste of onhaalbare zaak. Bij het trekken van deze conclusie gaat historicus Fasseur helaas voorbij aan enkele belangrijke historische feiten.

In zijn opiniestuk stelt Fasseur dat aan de Zuid-Molukken geen recht op zelfbeschikking was toebedeeld in de akkoorden die geleid hebben tot de (tot op heden onvoltooide) dekolonisatie van Indonesië. Hij stelde dat er eerst gekeken had moeten worden naar de vervulling van een “intern zelfbeschikkings-recht” binnen de Verenigde Staten van Indonesië. In de gegeven omstandigheden was dit echter volkomen onrealistisch, omdat de Verenigde Staten van Indonesië al snel werden ontmanteld door de voorvechters van de eenheidsstaat van de Republiek Indonesië. De vraag is ook in hoeverre de schriftelijke erkenning van het bestaan van het zelfbeschikkings-recht bij een dergelijk universeel beginsel van internationaal recht vereist kan worden. Des temeer daar, hoewel later uitgewerkt, het recht op zelfbeschikking van volken reeds sinds 1945 was vervat in artikel 1 lid 2 en artikel 55 van het Handvest van de Verenigde Naties. Met het instorten van de Verenigde Staten van Indonesië was er voor het Molukse volk geen andere optie dan een beroep op haar recht op zelfbeschikking. De latere illegale militaire annexatie van het Zuid-Molukse grondgebied kan het Molukse volk juridisch niet onder-werpen aan het Indonesische eenheidsgezag. Hier geldt het beginsel uit het volkenrecht: Ex injuria jus non oritur (uit onrecht ontstaat geen recht).

Dat de Molukken in een conflict enige tijd na de soevereiniteits-overdracht zich voor de uitoefening van een fundamenteel menselijk recht op vrijheid zouden moeten beroepen op een akkoord ondertekend door de vroegere kolonisator en de partij die op het punt stond het Molukse grondgebied militair te annexeren, is ridicuul en volledig in strijd met de geest van dekolonisatie en het internationaal volkenrecht.

De heer Fasseur is daarnaast voorbijgegaan aan de wijze waarop de Zuid-Molukken zijn toegetreden tot de deelstaat Oost-Indonesië. Op 11 maart 1947 heeft de Raad van de Zuid-Molukken besloten voorlopig toe te treden tot de deelstaat Oost-Indonesië, op voorwaarde dat het Zuid-Molukse gewest het recht had uit de deelstaat te treden, wanneer zou blijken dat deze deelstaat Oost-Indonesië de Molukse belangen niet zou kunnen waarborgen. Zowel verleden als ook het heden hebben uitgewezen dat dit laatste werkelijkheid is geworden. De deelstaat Oost-Indonesië kon helaas geen weerstand bieden tegen de in aantocht zijnde eenheidsstaat onder leiding van Soekarno, die reeds in maart 1950 was begonnen deelstaten al dan niet militair aan de eenheidsstaat toe te voegen. Het Molukse bestuur voorzag dat binnen een grote eenheidsstaat de Molukken het zouden moeten ontgelden. Na  een volksbijeenkomst en een daaraan gekoppeld tevergeefs appel op handhaving van de deelstaat Oost-Indonesië, besloot de Raad voor de Zuid-Molukken op 25 april 1950 met spoed gebruik te maken van het vastgelegde recht op uittreding uit de deelstaat en een aanspraak te maken op het aan elk volk toekomende recht op zelfbeschikking. Al snel werd zij aangevallen door de troepen van Soekarno.

Bijna vier maanden later, op      17 augustus 1950, werd de Indonesische Republiek, zoals wij hem nu kennen, uitgeroepen. In dat licht kunnen er nog enige vraagtekens worden gezet bij het bestempelen van de Republik Maluku Selatan (RMS) als zijnde “separatistisch”. Zij bestond immers eerder dan de Republik Indonesia. Het stuk van de heer Cees Fasseur is te beschouwen als een schoolvoorbeeld van het gezegde dat de geschiedenis  altijd wordt geschreven door de (militaire) overwinnaar. Gelukkig laat de toekomst zich nog schrijven. 

