


De vergeten oorlog.
Ik reed in de verkeerde trein, die niet stopte bij het station waar ik er uit moest. Maar het publiek bij de INOG wachtte geduldig op mijn komst. Mijn presentatie ging over Het vergeten volk. Een verhaal over de Papoea’s en voormalig Nieuw-Guinea. De zaal was gevuld met mensen die deze periode als kind hadden meegemaakt. Met mooie verhalen en herinneringen. De titel had ook kunnen zijn De vergeten oorlog. De Papoea’s strijden nog steeds voor hun onafhankelijkheid
Achtergrond
Brochure Min.Buza "To forget of a promise for The future " het evaluatie-rapport over het verdrag van Wassenaar.
DEEL VI
Redactie ICM wist dit document te bemachtigen zoals Min.BuZa pleegt te noemen " To forget of a promise for The future " . Het is gewoon een evaluatie rapport verpakt in Brochure die ruimt 90 pagina's bevat. Naast deze onthulling, zijn andere zaken bove tafel gekomen, van die dure onderzoeken. Uit Wob's bij de andere collega Ministeries bleek dat o.a. dat lumpsum niet 689 miljoen bedraagt, maar 6 miljard. Verder was het aan Min.Buza alles gelegen om het bestaan van dit verdrag niet in openbaar te publiceren, zodat de gedupeerden geen claim konden indienen. Gekscherend genoeg bij WOB min. Financien kwam deze met kopie - artikel in parochie-krantje. (WOB = Wet Openbaar Bestuur). Voor ICM was dit een mooie vangst. ICM brengt dit rapport in delen uit.
____________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Nederland komt de financiële uitvoering niet na
Op de redactie van ICM -de Indische Internetkrant opgericht in 1999- kwamen veel reacties binnen van abonnees/lezers met betrekking tot het financiële onderdeel van dit Verdrag. Waarom wordt niets ondernomen door de Indische belangenorganisaties aangesloten bij het Indisch Platform, of door het Indisch Platform zelf? Er zijn praktijkgevallen bekend van claimanten, die door het betreffende Ministerie van Buitenlandse Zaken (Min. van BuZa) van het kastje naar de muur werden gestuurd, met de letterlijke mededeling “het geld maar bij Soekarno te innen”
Tijdens het IP & ICM-Festival in oktober 2009 stelde Halbe Zijlstra (oppositie VVD) Kamervragen met betrekking tot ‘waar het bedrag van Hfl. 600 miljoen is gebleven?’.
(Zie reportage ICM Link: http://icmonline.ning.com/video/reportage-ip-manisfestatie-ip’
De Nederlandse Overheid, in dezen vertegenwoordigd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt verweten het financiële gedeelte van het Verdrag bewust niet conform te hebben uitgevoerd en verzuimd de Nederlandse - Indische Gemeenschap erop te wijzen, dan wel te informeren over de mogelijkheden van deze voorziening.
Publicatie verscheen, zij het gedurende een zeer korte periode van drie maanden, in de -voor de meeste getroffenen weinig toegankelijke- Staatscourant. Tegelijkertijd zijn gedurende de periode 1966 tot 2015 voldoende mogelijkheden aanwezig geweest om deze voorlichting via haar collega ‘het Ministerie van VWS’ alsnog te regelen, opdat de betreffende Nederlands-Indische bevolkingsgroep zich kon beroepen bij;
de gehouden onderzoek
(Commissie Van Kemenade), - Commissie Kordes (Tastbare zaken), - Commissie Scholten (Financiële tegoeden), - Commissie Van Galen (Indische tegoeden), - Commissie Ekkart (Teruggave Kunst)
2000 Het Gebaar
WUV (1973), WUBO (1984) en WIV (1986), KNIL-uitkering 10 december 2015
Daaraanvolgend zal de forse kapitaalvernietiging over een periode van ruim 15 jaar voor rekening komen van de Nederlandse Staat, waar de gulden een forse koersval maakte door invoering van de Euro in 2001, door het ontzien van vruchtbaar gebruik van het kapitaal, rente op rente en indexering.
AFM & De Nederlandsche Bank
Naar aanleiding van verzoeken van ICM-lezers zijn de AFM en De Nederlandsche Bank benaderd. Deze laatste ter verificatie of inderdaad de betalingen aan Nederland hebben plaatsgevonden (zie e-mail berichten in de bijlage).
