Alle berichten (2935)

Sorteer op

FIN - Kritiek op Indië-onderzoek neemt toe

 FIN - Kritiek op Indië-onderzoek neemt toe

10897422873?profile=original

DEN HAAG  FIN (9 juli 2020) – De kritiek op het grote Indië-onderzoek neemt toe. Meest recente steen des aanstoots is de bizarre bewering van historicus Rémy Limpach, dat “racisme in het DNA van KNIL-officieren” zou zitten. Federatie Indische Nederlanders (FIN) heeft nu opheldering geëist van de programmadirectie.

Het is niet de eerste keer dat er rumoer is rondom het inmiddels controversiële Indië-onderzoek. Eerder zorgden ook uitlatingen van Remco Raben en Anne-Lot Hoek, eveneens bij het onderzoek betrokken historici, voor opschudding. Volgens FIN-voorzitter Hans Moll wekken de uitlatingen van de verschillende onderzoekers “individueel en tezamen” op z’n minst “de schijn van partijdigheid”. Hij maakt zich dan ook ernstige zorgen over de koers van het onderzoek en eist een verklaring van de programmadirectie. Moll wil onder andere weten hoe de onafhankelijkheid van de onderzoekers is gewaarborgd.

FIN heeft ook de Maatschappelijke Klankbordgroep opgeroepen openheid van zaken te verschaffen. Als bij het Indië-onderzoek ingesteld advies- en overlegorgaan moet de klankbordgroep onder andere inzicht bieden in “de repercussies van het onderzoek op de samenleving”. De vraag is echter in hoeverre de klankbordgroep daar zicht op heeft. Dat die vraag reëel is bleek wel na de onverwachte excuses van Nederland aan Indonesië eerder dit jaar. Terwijl veel (Indische) Nederlanders verbijsterd waren toonde het Indisch Herinneringscentrum (IHC) en Pelita zich opmerkelijk genoeg juist verheugd. Precies deze organisaties hebben namens Indisch Nederland zitting in de klankbordgroep.

Dat de uitlatingen van Limpach onder Indische Nederlanders voor ergernis hebben gezorgd staat in ieder geval als een paal boven water. Vooral KNIL-veteranen en nabestaanden reageren geïrriteerd. Zij wijzen onder andere op de zeer gemêleerde samenstelling van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Volgens Bo Keller, Indië-, Nieuw-Guinea en Korea-veteraan, zijn de uitlatingen van Limpach “zeer discriminerend en beledigend ten aanzien van ons KNIL-soldaten”. Indië- en Nieuw-Guinea-veteraan John Bruininga vindt eigenlijk dat de uitspraken geen aandacht verdienen, maar vraagt zich wel af of Limpach “strakkies G’d nog uitmaakt voor racist”.

Update 10 juli 2020 – 17:25u:
In een reactie tegenover NU.nl laat het NIOD weten de zorgen van Indische en veteranenorganisaties serieus te nemen. De bewering van historicus Rémy Limpach over het DNA van KNIL-officieren zou niet-letterlijk moeten worden genomen, aldus het instituut. Het NIOD weerspreekt de beschuldigingen van partijdigheid en zegt dat het individuele onderzoekers vrij staat om deel te nemen aan het maatschappelijke debat.

Lees verder…
Indonesië bouwt jaarlijks 200.000 woningen op basis van de techniek 3D-betonprinter
10897428486?profile=original
Je huis komt uit de printer

Zelf ontwerpen, klaar in een week en ook nog fors besparen

door 

AMSTERDAM Thuis op de laptop een eigen huis ontwerpen, dat binnen een week door een 3D-printer is gebouwd. Een woning in een paar dagen? Het kan al, zeggen bouwers. „De sky is letterlijk the limit.”

In het Belgische Westerlo werd dinsdag het eerste volledig door een 3D-printer gebouwd huis opgeleverd. De twee verdiepingen tellende woning van 90 vierkante meter en acht meter hoog werd in vijftien dagen laag voor laag gebouwd door een Nederlandse 3D-betonprinter. „Het is wel de ultieme droom dat je zelf een eigen huis kunt tekenen die onze 3D-printer dan op locatie neerzet”, zegt marketingmanager Marco Vonk van printerproducent Weber Beamix. „Het project in Westerlo is om te laten zien dat het kan.”

Snelheid

De Vlaamse woning is de eerste die niet in de fabriek, maar buiten met de 3D-printer van het Nederlandse bedrijf is gebouwd. De tweede verschijnt binnenkort in de Eindhovense Groenplaats Bosrijk, bij het bouwproject Milestone. De besparing zit hem vooral in de snelheid, benadrukt Vonk. „De kosten zijn hetzelfde als met traditionele bouw. Alleen scheelt het 80 procent aan personeel op de bouwplaats en 60 procent in bouwtijd. Dat zijn forse besparingen. En er komen geen onverwachte kosten bij. Wat je hebt bedacht en getekend lever je binnen budget en tijd.”

In Gemert werd vorig jaar al een door de 3D-betonprinter van Weber Beamix gemaakte fietsbrug geopend. In Teugen bouwde een robotarm van concurrent CyBe ondertussen het bedrijfspand De Vergaderfabriek. „Daar hebben we veel van geleerd”, vertelt oprichter Berry Hendriks. „Wij zijn nu met woningcorporaties in gesprek. Nederland heeft een tekort van een miljoen woningen.

In Indonesië leveren wij 3D-betonprinters aan een partner die elk jaar 200.000 woningen bouwt. Als we het daar kunnen, dan kunnen we dat in Nederland ook.”

De hulp van 3D-printers kan de totale bouwkosten van woningen 10 tot 15 procent lager maken, schat Maurice van Sante, bouw- en vastgoedeconoom bij ING. „En hoe meer schaalvoordelen je behaalt, hoe goedkoper het nog kan. Het is ook beter voor het milieu. Er is geen restafval en er staan geen machines op de bouwplaats. Robotisering in de bouw staat nog in de kinderschoenen. Maar er zijn toch al best veel partijen die via automatisering in een paar dagen een woning kunnen neerzetten.”

Van Sante wijst naar de hoge investeringen als reden waarom er nog niet massaal 3D-geprinte woningen uit de grond schieten: „Er gebeurt wel veel. De Nederlandse bouw doet het met 1,2 robots per 10.000 werknemers veel beter dan landen als Japan en China. Maar het is weer een schijntje vergeleken met de industrie, waar 150.000 robots per 10.000 werknemers zijn. In de bouw is het daarbij rennen of stilstaan. Aannemers zijn liever heel erg flexibel om snel af te kunnen schalen als het minder gaat. Dat is een drempel om in automatisering en robotisering te investeren. En dan zijn er de per gemeente wisselende vergunningseisen.”

Dat beaamt Hendriks van CyBe: „Wij laten onze vloeren, muren en dakconstructies onafhankelijk door TNO testen. Dan mag het in principe overal worden neergezet. Maar een bouwvergunning behelst nogal wat. Dat zou met automatisering niet de drie maanden hoeven duren waarin ambtenaren er nu naar kijken. Wij proberen partners aan wie wij onze printers verkopen dan ook te helpen met bijvoorbeeld het maken van een business case. Zij succes; wij succes.”

Vonk van Weber Beamix ziet 3D-printers als een van de oplossingen om de woningbouw in de versnelling te brengen. „Als we in Nederland in tien jaar tijd 800.000 huizen willen bouwen, dan moeten er nog wel wat slagen gemaakt worden. Automatisering kan helpen bij een tekort aan handjes. Er zullen straks grote delen van woningen uit de printer komen, maar niet alles. We leren nog elke dag, over toepassingen, spuitkoppen, software, beton. Deze bouwtechniek wordt nu langzaam volwassen.”

Lees verder…

Rutte: ’Ingrijpend voor betrokkenen’

Rutte: ’Ingrijpend voor betrokkenen’

10897377052?profile=original

Van onze parlementaire redactie

Premier Rutte snapt dat de berichtgeving over het Indonesische geleur met Nederlandse wrakken ’ingrijpend’ is voor betrokkenen, zei hij tijdens zijn wekelijke persconferentie. De minister-president vindt het belangrijk dat er nu nader onderzoek plaatsvindt ’omdat het hier om een hele gevoelige kwestie gaat die heel veel mensen raakt’.

Nederlandse oorlogsschepen die in WOII in de Javazee zonken, zijn weggesleept en gesloopt. Menselijke resten uit de wrakken blijken in een anoniem massagraf gestort, meldde deze krant deze week. Het kabinet beweerde eerder bovendien – na ruim een jaar onderzoek – dat de wrakken zonder toestemming van de Indonesische autoriteiten zijn geborgen. Dat beweerde de Indonesische overheid en dat verhaal nam het kabinet over. Maar dergelijke vergunningen voor het bergen van twee wrakken zijn tóch verstrekt, wist deze krant te achterhalen.

„Ik heb inmiddels natuurlijk de publiciteit gezien in De Telegraaf en naar aanleiding daarvan vindt er nu ook nader onderzoek plaats”, reageerde de premier gisteren tijdens zijn wekelijkse persconferentie op vragen. Op de vraag of Nederland zich niet in de luren heeft laten leggen door de Indonesische beweringen over vergunningen te geloven, antwoordde Rutte ontkennend. „Die conclusie deel ik niet.”

De vraag dringt zich op of Indonesië dit pijnlijke verhaal wel serieus neemt. „Ik heb geen aanleiding aan te nemen dat dat niet zo is”, aldus de premier. Hij neemt zelf nog geen contact op met de Indonesische president om dit pijnlijke traject in goede banen te leiden.

Volgens premier Rutte wordt er nu eerst onderzoek gedaan naar wat er naar boven is gekomen in de berichtgeving. „Je kunt niet uitsluiten dat dat contact op enig moment nodig zou kunnen zijn, maar daar is nu geen aanleiding voor.”

ICM Reactie.  Gelukkig hebben wij nu de FIN (Federatie Indische Nederlanders) die als een waakhond onrechtmatigheden signaleert die als geschiedvervalsing geldt. 

Om te beginnen werd de periode 1947/1948 nooit in de media gepubliceerd dat Nederland genocide pleegde  met de zogenaamde politionele acties. Nederland had niets meer te zoeken in de tot uitgeroepen republiek in december 1945.  Unaniem waren het Kabinet Drees, de Tweede Kamer en Nederlandse volk met deze gruwelijke genocide daad. 200.000 onschuldige  Indonesische burgers werden vermoord. Dit was kantelmoment dat nabestaanden de jacht opende op de 500.000 Nederlandse Indische Burgers. Ruim tussen de 10.000 - 20.000 vonden de dood. Hun bestaan zagen ze vanaf 1949  tot 1962 in rook opgaan. De groep die daar is geboren uit Nederlandse / Indische ouders hadden de hoop na de WAR - II hun bestaan te kunnen oppakken, war ze ook hebben gedaan. PM Drees was tegen deze oorlog, de avond voordat hij de opdracht diende te geven nam hij zijn ontslag. Drees koos voor een politieke benadering, echter het Kabinet, Tweede Kamer en het Volk waren voor deze militaire ingreep. 

Deze actie heeft de Indonesische burgers, en de  Nederlandse Indische burgers had getroffen. Het siert het Kabinet, em Tweede Kamer om excuses aan te bieden aan de Nederlandse Indische burgers.

Zeer schandelijk wat met de menselijke resten gebeurt. Maar ook de Telegraaf heeft een groot pak boter op zijn hoofd. Wat hebben de Kabinnetten Drees  (met Luns)  de Indonesische bevolking aangedaan. Over die periode 1946 - 1959 schreef de Telegraaf niets over de misdaden jegens de rechten van de mens dat gold voor de onderdanen van de republiek Indonesie en hun eigen Indische Nederlandse onderdanen. Ruim 500.000 waren het, die Kabinetten Drees niet wilde toelaten in eigen land, u leest het goed 500.000 !  Onder druk van Amerika werden uiteindelijk moeizaam van 1946 tot 1962 341.000 toegelaten, 159.000 werden geweigerd met een Nederlands paspoort ookwel de vergeten Indische oudjes dat Omroep Max onder de aandacht bracht.

Dan het financieel deel waar dus deze oorlogschepen onder vallen.

Soekarno betaalde vanaf de overdracht tot 1957 ruim 4,6 miljard melden verschillende bronnen o,a. CIA. Dit voor overname van de boedel. Hier onder te verstaan de ondernemingen en bezittingen van de particulieren. Om de zaken af te ronden werd dit bekrachtigd door het gesloten verdrag traktaat van Wassenaar nog eens 689 miljoen dat diende uit te betalen aan de Indsche Gemeenschap 341.000 man/vrouw. Dit totale bedrag van 5,3 miljard toen nu ruim 70 miljard werd nimmer aan de 341.000 gedupeerden betaald.

In april 2016 werd aan de president Jokowido persoonlijk op de hoogte gesteld en werd het document ICM pers release overhandigd, ook Ibu Retno nu min. Buitenlandse Zaken, collega is van deze zaak op de hoogte dat die 70 miljard nog steeds niet is betaald, m.u.v. aan selecte groep onderneming ten bedrag van € 36 miljoen. Het geld is dus in principe nog steeds van de republiek!!!

Mark ik zou de handen in eigen boezem steken dat van 500.000  oorlogslachoffers de rechten van de mensen zijn geschaad, toch misdaad is om gelden die Nederland niet toe te behoren te onteigen dit is grove fraude, en diefstal, een hele bevolkingsgroep daar praten over, dan nog liegen van Martin van Rijn dat er geen geld is.

Lees verder…

Kwekel - Evenementen Nieuwsbrief maart

997c_bannw2--1.jpg
nieuwbrief maart

997c_00barbarajohnnyvideoimg--1.jpg
Barbara & Johnny
Barbara, een topartiest uit Hamburg en Johnny Valentino.
Half augustus komt de eerste single van dit nieuwe Duits / Nederlandse duo .
Een leuke fotoshoot werd gedaan op het Landgoed Nienoord in Leek, de single is klaar...de hoes wordt gemaakt...de videoclip wordt gemonteerd.
Over een paar weken wordt de CD gepresenteerd.

Ook onze artiesten en orkesten staan te popelen om weer op pad te gaan.
Steek uw winkelend publiek een hart onder de riem met de boodschap Oók met 1,5 meter Gewoon Gezellig’ en bedank voor hun aanwezigheid in uw winkelcentrum.
Ook als de Markten en Braderieën weer mogen zijn zij uiteraard ook graag van de partij met onze muzikale, feestelijk bijdrage.
997c_202001--1.jpg
Ook in een restaurant, casino of tijdens een personeelsevenement zal het inzetten van een 'dweilorkest', in welke vorm dan ook, zeer zeker bijdragen aan het totale programma.
Zij voelen zich altijd thuis op iedere gelegenheid en weten er de juiste sfeer te creëren.

Tribute artiesten zijn populairder dan ooit.
997c_banner2--2.jpgWat is er leuker om te kunnen zeggen dat b.v. Elvis of Marilyn komt optreden op uw feest of dat een wereldberoemde ‘personality’ zich onder uw gaten begeeft.
Dit zal ongetwijfeld bij uw gasten in de smaak vallen en de foto’s zullen op de social media geplaatst en verspreid worden, wat ook weer goede reclame voor uw organisatie of bedrijf is.
 
Stuk voor stuk lijken, klinken en performen zij ook als de echte wereldberoemde sterren.
997c_mmtribute--1.jpg ******Marilyn Monroe tribute, door haar looks, bewegingen én stem waant u zich in de schitterende aanwezigheid van hét sekssymbool van de 20e eeuw*****Peter sings Elvis, vele Elvis klassiekers worden op een indrukwekkende wijze gebracht*****
*****Barbara 'live' als de Helene Fischer Tribute, een absolute aanrader, een unieke en absoluut fantastische showavond die helemaal aan deze  Duitse schlagerkoningin gewijd is*****Zijn The Blues Brothers in  Nederland?  In elk geval ze lijken er wel op; twee mannen met een zwarte hoed, bijpassende pak, smalle zwarte stropdas en een zwarte zonnebril: gaat er bij u al een lampje branden?*****The Dutch Engelbert, zijn interpretatie van de songs van zangers als Tom Jones en Englebert Humperdinck vallen in de smaak bij het publiek*****Maar dat dacht u van The Piano Killer Chris Watson, Barbara sings ABBA of een ode aan de Tielman Brothers?
We hebben het allemaal in huis.