Lees verder…

10897281890?profile=originalGriselda Molemans wekt valse hoop Indische-Nederlanders

In De Volkskrant van 18 maart jl. verscheen een artikel van Lidy Nicolasen onder de alarmerende kop 'Indiëgangers hebben nog miljoenen tegoed'. Het was gewijd aan het nieuwe boek van journalist Griselda Molemans Opgevangen in andijvielucht. Peter Keppy, senior onderzoeker bij het NIOD, is het niet eens met Molemans' werkwijze en conclusies.

Het boek Opgevangen in andijvielucht begint met een invoelend geschreven relaas over de kille opvang van Indische-Nederlanders in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Maar de epiloog lijkt een ander boek. Molemans’ verontwaardiging over misstanden bij de opvang ontaardt aan het slot van haar boek namelijk in een slecht gefundeerde en warrige aanklacht tegen instanties, personen en onderzoekscommissies. Zij harkt het Indische repertoire van oorlog gerelateerde kwesties bijeen (veronderstelde verdwenen banktegoeden, niet uitbetaalde salarissen van KNIL-militairen, het uitblijven van schadevergoeding). Volgens Molemans liggen er nog ergens door Indische-Nederlanders niet-opgeëiste miljoenen. Zij slaagt er echter niet in dit hard te maken; erger nog: haar epiloog vertroebelt wat we al weten.

Ongenoegen

Molemans' ongenoegen lijkt een echo uit de midden-jaren negentig. Er was een discussie gaande over Joodse tegoeden. Minister van Financiën Gerrit Zalm schokte de Indische gemeenschap met de uitspraak dat de Nederlandse regering niet op ‘Indisch geld’ zat. Onder druk van het Indisch Platform, een overkoepelend orgaan van Indische belangenorganisaties, besloot de Nederlandse regering in 1998 tot onderzoek naar bank- en verzekeringstegoeden van Indische-Nederlanders.

Ik maakte deel uit van het onderzoeksteam van historici dat werd bijgestaan door enkele bancaire en juridische experts (bekend als de Commissie van Galen). Gedreven om aan te tonen dat Zalm het wel eens mis zou kunnen hebben, togen we aan het werk. We veronderstelden dat Indische-Nederlanders als gevolg van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) en de daarop volgende Indonesische revolutie (1945-1949) waren beroofd van banktegoeden en verzekeringsgelden en dat de Nederlandse en Nederlands-Indische overheid nalatig waren geweest.

Onze aanname bleek niet te kloppen. We vonden geen aanwijzingen voor bij financiële instellingen geparkeerde miljoenen, noch een grote groep rechthebbenden die daar na de oorlog aanspraak op zou kunnen maken. Wel vonden we bewijzen dat zowel overheden als banken en verzekeringsmaatschappijen die uitbetaling tijdelijk, en in een klein aantal gevallen zelfs permanent, hadden verhinderd. In 1955 was er sprake van dertig rechthebbenden die door twee Canadese levensverzekeringsmaatschappijen waren benadeeld. 

Molemans' miljoenen

Hoe zit het dan met Molemans’ miljoenen verdwenen bank- en verzekeringstegoeden? Volgens haar geeft een document van de Federal Reserve in New York, gedateerd juni 1945, antwoord op de verzekeringskwestie. Zij betoogt dat dit document aantoont dat het mogelijk is onderzoek te doen naar individuele gevallen van niet-uitgekeerde verzekeringen, hetgeen door de Commissie van Galen is bestreden. Het document toont volgens Molemans dat in 1938 de zeventien grootste verzekeraars in Nederlands-Indië voor 251,8 miljoen gulden aan levensverzekeringen verkochten.