Om beide BV’s, ClaimIndo en BelIndo, als toezichthouder bedrijfsmatig aan de kaak te stellen, diende de ICM Redactie een klacht in bij de AFM, met als insteek vanuit het perspectief van de consument. De AFM was van mening dat deze zaak te complex was en niet tot hun werkterrein behoort. Bij navraag bevestigt de Nederlandsche Bank, dat de Republiek Indonesië de bedragen volledig heeft overgemaakt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor het laatst in 2001.
Interventie kamerlid Halbe Zijlstra
Tijdens het IP en ICM-festival stelde Halbe Zijlstra namens de VVD de vraag, waar of die 600 miljoen oude guldens zijn gebleven. Ook stelde hij vast dat je een claim niet met een andere claim kunt betalen, dan wel verrekenen of afkopen:
(zie hiervoor de link: http://icmonline.ning.com/video/reportage-ipmanisfestatie-ip).
Halbe Zijlstra heeft hierover schriftelijk vragen gesteld aan Ab Klink van het Ministerie van VWS. De antwoorden van Ab Klink waren in een rookgordijn verhuld en verre naar tevredenheid van Halbe Zijlstra.
Antwoord AB Klink (VWS) namens het Ministerie van BuZa:
Het is op zijn minst merkwaardig te noemen, dat een Minister van VWS de vragen beantwoordt, terwijl het ‘Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966’ met het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd gesloten en van 1973 tot 2003 de financiële betalingen via ditzelfde Ministerie plaatsvonden. Zie de brief van Ab Klink in de bijlage.
Verwijtbare bewuste nalatigheid van de Staat der Nederlanden
Het Ministerie van BuZa wordt bewuste nalatigheid verweten, met vergaande consequenties voor in eerste instantie de rechthebbenden, waarvoor de Republiek Indonesië deze compensatie betaalde. De gedupeerden werden genoodzaakt zelf de overtocht, verblijfs- en herinrichtingskosten terug te betalen, waardoor zij tevens een extra grote last te dragen kregen, terwijl zij druk doende waren met enkel ‘overleven’.
In tweede instantie werd de Republiek Indonesië flink geblameerd na het zeer moeizaam overeengekomen akkoord. Het gevolg was, dat de verhoudingen tussen beide landen verkoelden, waardoor de handelsbetrekkingen werden geblokkeerd.
Aan zo’n 341.000 personen werd gedurende 50 jaar de vergoeding ontzegd. Nimmer kan het gebruik van deze ‘vergoeding’, dat het leven na de gruwelen van de Japanse bezetting en de Bersiap enigszins diende te veraangenamen en te verlichten, nog voldoening geven immers het merendeel van de getroffenen is reeds overleden. Al deze gezinnen droegen en dragen nog steeds, de zware last met zich mee.
Het Ministerie van BuZa heeft de afgelopen periode ruimschoots de gelegenheid gehad om de Nederlandse - Indische Gemeenschap, via haar collega het Ministerie van VWS, te informeren. Het Ministerie van BuZa ,als wel de regering, wordt het vorenstaande verzuim extra zwaar aangerekend.
Ondernomen Acties
Het ACTW66 is in Oprichting van het Actiecomité TvW-66 (Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966’
Om deze zaak tot een oplossing te brengen heeft de Nederlandse - Indische Gemeenschap het Actiecomité TvW-66 (Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966) ofwel ACTW66 in het leven geroepen.
Het ACTW66 is een claimstichting die collectief de Nederlandse Staat juridisch aanspreekt namens de 60.000 - 70.000 gedupeerden die recht hebben op hun compensatie. Zij op hun beurt, kunnen zich weer inschrijven als deelnemer van deze claimstichting.
In maart 2015 opgericht door het bestuur dat bestaat uit:
Rob Andreas (NINES)
R.I.P. Marshal Manengkei (MM Sustainables & MultiMedia Ltd) .
25 Aug 2017 om 16.00 uur overleden in het RSPAD ziekenhuis Gatot Subroto Jakarta.
Ferry Schwab (Editor ICM)
Doelstellingen:
De doelstelling is de Nederlandse regering te bewegen tot uitvoering van het ‘Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966’, met als resultaat betaling van Euro 2,4 miljard (oorspronkelijk Hfl. 689 miljoen).
Oprichting van de ‘Deelnemersraad’, ‘Stichting Uitbetalen Traktaat van Wassenaar 1966’ en de ‘Stichting Beheer Indische Projecten’.