Voordat we het doorhebben staat de is de zomer weer op zijn einde.
Voor in de 'donkere' decembermaand hebben wij tal van leuke activiteiten in huis.
Naast de reguliere attracties zoals, eventueel begeleid door kerstmeisjes,  hebben wij nog een aantal 'attractieve' eye-catchers.
997c_christmasangelvideo4--1.png
Charles Dickens was een bekende Engelse schrijver en is de bekendste en invloedrijkste Engelse schrijver uit de 19e eeuw, 'A Christmas Carol', oftewel 'Een kerstvertelling', is één van de meest bekende kerstverhalen.
Een uitstekend thema om uw evenement in te vullen met speciaal Dickens entertainment.
Ons aanbod varieert van prachtige Christmas Carols tot het Scrooge verhaal eventueel vastgelegd door onze Dickens fotograaf.

Ook verzorgen wij de boekingen voor een groot aantal nationale en internationale artiesten op het gebied van ‘Goud van Oud’ en Country & Western .
Mede door ons boekingsactiviteiten voor o.a. Doña en de Gado’s en Java Guitars Unlimited zijn wij inmiddels ook zeer goed ingevoerd in het Indische  circuit.
 
 
Smitsweg 51, 3222 AG Hellevoetsluis, 0181 324319
space.gif

Lees verder…

10897261876?profile=originalMijn levensverhaal - II     door onze correspondent in Nieuw Zeeland, Adrian Lemmens

 

Helaas was ik toevalligerwijze aanwezig tijdens dat verraad, en raakte ik zelfs aan mijn hoofd gewond, door een steen, die door hun oudste zoon Rijnco geworpen werd. Dit gebeurde allemaal in de “Villa Isola” in Bandoeng. Na verbonden te zijn, mocht ik met Eppo, hun jongste zoon, in de Japanse stafauto, met vlaggetjes en de Japanse chauffeur, als een troost, een lunch pakketje “Oom” Ab Brons brengen in zijn gevangenis, waar ik hem door de poort tussen een  groepje andere Hollandse gevangenen zag staan. Ab Brons was een grote man met een rood gezicht en witte haren; men kon hem niet missen.

Als Duitse, maar ook om mijn vaders reputatie te dwarsbomen, werd mijn moeder door toedoen van deze mensen bij Greetje Brons ontboden. Deze vroeg haar verzoek de functie van tolk op zich te nemen (mijn moeder sprak vijf talen). Mijn moeder vroeg bedenktijd en ze kreeg hier  slechts drie uur voor. Overhaast vluchtten wij naar Surabaya per trein. De trein werd door de Japanners uitgekamd, op zoek naar ons, maar RK. Zusters hielpen ons verborgen te blijven. Het onderzoek van drie jonge Japanse officieren op die trein duurde drie dagen.    

In Surabaya werden wij toch gevangen genomen en kwamen wij, in volgorde,  in het klooster Gedangan, Ambarawa; daarna ik denk kamp 5, en tenslotte  Banyu-Biru kamp 10. Waar wij tot begin december 1945 verbleven. Ons vertrek van Banyu-Biru kamp, ik geloof op 6 December 1945, was zeer dramatisch. Onder de bescherming van de Ghurca’s, die ons ook van de revolutionairen tijdens de Bersiap bevrijdden. Ons kamp was reeds in handen van de guerrilla’s en werd, volgens de dreigementen, op een totale eliminatie voorbereid. Luidsprekers verkondigden allerlei dreigementen, slangen, krokodillen en tijgers en panters zouden op ons losgelaten worden, barricades van zandzakken werden opgeworpen tegen aanvallen met handgranaten. Wij werden op het laatste moment ontzet door een kolonne Ghurca’s, die ons kamp voor mogelijk een maand   of meer verdedigden met mortieren, machinegeweren en persoonlijke nachtelijke koppensneller-activiteiten.

Met het uiteindelijke vertrek in een grote groep, gingen wij door geweervuur aan beide zijden van de weg en vliegtuigen overal in de lucht schietende en bombarderende tot aan Semarang toe. Het was soms een angstwekkende vuurzee, waar wij doorheen reden. Tenslotte bereikten wij Semarang, waar wij na enige dagen aan boord gingen via pontons op het Amerikaanse schip de “Victoria Amhorst” op weg naar Batavia. Ik denk dat het in het eerste Kamp 11 van Banyu-Biru, onze buren waren, die met hun groep praktisch helemaal uitgemoord zijn. Daarom werd met onze groep geen risico genomen en waren wij ook uitzonderlijk zwaar bewapend, met tanks en gepantserde wagens. Wij zaten dan ook met alle bagage om ons heen in die trucks. 

Terug in Nederland

Binnen het jaar, wist Jannes den Besten, van de weduwen en wezen  

afdeling van de B.P.M, met geweldige leugens, mijn moeder in te palmen en hoe ongelooflijk het ook klinkt, in gemeenschap van goederen met haar te trouwen in December 1947. De man bezat zelf niets, hij was een homosexueel, hetgeen mijn Moeder ook pas te laat te weten kwam. Mijn moeder werd eventueel door hem onder druk gezet, om haar onder controle te kunnen houden. Eenmaal, tijdens een open gesprek, vertelde mijn moeder mij een en ander. Op haar eerste huwelijksnacht posteerde mijn Moeder zich kennelijk voor die man, (ik moet er niet aan denken, mijn moeder). Maar het liep mis, hij gebood haar woedend zich aan te kleden en zei: “Ik heb jou daar niet voor nodig en ik heb nu al jullie geld en die kleine flikker (dat was ik), raak ik op de een of ander manier wel kwijt”. Dit was dus mijn toekomst, waar mijn eigen moeder in meespeelde, “gedwongen of niet”, hoe is dat mogelijk.


10897266476?profile=originalAdrian Lemmens, 15 jaar oud

Alle twee de kisten, met Amerikaanse voedingsmiddelen die wij ons uit de mond hadden gespaard en meenamen naar Nederland, werd door die man alleen opgevreten, terwijl ik, nog mager van de kampen, nog steeds honger leed. Drie grote kisten met sigaretten, verkregen met hulp van de vroegere directeur ir. A. Scholtens van de B.P.M.-Shell, de vroegere directe baas van mijn vader, daar werd direct de eerste Volkswagen Kever van  gekocht. De rest verhandelde en  rookte hij zelf op,  kronkelend over de vloer van het hoesten. Bij de eerste kennismaking  met die man, weigerde ik hem de hand te schudden en kreeg ik een geweldige draai om de oren, van mijn moeder, waardoor ik verschillende meters de gang in vloog. Dat was de eerste introductie, men weet over het instinkt van kinderen.

Zwaar gedisciplineerd als ik was, durfde ik nooit ver van huis te gaan   en werd ik op die manier veelal    alleen gelaten, terwijl andere kinderen op school waren, dat was in de     Jacob Marisstraat 18, te Slooterdijk Amsterdam; dezelfde naam inderdaad, als het schip van de HAL. De ms. Slooterdijk, waarmee wij uit Indië kwamen. Gebruik makende van mijn analfabetisme, wist Jannes den Besten, nu mijn tweede vader, mijn moeder te overtuigen, dat ik niet normaal was en liet mij in een zwakzinnigengesticht in Amsterdam Slooterdijk opnemen. Dat gesticht was een complete nachtmerrie. Kinderen die zich niet normaal gedroegen, zich bevuilden   en de rotzooi op de muren smeerden, of eindeloos hun hoofden tegen een deur of muur aan sloegen, vreemde dierlijke geluiden maakten, staan mij nog altijd bij. Ik realiseerde mij, dat ik daar weleens voorgoed in had kunnen blijven. Eens in een gesticht, nooit meer er uit, gold in die tijd.

Mijn grootvader was geschrokken, toen hij dat hoorde, maar Jannes den Besten wilde van geen advies weten. En waar was mijn zogenaamde moeder? Dankzij mijn grootvader en via de politie, werd het bestuur van die stichting (later bleek, dat zij een stevige betaling van J. den Besten ontvingen om mij daar binnen de muren te houden), gedwongen om mij te laten testen. Ik werd volkomen normaal beschouwd en werd er toen weer uit gelaten, God zij gedankt.  

Ik ben nog steeds woedend over het feit, dat men met mij kennelijk te gemakkelijk kon manoeuvreren in die tijd. Ik bleek ondanks alles, nog zo onschuldig te zijn, dat men schijnbaar van alles met mij uit kon halen. Maar ik was ook in een vreemd koud land  en kende er niemand die ik kon vertrouwen. Ik was immers nog steeds het totaal genegeerde en daardoor eenzame moffenjongetje uit de Jappenkampen en pas tien jaren oud Ik was immers niets anders gewend, dan alleen te zijnen niets om handen te hebben. Wat een verschil met een eigenwijze TV- en computerwijze tienjarige van vandaag.

In de Japanse kampen, was ik het moffenjongetje, waar de andere kinderen niet mede mochten spelen, ongelooflijk als dat klinkt, ondanks,  dat wij het kampleven met iedereen deelden. Mijn Moeder werkte nachts in de keuken en sliep overdag en ik was dus altijd alleen en moest mijzelf bezig zien te houden. Daardoor ben ik een “loner” geworden tot de dag van vandaag.

De enige cadeaus, die ik ooit in mijn leven heb gekregen, waren een aantal boeken van mijn grootvader. Dat werden mijn vrienden en die hield ik  voor mijzelf, toen ik via mijn eerste internaat St. Louise, het lezen en schrijven begon te leren. Gelukkig was ik intelligent en leerde vrij snel. Ik ben er zeker van dat mijn grootvader  daarmede mijn toekomst heeft verzekerd en gered, maar hij deed meer. Via een R.K. Bisschop in onze familie, Mgr. Lemmens, toenmaals Bisschop van Roermond, werd ik ondanks een grote tegenwerking van J. den Besten op de kostschool St. Louise in Amersfoort toegelaten. Daar man een broeder Deciderius mij persoonlijk onder zijn hoede. Hij sleepte mij in mijn eerste en enige schooljaar daar, van de eerste tot de vierde klas door 

mijn studies heen gesleept. Ik was toen 11 jaar en werd 12 in 1948. Het was een elite school, maar ik was de enige die beboterd brood at en niet de voorraden toegestuurd kreeg zoals de andere kinderen. Die aten jam, kaas, muisjes of pindakaas, ik at droog brood met een schrap boter. Maar ik was deel van een gemeenschap, ook al werd ik uitgemaakt voor pinda, als de enige Indische jongen aldaar. Geweldige cadeaus voor al die kinderen en medeleerlingen, met Kerst en Sint Nicolaas, of met verjaardagen;  ik liep daartussen, met niets.

10897266660?profile=original

Vader en moeder Lemmens

Maar voor het zo ver kwam, dat ik naar mijn allereerste school St Louise ging, werd ik eerst nog meegenomen naar de U.S.A. door een vriendin      van mijn moeder, Ria Oosterbaan, die met een Amerikaanse officier was getrouwd en mij mee naar Amerika wilden nemen, waar ik mij hevig tegen verzette. Daarna werd mij direct een naamsverandering opgedrongen, ook tot een “den Besten”, ook al verzette ik mij er tegen. Ik begreep niets meer van wat mijn moeder motiveerde, met al deze handelingen en voorstellen, die natuurlijk van J. den Besten kwamen. Ik wist van mijn grootvader, dat ik een hoop geld bezat op mijn naam, maar liefst 98.000 gulden en dat er ook een kwart van de waarde van het huis van mij was. En later bleek dan  J. den Besten niet van plan was, dat ooit aan mij te laten; wetten of geen wetten, rechten of geen  rechten. Om mijn eigendom te verdonkeremanen, werd het huis met groot verlies van de hand gedaan en mijn grootvader op  straat gesmeten, die daarmee tot een armoedige en eenzame dood was veroordeeld. Hieraan hebben de Nederlandse Autoriteiten mede schuld. Wat heeft Nederland met de nalatenschap van een oorlogsheld gedaan?

Terug naar het internaat St Louise te Amersfoort, na het enige jaar aldaar, gingen mijn zogenaamde ouders op vakantie naar Frankrijk, met hun eerste baby, een jongen, die later, dankzij haar trots en op haar kosten, dokter zou worden. Hij bleek ook  homosexueel te zijn en zou later zijn moeder van alles zou beroven (en daarmee dus ook mijn rechten) en haar de dood in zou jagen.

De tuinman van het internaat St. Louise werd gevraagd of hij op mij wilde passen en werkte ik dus met hem in de tuin in mijn zogenaamde vakantie. Na die vakantie en dat tuinwerk, werd ik van die school afgehaald en op de Technische hogeschool  Don Bosco, bij de Salesianen geplaatst, ook in een internaat in Amersfoort. Ook daar werd weer een tuinman gevraagd om op mij te passen terwijl de familie naar Frankrijk ging. Daarna werd ik ook daar vanaf gehaald. Dat was voor de rest van mijn leven, mijn laatste school, maar ten laatste leerde ik daar inderdaad ook het omgaan met gereedschappen.

Nu volgde echter de vreselijkste periode van mijn leven. De lezer begint nu mogelijk een idee te krijgen wat ik heb moeten doorstaan.  Dat ik mijn vaardigheden ondanks deze situaties heb weten te behouden, is bijna ongelooflijk. Ik heb toen zeker  de voorzienigheid achter mij gehad en kennelijk voor de rest van mijn leven. Misschien is dat de prijs, waar mijn vader zijn leven voor heeft geofferd.  Dat is de vraag waar ik mee aan het worstelen ben. Maar desondanks heb ik nu een vrouw en kinderen.

Een aanslag tegen mijn leven, waaraan ik vijfmaal de dans ben ontsprongen en verder een verschrikkelijk onrecht heb moeten ondervinden, hebben mij uiteindelijk berooid het land uitgestuurd. Ten gevolge waarvan ik nu dus als een emigrant in New Zealand zit, en daar berooid met letterlijk niets tot mijn naam, een nieuw leven moest beginnen, in mei 1962, dus 26 jaar oud. Wat heeft Nederland ooit voor mij gedaan? Wat, of hoe, met de geweldige en potentieel grote rijkdom, en geweldige studie kansen, die ooit mijn rechten waren en die mij ontnomen zijn, ook die door mijn vader aan mij zijn nagelaten.

In het nog vooroorlogse Indië; in 1939

De B.P.M.-Shell, eens mijn vaders bedrijf, gebood hem in zijn functie twee mensen te disciplineren, die de bloemetjes buiten zetten en de B.P.M. als maatschappij te schande maakten, in een tijd, waar een goede naam nog steeds zeer op prijs werd gesteld. Een de zoon van een zittende directeur ir. Jan Brouwer en een prof. dr. ir., professor in de Geologie H.H. Brons een hoge academicus, die zich aan de Japanners hadden verbonden. Voor welke reden dan ook, het was verraad, maar ir. Jan Brouwer door zijn vader gewaarschuwd, vluchtte toen naar Australië. Een mogelijkheid, die ook aan mijn vader geboden werd. Maar mijn vader, destijds de grote organisator van de B.P.M.-Shell in Nederlands Oost-Indië, beval de vernietigingen van de B.P.M.-depots in 

Tarakan en Balikpapan en vluchtte daardoor te laat. Hij was een patriot en verloor zijn leven, in dienst van zijn zogenaamde Vaderland.  

Die twee individuen (heren kan ik ze niet noemen), overleefden en waren ons vijandig gezind. Ze weigerden mijn moeder te helpen en ik wist natuurlijk te veel over en van Brons; ik was een gevaar voor hen en moest worden geëlimineerd en J. den Besten, chanteerde de Brons familie, met wat hij daarover van mijn Moeder had vernomen. Ab Brons nam hem in  dienst om mij te elimineren, wat goed in het plan van J. den Besten, maar ook in dat van de Brons paste. J. den Besten wilde mij immers ook kwijt, omdat hij niet van plan was, om mij ooit mijn rechtmatige bezittingen uit te betalen.

10897266071?profile=originalDe oorkonde die Adrians vader van de Nederlandse regering ontving

Nederland liet dit allemaal toe, door de inbeslagneming van ons huis en eigendom, onze thuis en onze haven, waardoor ik ook mijn grootvader, mijn voogd, en mijn enige bescherming verloor. Met daarbij ook de mensonterende Wet  Onbevoegdheid van de vrouw in die tijd. Dat onze situatie in Nederland, met hun acties 

tegen ons, nog verergerde, is ook de schuld van de Nederlandse Staat en haar overheden. Wat kan ik (persoonlijk) verwachten, als straks de “Indische Kwestie”, door Nederland wordt erkend?

U hebt nu de eerste 12 jaren van mijn leven gezien. Er volgden nog 14 jaren van ongeluk, levensgevaar en armoede voor mij in Nederland, voor mijn uiteindelijke vlucht door emigratie naar Nieuw Zeeland.