Als Molemans meent dat onderzoek naar gedupeerden uitvoerbaar is op basis van dit document, waarom heeft zij dit dan niet gedaan? Het antwoord is eenvoudig. Niemand kan op basis van dit enkele document uitleggen hoe levensverzekeringen ná juni 1945 zijn afgewikkeld. Het geeft slechts een inventarisatie van de stand van zaken in 1938. De Commissie van Galen daarentegen heeft in 2000 wel het antwoord gegeven op de vraag hoe in de context van de in augustus 1945 uitgebroken Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de soevereiniteitsoverdracht van 1949 levensverzekeringen en banktegoeden zijn afgewikkeld. Dat Molemans deze onderzoeksuitkomsten negeert is lichtzinnig. Haar suggestie van het bestaan van niet-opgeëiste miljoenen wekt valse hoop bij Indische oorlogsslachtoffers en nabestaanden over de kansen op vergoeding van materiële en immateriële schade. Dat is regelrecht kwalijk.

Molemans wil meerdere rekeningen vereffenen, maar het effectbejag in haar epiloog zit dat in de weg. Het principe van hoor en wederhoor is zoek. Collega-historici publiceerden over de kille opvang van Indische-Nederlanders, over minister van Financiën Lieftinck die in de naoorlogse jaren zijn hand stijf op de knip hield, over de achterstallige salarissen van voormalige KNIL-soldaten, uitgebleven schadevergoeding, en de strijd voor erkenning van leed en onrecht.
De boekenkast is inmiddels goed gevuld, maar we vinden deze bevindingen en titels niet terug bij Molemans. Onderzoeker Lizzy van Leeuwen poneerde de prikkelende stelling dat “Indische cultuur en identiteit zijn gaan behoren tot de groeiende cluster van mythen, legenden en broodje-aapverhalen”. Molemans doet haar duit onbeschaamd in dat zakje.

Verder lezen:

Door: Peter Keppy
Lees verder…

10897253880?profile=original10897281482?profile=originalIndische Nederlanders uit Indië hebben nog miljoenen tegoed van de Overheid, Bank en Verzekeringsmaatschappijen.                    

 

Dit meldt de Volkskrant van 18 maart jl.                  

 

De 381 duizend Indische Nederlanders die tussen 1950 en 1970 Indonesië moesten ontvluchten, hebben nog miljoenen euro's tegoed van de Nederlandse overheid, dit meldt de Volkskrant van 18 maart jl.

In de veronderstelling dat het om nieuwe feiten gaat. In eerste instantie betreft 341.000 mensen die dit noodlot zijn getroffen en niet 381 duizend. Wat de Volkskrant meldt gaat om drie afzonderlijke dossiers die reeds onder aandacht zijn van het Ministerie VWS.  Sterker nog nu al lopen en zijn opgepakt. Vorig jaar 19 maart 2013 werd naar aanleiding van de gehouden Indische Petitie waar ruim 10.000 handtekeningen werden verzameld en met de Stille Tocht aan betreffende Ministerie van VWS werd overhandigd. Hier ontbrak de Volkskrant in alle velden, waar deze Stille Tocht op voet werd gevolgd door andere media o.a. Omroep Max.  

Dit dossier (rapport van Gaalen)  staat geheel los van de andere die al bekend zijn binnen VWS en verdienen daarom ook een andere benadering. Hier liggen de al opgestelde NIOD - Rapporten aan ten grondslag o.a . opgesteld door drs. Kleppy en Drs. Meier die de belastingbetaler ruim anderhalf miljoen heeft gekost. Dit dossier is  nu in behandeling en onder beheer bij de staatssecretaris Martin van Rijn, die binnenkort met het antwoord komt richting voorzitter van het Nieuwe Indisch Platform Silfraire Delhay. Deze weer eerst zal terugkoppelen naar Dagelijks Bestuur van Het Indisch Platform of de voorgestelde compensaties als redelijk en fair mag worden gewogen voor die 70 geleden jaren. Waarna de Staatssecretaris deze aan het Kabinet voorlegt. Niet onthouden mag worden,  dat diezelfde Ministerie "De Pensioenen van Indische - Nederlanders in Indonesie" een wetsvoorstel hebben ingediend om "deze pensioenen aan de levensstandaard van de Euro wordt geïndexeerd" met ingang van december 2012.  Dit ligt nu voor ter goedkeuring bij Het Kabinet.