Genoemde stichtingen zullen de zaken behartigen namens de belanghebbenden; dit zijn allen die uit Indonesië naar Nederland moesten vluchten (anders aangeduid, de repatrianten van 1949 – 1966). Gekozen is voor aanpak van een tweesporenbeleid; politiek en juridisch.
ACTW66 als claimstichting die de noodzakelijke uitvoeringswerkzaamheden verricht evenals de benodigde facilitaire zaken voorfinanciert naast juridische bijstand van het Jakarta Advocaten Team (JAT), die de zaak namens de belanghebbenden (gedupeerden) zal gaan behartigen, op basis van ‘no cure no pay’.
Het voorstel is dat het JAT een dialoog aangaat met Minister Bert Koenders met als doel om tot een oplossing te komen. Vooraf vindt de aankondiging plaats middels het aanbieden van het ‘Voorstel Conceptrapport ten behoeve van de Uitvoering van het Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966’, tezamen met de 10.000 handtekeningenpetitie. De petitie zal voor onbepaalde tijd worden gevoerd.
Het “Voorstel Conceptrapport Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966” wordt het vertrekpunt voor onderhandelingen met het Ministerie van BuZa en het JAT. Gelijktijdig dient dit rapport ter kennisgeving aan de nog op te richten: ‘Deelnemersraad’ en tevens terugkoppeling tijdens de onderhandelingen.
10. Brief aan Bert Koenders, Minister van Buitenlandse Zaken met c.c. aan Kamerlid Halbe Zijlstra
11. Antwoordbrief namens Bert Koenders
In deze brief doen zich oneffenheden voor. In beginsel wordt verwezen naar het Ministerie van VWS, terwijl het Verdrag werd gesloten met het Ministerie van BuZa, evenals de uitvoering voor de termijnbetalingen van 1973 tot 2003 van de Republiek Indonesië geschiedde aan het Ministerie van BuZa. Het Ministerie van BuZa ging met het Indisch kapitaal naar de beurs om de bekende BV’s ClaimIndo en Belindo te beleggen (zie bijlage).
Dan wordt gesteld dat ‘ruimschoots bekendheid is gegeven’. Ook dit is onjuist, gezien de korte periode dat de vermelding in de Staatscourant verscheen. Wie waren/zijn überhaupt de lezers van de Staatscourant? Claimanten werden in deze periode bewust van het kastje naar de muur gestuurd door het Ministerie van BuZa met de mededeling, dat ‘het geld bij Soekarno diende te worden geïnd’.
Door te ‘verwijzen’ naar het Ministerie van VWS dat alle Indische dossiers in beheer heeft, is het tevens vreemd te moeten constateren, dat Staatsecretaris Martin van Rijn aan het Indisch Platform te horen geeft: “Ik heb geen geld”.
Voorts wordt gesteld, dat het bedrag van 689 miljoen oude Nederlandse Guldens niet is bestemd voor de Nederlandse - Indische Gemeenschap, maar voor diegenen die aantoonbare schade hebben geleden door de nationalisatie van Nederlandse eigendommen in de periode van 1949 tot 1962”.
Uit juridisch oogpunt wordt met ‘diegenen’ wel degelijk de Nederlandse - Indische Gemeenschap aangeduid t.w. de groep die de Japanse bezetting, de machtsoverdracht en/of de Bersiapperiode hebben meegemaakt en daardoor al hun (waarde)bezittingen verloren.
Als vluchteling, waar de Nederlandse Overheid al te graag de term ‘repatriant’ opplakt om de claims weg te wuiven moet niet vergeten worden, wié de veroorzaker was van al die oorlogen en de desastreuze gevolgen hiervan; het leven werd in een hel veranderd. Voor de Nederlandse - Indische Gemeenschap, valt de genoemde periode 1949 – 1962 onder de Bersiap. Met klem wordt verwezen naar het boek van wijlen Herman Bussemaker.
Eenmaal aangekomen in Nederland hebben zij hiervoor nimmer compensatie mogen ontvangen. Zij ontvingen enkel een voorschot, doch moesten alles terugbetalen. Tegelijkertijd werden de oorlogsslachtoffers in Nederland wel gecompenseerd en ontving Nederland hiervoor ‘Marshallhulp’, exclusief de Hf. 689 miljoen van Soekarno en de Hfl. 3 miljard vergoeding van Japan. Door hetzelfde kabinet wordt besloten om de huidige vluchtelingen een bedrag van € 4.000,00 per maand te vergoeden. Volgens rekenvoorbeeld van de PVV een bedrag van € 42.000,00 op jaarbasis.