Beste Hans, je hebt mijn permissie hier mijn levensloop openbaar te maken. De Nederlandse Staat moet ook kennis nemen  van wat er met mij is gebeurd, evenals de B.P.M.-Shell, die  medeschuldig is aan de behandeling van de  zoon van een van hun toenmaals belangrijkste employés. De B.P.M.-Shell, heeft aan mij ook nooit de studiefondsen toegekend, die door mijn Vader met hen waren vastgezet in 1939, tijdens zijn laatste verlof in Nederland. Studiefondsen die aan mij uitbetaald zouden worden tot aan mijn dertigste jaar en het mede gebruik van alle sociale voorzieningen van de B.P.M. die ik nooit heb gezien of gekregen.

Dit is eveneens een deel van de reden waarom wij Indische Nederlanders nu al 70 jaar lang door Nederland behandeld worden; een periode die we de “Indische Kwestie” noemen. Maar ik weet het, ik ben lang niet de enige, ook al bedenk ik, dat mijn situatie en het verloop van mijn leven uniek is.  Als een consequentie van wat mij allemaal is overkomen, door mijn eigen moeders kennelijke onverschilligheid jegens mij en mijn lot, heb ik haar in 1998 persoonlijk gezegd, dat zij niet het recht had de oorlog te overleven. Deze harde, maar in mijn ogen reële uitspraak deed ik tijdens mijn laatste bezoek aan haar,  

een half jaar voor haar dood. Ik noemde haar als reden het verraad aan haar tweede zoon, ook een J. den Besten. Mijn moeder vroeg mij of ik het meende, hetgeen ik nogmaals bevestigde Zo namen wij afscheid voor de laatste maal; ik heb er geen spijt van, maar ik heb er wel moeite mee. Kunt U zich dit indenken?  Echter los van haar behandeling van en verantwoording jegens mij, haar enige kind van haar eens zo zeer geliefde man, was ook mijn moeder, eens een geweldige persoonlijkheid in die moeilijke jaren. Met geweldige prestaties en trouw aan haar geadopteerde land en nationaliteit en mogelijk honderden hebben hun levensbehoud in de kampen aan haar kookkunsten te danken. Moeder kreeg na de oorlog in Nederland, vele brieven van kampgenoten die haar bedankten voor wat zij had gedaan,  brieven die in nijd en jaloezie door haar tweede man J. den Besten werden verbrand. Maar waarom liet mijn Moeder mij toen in de steek?Nu op 12 jarige leeftijd, werd ik na de vakantietijd en na de vakantie van mijn “familie”, ook weer in Frankrijk,  ook weer van mijn tweede school verwijderd. Ook op deze tweede school liet de tuinman van die school Don Bosco, te Amersfoort, die op mij paste, mij “helpen” bij het werk in de tuin.

J. den Besten had zijn macht nu gevestigd, met onze bezittingen totaal onder zijn beheer en mijn Moeder scheen haar eigen gewoonlijke zelfbeheersing en persoonlijkheid volkomen te zijn verloren. Wij woonden nu na hun huwelijk, in ons eerste huis in de hoerenbuurt van Den Haag, in de Scheldestraat, recht tegenover de ramen met spiegeltjes en die dames in hun voor mij zo vreemde kledij, nooit eerder zoiets geweten of te hebben gezien, was dat voor mij een volkomen raadsel. Dit werd toen ook schijnbaar de tijd voor  

den Besten, om de door hem   met ons aangenomen positie te bevestigen, door mijn moeder volkomen te onderwerpen, zoals hij dat gedurende zijn eigen Vaders tijd had geleerd, in het vooroorlogse Roemeense Bucharest, met de vrouwen aldaar. De “Balkanisatie” van mijn moeder, de totale onderwerping van zijn vrouw, mijn moeder, waarvan ik later ook hoorde, dat het zijn bedoeling was, om ook mijn moeder als zodanig te werk te stellen. Hoe was dat mogelijk.

10897266871?profile=original

Nog een foto van Adrian, 15 jaar oud

Mijn moeder werd zo vaak getrapt en geslagen, dat zij zich veelal niet buiten de deur dorst te vertonen. Ongelooflijk genoeg, bleken die woningen ook tot de B.P.M. te behoren, zo tegenover onze trappen hal woonden ook B.P.M.-ers, de familie de Koning. Door het gegil en het geschreeuw van mijn Moeder, riepen die de politie.  Ondanks dat de politie de staat van mijn moeder kon zien, wist den Besten de rollen zo te verdraaien, dat de politie sympathie met “hem” hadden. Ondanks de vele gaten in mijn kennis, wist ik genoeg, om hem Mossadeg, te noemen, de huilende Minister-president van Iran in die tijd. De buren durfden niet meer te reageren, na bedreigingen van den Besten. Ze hadden nu gezien, van wat hij met de  politie wist te bereiken, ondanks mijn moeders uiterlijke kentekenen, van zijn beestachtige behandeling van haar.                                                         Nu begon ook de tijd voor hem, om zich tegenover mij een houding aan te meten. Met mijn Moeder onderdrukt en onder controle en daardoor niet in staat om tussen hem en mij te kunnen komen, om mij te verdedigen, nu was ik aan de beurt. Het was de winter van 1948, dikke sneeuw en ijsbloemen op de ramen, werd mij geboden, mij uit te kleden, veel van mijn kleding, (nu lompen) was nog steeds van onze repatriatie, de schoenen met touwtjes bij elkaar gebonden, werd ik naakt aan mij haren de douche in getrapt. Ik schreeuwde niet, het had geen zin.

Nog steeds broodmager, stond ik onder dat ijskoude water te jammeren, hij stond met een Spaanse riet voor de open deur, twintig minuten tot een half uur, als ik eruit probeerde te komen, sloeg hij mij op mijn natte huid, ten gevolge waarvan de wonden weken namen om te helen. Ik kon mij na die behandeling nauwelijks meer bewegen. Aan mijn haren werd ik naar het koude gedeelte van het huis, mijn kleine kamertje,  gesleept, de kamer in gegooid, op de vloer gesmeten, waar alleen een kaal matras en een paardendeken lag, terwijl ik niet eens was afgedroogd. Dit heb ik 11 of 12 keer moeten doorstaan. De kennelijke bedoeling was, om mij een longontsteking te bezorgen. Mijn moeder zat in de enige warme kamer, met hun eerste baby een jongen en ook een Jannes en kwam er nooit uit, zij was te bang.      Is dit van een moeder te bevatten? In die omstandigheden? Misschien wel.

Over mijn Moeder

Mijn moeder, kwam uit een niet zo welgestelde familie, een Kleermakerij en was een van de ouderen, van 11 kinderen.  Grootvader een geweldige verteller, met slechts een been, was door geheel Sauerland en Westfalen in Duitsland bekend. Moeder was geboren op een vrijdag de 13e mei in 1913, dus aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Haar door ambitie gedreven leven behelsde Piano spelen, kleding ontwerpen en maken en had ook de Kookschool doorlopen, bij een van de in die streek bekendste Hotels in Winterberg. Als Gouvernante bij een rijke Maastrichtse familie, leerde mijn moeder uiteindelijk mijn vader kennen. Mijn moeder sprak vijf talen, vloeiend Maleis was haar laatste taal.

Beginnende met de huwelijks-voltrekking in Kasteel Oud Wassenaar, bracht haar huwelijksreis haar in 1934, langs vele van de Franse kastelen en Chenonceau aan de Loire en tenslotte het Casino te Monaco, waar zij een maal mocht spelen met 1000 gulden. Moeder was gelukkig, het werden er 4000. Enthousiast wilde zij het nog een maal herhalen, maar mijn vader zei neen; eenmaal was de afspraak en zo bleef het.

In Nederlands-Indië

Moeder was een beetje koket, elke zaterdagavond, in de Soos, in een andere avond japon, nooit een tweede maal gedragen, het waren haar eigen gemaakte designs en de avond japon veranderde in een cocktailjurk en daarna in een middag japon, met veel hand gemaakte opsmuk, waar zij inderdaad bewonderenswaardig mee was, zo was haar leven, in ons oude vooroorlogse  Indië. Maar mijn vader keek naar de toekomst en dit was een duur spelletje. Zo kwam de afspraak, dat mijn Moeder alle stoffen kon kopen, die zij maar wenste, vermits zij haar eigen kleding ontwierp en zelf maakte. De stoffen kwamen van over de hele wereld, zelfs Iers linnen. Mijn moeder was de dame. Maar waar was er de moederlijke tijd voor mij? Die was er niet, voor mij was daar alleen maar de baboe en mogelijk de borstmelk afgekolfd en met de fles  aan mij gevoed.

Mijn vader was trots op zijn eerste zoontje, dat weet ik, er waren foto’s die daarvan getuigden, maar hij had ook een hoge baan bij de B.P.M.-Shell en verantwoordelijk voor de algehele financiën van die Maatschappij. Hij vloog met de Shell vliegtuigen veel en over geheel Indië voor inspectie van de boeken op de vele Shell stations. Eenmaal zelfs eens met Douglas Bader, de beroemde Engelse piloot  zonder benen, die ook voor de Shell vloog. Mijn Vader was helaas dus veel weg  voor inspecties. Corruptie tierde ook in die tijd welig en zo werd het bekend dat telegrammen mijn Vader vooruit gingen, als waarschuwing, zodat de boeken om in een correcte situatie zouden zijn. Er werden hem zelfs afkoopgeschenken aangeboden in vaak geweldige bedragen. Mijn vader reageerde daarop met ontslag en een schoonveegactie schoonveeg actie en zo werd de naam van mijn vader gevreesd op de verschillende stations, waarvan de boeken niet correct waren.

Het B.P.M.-Shell soosgebouw in Pladju

Desondanks was mijn Moeder toch nog te trots, maar ook ten zeerste beschaamd (hoe vaak was de eens zo zeer bekende naam van A.C. Lemmens, door de omstandigheden bezoedeld), om door ook maar enige 

vroegere bekende te worden gezien, vanwege haar huidige uiterlijk en onze vroegere reputatie. Was dat de bedoeling van die Jannes den Besten?

Waarom had ik een moeder, die geen belang of verantwoording voor haar  enig kind nam. Niet als een hartelijke warme en veilige Moeder, maar ook niet door haar onbesuisde tweede huwelijk, nog wel in gemeenschap van goederen ook nog, zonder acht te slaan op de belangen van haar kind. Zelfs al was dat met en onder al de geweldige beloften van die man.

Natuurlijk, haar tweede huwelijk was een volslagen nachtmerrie en in haar situatie was er geen uitweg. Door in alles toe te geven, hoopte mijn moeder een succes van dat huwelijk te kunnen maken. Dat was  dus ook debet aan haar houding  tegenover mij. Ze had toen niet door dat het  haar tweede man in het zo onverantwoorde huwelijk in gemeenschap van goederen, alleen te doen was om haar kapitaal.

Maar er was ook weinig mogelijkheid tot enige hulp, voor mijn Moeder, ze was immers geïsoleerd door de omstandigheden. Er werd een school voor mij gevonden, een RK. School aan het Westeinde. Onder de Wet moest dat tot 15 jarige leeftijd op school blijven, maar kennelijk had niemand enige belangstelling voor mij. Geen interesse en geen leidende hand, of een extra aanspraak, want ik was immers het jongetje dat niet sprak, en zich alleen wist te vermaken; in de geest nog steeds helemaal terug in de tijd van de Japanse kampen. Het Moffen-jongetje, waar de andere kinderen niet mee mochten spelen.    Ik wist niet beter en in Nederland was ik alleen maar een van de pinda’s, waar weinig interesse voor was. Het liep totaal op niets uit en duurde slechts enige maanden, ik leerde daar totaal niets. Tenslotte hing ik gewoon ergens rond en liep ik de geweldige afstanden, op mijn totaal versleten schoenen, in sneeuw en ijs, nog steeds vanuit de repatriërings-periode. Er was immers geen controle op mij Menigmaal, vroeg ik mij af, waarom ik eigenlijk geen moeder had, ik kan mij de borstvoeding niet herinneren, was het afgekolfd, zoals het mij door de baboe werd gegeven. In tegenstelling tot mijn vader, heb ik nooit in de armen van mijn moeder gelegen, maar 

ik had wel de mooiste kinderwagen van Pladju, zo werd verteld.

Tot zover het tweede deel van het levensverhaal van Adrian Lemmens, dat   hij voor deze NICC Nieuwsbrief schreef

 

Lees verder…
FIN verzoekt Westerbork om opheldering 'keuze'-uitlating
10897426699?profile=original
ARNHEM (5 juli 2020) - Volgens conservator van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Guido Abuys, zou de repatriëring van Indische Nederlanders het gevolg zijn van “een grote groep” die voor Nederland “koos”. Dat zegt Abuys bij RTV Drenthe. Federatie Indische Nederlanders (FIN) heeft het herinneringscentrum om opheldering verzocht.
Ook op de website van Kamp Westerbork circuleren vergelijkbare teksten. Het is een bijzondere duiding van (de repatriëring van) Indische Nederlanders; een groep die zowel tijdens de Tweede Wereldoorlog als de Bersiap door Japanners respectievelijk Indonesiërs is vervolgd vanwege hun Nederlandse en Europese afkomst. Van enige keuze daarbij was geen sprake. Indische Nederlanders waren immers Nederlanders. Tijdens Zwarte Sinterklaas verklaarde Soekarno hen zelfs staatsgevaarlijk. (Indische) Nederlanders werden vanaf dat moment actief gedwongen om naar hun eigen land terug te keren.
Deze geschiedenis voorspiegelen als “een grote groep” die voor Nederland “koos” is wrang . Abuys deed zijn uitlatingen omdat het deze week 70 jaar geleden is dat de eerste Indische Nederlanders aankwamen in Kamp Westerbork, toen De Schattenberg genaamd, waar zij tijdelijk werden opgevangen. De uitlatingen zorgen binnen Indisch Nederland voor ergernis. Sinds de publicatie van het nieuws door RTV Drenthe ontving FIN meerdere klachten. FIN heeft Herinneringscentrum Kamp Westerbork dan ook om opheldering verzocht. Het centrum heeft tot op heden niet gereageerd.
Lees verder…
70 jaar geleden kwamen Indische Nederlanders aan in 'De Schattenberg'/Kamp Westerbork
10897426298?profile=original
(C) RTVDRENTE
Het is nu zeventig jaar geleden dat de eerste Indische Nederlanders aankwamen in Kamp Westerbork, wat dan De Schattenberg wordt genoemd. Volgens conservator van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Guido Abuys, "koos" een grote groep Indische Nederlanders voor Nederland. Een wel heel bijzondere interpretatie om de repatriëring van (Indische) Nederlanders te omschrijven; een groep waarop Indonesiërs tussen 1945-1946 - Bersiap - omwille van hun Nederlandse/Europese afkomst een massamoord pleegden en die ook na 1949 in Indonesië hun leven niet zeker waren. Op 5 december 1957 ('Zwarte Sinterklaas') worden de laatste (Indische) Nederlanders door Soekarno tot staatsgevaarlijk verklaard en gedwongen om de Indische archipel voorgoed te verlaten.
De geschiedenis van Kamp Westerbork is een bekende. Toch is er één periode die vaak nog wat onderbelicht blijft. Dat is namelijk het jaar waarin het kamp dient als repatriëringskamp voor Indische Nederlanders. Het is nu zeventig jaar geleden dat de eerste bewoners aankomen in wat dan De Schattenberg heet.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 moeten Indische Nederlanders een keuze maken: blijven ze in Indonesië, of gaan ze naar Nederland? "Een grote groep koos toen voor Nederland", zegt Guido Abuys, conservator van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Veel van hen voelden zich namelijk ook niet meer veilig in Indonesië. Ook is er van oudsher een band met Nederland. Zo wordt er thuis door velen alleen Nederlands gesproken.

"Hier in Nederland was alleen een gebrek aan opvangplekken, omdat het land nog altijd herstellende was van de Tweede Wereldoorlog", legt Abuys uit. Veel repatrianten - zoals de Indische Nederlanders ook wel worden genoemd - worden in pensions ondergebracht of gaan in De Schattenberg wonen.

'Ik moest huilen'

Frederika Bloemhard kan zich die periode nog goed herinneren, zo vertelde ze in 2000 op 91-jarige leeftijd aan Abuys. "Uit de boot, gelijk de bussen in naar Schattenberg. Wij wisten natuurlijk wat het was, maar het was vreselijk. Oh, die aankomst daar. (...) Toen we die matrassen zagen, moest ik huilen."