Voorts is de staatssecretaris diverse malen verzocht door het Kabinet om met oplossingen te komen in deze zaak. Als referentie wat betreft de compensatie ligt er al een kader namelijk;  de Joodse Gemeenschap en Romano's . Deze hebben in 2001 wettelijk individueel tussen de 40 duizend tot 50 duizend gecompenseerd gekregen als gelijkgestemde. Veel geld voor de Overheid die aan De Indische Nederlanders verschuldigd is, en desondanks door de komende meevallers VWS zal de Staatssecretaris met creatieve oplossingen moeten komen. Want hoe je ook keert of draait de Overheid heeft een forse schuld openstaan dat al 70 jaren oud is.

Het andere dossier " onderzoekrapport naar tegoeden particuliere bank en - levensverzekering van Nederlanders in Indie 1940 -1958" beter bekend staat onder het rapport van Gaalen dat in 1998 in opdracht van het Ministerie van VWS werd opgesteld dat door een Team van 12 deskundigen  werd verricht o.l.v. de commissie van Gaalen. Dit onderzoek gaat uit naar het Bankwezen - en Verzekeringswezen in het voormalige Indie. De essentie dat alle financiële geld stromingen met de assets /zekerheden  (goudvoorraden, waarde papieren, en objecten)   in kaart zijn gebracht. Waar de assets zoals de goudvoorraden, polissen en overige zijn verhuisd de periode voor - , tijdens en na de oorlog. Nu vergelijkbaar met Multinationals in welk land de belastingen worden belast.

Welke organisaties zoals de Banken - , Verzekeringsmaatschappijen, handelshuizen en Multinationals hadden daar een vestiging of waren aantoonbaar geheel zelfstandige ondernemingen. Waar werden de consolidatie gehouden en belast (In Indonesie, Nederland of overige) . Zo zijn de Amrobank en Meer & Piersen bekenden die hier uitspringen. In hoevere De Javaanse Bank een link heeft met de Nederlandse Bank. Niet te vergeten de Handelshuizen die wereldwijd zijn vertegenwoordigd maar toen in het bijzonder in het voormalige Indie als groot potentieel van de volume omzetten o.a. bijvoorbeeld Bursemij Werie die later o.a. via Holland Systema als 1 van haar dochters de grote huisleverancier werd van de Banken in Nederland; die o.a. heeft geprobeerd om het selfbanking Concept Dassault binnen het Nederlandse Bankwezen te introduceren.  Hier sprake van duidelijke link naar het voormalige Indie, en in hoeverre deze kunnen worden aangesproken voor het Indisch kapitaal . Wie nu naar de AEX gaat ziet de vele maatschappijen op de lijst staan gedreven door het Indisch Geld.  Betekent dat deze organisaties nu als nog via de AFM kunnen worden benaderd voor de openstaande claims.

Het rapport geeft conclusies, maar vreemd genoeg geen aanbevelingen met alternatieve oplossingen met de gevolgde stappen voor Het Vervolg. Dit zijn vragen die NU aan de opdrachtgever van het rapport kunnen worden gesteld , en aan de opstellers van het rapport. Het rapport is nu in een staat van een  "huis dat casco opgeleverd sinds 2001".

Ja, als journalist heb je een boek kennelijk nodig! Zeker als je verre van materiedeskundige bent, of werkzaam bent geweest in deze sector; Ik weet niet of dit voor de onderzoekers geldt van dit rapport.

ICM Red. wordt vervolgd.  

HET RAPPORT IS  >>>>>>> HIER  <<<<<<<<<<< TE RAADPLEGEN.