De compensatie (hoogte van het bedrag) voor de Indische Nederlanders, dient minimaal gerelateerd te worden aan de inrichtingskosten van een huis, voor een gezin.
12. Ontvangstbevestiging brief
Deel IV + V zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/brochure-min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-het-evalu
Deel III Zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-iii
Deel II zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-ii
Deel I zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-i
Schadevergoeding voor nabestaanden Nederlands-Indië blijft ver onder de belofte
Journalist Erik Dijkstra deed in zijn nieuwe serie Brieven aan Hueting een pijnlijke ontdekking: Nederland blijkt de nabestaanden van slachtoffers van oorlogsgeweld in Nederlands-Indië nauwelijks schadevergoedingen te betalen. Nederland biedt dan wel excuses aan, maar handelt er niet naar. Slachtoffers raken verwikkeld in het bureaucratische web van de Nederlandse overheid. "Ze krijgen een brief van de landsadvocaat waarin keihard staat: 'Je krijgt niks'", zegt Dijkstra in De Rode Draad.
Dat de gruwelijkheden in Nederlands-Indië ooit aan het licht kwamen, is te danken aan Joop Hueting. Hij was getuige en medeplichtige van oorlogsmisdaden door Nederlandse militairen in Nederlands-Indië. Indonesiërs werden mishandeld, gemarteld en geëxecuteerd. In Nederland was Hueting de eerste klokkenluider van dit oorlogsgeweld. Het interview van tv-programma Achter het nieuws in 1969 leidde tot geschokte reacties. Kijkers stuurden Hueting boze brieven en doodsbedreigingen, waardoor hij moest onderduiken. "Dat waren hele heftige scheldkannonades", vertelt journalist Erik Dijkstra.
Na het interview start de regering een onderzoek, dat later onvolledig bleek te zijn. Toen werd in de 'excessennota' gezegd dat er geen sprake was van systematische wreedheid. "Het is later weer op de agenda gezet door de rechtszaak van de weduwen van Rawagede in 2011", vertelt historicus Anne-Lot Hoek. "Deze weduwen klaagden de staat aan en kregen excuses en een schadevergoeding. Uiteindelijk is de regering door druk van de media overgegaan op grootschalig onderzoek."
Dat onderzoek werd in 2022 afgerond, waarna premier Mark Rutte namens de regering excuses aanbood. Er kwam erkenning en er werd verantwoordelijkheid genomen. Daarnaast beloofden ze schadevergoedingen en meer inzet op onderwijs, musea en herdenkingen. "Het was wel laat, we zitten zo'n 80 jaar na dato, maar het was goed dat er een regeling kwam", zegt Dijkstra.
Dijkstra roept de politiek op om in beweging te komen en te erkennen dat de regeling niet werkt en onrechtvaardig is. "Het gaat erom hoe je zelf kritisch durft te kijken naar je geschiedenis', stelt Dijkstra. "Nederland is het land van de toeslagenaffaire, dat is ook gebaseerd op wantrouwen. Wij zijn altijd bezig met uitzonderingen, met mensen die misschien wel eens fraude kunnen plegen. Maar misschien gaat het wel om die 95% die wel te goeder trouw zijn."
ICM Redactie:
Journalist Erik Dijkstra, komt deze wel als integer journalist over ? Is dit niet oud nieuws ? Zeker, als het ook van de omroep BNN /VARA komt waar de gesubsidieerde omroepen het zwijgen worden opgelegd als het over de "Indische Pijntjes" gaat. Was niet ICM media die in haar rapport stelde dat het Kon. Militaire oorlog misdaden pleegde onder het mom van politionele acties. De omroep BNN /VARA weigerde dit te publiceren, gelukkig hebben we ook nog een minister (Bert Koenders) van Buitenlandse Zaken die in het rapport gestelde oorlogsmisdaden het NIOD heeft gelast om te onderzoeken. Mark Rutte volgde het NIOD Rapport. Mark Rutte bood zijn excuses aan aan het Indonesische volk. Dit bericht werd ludiek in Indonesische media gedeeld, de volgende ochtend. Waarom weigert journalist Erik Dijkstra om in het gestelde rapport traktaat van Wassenaar aan een journalistieke onderzoek te onderwerpen, en deze vervolgens te openbaren, immers dit werd reeds door Bert Koenders en Mark Rutte geopenbaard dan die oude bakken herstelbetalingen, is gewoon niet te begrijpen !