Het voormalige doorgangskamp Westerbork is eigenlijk nog helemaal niet klaar voor de ontvangst van de repatrianten. De beslissing om hen in De Schattenberg onder te brengen wordt half juni genomen. Het kamp moet gauw schoongemaakt en klaargemaakt worden, want op 1 juli 1950 komen de eerste nieuwe bewoners aan. Rond 3-4 juli volgen grotere groepen. Eind 1950 wonen er iets meer dan duizend mensen in de twee barakken. "Het is in die tijd ook een komen en gaan van mensen", weet Abuys. "Sommige mensen kregen ergens anders huisvesting, of gingen bij andere familieleden wonen."

Een-bewoner-van-De-Schattenberg-niet-de-familie-Bloemhard-oktober-1950-Rechten-Nationaal-Archief-Winterbergen-Anefo.jpg?v=ieZsCWWitypDifF2it3gxw2
Een bewoner van De Schattenberg (niet de familie Bloemhard), oktober 1950 (Rechten: Nationaal Archief - Winterbergen / Anefo)

Omschakeling

De familie Bloemhard wordt eerst opgevangen in een grote barak, later krijgt het gezin een eigen kleine ruimte. Danny Bloemhard (die 13 is als hij in Nederland aankomt) herinnert het zich nog, zo vertelde hij eerder ook aan Abuys. "We kregen een compartiment in de barak, waar je dan ook als gezin bij elkaar kon zijn." Het is een hele omschakeling voor de familie. "Je denkt toch dat je anders opgevangen wordt, in een hotelletje of weet ik wat... Het was wel een dikke tegenvaller."

De kinderen gaan na de 'zomervakantie' in Assen naar school en proberen het Nederlandse leven op te pakken. "Het snellere leven was eigenlijk waar wij de meeste problemen mee hadden", vertelde Danny Bloemhard. Veel van de Indische Nederlanders moeten zich aanpassen aan een land waar ze zich sterk mee verbonden voelen, maar eigenlijk heel onbekend zijn. Ook is er veel discriminatie. Frederika Bloemhard kan zich meerdere incidenten herinneren, met name toen ze een half jaar later verhuisd waren naar Hoogezand. "Daar hadden we een buurvrouw die niet wist wat ze moest verwachten. Ze dacht dat wij een beetje achtergebleven mensen waren, of zo."

Volgende groep bewoners

In maart 1951 vertrekken de laatste Indische Nederlanders uit De Schattenberg. Kort daarop worden nieuwe bewoners in het woonoord ondergebracht: namelijk, Molukkers. Twintig jaar later - in 1971 - worden daar de laatsten onder dwang uit Schattenberg gezet.

Lees verder…

Noodwet herstel betalingen van 4,5 miljard van de  Indonesië

aan Nederland in zake nationalisering eigendommen.

 

10897424494?profile=original

Onbegrijpelijk dat NL Staat dit eist.

Bij overdracht was de Kas van de voorgaande regering het Nederlands Indisch Bestuur al door Nederland leeggeplunderd, allemaal doorgesluisd naar Amsterdam.  Niet alleen de NL Staat maakte zich hieraan schuldig; Het Bank -en Verzekeringswezen. Of dit nog niet genoeg was, werden staven goudvoorraden eerst naar Australië en later naar de VS gebracht. Vier jaar geleden werd het INDISCH GOUD naar Amsterdam gebracht. De Nederlandse Bank vond dit veiliger. Echter er speelde wat anders op de achtergrond. Griselda Molemans, journaliste, ontmaskerde dit. Zij gingen alle gangen na in het rapport van Gaalen die in opdracht van Min. VWS werd samengesteld door de betaalde corrupte NIOD - onderzoekers. Onbegrijpelijk waar VWS deze Niod -onderzoeker contracteert. Waarom niet een Internationaal accountantskantoor, bovendien ligt dit meer in de lijn voor onafhankelijk onderzoek en controle. Weer een commissie die een rook gordijn opzette om de Nederlandse Indische burgers op het verkeerde been te zetten. 

Zoals Reindert Rutte van Ombudsman een persconferentie gaf voor de journalisten,  stelt hij vast  dat de vele commissies het instrumentaria is om de burgers op afstand het houden, hier een bizar voorbeeld uit de praktijk.

 

De vraag nu wat is het Indisch Goudvoorraad waard? 

Weet wel op de scholen leerde men dat de Goudvoorraad de dekking voor begroting van een land is. Een soort zekerheid, als 1 van de elementen bij leningen.  

 

De volgende vraag wat zat er nog in Staats kas van het Nederlands Indisch Bestuur?  Toch zeker om een economie minimaal een jaar draaiend te houden, lijkt mij. Rapport van Gaalen analyseert de financiële stromingen die naar Amsterdam werden door gesluisd, dus Soekarno en Hatta begonnen met lege Staat kast.

 

De volgende vraag Drees vroeg voor het nationalisatieproces een bedrag om de bezittingen / eigendommen van de Nederlandse Indische burgers over te nemen.

 

Vroeg 6 miljard, via de noodwet werd 4,2 miljard overgemaakt naar het Min. Van Financiën.

Bizarre is dat Soekarno die geld heeft moeten lenen bij een Internationale fonds. Veel geld waarde nu bedraagt 70 miljard. Soekarno was het zat, en hield op met de betalingen. Volgens Drees was de restschuld 1,8 miljard. 

 

Soeharto nam het stokje over en uiteindelijk kwam het bedrag op 689 miljoen. 89 Miljoen rente, betaling in 30 termijn.  Deze afspraak werd  vastgelegd een schijnconstructie, welbekend bij surseance van betaling bij de bedrijven. Echter de schuldeisers dus 341.000 burgers werden buiten dit proces gelaten, bizar!

 

Uiteindelijk kwam het akkoord via een schijnconstructie wat ze plegen te noemen het gedrocht Verdrag Traktaat van Wassenaar. Duidelijk de opzet was om alle 341.000 Nederlandse Indische burgers er buiten te houden, terwijl om hun eigen bezittingen / eigendommen gaat.

 

Ergens in 2000 riep Gerrit Zalm dat de NL Staat op het Indisch Goud en Geld zit, toen minister van Financiën

?_task=mail&_action=get&_mbox=INBOX.Sent&_uid=362&_token=FWcmW1QaMT3RZf9YrxOLLjo8K3eVQflf&_part=2.2&_embed=1&_mimeclass=imageConclusie.

De Staat heeft alles naar zich toe geëigend en zich verrijkt over de ruggen van die 341.000 Nederlandse Indische Burgers, hoe noemt men dit ook weer "geïnstitutionaliseerde discriminatie". Verwezen wordt naar onze open brief aan Klaas Dijkhoff  van 6 juni geïnstitutionaliseerde discriminatie" dien te gevolge op 2 juli in de Tweede Kamer het debat los barstte. De volgende dag na stemming  moties, beloofde het Kabinet beterschap, om het discriminatie algoritme uit alle Ministeries te verwijderen.

 ,

ACTW-66 zal het verdrag traktaat van Wassenaar verwerpen,

Namens de 16.000 die zich hebben gemeld,

en

niet erkennen,

en

 de Nederlandse Staat, in deze het Min.Buza kan het volgende ten laste verwachten met betrekking tot  de overgebleven 50.000 Nederlandse Indische Burgers;  van bewezen immateriële – en materiële schade, verzuim van zorgplicht, ontnemen van de rechten, onteigenen van de bezittingen, onteigenen van banktegoeden, gesjoemel, vervalsing, en fraude.

Ter bevestiging van de Noodwet  en  publicatie historicus  Hendri F. Isnaeni, Indonesie betaalde aan Nederland 4 miljard gulden in de periode 1950 – 1956 zal verder WOB – verzoek worden gedaan bij de Nederlandse Bank, Min. Financiën, en Min. BuZa.  

 

Kortom totaal werd betaald 4,5 miljard plus 0,689 miljard voor het nationalisatie-proces voor alle bezittingen/eigendommen van 341.000 Nederlandse Indische Burgers, zijn nu ongeveer 50.000, die na 70 jaar nooit zijn toegekomen aan rechtmatig eigenaren.

 

Hoe heet dit ook al weer waar de Kamer deze twee dagen bezig is geweest?

"geïnstitutionaliseerde discriminatie" jegens een hele groep Nederlandse Indische Burgers.

 

ACTW-66 Doet oproep aan het Kabinet, Kamer en Mark Rutte. 

 

Het siert het Kabinet & Kamer  om excuses aan de overgebleven 50. 000  Nederlandse Indische burgers die nu wachten op de uitbetaling van het kapitaal van hun ouders, direct deze zaak af te handelen. 

 Het Kabinet kan zich richten tot ACTW-66 (actie comité traktaat van Wassenaar 1966) waarin de volgende organisatie zitten nemen; Stichting Compensatie bersiap, Stichting Nines, ICM (De Indische Internetkrant). Mee hebben gewerkt aan de petitie; Pasar Malams, Pelita, en overige niet genoemde stichtingen

 

ACTW-66 heeft ruim 16.000 aanmeldingen voor deze claim.

 Contact; Schwab@ICM-online.nl 

10897425282?profile=original

10897425475?profile=original

10897424662?profile=original

Lees verder…

Holman nieuw bestuurslid FIN

Holman nieuw bestuurslid FIN
10897422284?profile=original
DEN HAAG (1 juli 2020) FIN
 Theodor Holman (1953, Amsterdam) wordt per onmiddellijke ingang toegevoegd aan het bestuur van Federatie Indische Nederlanders (FIN). Holman is onder andere bekend vanwege zijn rol als journalist, columnist, schrijver en presentator.
“’Naarmate ik ouder werd, begon ik me steeds meer te interesseren voor de geschiedenis van mijn ouders in Indië en ik ontdekte een cultuur en geschiedenis waarvan ik soms het idee had dat men die moedwillig wilde laten afzinken. Daar schrok ik van, dat vond ik onrechtvaardig en daar wil ik iets tegen doen” aldus Holman.
Voorzitter Hans Moll is blij dat Holman zich gaat inzetten voor FIN. “Met Holman haalt de FIN een begenadigd schrijver met een scherpe blik op de actualiteit in huis”.
Redactie ICM.
Hans en Micha'l  van harte proficiat namens redactie en het ICM Team.!
Lees verder…

Historische taboes

De donkere keerzijde van de Gouden Eeuw - WIC en VOC- zien wij liever niet te veel onder ogen.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.
763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8
Koloniaal gezelschap op Java, met op de achtergrond drie bedienden. Periode 1924- 1928. Beeld Prentenkabinet Leiden

Sylvana Simons heeft de nodige kritiek gekregen op haar besluit voor DENK de politiek in te gaan, vanwege het standpunt aangaande de Armeense genocide, die het Duitse parlement toevallig nu net officieel heeft erkend. Het DENK-taboe dat hier op de waarheid rust, vloeit voort uit de Turkse nationalistische ideeën waarmee de partij-oprichters zijn grootgebracht, zodat een openlijke erkenning van de Turkse schuld voor hun achterban te pijnlijk is.

advertentie
Die kritiek op Simons is zeker niet onterecht, maar opmerkelijk genoeg heeft dat niet geleid tot enige autochtone zelfreflectie over de omgang met ons eígen pijnlijk nationaal verleden. Want ook in ons geval moeten vaak gevoelige tenen aan 'daders'-zijde worden gespaard. Dan bestaat de neiging om onwelgevallige aspecten te verdoezelen - inzake Vergangenheitsbewältigung kunnen wij van de Duitsers nog leren.

Dat betreft niet alleen de Tweede Wereldoorlog, die - het blijkt elke 4de mei opnieuw - in zekere zin buiten onze eigen geschiedenis is geplaatst, als een politieke natuurramp die ons van buitenaf is overkomen. Wie nu de koepel van de Rijksdag in Berlijn bezoekt, treft daar een grote fototentoonstelling over het gebruik van de Rijksdag aan, met ruime aandacht voor de nazi's. In de Ridderzaal zal men een soortgelijk foto-overzicht waarin ook Seyss Inquart in het bijzijn van de hele Nederlandse ambtelijke top wordt getoond, vergeefs zoeken. Wij herinneren ons onze nationale heiligdommen graag onbevlekt.

Keerzijde Gouden Eeuw

Vooral - en dat is vanwege alle kritiek op Simons' wegkijken bij de Armenocide in combinatie met haar zwarte emancipatieagenda van belang - de keerzijde van de Gouden Eeuw, die wij vooral met Rembrandt associëren, zien wij liever niet te veel onder ogen. Daarbij gaat het vooral om wat zich laat samenvatten in de trefwoorden WIC (West-Indische Compagnie) en VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie).

Het VOC-gevoel, dat premier Balkenende nog ter inspiratie aanprees, roept op Java andere sentimenten wakker dan nostalgische 'tempo-doeloe'-herinneringen. Hoeveel staat er in onze schoolboeken over de bloedbaden die J.P. Coen en Van Heutsz - beiden ooit door de dankbare Nederlandse natie met een groots monument vereerd - aanrichtten? Toen enkele jaren geleden Colijns bijdrage daaraan door diens biograaf Herman Langeveld uit de doeken werd gedaan, leidde dat tot een storm van verontwaardiging: hier werd een heiligenstandbeeld neergehaald.

Het grootste taboe geldt nog steeds de neokoloniale heroveringspoging van Indonesië na 1945, waaraan veel politici met het oog op de luidruchtige lobby van Oud-Indisch-gasten lang hun vingers niet wilden branden. Het structureel gewelddadige karakter van het Nederlandse optreden wordt ook nu nog slechts schoorvoetend erkend. Elke keer als er een poging werd gedaan de zaak bij de naam te noemen stuitte dit op grote weerstand.

****ICM Redactie  de VOC, die de kas van Soekarno leeg plunderde, het Indische Goud weg sluisde naar Amerika, gekscherend genoeg werd eenzijdig de Commissie van Gaalen in opdracht van VWS in het leven geroepen, om het Indisch Geld en het Indisch Goud nog verder te verduisteren  "Onderzoekrapport naar tegoeden

particuliere bank en - levensverzekering van Nederlanders in Indie 1940 -1958"   De betaalde onderzoekers werden door journaliste Grisselde Molemans verifieert op de waarheidsbevinding, deze kwam er achter dat het Indisch Goud in VS lag opgeslagen, na deze ontdekking, gekscherend genoeg met een cryptische publicatie dat Indisch Goud naar Amsterdam, plaats van  de DNB - bank werd getransporteerd.  

'Politionele acties'

Nog in 1994 ging tijdens de Poncke Prince-affaire de VVD daarvoor al bij voorbaat op de knieën. De ingeburgerde term 'politionele acties' zegt in dit verband genoeg: het Indonesische onafhankelijkheidsstreven wordt daarmee niet als politiek vraagstuk gezien, maar als een politievraagstuk weggezet. Wij voerden ginds geen oorlog, wij handhaafden slechts de orde. Wel, de orde handhaven: dat deed de hertog van Alva indertijd ook.

* ICM redactie,  is het politieke correctheid,  of je eigen misdaden verbloemen? Hoe noem je een land binnenvallen met 100.000 militairen dat door hele wereld erkend is op 17 augustus 1945, je pleegt dan genocide om 200.000 argeloze Indonesische burgers te vermoorden. Wie waren  diegenen  besluit namen ?   Was het niet het Kabinet,   De Tweede Kamer, en het hele volk dat achter deze misdaad stonden. Behoudens MP Drees, die op de vooravond zijn ontslag nam. Hoe zag het Kabinet uit ?   Niet te vergeten wat ze hun  341.000 Nederlandse-Indische burgers hebben aangedaan door het ontnemen van hun  burgerrechten, bezittingen en banktegoeden dit 70 jaar onder de radar gehouden. Hoe heet dit ook al weer  ?  "Het gedrocht Traktaat van Wassenaar? ".  Een praktijkvoorbeeld van hoe de Overheid haar burgers buitenspel zet, was Traktaat een noodwet om al onze rechten, bezittingen, en banktegoeden te ontnemen? 

Afgelopen najaar hield ik in Bronbeek een lezing over deze kwestie. Onder mijn gehoor bevond zich een oudere Javaanse dame, die schetste hoezeer haar vader, bediende in een koloniaal huishouden, het als vernedering had ervaren van een ander toilet gebruik te moeten maken. Nu zal dat ook in vooroorlogse Europese standensamenlevingen wel zijn voorgekomen, maar in de raciale standensamenleving in Nederlands-Indië, waar in de context van buitenlandse overheersing ras en stand samenvielen, wringt dat meer. Reactie van de dochter van een oud-koloniaal: U moet niet van alles een punt maken. Dat is kenmerkend voor het onvermogen van sommige blanke Nederlanders de wereld door een andere bril dan hun beperkte eigen te zien.