In het kader van die miljoen, en om precies te zijn gaat om 0,7 miljard, na actulisatie CPB 4,2 miljard, heeft ICM op verzoek van haar abonnees in 2015 het project ACTW-66 in het leven geroepen. Om begonnen is met onderzoek, aan de hand van de onderzoek is een intensieve campagne gestart via o.a. alle pasar malams en het Internet. Ruim 15.000 hebben de petitie getekend en toegezegd te doneren. Tot heden hebben slechts 300 gedoneerd. Tegelijkertijd staan wij in fase II met dit project. Inmiddels werd vanaf de start ruim over de 80.000 geinvesteerd in de gemaakte kosten, alle werkzaamheden zijn door een team op basis van vrijwilligheid gedaan.  Is nu aan de Indische Gemeenschap om die 4,2 miljard van onze ouders naar ons toe te halen. Actw66 (actie comite traktaat van Wassenaar) is een burger initiatief. 400.000 is benodigd voor fase II .

10897234678?profile=original

Schrijf U vandaag nog in 

Ook kunt het inschrijfformulier aanvragen info@icm-online.nl of direct via deze site inschrijven
U bent € 50 verschuldigd als deelnemer ACTW66, en U heeft 1 jaar gratis een ICM Abonnement en toegang tot ons Video-kanaal, het  enige Indisch Kanaal !  

Steun ACTW66 ! 

Uw donatie  kan U storten op Rabo rekening NL41 RABO 03977255 07   ten name van F.Schwab / ICM Online onder vermelding van donatie Traktaat van Wassenaar.

Advertenties

Lees verder…

DE INDONESISCHE JEUGD VAN OBAMA

10897284681?profile=originalDE INDONESISCHE JEUGD VAN OBAMA 8 november 2012 · door In de Archipel · in GeschiedenisDe pas herkozen president van de Verenigde Staten, Barack Obama, woonde tijdens zijn basisschooltijd voor vier jaar in de Indonesische hoofdstad Jakarta. De eerste zes jaar van zijn leven woonde Barack Obama met zijn moeder in de Verenigde Staten, in Hawaii en Seattle. Op Hawaii had Obama’s moeder een Indonesische man ontmoet, Lolo Soetoro, die daar studeerde. In 1965 trouwden zij, en Lolo Soetoro werd dus Obama’s stiefvader. Al gauw liep echter Lolo’s visum af, en hij moest terug naar Indonesië. Even later, in oktober 1967, volgde de moeder van Obama haar man en dus verhuisde ook Barack naar Indonesië, op zesjarige leeftijd.

Menteng Dalam

Obama ging wonen in een huurhuis in Jalan Kyai Haji Ramli Tengah, een straat in de wijk Menteng Dalam (Zuid-Jakarta). Menteng Dalam was in die tijd een dorpachtige wijk waarvan de helft uit bamboehutten bestond. Het huis van Lolo Soetoro, waar Obama woonde, was wel van steen.

Barry met klasgenootjes (1971)

De jonge Barack, die in die tijd onder de naam Barry bekend stond, ging naar de katholieke basisschool Santo Fransiskus Asisi. Barry had moeite met de Indonesische taal, herinnert Ibu Is zich.Volgens oud-klasgenoten was hij erg stil omdat hij de taal niet geheel begreep. Een van de klasgenoten vertelt dat Barry gepest werd vanwege zijn uiterlijk. Hij was veel groter en zwaarder dan de rest, en had krulletjeshaar. “Maar niemand durfde met hem te vechten. Hij had het postuur van een stier, dus hadden we drie kinderen nodig om met hem te vechten.”

Obama’s moeder was in die tijd lerares Engels, en daarnaast werkte ze voor het ‘Vriendschapsinstituut Indonesië-Amerika’. Zijn stiefvader werkte als topografisch onderzoeker voor de overheid.

Besuki-school

Toen Lolo Soetoro in 1970 een nieuwe baan kreeg bij de Union Oil Company (nu onderdeel van Chevron), verhuisde Barry van Zuid-Jakarta naar Centraal-Jakarta. Hier ging hij wonen in de Jalan Taman Amir Hamzah in de wijk Matraman Dalam. Vanwege de verhuizing ging hij ook naar een nieuwe school. Deze school, SDN Menteng 01 (staatsbasisschool 01 van de wijk Menteng) staat ook bekend onder de naam Besuki-school.