Boekbespreking, e-Books, CD en DVD
Soldaat in Indonesië, 1945-1950 – Gert Oostindie. De oorlog in Indonesië roept een mensenleven later nog steeds heftige emoties op. Nederland mobiliseerde destijds 220.000 militairen voor een verloren strijd, die achteraf ‘fout’ ging heten. In het publieke debat gaat het vooral over de Nederlandse oorlogs-misdaden. Veteranen hebben zich in deze debatten flink geroerd. Zij waren er, hebben het mee-gemaakt, beleefden de rauwe werkelijkheid temidden van een vijandige natie in een ‘groene hel’. Wat aan het licht komt is vaak
onthutsend. In dit boek gaat het daarnaast ook om andere thema’s: spanning tussen hen en de Indonesiërs, begrip en onbegrip over de onafhankelijk-heidsstrijd, frustraties over de politieke en militaire leiding en bevelen, angst, boosheid, schaamte, wraak, verveling en seks. Dit boek is gebaseerd op hun brieven, dagboeken en hun memoires, ingebed in de bredere context van een dekolonisatie-oorlog en de verwerking ervan in Nederland. Gert Oostindie is directeur van het Koninklijk Instituut voor Land- Taal- en Volkenkunde (KITLV). Daarnaast is hij hoogleraargeschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Aan dit boek ligt een zorgvuldig en breed onderzoek ten grondslag.
Adviesprijs: € 29,95.
Voor meer boekbesprkingen https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/boekbespreking-e-books-cd-en-dvd-december-2011
Brochure Min.Buza "To forget of a promise for The future " het evaluatie-rapport over het verdrag van Wassenaar.
DEEL IV + V
Redactie ICM wist dit document te bemachtigen zoals Min.BuZa pleegt te noemen " To forget of a promise for The future " . Het is gewoon een evaluatie rapport verpakt in Brochure die ruimt 90 pagina's bevat. Naast deze onthulling, zijn andere zaken bove tafel gekomen, van die dure onderzoeken. Uit Wob's bij de andere collega Ministeries bleek dat o.a. dat lumpsum niet 689 miljoen bedraagt, maar 6 miljard. Verder was het aan Min.Buza alles gelegen om het bestaan van dit verdrag niet in openbaar te publiceren, zodat de gedupeerden geen claim konden indienen. Gekscherend genoeg bij WOB min. Financien kwam deze met kopie - artikel in parochie-krantje. (WOB = Wet Openbaar Bestuur). Voor ICM was dit een mooie vangst. ICM brengt dit rapport in delen uit.
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________
4.De repatriëring van de Indische-Nederlanders naar Nederland
Door deze gevolgen waren wederom de Indische-Nederlanders gedwongen het voormalige Nederlands-Indië/Indonesië te vluchten met achterlating van al hun bezittingen. Eenmaal in Nederland diende tot op de laatste cent alles te worden terugbetaald. Deze voorziening uit dit Verdrag werd en wordt door de Nederlandse Overheid bewust onder het tapijt geveegd, om maar niet te hoeven overgaan tot uitbetaling. Als bewijsvoering volgt één van de vele brieven van het Ministerie van Maatschappelijk Werk.
Op 27 december 1949 droeg Nederland, als resultaat van de RTC-overeenkomst, de soevereiniteit over Nederlands-Indië over aan de Verenigde Staten van Indonesië. Het was het sluitstuk van een proces van dekolonisatie dat met de uitroeping van de Indonesische Republiek op 17 augustus 1945 en de Nederlandse de facto erkenning van diezelfde Republiek begin 1946 in gang was gezet. Het afscheid van Indië betekende echter bepaald niet dat met een schone lei werd begonnen.
De relaties tussen voormalig moederland en ex-kolonie werden diepgaand door het verleden beïnvloed zowel in negatieve als in positieve zin.
Het vermogen om een bladzijde om te slaan en een nieuw hoofdstuk te beginnen had zijn keerzijde in het vele oud zeer dat aan beide kanten lag opgeslagen. Aan Nederlandse kant bestond bij bepaalde groepen een diep ressentiment. Ook het aloude messianisme, het Multatuliaanse geloof een onmisbare rol te spelen bij de opbouw van Indië, was geenszins uitgespeeld.