Slavenhandel

Dat brengt mij tot slot op de WIC-erfenis: de slavenhandel. Die was als zodanig geen typisch Europees verschijnsel, en evenmin per definitie raciaal getint. Dat laat onverlet dat de transatlantische versie uiteraard wél sterk door raciale vooroordelen werd gelegitimeerd. Het is opnieuw een smet op het eigen verleden, waarmee Nederland liever niet te veel wordt geconfronteerd, wat mede de boze reacties op Simons verklaart.

Nog Martin Sommer reageerde 21 mei afwijzend op de suggestie van hoogleraar Caribische geschiedenis Alex van Stipriaan om aan de slavernij evenveel aandacht te besteden als aan de Tweede Wereldoorlog, omdat dat laatste volgens Sommer toch belangrijker is. Dat is nog maar de vraag. Een land als de VS worstelt vandaag in elk geval veel meer met de gevolgen van het eerste dan van het tweede. En dat Nederland daar officieel minder mee worstelt, is misschien juist deel van het probleem. De Oorlog gaat om het leed dat anderen óns hier hebben aangedaan. De slavernij om het leed dat wij elders ánderen hebben aangedaan. Door meer oog te hebben voor het eerste dan het tweede onderscheiden wij ons niet wezenlijk van DENK.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

Lees verder…

Nieuw-Guinea Veteranen delen verleden

Nieuw-Guinea Veteranen delen verleden
10897421463?profile=original
Ruud Steffen kwam na 60 jaar weer in contact met buurtvriend Stef Giebel, die bij toeval ook in Nieuw-Guinea was geweest.

Bijzondere hereniging Voorburgse vrienden na 60 jaar door 

ZWOLLE Drie buurjongens uit Voorburg groeiden na de oorlog samen op in een klein straatje. Eenmaal volwassen, ging het contact goeddeels verloren. Eentje overleed, waarna de twee overgebleven, inmiddels hoogbejaarde ’jochies’, elkaar na zestig jaar weer opzochten. Toen pas bleek dat het trio behalve jeugdherinneringen ook een militaire missie in Nieuw-Guinea deelt.

„Er is behalve de Jacques Perkstraat in Voorburg geen enkele straat die drie Guinea-veteranen leverde”, zo heeft Ruud Steffen (81) bij Defensie achterhaald. Hij leidde na zijn tijd bij het Korps Mariniers een veelbewogen leven, waarin hij werkte als onder meer meubelvertegenwoordiger, uitgever van een autokrantje en taxichauffeur. De veteraan woont al jaren in Zwolle, waar hij lang contact onderhield met zijn voormalige Voorburgse buurjongen Henk Luijt. Steffen: „We dienden beiden in Nieuw-Guinea, Henk als telegrafist en ik had bij de lichting van 1958 onder meer de taak om nieuwelingen jungletraining te geven.”

Speurtocht

Helaas overleed Luijt een kleine twintig jaar geleden, waarmee het verleden voor Steffen goeddeels leek uitgegomd. Daar rekende hij echter buiten de vasthoudendheid van zijn andere Voorburgse makker Stef Giebel. Deze was na zestig jaar stilte benieuwd hoe het zijn oude buurtvriendje verging en zette een speurtocht op touw. Dit leverde hem het telefoonnummer op van Steffen, waarna een afspraak snel was gemaakt. En wat bleek bij de eerste samenkomst? Ook Giebel is in Nieuw-Guinea gelegerd geweest. Hij beleefde daar in 1961 een heftige tijd, die de nu in Herpen wonende ex-marinier een extra ster op zijn herinneringsmedaille opleverde. Deze geeft aan dat hij deelnam een meerdere gevechtsacties.

Innige band

De onderlinge band tussen de twee veteranen is momenteel erg innig, zo meldt Steffen: „We zoeken elkaar geregeld op en praten honderduit over onze jeugd en missieherinneringen uit Guinea.” Het duo beleefde ook dat Steffen een paar jaar geleden een hartstilstand kreeg bij een bevrijdingsfestival. „Ze hebben me gereanimeerd en ik ben er nog. Al is het niet meer zo fit als voorheen”, zo merkt hij droogjes op.

Mede vanwege de fysieke tegenslag, begrijpt Steffen dat de viering van de Nationale Veteranendag in Den Haag is afgelast vanwege de coronacrisis. „Ik wilde zaterdag eigenlijk naar het Malieveld voor de viering, maar het is goed zo. Voor ons ouderen is het ondoenlijk om met mondkapjes op in de trein naar de andere kant van het land te moeten. Volgend jaar doen we het gewoon dubbel zo hard over”, zo besluit Steffen.

ICM Redactie  historie

Nieuw-Guinea 1950-1962

Het westelijk deel van Nieuw-Guinea maakte deel uit van Nederlands-Indië, maar was eind 1949 buiten de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië gebleven. De Indonesische leider Soekarno wilde Nederlands Nieuw-Guinea zo snel mogelijk inlijven. Het ‘laatste stukje Indië’ werd vanaf 1950 zodoende inzet van een slepend conflict tussen Nederland en Indonesië dat rond 1960 een sterker militair karakter kreeg.

10897421482?profile=original

Na enkele kleinschalige infiltraties nam de Indonesische militaire dreiging vanaf 1958 flink toe, zodat Nederland de troepensterkte tot ongeveer 10.000 militairen opvoerde.  In de periode 1950- 1962 zijn in totaal ongeveer 30.000 Nederlandse militairen ingezet in het toenmalige Nederlands Nieuw – Guinea. Zij kregen in 1962 te maken met infiltraties van duizenden Indonesische militairen (parachutisten). Het kwam in die maanden geregeld tot gevechten, waarbij ook Nederlandse eenheden verliezen leden.

In augustus 1962 werd duidelijk dat Indonesië een grote invasie voorbereidde en dat Nederland geen steun van bondgenoten hoefde te verwachten. Daarom droeg Nederland het gebied in oktober 1962 over aan de VN die het enkele maanden later weer aan Indonesië overdroegen. In de periode 1950-1962 zijn ruim 100 Nederlandse militairen omgekomen in toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea.

10897421463?profile=original

Lees verder…
Uit het ICM  archief ; ’Ik zou geen agent meer willen zijn’

WASHINGTON Democraten hebben een meerderheid van het Huis van Afgevaardigden achter hun plan voor politiehervormingen gekregen. Maar in de door Republikeinen geleide Senaat komt het er niet door. Republikeinen werken in de Senaat aan hun eigen plan, waar Democraten dan weer niet achterstaan.

Na de dood van George Floyd en de daaropvolgende protesten kwamen verschillende staten al tot regels die het gebruik van geweld door agenten moet indammen. Washington werkt ondertussen aan maatregelen die voor het hele land moeten gelden. Republikeinen en Democraten bouwen beiden hun eigen brug, maar de twee bouwsels komen elkaar voorlopig niet tegen.

Over een paar dingen zijn ze het wel eens. Beide partijen willen meer training, het beter bijhouden van een politiedatabase en meer bodycamera’s voor agenten. Maar de lijst met twistpunten is lang. Democraten willen de nekklem verbieden. Republikeinen willen alleen strengere regels. Democraten willen dat slachtoffers van politiegeweld een schadevergoeding kunnen krijgen, en agenten makkelijker kunnen vervolgen. Dat zien Republikeinen niet zitten. En zo gaat de lijst door.

’Gevaarlijk werk’

Bernhard ’Carl’ Bröker ziet de ontwikkelingen in Washington en de protesten tegen de politie met lede ogen aan. Dertig jaar lang was de Nederlandse Amerikaan met plezier agent. In verschillende stadjes in Colorado was hij onder meer rechercheur en politiecommissaris. Hij werkte bij de militaire politie een tijd undercover bij de drugsopsporing. „Gevaarlijk werk; mijn vrouw wist soms wekenlang niet waar ik was.”

Bröker werd geboren op Java en vertrok na een paar harde jaren in Nederland op jonge leeftijd met zijn ouders en familie naar de VS. Nog voordat hij officieel Amerikaan was, werd hij opgeroepen voor de Vietnam-oorlog. Nu is Broker gepensioneerd, maar hij heeft nog altijd veel contact met de nieuwe garde van agenten via de politievakbond in Las Vegas, waar hij nu woont.

„Hoe mooi het werk ook is, ik zou nu geen agent meer willen zijn. Je krijgt geen steun meer van je baas en agenten mogen steeds minder.” Terwijl agenten dingen naar hun hoofd krijgen geslingerd, kan elke fout het einde van de carrière betekenen. „Je kan zo zelf in de gevangenis eindigen.” Het is volgens hem ook de reden dat veel agenten het voor gezien houden. „Meer collega’s gaan maar met pensioen of zoeken ander werk. Dit willen ze niet meer.”

Demonstranten willen dat er minder geld naar de politie gaat. Daar snapt Bröker niets van. Vooral in kleinere stadjes is nu juist te weinig budget voor bijvoorbeeld training. In grotere steden gaat nu ook die training als eerste uit het raam. Terwijl agenten voorbereid moeten zijn op alles. „Mensen uit een brandende auto redden, schietpartijen... Het komt allemaal voorbij.”

Knuppel

Van Nederlandse collega’s hoort hij wel eens geklaag over strenge regels. „Ze zeggen altijd: ’Wij mogen niets, we mogen amper onze knuppel gebruiken.’ Dat proberen hier de Democraten nu ook te regelen. Ze willen het net als in Europa maken.” Maar het werk van een agent in de VS is anders dan in Europa, zo benadrukt hij. Zo zijn er in de VS veel vuurwapens in omloop.

Bröker was altijd voorzichtig. Hij moest zelf wel eens schieten op verdachten, maar nooit met dodelijke afloop. Ook werd hij zelf nooit geraakt. Als politietrainer drukte hij zijn collega’s op het hart: „Denk bij elke auto die je stopt: Daar zit een moordenaar in. Als je zo voorzichtig bent en blijft, dan ga je elke dag veilig naar huis.”

Lees verder…

10897260893?profile=original10897374492?profile=originalCorona -noodwet? Of noodwet van President Soekarno 4,5 miljard herstelbetalingen aan Nederland.

De republiek Indonesië 300 jaren Nederlands kolonie onder het regiem Het Nederlands Indische Bestuur, bracht de Gouden tijden in Nederland. Het koffertje werd op de derde dinsdag netjes aangevuld uit de kolonie het Voormalig Indië. Luxe en weelde kenden Nederland.

De voortekeningen van een Tweede Wereld oorlog kondigde zich aan. De noodzakelijke voorbereidende maatregelen werden getroffen, en zeker toen bekend werd dat Japan Het Voormalige Indië zou binnenvallen. Alle financiële gelden werden snel doorgesluisd  naar Het Amsterdamse. De goudvoorraden die de begroting van Nederlandse Indië moest dekken werd eerst naar Australië getransporteerd, en later New York. In 2016, vier jaar geleden na een onderzoek door Griselda Molemans, arriveerde de goudvoorraad bij DNB – Bank in Amsterdam. Van wie is deze goudvoorraad dat opeens uit de hemel komt vallen. Weer met  een cryptische publicatie weet de Overheid dit weer onder de radar te houden.

Als je de tussenbalans opmaak heeft de republiek veel Goud en Geld aan Nederland betaald, los nog van 300 jaar kolonie. Je zou zeggen genoeg is genoeg. Je zou je dan moeten afvragen waar is het goud en oud  Indië geld nu gebleven, zijn deze wit gewassen ?

De Indische wereld draait door nadat de overdracht van Nederlandse Indische Bestuur, voor president Soekarno was dit 17 augustus 1945, en al zodanig Internationaal erkent.

Zaten de 341.000 Nederlandse Indische Burgers, die daar geboren en getogen zijn in het ongewisse, hoe verder nu?  Velen rekende erop dat de zaken zich zullen stabiliseren, en wilden dus hun bestaan in de republiek voortzetten. Kabinet en Tweede Kamer maakte dit onmogelijk, namelijk zij accepteerden niet het verlies van hun kolonie. Nederlandse regering creëerde deze instabiele situatie zonder de consequenties te overzien wat voor drama dit ten gevolge kan hebben voor hun burgers daar ! 

Vele incidenten deden zich voor vanaf 1947 - 1962.

Hoogte punt dat in 1947 /1948 de inval van Nederlandse Leger ruim 200.000 Indonesische burgers werden vermoord. GENOCIDE. De betrekkingen verslechterde met de dag, en het bestaan, en leven van de Nederlandse Indische Burgers veranderde in een hel. Zeker tussen de 10.000 tot 30.000 zijn vermoord als represaille.

Intussen nadat de Kas en Goud is gekaapt door Nederland;

Verzocht de Nederlandse regering onder het Kabinet Drees, president Soekarno nog eens 6 miljard oude Nederlandse guldens te betalen voor de nationalisatie. Soekarno had de Indonesische bevolking niet op zijn hand als het om de Blanda’s / Nederlanders ging. Dus hij was aangewezen op  de noodwet,  die hij ook aankondig aankondigde in staatsscourant  0.48, 150   om het volk te dwingen te accepteren dat aan Nederland wordt betaald.

 

 

LEMBARAN NEGARA
REPUBLIK INDONESIA SERIKAT

o. 48, 1950

UNDANG-UNDANG DARURAT
NOMOR 26 TAHUN 1950
TENTANG
PENGESAHAN DAN PENGAKUAN HUTANG TERHADAP KERAJAAN BELANDA

PRESIDEN REPUBLIK INDONESIA SERIKAT

 

  

Later werd deze bevestigd door  Historicus Ganti Rugi Penjajahan

Sebagai negara terjajah, Indonesia berhak meminta ganti rugi pada penjajah. Dari Jepang, dapat pampasan perang. Sedangkan dari Belanda hanya kata maaf.

Kort samengevat door historicus  Hendri F. Isnaeni,  Indonesie betaalde aan Nederland 4 miljard gulden in de periode 1950 – 1956

 

Constatering de periode 1952 – 1956 betaalde Soekarno een dergelijk 4,2 miljard aan Nederland voor de nationalisatie van eigendommen, bezittingen en banktegoeden. Deze waren van De 341,000 Nederlandse Indische Burgers. Drees stond er op om het resterende 1,8 miljard. President Soekarno stopte met de betalingen.  President Soeharto nam de onderhandelingen over, met het inzicht dat Nederland de republiek Indonesië economisch zou steunen.

Ter afsluiting werd voor de zogenaamde restschuld uiteindelijk overeen gekomen het bedrag van 600 miljoen en 89 miljoen aan rente. Deze bedragen zijn nog steeds bedoeld om de Nederlandse Indische Burgers schadeloos te stellen die al hun bezittingen zijn verloren, kosten hebben moeten maken om In Nederland te komen.

Het verdrag traktaat van Wassenaar is 1 zijdig gesloten,  de 341.000 Nederlandse Indische burgers nooit in zijn betrokken als ingekend en dat over hun eigendommen is beslist.

Lees verder…
 
10897425664?profile=originalNOODWET VAN REPUBLIEK INDONESIA AANGAANDE HERSTELBETALINGEN AAN NEDERLAND

Onderstaand een noodwet dat President Soekarno uitvaardigde om de Indonesische bevolking dwingend te accepteren, dat ruim 2,2 miljard dollar, op dat moment met de hoogste koers.  Omgerekend 4,5 miljard gulden dat aan Nederland werd betaald, dit heeft nu een waarde van rond de 70 miljard.  Drees had 6 miljard guldens gevraagd.  Soekarno stopte de verdere betalingen aan Nederland voor de NATIONALISATIE van NEDERLANDSE INDISCHE bezittingen. Soeharto nam het stokje over en sloot deze deal af met gedrocht Het Verdrag Traktaat van Wassenaar.