Klassenfoto van de Besuki-school in 1970, net nadat Barry van school gewisseld was. Hij staat in het midden met een pet op, net boven de juf.

De Besuki-school heeft hoge standaarden. De school staat in een rijk gedeelte van Jakarta en de meeste leerlingen komen uit de hogere klassen. Zo zitten er nu verschillende kleinkinderen van oud-president Soeharto op de school. In tegenstelling tot Obama’s eerste school is dit geen katholieke maar een openbare school. Omdat de meerderheid van de bevolking van Jakarta moslim is, was dit op deze school ook zo. In de aanloop naar de presidentsverkiezingen werd er gesuggereerd dat de Besuki-school een radicaal islamitische school zou zijn. Dit is echter enkel onderdeel van de zwarte campagne van Obama’s tegenstanders. Het schoolhoofd zegt daarover: “Die aantijgingen hebben geen enkele basis. Ja, de meesten van onze leerlingen zijn moslim, maar er zijn ook christenen. Iedereen is hier welkom, het is een openbare school.”

Een van de oud-buurtgenoten van Obama, meneer Januadi (nu 52 jaar oud), herinnert zich de volgende anekdote: “Barry vroeg aan een groep jongens of ze later als ze groot waren president, soldaat of zakenman wilden worden. Daarbij legde hij uit dat een president geen eigendom heeft, terwijl de soldaat wapens heeft en de zakenman geld heeft. Mijn broer en ik zeiden dat we soldaten wilden worden. Een andere jongen wilde zakenman worden. Barry zei toen dat hij president zou worden, en dan de soldaat zou bevelen om hem te bewaken, en de zakenman om iets voor hem te bouwen met zijn geld. (…) We zijn allemaal geworden wat we toen zeiden; mijn broer en ik gingen bij het Indonesische leger, die andere jongen werd bankier, en Barry werd president.”

Obama met zijn stiefvader, moeder en halfzusje in 1970.

In augustus 1970 kregen Obama’s moeder en stiefvader een dochter. Het stiefzusje van Barry heet Maya Soetoro en woont tegenwoordig in Hawaii. Ze is assistent-professor op de universiteit, en werkt voor het campagneteam van Obama.

In 1971 verhuisde Obama weer terug naar Hawaii. Zijn klasgenoten van de Besuki-school herinneren zich dat Barry ineens verdwenen was. “Plotseling vroegen we ons af waar Barry was, maar hij was al verhuisd.”

Nu

Sinds dat Obama president is heeft hij twee bezoeken gebracht aan Indonesië. De eerste keer was een tweedaags bezoek aan Jakarta in november 2010. De tweede keer was in november 2011, toen hij op Bali een topoverleg van de ASEAN (“Zuidoost-Aziatische Unie”) bijwoonde.

President Obama en president SBY in 2010

Bij zijn bezoek aan Jakarta zei Obama: “Ik herken het hier nauwelijks nog. Het landschap is helemaal veranderd. Toen ik hier kwam in 1967 reed iedereen op becaks(fietstaxi’s) en was het heel druk. Nu, als president, heb ik helemaal geen verkeer gezien omdat ze alle straten hadden afgesloten.” Tijdens zijn toespraak, na het diner op het presidentiële paleis, bedankte Obama de Indonesische president: “Terima kasih untuk bakso, nasi goreng, emping, krupuk. Semuanya enak!” (“Bedankt voor de vleesballetjes, nasi goreng, emping, kroepoek. Het was allemaal lekker!”).

Standbeeld van Barry

Voor de Besuki-school staat een standbeeld van Barry, als eerbetoon aan de bekendste alumnus van deze basisschool. Volgens de directeur werkt het standbeeld als motivatie voor de leerlingen, dat ze kunnen zien waartoe leerlingen van hun school toe in staat zijn. Toen Obama onlangs werd herkozen voor zijn tweede termijn zaten alle leerlingen aan de tv gekluisterd, en juichten zij: “Obama! Obama! Obama!”

Lees verder…

Blog Topics by Tags

Monthly Archives