Ook in Indonesië speelden oude gevoelens op. Het revolutionaire, anti-Nederlandse instinct was nog lang niet uitgewoed. Bij het leger en andere groeperingen bestond kritiek op de RTC-overeenkomst omdat men op bepaalde punten nogal wat water in de wijn had moeten doen, hetgeen ten koste was gegaan van het ideaal van 'Indonesië merdeka'. Eén van de belangrijkste bezwaren was dat de dominante economische positie van Nederland werd gegarandeerd. Verder had Nederland Indonesië weliswaar 2 miljard gulden schuld kwijtgescholden, maar Indonesië diende nog altijd 1,1 miljard gulden terug te betalen.
De media in Indonesië tastten in het duister. Om wat voor schulden ging het? Er waren allerlei veronderstellingen. Bij de Ronde Tafel Conferentie-overeenkomst in 1949 waarbij de soevereiniteitsoverdracht werd geregeld, zou Nederland aan Indonesië alleen onafhankelijkheid hebben willen verlenen, indien dat laatste land 4,5 miljard gulden betaalde. Indonesië zou verder Nederlandse ondernemingen hebben genationaliseerd. Wat was er in 1966 gebeurd?
Eén ding was duidelijk; “Soekarno was brought to his knees to pay this”. Er was, berichtte men verontwaardigd, sprake van een omgekeerde wereld. Het slachtoffer van het kolonialisme moest Wiedergutmachung betalen. terwijl Indonesië door een diepe economische crisis ging.
5.Traktaat van Wassenaar (Het slotoverleg van 5 tot 7 september 1966)
Al “tawarrend” (afdingend) raakten beide partijen het er wel over eens dat het een goede zaak zou zijn om de kwestie zo spoedig mogelijk af te ronden. De Sultan van Yogyakarta zou daarvoor naar Nederland komen. Begin september was het zo ver. Tussen 5 en 7 september 1966 voerden Luns en de sultan overleg in Den Haag. De onderhandelingen verliepen moeizaam. De Indonesische parlementsleden binnen de Indonesische delegatie oefenden druk uit tot een harde opstelling, terwijl leden van het Nederlandse bedrijfsleven hun best deden het belang van compensatie te minimaliseren. Uiteindelijk bereikte men overeenstemming waarbij de lump sum op 600 miljoen gulden werd gesteld met een rente van een procent post 1973. Tegelijkertijd verwierf Indonesië voor het jaar 1966 ontwikkelingshulp in de vorm van een gift van 22 miljoen gulden en een krediet van 4 miljoen. Bovendien werd er een bankkrediet van 40 miljoen gulden beschikbaar gesteld. Op 7 september 1966 om vijf uur ’s middags werd het akkoord ondertekend.
Het doel van de overeenkomst was “dat door betaling door de Indonesische Regering van een bedrag van zeshonderd miljoen Nederlandse guldens aan de Nederlandse Regering alle bestaande financiële vraagstukken volledig en definitief zullen zijn geregeld.”
Essentieel in de overeenkomst was dat beide partijen er zich van onthielden “hun onderscheiden vorderingen te specificeren en de vorderingen der andere Partij te toetsen of te erkennen.”
Door niet te specificeren welke schulden in het geding waren, werd de Indonesische regering in staat gesteld de in Indonesië bestaande politieke gevoeligheden te omzeilen.
Onder ’alle bestaande financiële vraagstukken’ die volledig en definitief werden geregeld werd verstaan: alle financiële vorderingen van elk der overeenkomst sluitende Partijen en haar onderdanen op de andere overeenkomstsluitende Partij en haar onderdanen, hetzij uit hoofde van bilaterale overeenkomsten, hetzij uit anderen hoofde, onder andere pensioenrechten, voor zover deze vorderingen voor 15 augustus 1962 zijn ontstaan.”
De hoogte van dit bedrag bedroeg 600 miljoen gulden (€ 272,27 miljoen). Vermeerderd met de op grond van de overeenkomst verschuldigde rente van 1% per jaar, kwam het totaal te verdelen bedrag neer op 689 miljoen gulden (€ 312,65 miljoen). Indonesië zou dit bedrag tussen 1973 en 2003 in jaarlijkse termijnen overmaken.
De verdeling van deze lump sum -en dat was het laatste belangrijke kenmerk- werd aan de Nederlandse Staat overgelaten. Daartoe werd in Nederland een Verdelingswet opgesteld die in 1969 van kracht werd.