 

De vraag aan de verantwoordelijke Ministerie BuZa waar zijn deze bedragen gebleven. Anno 2020 melden Nederlandse Indische Burgers nu rond de 50,000 ( oorspronkelijke 341.000) bij de redactie ICM dat zij geen 1 euro mochten ontvangen. Tot verbazing van Ibu Retno  (min. Buza van Indonesië  : " Het is interne zaak tussen jullie, jullie regering, wij Indonesië weten niet beter dat ter compensatie voor de schadeloosstelling van de eigendommen, en alle kosten om naar Nederland te komen, wij hebben aan onze verplichtinen voldaan. Mochten jullie niet tot oplossingen komen, en tot juridische stappen komen, mogen jullie ons uitnodigen als getuige in deze zaak”

                          
?_task=mail&_action=get&_mbox=INBOX&_uid=2451&_token=Wy4m46Zt6PI4GSklRy5gRdXPYKgXZ5a0&_part=2&_embed=1&_mimeclass=image

LEMBARAN NEGARA
REPUBLIK INDONESIA SERIKAT

No. 48, 1950

UNDANG-UNDANG DARURAT
NOMOR 26 TAHUN 1950
TENTANG
PENGESAHAN DAN PENGAKUAN HUTANG TERHADAP KERAJAAN BELANDA

PRESIDEN REPUBLIK INDONESIA SERIKAT

Menimbang:
a.bahwa perlu sekali diambil tindakan untuk mengesahkan dan mengakui hutang, yang timbul dari bantuan-Marshall sejumlah U.S. $ 2.200.000,-;
b.bahwa karena keadaan-keadaan yang mendesak, tindakan di atas perlu segera diadakan;

Menimbang pula:
bahwa Senat tidak bersidang;

Mengingat:
Pasal-pasal 57, 139, 123 ayat (4) jo. ayat (3) dan 172 Konstitusi Sementara Republik Indonesia Serikat;

MEMUTUSKAN:

Menetapkan:
UNDANG-UNDANG DARURAT TENTANG PENGESAHAN DAN PENGAKUAN HUTANG TERHADAP KERAJAAN BELANDA.

Pasal 1
Mengesahkan dan mengakui hutang yang timbul dari bantuan Marshall sejumlah U.S. $ 2.200.000,- dalam arti hutang-hutang yang diterima pada Konperensi Meja Bundar, di luar hutang-hutang tersebut dalam Bagian D sub B 1 Persetujuan Keuangan dan Perekonomian, yang dibuat pada Konperensi Meja Bundar dengan Kerajaan Belanda, sejumlah U.S. $ 15.000.000,-, sehingga semua itu merupakan hutang sejumlah U.S. $ 17.200.000,-.

Pasal 2
Undang-undang darurat ini mulai berlaku pada hari diumumkan.

Agar supaya setiap orang dapat mengetahuinya, memerintahkan pengumuman Undang-undang darurat ini dengan penempatan dalam Lembaran Negara Republik Indonesia Serikat.

Ditetapkan di Jakarta
pada tanggal 24 Juli 1950
PRESIDEN REPUBLIK INDONESIA SERIKAT

SOEKARNO

MENTERI KEUANGAN

SJAFROEDDIN PRAWIRANEGARA
Diumumkan di Jakarta
pada tanggal 26 Juli 1950
MENTERI KEHAKIMAN

SOEPOMO.

PENJELASAN

Sebelum penyerahan kedaulatan, Pemerintah Belanda telah memberitahukan kepada Pemerintah Federal Sementara dahulu, bahwa E.C.A. berpendirian, bantuan ("grants") kepada Negeri Belanda bagi Indonesia, yang dibebankan pada tahun-Marshall 1949/1950, yakni sejumlah $ 37.5 juta, tidak dapat dilaksanakan, sebelum terdapat persetujuan tentang satu pos sejumlah $ 2.2 juta, yang masih ketinggalan dari bantuan E.C.A. 1948/1949 dan hanya dapat diterima sebagai pinjaman.
Pinjaman sejumlah $ 2.2 juta ini hanya dapat diadakan jika Menteri Keuangan Belanda memberikan jaminan terhadap E.C.A. c. q. Negara Belanda menjadi yang berutang pertama (primaire debiteur).
Akan tetapi jumlah $ 2.2 juta itu tidak dimuat dalam peraturan tentang penyelesaian hutang-piutang yang ditetapkan dalam Konperensi Meja Bundar, sehingga dapat dimengerti, bahwa Menteri Keuangan Belanda tidak bersedia memberikan jaminan yang diminta, oleh karena jumlah tersebut semata-mata dipergunakan untuk kepentingan Indonesia.
Menteri Keuangan Belanda pun bersedia memberi jaminan itu, asal ada kepastian bahwa Republik Indonesia Serikat mau mengakui hutang ini sebagai hutangnya sendiri dengan jaminan Negeri Belanda.
Oleh karena ketika hal ini dibicarakan (yakni pada akhir Nopember 1949) hanya tinggal beberapa pekan saja buat menyelenggarakan "Marshallgrants" termasuk, dan bagaimanapun juga harus dicegah bahwa bantuan ini (sebagian) akan hilang bagi Indonesia karena dokumen-dokumen yang diperlukan di Washington tidak lekas-lekas dikeluarkan, maka Indonesia bersedia akan menyetorkan uang pada Nederlandse Bank sejumlah $ 2.2 juta, sebagai tanggungan bahwa Indonesia akan memenuhi kewajibannya terhadap pinjaman itu.
Oleh pihak Pemerintah Federal Sementara diminta perjanjian, bahwa Negeri Belanda akan meneruskan uang dollar yang dipinjam dari E.C.A. itu kepada Indonesia.
Sementara ini hal itu telah terjadi, sedangkan "procurement-authorisation. P.A.S." yang diperlukan telah dikeluarkan.
Akhirnya dibuat perjanjian, apabila sesudah penyerahan kedaulatan antara Republik Indonesia Serikat dan Negeri Belanda terdapat persetujuan bahwa pinjaman itu diakui oleh Republik Indonesia Serikat sebagai hutang Republik Indonesia Serikat, Negeri Belanda akan mengembalikan kepada Indonesia uang dollar yang telah diberikannya sebagai jaminan itu.
Pemerintah Belanda setuju dengan syarat-syarat tersebut di atas, sehingga jumlah sebesar $ 2.2 juta dipindahkan ke Negeri Belanda untuk disetorkan atas rekening Menteri Keuangan.
Adapun pengakuan hutang, yang berdasarkan pasal 172 Konstitusi Sementara harus dengan kuasa Undang-undang, sangat penting, karena jika pengakuan tadi tidak dikeluarkan maka hal itu akan berakibat, bahwa alat-alat pembayaran luar negeri berupa dollar ("dollar-deviezen") yang termaksud itu tetap terbeku di Negeri Belanda dan tidak berguna. Setelah pengakuan itu diberikan, maka jumlah itu akan dikembalikan kepada Republik Indonesia Serikat.

© LDj - 2015 • kembali
ke atas
 

Op di 23 jun. 2020 om 12:29 schreef <schwab@kabelfoon.nl>

 

Lees verder…

Vadertje Drees van AOW valt van zijn voetstuk.

UIT ICM ARCHIEF - Vadertje Drees van AOW valt van zijn voetstuk.

10897424896?profile=original

In navolging van de corona- Beeldenstorm, valt Drees van zijn sokkel. Ben reeds vertrouwd geraakt met zijn foto's in ons boek rapport Traktaat van Wassenaar. Het bewijs van de daden tegen de 341.000 Nederlandse Indisch Burgers.

Om mij verder te verdiepen als abonnee van Elsevier kocht ik een speciale editie over Drees. " Ter herinnering 1886-1998 aan Willem Drees", Drees regeerde als MP 1948-1958 als premier over dekolonisatie, en wederopbouw van Nederlandse Verzorgingsstaat. 

 

Dekolonisatie; als volgt de geschiedenis in gaat, het in de steek laten van de 500.000 Nederlandse Indische Burgers met een Nederlands paspoort. Het ontnemen van hun burgerrechten, hun bezittingen, en hun banktegoeden.

Tegenover de Indonesische bevolking genocide gepleegd. 96.789  onschuldige Indonesische burgers werden door zogenaamde politionele acties 1947 en in 1948 door het leger afgeslagt.



Wederopbouw van Nederlandse Verzorgingsstaat. 

Met het geld dat Soekarno betaalde over de periode 1952 - 1956 aan Nederland. Ruim 4,5 miljard. Drees eiste 6 miljard om het leger te betalen door Soekarno.

 

Verdrag traktaat van Wassenaar in 1966, werd overeenkomst gesloten.

Een schijnconstructie die failliete ondernemingen in stelling zetten,  zette Drees en Soekarno in dit niet pleit voor de democratie, maar misbruik van democratie. De 341.000 Nederlandse Indische Staatsburgers die nood gedwongen werden om hun bezitting / banktegoeden in de verkoop te doen tegen nul euro. Wist Drees als nog 0,7 miljard eruit te persen. 

341.000 Nederlandse Indische Burgers zijn immers de eigenaren van hun bezittingen en banktegoeden, dus de concurrente crediteuren.

Eenzijdig zonder stemming van deze 341.000 concurrente crediteuren is totaal 4,5 miljard plus 0,7 miljard.

Extra fondsen door sluiten van het Verdrag werd Drees nog eens beloond met 1,2 Marshallhulp, en zijn krediet voor export verhoogd.

 

Nu anno 2020 kan het verantwoordelijk Ministerie van Buitenlandse Zaken worden aangeklaagd door de rechten van mensen (burgers) te hebben geschonden, opzettelijk van gesjoemel met bezittingen/banktegoeden van de Nederlandse Indische Staatsburgers. 

Kunnen hierdoor aangifte worden gedaan bij het openbare Ministerie voor valsheid in geschrifte, misbruik van gezag, verduistering van bewijsstukken, en verduistering van 4,5 miljard Plus 0,7 miljard. Waarde nu op ruim het veertienvoudige, een dergelijk 90 miljard.

 Hiervan hebben die 341.000 Nederlandse Indische burgers niets ontvangen, zelf de repartieringkosten betaald, sterker nog bij aankomst in Holland eerst schuldverklaring van 16.000 guldens moesten ondertekenen.

 

Leve de democratie dat de 341.000  Nederlandse Indische burgers, dus de concurrente crediteuren door het gedrocht traktaat van Wassenaar het product  van Stef Blok van Min. Buza, die alles hebben verduisterd, en onder de radar gehouden. Nu nog steeds hun gelden niet hebben ontvang.

 

NIEUWE CANON NEDERLAND

Gelukkig,  maar is verdomd jammer dat na 60 jaar dat men bij het CANON wakker is geworden, die dachten ook waar rook is vuur. 

 

Hier voorbeeld  in de praktijk van racisme en discriminatie.  Nu moeten de  ambtenaren, te bedenkers achter dit geheel eens wakker worden.  Nu niet doen als of.

 

Drees heeft voor mij 1 lichtpuntje;

Hij nam ontslag als MP, de avond voordat Min. Defensie de opdracht moest geven om in 1947 Indonesië binnen  te vallen. Allen, Kabinet, Kamer en Volk waren voor deze genocide, dat is toch als je 96.796  onschuldige Indonesische burgers vermoord.]

Lees verder…
FIN doet aangifte tegen actiegroep wegens aanzetten tot haat en geweld
10897423698?profile=original
DEN HAAG (22 juni 2020) - Federatie Indische Nederlanders (FIN) doet aangifte tegen de Indonesische actiegroep Aliansi Merah Putih (AMP) wegens vernieling, discriminatie en aanzetten tot haat en geweld. FIN roept het publiek en de politie op tot extra waakzaamheid rondom Indische oorlogsmonumenten.
AMP eiste vorig week de bekladding van het standbeeld van Johan van Oldenbarneveld aan de Hofvijfer in Den Haag op. Sindsdien circuleren er berichten op internet waarin de actiegroep de bloedige Bersiap vergoelijkt en onder de kreet: “268 monument to go” oproept om Indische oorlogsmonumenten te vernielen . FIN is verontrust over deze openlijke oproep tot geweld en zal daarom aangifte doen. Het publiek en de politie wordt verzocht om extra waakzaam te zijn rondom Indische oorlogsmonumenten. “Dergelijke oproepen zijn absoluut ontoelaatbaar en kunnen niet worden beschouwd als onderdeel van het publieke debat. We moeten een grens trekken. Dit moet vandaag nog stoppen” zegt FIN-voorzitter Hans Moll.
Op internet zijn beelden van eerdere vernielingen verschenen, waarbij de daders zowel hun actie als de Bersiap-periode vergoelijken. Zo noemt de actiegroep zichzelf “dochters en zonen van Divisi Bambu Runcing”, dat verwijst naar de in punt geslepen bamboestok waarmee onder andere (Indische) Nederlanders tijdens de Bersiap op grote schaal zijn vermoord. Volgens de actiegroep stonden de Indonesiërs, die zich aan dit geweld schuldig hebben gemaakt, volledig “in hun recht”. Het nieuws zorgt voor commotie in Den Haag; een stad waar traditioneel veel Indische Nederlanders wonen en waarvan de families de Bersiap vaak maar ternauwernood wisten te overleven.
Bersiap, Maleis voor “Wees paraat” of “Geef acht!”, slaat op de uiterst gewelddadige periode, die volgde op de capitulatie van Japan. Gedurende de Bersiap zijn tienduizenden (Indische) Nederlanders op gruwelijke wijze gemarteld, verkracht en vermoord door Indonesiërs, vanwege hun Nederlandse c.q. Europese etniciteit. Het exacte aantal Nederlandse slachtoffers dat tijdens de Bersiap is gevallen is tot op de dag van vandaag onduidelijk. De schattingen variëren tussen de 5.000 en 30.000 doden en 15.000 vermisten. Ook Chinezen, Molukkers en andere etnische minderheden werden slachtoffer, al is onduidelijk hoeveel doden onder hen vielen.
Lees verder…

Ganti Rugi Penjajahan

Sebagai negara terjajah, Indonesia berhak meminta ganti rugi pada penjajah. Dari Jepang, dapat pampasan perang. Sedangkan dari Belanda hanya kata maaf.

Kort samengevat door historicus  Hendri F. Isnaeni,  Indonesie betaalde aan Nederland 4 miljard gulden in de periode  1950 - 1956, restschuld via traktaat van Wassenaar 0,7 miljard voor de nationalisatie van  de eigendommen / bezittingen van de 341.000 Nederlandse Indische Staatsburgers, de de republiek zijn uitgezet ( Vluchtelingen).

Ganti Rugi Penjajahan

PADA suatu waktu, ketika berada di Jepang, secara berkelakar Hermawan Kartajaya pernah bertanya kepada Kikuchi-San dari JVC: “Berapa kira-kira ‘sumbangan’ Indonesia pada masa pendudukan Jepang dahulu terhadap pembangunan jalan mengilat yang bertumpuk-tumpuk serta terowongan bawah tanah yang banyak terdapat di Tokyo itu?” 

 
Sambil tersenyum, Kikuchi-San menjawab bahwa orang Jepang, terutama generasi muda, memang mempunyai kenangan pahit terhadap dampak “militerisme” negaranya pada masa lalu. “Karena itu, Jepang merasa mempunyai kewajiban ‘moral’ untuk membayar pampasan perang kepada seluruh negara yang pernah menjadi koloninya,” kata Kikuchi-San kepada Hermawan Kertajaya dalam Marketing Klasik Indonesia.  
 
Pada pertengahan tahun 1951, Amerika Serikat memprakarsai suatu pertemuan di San Francisco untuk merundingkan Perjanjian Damai dan Pampasan Perang dengan Jepang –lebih dikenal dengan Perjanjian San Francisco, yang secara resmi mengakhiri Perang Dunia II. Beberapa negara, termasuk Indonesia, diundang.
 
Kabinet Sukiman-Suwirjo yang kala itu berkuasa terpecah, terutama antara kelompok Partai Nasional Indonesia (PNI), yang menganggap tak jelas manfaatnya, dan dan Masyumi yang melihat pertemuan itu bisa mengakhiri ganjalan dalam masalah Indonesia dan Jepang. “Akhirnya pemerintah mengambil jalan tengah, bersedia hadir jika ada manfaatnya bagi Indonesia,” tulis Hadi Soesastro dalam Pemikiran dan Permasalahan Ekonomi di Indonesia dalam Setengah Abad Terakhir (1945-1959).
 
Menteri Luar Negeri Achmad Soebardjo berangkat ke San Francisco. Tapi, pada 7 September 1951, beberapa jam sebelum acara penandatanganan, kabinet belum mencapai kata sepakat. Kabinet pun mengambil suara. Hasilnya: sepuluh menteri menyetujui Perjanjian Damai dan enam menteri menentang.
 
Pada 20 Januari 1958, menindaklanjuti hasil Perjanjian San Francisco, pemerintah Indonesia menandatangani perjanjian bilateral yang berisi kesepakatan ganti rugi. Antara lain pampasan perang senilai US$223,080 juta serta kesediaan Jepang menanamkan modal di Indonesia dan mengusahakan pinjaman jangka panjang sampai batas US$400 juta. Perjanjian Damai dan Pampasan Perang tersebut disahkan DPR RI tanggal 13 Maret 1958 dan diundangkan pada 27 Maret 1958.
 
“Perjanjian pampasan tahun 1958 terdiri atas satu daftar yang memuat enam kategori program dan proyek… transportasi dan komunikasi, pengembangan tenaga, pengembangan industri, pengembangan pertanian dan perikanan, pertambangan, dan jasa atau pelayanan,” tulis Masashi Nishihara dalam Sukarno, Ratna Sari Dewi, dan Pampasan Perang: Hubungan Indonesia-Jepang, 1951-1966.
 

Secara keseluruhan, lanjut Nishihara, proyek-proyek pampasan mengandung lebih banyak aspek negatif ketimbang aspek positif. Banyak proyek tak menerima dana cukup untuk menyelesaikannya akibat inflasi di Indonesia. Pampasan juga jadi lahan korupsi.

Jika Jepang mau membayar ganti rugi atas penjajahan selama 3,5 tahun, bagaimana dengan Belanda yang menjajah jauh lebih lama? Ironis, justru Indonesia yang harus membayar ganti rugi, dan dananya untuk membantu pembangunan Negeri Belanda.

Ini terkait dengan persetujuan Konferensi Meja Bundar (KMB) di Den Haag, Belanda, yang memutuskan sebagai imbalan atas penyerahan kedaulatan kepada Republik Indonesia Serikat pada 27 Desember 1949, Indonesia harus membayar utang kepada Belanda sebesar 4,5 milyar gulden –awalnya Belanda meminta 6,5 milyar gulden.

Selain itu, untuk membangun kembali pascaperang, Belanda mendapatkan gelontoran dana, dalam bentuk hutang, dari program Marshall Plan AS antara tahun 1948-1951 sebesar US$1.128 juta. Sumbangan dari Marshall Plan dan Indonesia ini dikenal sebagai The Miracle of Holland (keajaiban Belanda).

Indie verloren, betekende niet ramspoed geboren (Hindia hilang, bukan berarti tiba bencana). Belanda masih bisa menarik keuntungan dari bekas jajahannya meski tanah jajahan itu sudah lepas,” tulis sejarawan Lambert Giebels dalam “De Indonesische Injectie” (Sumbangan Indonesia), yang dimuat di De Groene Amsterdammer, Januari 2000.

 

Setelah membayar sekira 4 milyar gulden antara tahun 1950-1956, Indonesia secara sepihak membatalkan persetujuan KMB. Belakangan, pada awal Orde Baru, berdiri Inter Govenmental Group on Indonesia (IGGI), diketuai oleh Belanda, yang punya agenda tersembunyi berupa mencari penyelesaian utang Indonesia zaman Orde Lama, yang berkaitan dengan nasionalisasi perusahaan Belanda, sekira US$2,4 milyar.

 

Giebels tak habis pikir, mengapa Belanda tega melakukan itu kepada Indonesia. Padahal kepada Suriname, yang juga bekas jajahannya, Belanda membayar lunas ganti rugi atas perbudakan sebesar 1,5 milyar euro begitu Suriname merdeka pada 25 November 1975. Jumlah itu dianggap belum cukup. “Suriname berhak mendapat ganti rugi senilai 50 milyar euro,” kata ekonom Suriname Armand Zunder kepada Philip Smet dari Radio Nederland Wereldomroep, 2 Juli 2010.

 

Zunder membandingkan kasus Suriname dengan kasus lainnya. Belanda minta ganti rugi dari Jerman setelah Perang Dunia II. Jerman membayar lebih dari 120 milyar euro untuk warga Yahudi. Organisasi Internasional DiversCités sudah berseru kepada Parlemen Prancis, juga negara-negara Eropa termasuk Belanda, untuk membayar ganti rugi kepada bekas jajahannya atas peran mereka dalam perbudakan. Pada 1999, di Afrika terbentuk The Africa World Reparations and Repatriation Truth Commission, sebuah komisi penyelidik internasional yang menuntut ganti rugi. Menurut hukum internasional, perbudakan dikategorikan sebagai kejahatan terhadap kemanusiaan.

 

Bagaimana dengan Belanda? Jangankan ganti rugi, permintaan maaf atas penjajahan dan aksi militer di masa lalu baru disampaikan pemerintah Belanda pada 2005. Mereka juga akhirnya mengakui 17 Agustus 1945 sebagai hari proklamasi kemerdekaan Indonesia, bukan lagi 27 Desember 1949.

Saat itu, pemerintah Indonesia melalui Menteri Luar Negeri Hassan Wirajuda memutuskan tak akan minta ganti rugi. Alasannya diplomatis: banyak cara untuk memanfaatkan momentum penyesalan Belanda ke arah pembentukan hubungan RI-Belanda yang lebih menguntungkan Indonesia. Misalnya melalui kerjasama perdagangan, investasi, dan sosial-budaya. Cara tersebut dianggap lebih menjaga martabat bangsa Indonesia, negara yang tak mengeksploitasi penderitaan masa lalu untuk memperkaya diri.

Baik sekali ya Indonesia sama Belanda.

Aldus volgens historicus dhr.  Hendri F. Isnaeni

Lees verder…

Verslag Rondetafelgesprek 31 januari 2019 - Apartheid ‘Kleur-ontkennend’ 

Publicatiedatum: 25 maart 2019, Door: Histori Bersama
Ter kennisgeving gestuurd aan zowel de Nederlandse als de Indonesische regering en pers

Download Pdf: 

INHOUD:
Inleiding
1: Focus van het onderzoek
2: Soevereiniteit en restitutie
3: Apartheid
4. Alternatief schrijversteam synthese
Conclusie

Inleiding

Op donderdag 31 januari 2019 vond een rondetafelgesprek plaats tussen onderzoekers en programmaleiding van “Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950” en de initiatiefnemers en ondertekenaars van de open brief. De critici van het onderzoek werden voor deze gelegenheid ontvangen op het NIOD aan de Herengracht 380 in Amsterdam, in een pand dat door koloniale slavenarbeid bekostigd werd. De oprichter van de Deli-Maaschappij liet dit woonhuis in 1880 bouwen, dat is acht jaar nadat het Nederlands koloniale regime op Sumatra de zogenaamde “koelieordonnantie” instelde.

 Namens de critici namen deel aan het gesprek:

2 Initiatiefnemers van de open brief:Francisca Pattipilohy, Jeffry Pondaag (Stichting K.U.K.B.)

10 van de 137 ondertekenaars:
Armando Ello, Patty Gomes, Arthur Graaff, Perez Jong Loy, Sasha Mahe, Ethan Mark, Rogier Meijerink, Lara Nuberg, Marjolein van Pagee, Michael van Zeijl
2 Indonesische (PhD) studenten: Yance Arizona, Hadi Purnama

Namens het onderzoeksprogramma namen deel aan het gesprek:

3 directeuren:Gert Oostindie (KITLV), Ben Schoenmaker (NIMH), Frank van Vree, (NIOD),

7 onderzoekers:Esther Captain (KITLV), Ireen Hoogenboom (KITLV) Rémy Limpach, (NIMH), Peter Romijn (NIOD), Fridus Steijlen (KITLV) Marjon van der Veen (NIOD), Mariëtte Wolf (NIOD)

1. Focus van het onderzoek

 350 jaar koloniale onderdrukking

Waarom is 350 jaar koloniale uitbuiting niet het vertrekpunt van het onderzoek, zo vroeg Francisca Pattipilohy zich af. Het antwoord van Esther Captain daarop was: we besteden aandacht aan de periode voorafgaand aan 1945 d.m.v. literatuur te gebruiken. Dus eigenlijk: de focus is 1945-1950maar we nemen de koloniale periode in ons achterhoofd mee. Dat is niet voldoende, het gaat erom dat 350 jaar koloniale uitbuiting niet expliciet in de onderzoeksopzet wordt benoemd. In die zin is dit geen antwoord op een van de belangrijkste bezwaren van de open brief: namelijk het niet problematiseren van kolonialisme als hoofdthema van het onderzoek. Aangezien de diverse deelstudies dit kernprobleem helemaal niet (of slechts zijdelings) benoemen is het dus geen geruststelling te weten dat bestaande literatuur wordt geraadpleegd. Het gaat ons om de keuze voor deelstudies en de onderzoeksvragen die het thema kolonialisme niet als kernprobleem noemen. Dáár hadden wij op zijn minst een reactie op verwacht.

NIOD-directeur van Vree zei: “we focussen op 1945-1950 omdat die periode 60 jaar lang ontkend is,” maar ook dat is geen overtuigend argument aangezien ontkenning en collectief vergeten voor de hele koloniale periode geldt.

Wie fysiek geweld in de periode 1945-1950 wil begrijpen, zou 350 jaar kolonialisme als de kern moeten nemen. Zoals Francisca Pattipilohy in haar videoboodschapvan afgelopen 13 september zei: “Het kolonialisme wordt als een gegeven beschouwd. De illegaliteit van de Nederlandse bezetting (het kernprobleem) wordt niet onderzocht.” 

Het is daarbij belangrijk om te benadrukken dat de belangrijkste drijfveer om te koloniseren economisch gewin is. In die zin is geweld slechts een middel om toegang tot waardevolle grondstoffen af te dwingen. Zoals Michael van Zeijl zijn presentatie begon: het Nederlandse credo luidde niet voor niets “Indië verloren, rampspoed geboren.” Van Zeijl’s onthulling dat Indonesië tussen 1950-1956 een groot deel van de 4,5 miljard heeft betaald en daarmee deels voor de kosten van de koloniale oorlog opdraaide, is niet zomaar een interessant nieuwsfeitje voor in een voetnoot. De betalingen van de onderdrukten aan de onderdrukkers illustreren het kernprobleem: De Nederlandse economische afhankelijkheid van de kolonie was de eigenlijke motivatie voor de toepassing van al het geweld, ook na 1945. In de oorspronkelijke onderzoeksopzet wordt het economische aspect van (de)kolonisatie niet als wezenlijk onderdeel benoemd. Pas nadat Van Zeijl dit onderwerp tijdens de bijeenkomst naar voren bracht, beaamde het onderzoeksteam dat de schuldenkwestie inderdaad een belangrijk onderwerp is en dat het toegevoegd zou worden aan het onderzoeksprogramma.

Al met al schept het geen vertrouwen in de competentie van de onderzoekers. Tijdens het rondetafelgesprek waren zij niet in staat om een concreet antwoord te geven op de eenvoudige vraag of Indonesië nu wel of niet betaald had. De Indonesische betalingen aan Nederland zijn geen ingewikkelde kwestie, dat is wat er van gemaakt wordt, o.a. door historici die de belangen van de staat helpen verdedigen. (Zie overheidsrapport uit 2004.) Michael van Zeijl, die geen professioneel historicus is, heeft nu het antwoord op de vraag gevonden. Hij ontdekte daarbij dat het nog veel erger is dan tot nu toe altijd is gedacht: namelijk, dat Indonesië (zonder dit te weten) een deel van de zogenaamde ‘politionele acties’ heeft betaald. De Indonesische regering kwam hier pas in 1956 achter waarna de betalingen werden stopgezet. De Nederlandse bron die Van Zeijl heeft gevonden, legt een verband tussen de nationalisatie van het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië én het te veel betaalde bedrag. Het is tekenend dat Nederlandse historici er al die jaren niet in geslaagd zijn om hier eens en voor altijd helderheid over te verschaffen. Dit is geen kwestie van tegenstrijdige meningen. Indonesië heeft wel óf niet betaald, in dit geval ligt de waarheid niet in het midden. Daarbij komt dat de Nederlandse staat er alle belang bij heeft dat er geen helderheid komt over de Indonesische betalingen uit de jaren vijftig.

De vraag blijft hangen: waarom is kolonialisme niet het overkoepelende thema dat terugkomt in alle sub-projecten en onderzoeksvragen. Meindert van der Kaaij gaat in een deelproject wel de maatschappelijke nasleep in Nederland onderzoeken, waarom is er dan geen apart onderzoeksproject ingericht naar de voorgeschiedenis van kolonialisme?

Tijdens het rondetafelgesprek werd eveneens niet duidelijk wat verstaan wordt onder de term kolonialisme en welke definitie gebruikt wordt. KITLV-directeur Gert Oostindie zei op een gegeven moment dat niemand van hen denkt dat Nederland het recht had om te koloniseren, echter, de notie dat Nederlands-Indië illegaal was komt nergens terug op de website of in de onderzoeksopzet. Volgens Oostindie is het onnodig om dat expliciet te vermelden omdat het zo evident zou zijn. Maar is dat wel zo? Wij stellen dat de Nederlandse samenleving als geheel nauwelijks een idee wat zich al die eeuwen in Azië en elders op de wereld heeft afgespeeld, laat staan dat er een besef leeft dat de basis van de Nederlandse rijkdom gebaseerd is op roof, slavernij en uitbuiting. Nog steeds spreken veel mensen (en ook historici) over de VOC alsof het handel betrof. De onderzoeksvragen en de focus van dit onderzoek gaan uit van de kolonie als gegeven. De onderzoekers praten alsof het enige dat Nederland te verwijten valt het geweld is dat werd gebruikt om te rekoloniseren. Men praat alsof er geen vuiltje aan de lucht zou zijn geweest als Nederland eerder had erkent dat de tijd van koloniseren voorbij was. Dit suggereert alsof het daarvoor wel toegestaan was. Het is dan ook geen oplossing als de onderzoekers naar aanleiding van onze kritiek een disclaimer op de website plaatsen waarin gesteld wordt dat de kolonie niet legitiem was. Het gaat om het algehele vertrekpunt, het benoemen van het kernprobleem. De huidige opzet wekt de indruk alsof de onderzoekers het alleen problematisch vinden dat Nederlandse militairen tussen 1945-1950 oorlogsmisdaden pleegden.

Kortom: ons grootste bezwaar is dat het onderzoeksprogramma nergens formuleert dat de hele koloniale periode een wezenlijk onderdeel van het theoretisch kader uitmaakt. Sterker nog, het is in zijn geheel volstrekt onduidelijk welk theoretisch kader gebruikt wordt. Het ontbreken hiervan is wetenschappelijk niet te verantwoorden. We verwachten dat het onderzoeksprogramma dit alsnog helder en transparant formuleert: Wat is de conceptuele structuur van het onderzoek waaruit de deelstudies vertrekken?

Bersiap als beginpunt

Dat wij 1945 als startpunt problematisch vinden heeft ook te maken met de manier waarop het Indonesische antikoloniale geweld gebruikt wordt om te ‘derailen’ in de trant van ‘waar twee vechten hebben twee schuld.’ Zo wilde de VVD het onderzoek alleen financieren op voorwaarde dat ook het Indonesische geweld belicht zou worden, duidelijk met als doel om de Nederlandse schuldvraag te verlichten. In deze context heeft KITLV-directeur Gert Oostindie het vaak over de founding myth’ van de Republiek: de Bersiap als pijnlijk onderwerp waar de meeste Indonesiërs volgens hem niets over willen weten omdat dit het Indonesische nationale narratief zou ondergraven. Nog los van de vraag hoe Oostindie dit kan weten (aangezien hij zelf geen Indonesisch spreekt of leest) suggereert hij hiermee dat de verhoudingen van onderdrukkers versus onderdrukten vervagen, of zelfs verdwijnen, op het moment antikoloniaal geweld meegenomen wordt als onderwerp van studie. Op9 februari 2017 schreef Van Vree in een brief aan de Tweede Kamer dat het onderzoek naar de Bersiap dient om: De psychologische gevolgen voor Nederlandse militairen en burgers beter in kaart te brengen en om de vraag te stellen naar de betekenis van de Bersiap als belangrijke factor in de latere oorlogvoering.”

Dit citaat illustreert exact het probleem van het weglaten van 350 jaar koloniale uitbuiting. Van Vree draait de zaken om en stelt hier dat er chronologisch gezien éérst Indonesisch geweld was dat vervolgens een psychologisch effect had op Nederlandse militairen. Op de vraag van mevr. Pattipilohy hoe de onderzoekers het Bersiap-geweld zien in verhouding tot de periode van daarvoor antwoordt Van Vree slechts: “omdat de Bersiap een van die periodes is om te begrijpen wat er is gebeurd.” Opnieuw een heel vaag, onduidelijk antwoord. Want wat denkt hij te kunnen begrijpen van de Bersiap als hij het Indonesisch geweld slechts presenteert als chronologische voorgeschiedenis van Nederlandse oorlogsmisdaden? Op de opmerking van Pattipilohy dat de Bersiap pas ontstond nadat Brits-koloniale troepen waren geland, komt helemaal geen reactie.