De lump sum
Beide delegaties kozen er al tijdens het overleg in Tampak Siring in 1964 en de Ponsen-Blom-ronde in november 1964 voor, dat het door Indonesië te betalen bedrag de vorm van een lump sum zou krijgen. In een uitvoerig briefingsdossier dat op BZ begin 1962 werd opgesteld constateerde men, dat er zich op dit punt een internationale tendens had ontwikkeld. Na de Eerste Wereldoorlog werden bilaterale schadeclaims als die in Indonesië gewoonlijk via de totstandkoming van een Global settlement geregeld. Daarbij betaalde de staat die de “depossederingsmaatregelen” had genomen een bedrag aan de staat, waarvan de onderdanen gedupeerd waren.
Een ‘lump sum’, zo argumenteerde men na het gemengde commissie overleg in november 1964, was voor beide partijen voordelig. Immers in dat geval hoefde men niet iedere individuele claim af te handelen, hoefde men geen omslachtige juridische acties te ondernemen om de geleden schade precies vast te stellen, kon men van verdere vorderingen over en weer afzien en kon de Nederlandse wetgever de bestemming van de aflossingen intern bepalen.
Er waren echter ook politieke voordelen. Indonesië hoefde zijn verplichtingen aan Nederland niet te specificeren en zich dan ook niet uit te spreken over het al dan niet verschuldigd zijn van schuldbetalingen krachtens de RTC-overeenkomst en vergoedingen voor de nationalisaties in 1958. Nederland kon van haar kant in het midden laten of het al dan niet de eenzijdige opzegging van de RTC-overeenkomst erkende.
De betalingen door Indonesië
Van het totaal te verdelen bedrag van 600 miljoen gulden (€ 312,65 miljoen) had Indonesië reeds in 1962 36 miljoen gulden voldaan. De overeenkomst stipuleerde dat het resterende bedrag ad 564 miljoen gulden (€ 255,93 miljoen) in dertig (30) gelijke jaarlijkse termijnen zou worden voldaan. De eerste termijn zou op 31 december 1973 vervallen. Vanaf deze datum zou over de dan nog openstaande bedragen een rente van 1% per jaar worden betaald. Zoals reeds eerder vermeld, bedroeg het totaal te verdelen bedrag daardoor 689 miljoen gulden. Eind 2002 zou de laatste termijn eindigen.
Bij afzonderlijke briefwisseling werd nog overeengekomen dat het door Indonesië in 1962 reeds gestort bedrag ter beschikking werd gesteld in twee gelijke termijnen, de eerste op 31 december 1966 en de tweede op 31 december 1967.
Het kwam er in de praktijk op neer dat Indonesië jaarlijks aan Nederland (in casu de NederIandsche Bank) een bedrag van 18,8 miljoen gulden betaalde (circa € 8,5 miljoen) vermeerderd met interest.
Met ingang van 1 januari 1974 droegen, zoals gezegd, de nog openstaande bedragen een rente van 1% per jaar, te betalen vanaf 31 december 1974.
De jaarlijkse bedragen stelden het Ministerie van Buitenlandse Zaken in staat, personen en instanties wier claimaanvragen waren gehonoreerd, op grond van de Verdelingswet rechtstreeks of indirect uit te betalen. De ups and downs in de betrekkingen tussen beide landen hadden op de betalingen geen enkele invloed. Dat was opmerkelijk omdat in het kielzog van de verbreking van de ontwikkelingsrelatie ook andere vormen van samenwerking averij opliepen. In 2003 konden de claims definitief worden afgewikkeld. Begin 2003 maakte Indonesië de dertigste en laatste betaling over en medio februari 2003 betaalde BuZa (de afdeling Civielrecht van de Directie Juridische Zaken), de claims voor de laatste keer uit.
Dit Verdrag laat het feit onbesproken, dat het Indisch Bestuur onder het Nederlands Bestuur, het geld inclusief assets en al van de Multinationals, het Bankwezen en de Verzekeringsmaatschappijen wegsluisden naar de hoofdkantoren in Nederland. De staatskas, goud en waardepapieren werden door de Nederlandse regering via diverse schepen naar New York vervoerd. Net als in Nederland zijn dit opbrengsten verkregen uit de economie van Nederlands-Indië/de Republiek Indonesië, benevens een economisch winbelang van 200 jaar V.O.C.; kortom, Soekarno en Hatta begonnen initieel met een leeggeroofde staatskas. De Koninklijke ondernemingen (multinationals) vielen niet onder dit Verdrag; deze ondernemingen hadden al eerder hun kapitaal en assets weggesluisd (zie Rapport Van Galen).
Wordt vervolgd
Deel III Zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-iii
Deel II zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-ii
Deel I zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-i
Brochure Min.Buza "To forget of a promise for The future " het evaluatie-rapport over het verdrag van Wassenaar.
DEEL III
Redactie ICM wist dit document te bemachtigen zoals Min.BuZa pleegt te noemen " To forget of a promise for The future " . Het is gewoon een evaluatie rapport verpakt in Brochure die ruimt 90 pagina's bevat. Naast deze onthulling, zijn andere zaken bove tafel gekomen, van die dure onderzoeken. Uit Wob's bij de andere collega Ministeries bleek dat o.a. dat lumpsum niet 689 miljoen bedraagt, maar 6 miljard. Verder was het aan Min.Buza alles gelegen om het bestaan van dit verdrag niet in openbaar te publiceren, zodat de gedupeerden geen claim konden indienen. Gekscherend genoeg bij WOB min. Financien kwam deze met kopie - artikel in parochie-krantje. (WOB = Wet Openbaar Bestuur). Voor ICM was dit een mooie vangst. ICM brengt dit rapport in delen uit.
_________________________________________________________________________________________________________________________________________________
De Geschiedenis
3. De Soevereiniteitsoverdracht
Bioscoopjournaal uit 1952. In de tuin van de residentie van de Hoge Commissaris van de Indonesische Republiek in Wassenaar wordt de uitroeping van de Republiek op 17 augustus 1945 herdacht.
In mei 1949 ging de Nederlandse regering overstag. Er werd een akkoord gesloten met de Republiek (de ‘Van Roijen-Roem-overeenkomst’) dat voorzag in de ontruiming van Yogyakarta, vrijlating en terugkeer van de Republikeinse leiders en stopzetting van de guerrilla. In augustus werd het staakt-het-vuren van kracht, maar het bleef daarna nog geruime tijd onrustig. Een definitieve regeling van het conflict moest worden bereikt op een rondetafelconferentie in Den Haag.
In de onderhandelingen stelden de Indonesische nationalisten zich soepel op en werd een aantal Nederlandse gevoeligheden ontzien. Het onafhankelijke Indonesië zou een federale structuur kennen: de Verenigde Staten van Indonesië. De band met de vroegere kolonisator zou vorm krijgen in de Nederlands-Indonesische Unie. Financieel-economische afspraken werden gemaakt die de Nederlandse economische belangen moesten veiligstellen. Nieuw-Guinea tenslotte, werd buiten de soevereiniteitsoverdracht gehouden en zou in afwachting van een definitieve regeling onder Nederlands bestuur blijven. Dit hele pakket vertoonde veel overeenkomst met het ‘aangeklede Linggadjati’ dat de Republiek drie jaar eerder had verworpen. Maar inmiddels waren de omstandigheden ingrijpend gewijzigd. De Indonesische leiders blaakten van zelfvertrouwen en genoten groot internationaal aanzien, terwijl de rol van Nederland in de voormalige kolonie was uitgespeeld. Als de Nederlanders eenmaal waren vertrokken kon Indonesië zijn eigen interpretatie van de gemaakte afspraken volgen.
En aldus geschiedde. Op 27 december 1949 vond in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht plaats. De inkt van de overdrachtsakte was nog niet droog of Indonesië begon met het oprollen van de deelstaten. Dat leidde met name op de Molukken tot verzet, maar dat verzet werd met harde hand de kop ingedrukt. De Nederlands-Indonesische Unie kwam nooit echt van de grond en werd uiteindelijk in 1956 ten grave gedragen. De belangen van het Nederlandse bedrijfsleven kwamen vervolgens in de knel toen Indonesië over Nieuw-Guinea een harde confrontatiepolitiek ging voeren. Na gewapende infiltraties en de dreiging van een grote oorlog, droeg Nederland in 1962 dat gebied over.
Deze episode vormde het laatste bedrijf in de totstandkoming van de Indonesische eenheidsstaat die het gehele grondgebied van de voormalige kolonie Nederlands-Indië omvatte: de Republiek Indonesië.
Wordt vervolgd
Deel II zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-ii
Deel I zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-i
Voor meer video beelden ga naar https://icmonline.ning.com/videos
Voor meer video beelden ga naar https://icmonline.ning.com/videos
Nederlands Cultureel Centrum
Intro
==========================================================================================================================================
Achtergrond