Daarnaast spreekt Van Vree over burgers, maar het is onduidelijk welke burgers hij hiermee bedoelt. Doelde hij uitsluitend op mensen met de Europese status of heeft hij het ook over de impact op de oorspronkelijke Indonesische bevolking? En wie zijn zij dan volgens hem? Nederlandse onderdanen of Indonesiërs?

Als het gaat om psychologische gevolgen op mensenlevens is het van belang dat de eeuwenlange repressie, uitbuiting, racisme, seksisme en de verdeel- en heerspolitiek van het Nederlandse koloniale regime op de lokale, oorspronkelijke bevolking in kaart wordt gebracht. Juist in het kader van het Bersiap-onderzoek kan de psychologische impact van 350 jaar koloniale overheersing niet zomaar als bijzaak dienen. Toen President Sukarno in 1945 de onafhankelijk uitriep was het bevorderen van onderlinge saamhorigheid een belangrijk doel van de nieuwe Republiek om de desastreuze impact van de koloniale verdeel- en heers tactiek het hoofd te bieden. De oorspronkelijke bevolkingsgroepen van Indonesië waren door het Nederlandse koloniale regime eeuwenlang tegen elkaar opgezet. Het merendeel van de lokale bevolking leefde gedwongen in een apartheidssysteem waarbij zij op grond van ras en klasse onderaan de racistische ladder waren ingedeeld. Als dit aspect niet expliciet bestudeerd en geanalyseerd wordt, zal het Nederlandse onderzoeksteam de Bersiap nooit kunnen begrijpen. Zeker niet als projectleider en NIOD-directeur van Vree het omdraait en schrijft dat het onderzoek naar de Bersiap met name dient om de psychologische effecten op Nederlandse militairen en (Europese?) burgers te onderzoeken.

Is het onderzoeksteam op de hoogte van de officiële verklaring uit 1945 waarin de Indonesische regering stelde dat zij geen enkele vijandigheid koesterden ten aanzien van Indo-Europeanen, Molukkers of Menadonezen, omdat zij net zo goed tot de Indonesische bevolking behoorden? Dit staat in schril contrast met de continuïteit van verdeel- en heers die Nederland ook na 1945 bleef toepassen. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog voerde Van Mook een actieve federalisatiepolitiek waarbij gebieden buiten Java onafhankelijkheid werd beloofd onder Nederlands gezag. Het moet duidelijk zijn dat Nederland alles in werking stelde om de eenheid van de Republiek te breken. Volgens Esther Captain is de Bersiap voor mensen met Indo-Europese afkomst een belangrijke focus. Maar is het Bersiap programmaonderdeel dan speciaal ontworpen om deze groep te faciliteren? Afgaand op de samenstelling van de Klankbordgroep lijkt dit wel het geval, aangezien deze nu alleen bestaat uit Indische- en veteranenorganisaties.

Het is ons eveneens niet duidelijk met welke reden Esther Captain het geweld tijdens de Japanse bezetting vergeleek met het Indonesische Bersiap-geweld dat volgens haar veel erger was. Waartoe dient deze vergelijking? Dat gewelduitbarstingen gruwelijk en onwenselijk zijn is evident, waar het om gaat is het traceren van de oorzaak.

Vanuit onze optiek draagt Nederland als koloniale bezetter hoe dan ook 100% verantwoordelijkheid voor het conflict, inclusief de Bersiap. De Bersiap-slachtoffers zijn net zo goed slachtoffers van het Nederlands kolonialisme. (Nog los van de vraag wie deze mensen zijn, Indonesiërs of Nederlandse onderdanen, aangezien de Nederlandse staat 17 augustus tot op heden niet erkent.) Wij stellen dat als antikoloniaal geweld onderzocht wordt het in de verklaring dient te gaan over minstens drie factoren:

1.) De invloed van de periode vóór 1945: 350 jaar koloniale uitbuiting en racisme, op basis van illegale aanwezigheid.

2.) De invloed van de ontwikkelingen die tijdens 1945 plaatshadden: de Nederlandse weigering om de proclamatie serieus te nemen, het feit dat het Bersiap-geweld pas losbarstte nadat duidelijk werd dat Nederland de Republiek niet erkende en nadat Brits-koloniale troepen geland waren. Ook dient rekening gehouden te worden met het gegeven dat de geweldspiraal niet eenzijdig was: bij het Britse bombardement op Surabaya op 10 november 1945 kwamen bijvoorbeeld tienduizenden Indonesische burgers om het leven.

3.) Tot slot ging de Bersiap niet alleen over wraakgevoelens, het ging ook over de realistische angst dat Nederland als kolonisator terug zou keren. Deze angst is gegrond gebleken. Dit betekent dat een studie die antikoloniaal geweld wil verklaren ook de factor ‘realistische dreiging’ mee moet nemen als reden voor geweldpleging. Nederland bleef de Indonesische soevereiniteit immers tot 1949 schenden.

2. Soevereiniteit en restitutie

 Juridische erkenning 1945

Tijdens het rondetafelgesprek geven zowel Rémy Limpach als Peter Romijn aan dat ze 1945 als belangrijk ‘historisch feit’ zien. Maar daar gaat de discussie niet over, dit zegt de staat namelijk ook. Het is vanzelfsprekend een historisch feit dat Sukarno op 17 augustus de onafhankelijkheid uitriep. Dat kan niemand ontkennen. Het gaat ons specifiek om de weigering van de Nederlandse staat om 1945 juridisch te erkennen en de taak van historici om uit te leggen dat de wet uit 1949, ook ná de spijtbetuiging van Ben Bot in 2005, ongewijzigd is gebleven. In de rechtszaken die stichting K.U.K.B. namens Indonesische slachtoffers inbrengt spreekt de rechtbank in Den Haag namelijk ook over “Nederlandse onderdanen.” Kortom: een mondelinge erkenning van 1945 als historisch feit is oppervlakkig en negeert de realiteit, zoals Rogier Meijerink dit tijdens het rondetafelgesprek uitlegde. Zolang Nederlandse historici niet schrijven dat hun overheid nog steeds aan 1949 vasthoudt, kunnen zij niet zomaar uit politiek-correcte overwegingen de term ‘Indonesië’ gebruiken voor de periode 1945-1949. Als zij dat wel doen is het wat ons betreft geschiedvervalsing, een camouflage van de werkelijkheid. Indien de onderzoekers 17 augustus 1945 juridisch erkennen dan is het correct dat ze de term Indonesiërs bezigen. De consequentie hiervan is echter wel dat de komst van het Britse en later Nederlandse leger in Indonesië beschouwd moet worden als een aanval op een soevereine staat en dat is een oorlogsmisdaad. De juridische consequenties hiervan moeten dan bestudeerd worden.

Wat ons opvalt is dat de onderzoekers zich distantiëren van legale en/of politieke gevolgen van hun werk als geschiedschrijvers. Dat is een onhoudbaar standpunt. Het onderwerp en de resultaten van dit onderzoek zijn politiek en zullen als zodanig gebruikt worden. Nu al gebruikt de overheid het onderzoeksprogramma in haar correspondentie met K.U.K.B. om vragen te ontwijken. De staat wil graag de indruk wekken dat met de financiering van het onderzoek al voldoende verantwoordelijkheid wordt genomen en dat het pas na vier jaar duidelijk zal zijn wat ze met deze geschiedenis aan moeten. Onderwijl diverse claims afwijzend.

De onderzoekers erkennen de invloed van politieke belangen wel als het gaat om de Excessennota uit 1969, maar nu zij zelf uitvoerders zijn van een door de overheid gefinancierde studie doen ze ‘gewoon hun werk’ en hebben ze niks met de politiek te maken. Als reactie op de inbreng van Arthur Graaff zegt Oostindie letterlijk: “Wij gaan niet over Nederlandse rechtspraak.” Maar is dat wel zo? Als Nederlandse historici bij monde de datum van 17 augustus 1945 erkennen dan betekent dit dat zij vinden dat Nederland een autonoom land heeft aangevallen. Aan hen de taak om vervolgens toe te lichten dat zij hierin van mening verschillen met de Nederlandse staat en de rechtbank, aangezien laatstgenoemden wel uitgaan van ‘onderdanen’ die tot 1949 onder Nederlands gezag stonden. Door deze kwestie diffuus te houden en de discussie over juridische erkenning te negeren, faciliteren de onderzoekers in feite de staat die er alle belang bij heeft dat Ben Bot’s aanwezigheid bij de onafhankelijkheidsviering in 2005 gezien wordt als het einde van een discussie. Limpach en Romijn kunnen de proclamatie van 1945 dan wel als een belangrijk historisch feit zien, het blijft nog steeds onduidelijk vanuit welk perspectief zij de koloniale oorlog gaan beschrijven: was het een aanval van een buitenlandse mogendheid op een soevereine staat of was het een aanval van een koloniaal regime op mensen die Nederland als eigen onderdanen beschouwden? Bovendien had Nederland als koloniale bezetter al in maart 1942 gecapituleerd. Vanuit Indonesisch perspectief maakte de Japanse bezetting een einde aan de Nederlandse overheersing. Wij verwachten alsnog een helder antwoord op deze vraag.

Restituties

Tijdens het rondetafelgesprek toonde Jeffry Pondaag documenten van de rechtszaken waarin het NIMH twaalf keer wordt genoemd. Desgevraagd ontkende NIMH-directeur Ben Schoenmaker niet dat zijn instituut de Nederlandse overheid ondersteunt in de rechtszaken. Echter, hij ontkende wel dat zijn instituut in die zin de daders vertegenwoordigt, ook al valt het NIMH direct onder het Ministerie van Defensie. Schoenmaker claimde desalniettemin onafhankelijk te zijn. Zoals bekend worden de rechtszaken gevoerd door Indonesische nabestaanden van slachtoffers van Nederlandse gewelddadigheden die nu onderzocht worden. Waarbij het NIMH de staat assisteert in de historische verificatie van de claims. Overigens beperken zij zich door slechts de Nederlandse archieven te raadplegen, het NIMH doet geen onderzoek ter plaatse in Indonesië. Zie bijvoorbeeld de zaak van de onthoofding van de Indonesische verzetsleider Andi Abubakar Lambogo die nu speelt.

De kwestie van de dubbele rol van het NIMH sluit aan op de vraag die Hadi Purnama stelde maar die door Peter Romijn onjuist werd geïnterpreteerd. In het verlengde van wat Pondaag zei over de gevolgen van het niet erkennen van 1945, bracht Hadi Purnama in dat het internationaal recht om te beginnen nogal koloniaal georiënteerd is. Hij stelde dat de uitkomst van het onderzoek hoe dan ook juridische consequentie zal hebben als het gaat om compensaties. Zelfs als de onderzoekers 1949 aanhouden dan betekent dit dat Indonesiërs via een Nederlandse rechtbank hun gelijk kunnen halen. Peter Romijn daarentegen, dacht dat Purnama uitsluitend sprak over een veranderende wereldorde waar Nederland destijds geen oog voor had. Romijn gaf aan graag een keer met Hadi Purnama verder te praten. Onze vraag is of de onderzoekers in lijn van deze discussie zouden willen reageren op het onderwerp waar Purnama het werkelijk om ging: de mogelijkheid tot restituties en de betekenis van het onderzoek om daarin te faciliteren. NIMH-directeur Schoenmaker stelde immers dat zij niet per se de staat vertegenwoordigen maar dat zij als wetenschappers een onafhankelijke positie innemen.

Deze vraag sluit ook aan op het voorstel van Annemarie Toebosch die de onderzoekers in haar videoboodschap opriep om samen met Jeffry Pondaag en advocate Liesbeth Zegveld te gaan zitten en alle belangrijke documentatie rond de rechtszaken tegen de Nederlandse staat in het onderzoek te betrekken. De schriftelijke reactie daarop was: “Onze onderzoekers raadplegen alle mogelijke relevante archieven, inclusief deze rechtszaken en – nog belangrijker – de onderliggende documentatie. We zijn dan ook blij dat de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden ons heeft toegezegd dat wij deze documenten mogen inzien.”

Dat K.U.K.B. bij deze het archief aan getuigenissen zou openstellen aan de onderzoekers is een misverstand. Toebosch riep op om met Pondaag en Zegveld te gaan zitten. Dat betekent communicatie, een gesprek. Daarvoor is vertrouwen nodig. Aangezien de open brief duidelijk maakt hoe weinig vertrouwen Pondaag heeft in de huidige onderzoeksopzet, is het vanzelfsprekend dat hij zijn archief niet zomaar gaat openstellen zolang er niets gedaan wordt met zijn serieuze bezwaren.

Dit is niet de eerste keer dat er een misverstand ontstaat over het archief van Jeffry Pondaag. De onderzoekers verwarren ‘samenwerking’ met het tonen van belangstelling voor zijn archief. Eerder in mei 2017 (dus nog voordat het project officieel van start ging) bracht Fridus Steijlen een bezoek aan Jeffry Pondaag thuis waarbij hij eveneens interesse toonde voor zijn archief. Steijlen schreef later in een post op de website van het onderzoeksproject: “dan had ik kunnen vertellen dat wij, de coördinatoren van het Getuigenproject, al in mei 2017, contact hadden opgenomen met de voorzitter van de K.U.K.B. om samen te werken.” Blijkbaar verstond hij onder samenwerking dat Pondaag zijn archief beschikbaar stelde aan een onderzoek dat hij bij voorbaat niet vertrouwde. Terwijl het woord ‘samenwerking’ volgens Pondaag nooit is gevallen.

Apartheid

‘Kleur-ontkennend’ racisme

We gaan ervan uit dat instituten, die zich gespecialiseerd hebben in kolonialisme en genocide studies, wetenschappelijk onderzoek verrichten naar ras en racisme. We verwachten ook dat de academici die daar werkzaam zijn een helder beeld hebben van de verschillende vormen van racisme, toen en nu. Het is voor ons om die reden onacceptabel dat het racisme (dat aan kolonialisme ten grondslag ligt) geen centrale plaats heeft als deelstudie of onderzoeksvraag. Wij stelden dit al in punt 9 van de bijlage van de open brief, waarop wij nog geen reactie hebben ontvangen.

Met betrekking tot het Nederlandse geweld in de periode 1945-1949 zegt Van Vree geïnteresseerd te zijn in de epistemologie van ontkenning. Wij zien een andere vorm van ontkenning als het gaat om racisme. Tijdens het gesprek kwam naar voren dat de betrokken onderzoekers zich totaal niet bewust zijn van hun eigen raciaal-sociale constructie. Van Vree en de andere onderzoekers toonden in ieder geval geen oog te hebben voor racistische situaties. Wij noemen dit fenomeen ‘kleur-ontkenning’ (vaak aangeduid met de validistische term ‘kleurenblindheid.’) Hieronder een aantal voorbeelden van het kleur-ontkennend racisme dat wij hebben ervaren en waarvan wij op 31 januari getuige waren.

Allereerst het gebrek aan bewustzijn (of het niet benoemen van) de expliciet koloniale plek waarin het NIOD huist. Ondanks de aanwezige kennis over de achtergrond van het pand werd op voorhand geen rekening gehouden dat de locatie mogelijk gevoelig zou kunnen liggen bij de ondertekenaars van de open brief. Pas nadat een niet-wit persoon hierover begon werd een opmerking geplaatst in de trant van ‘interessante discussie’. Echter, de geschiedenis van het NIOD-gebouw is niet zomaar ‘interessant’ voor de aanwezige niet-witte mensen: het is pijnlijk. Dit is kleur-ontkennend racisme.

Ten tweede was er de opmerking van Fia Hamid-Walker, een bruine vrouw, over de psychologische nasleep van koloniaal racisme in haar leven, door de onderzoekers volledig genegeerd. Vervolgens werd haar opmerking over het mogelijke machtsverschil tussen het Indonesische en Nederlandse onderzoeksteam van tafel geveegd. Zowel het nagenoeg negeren van haar bijdrage als het moreel veroordelen van haar standpunt, zijn voorbeelden van kleur-ontkennend racisme. Zij die opgeleid zijn in racisme begrijpen het onverbloemde racisme achter de reactie “wij zien geen kleur”, of “kleur is niet relevant”, of “van ras-dynamiek en ongelijkheid is geen sprake”.

Ten derde de opmerking van Mariëtte Wolf dat Pondaag’s organisatie K.U.K.B. niet bij de klankbordgroep hoort omdat deze alleen voor Nederlandse ‘umbrella-organisaties’ bedoeld is. Op zichzelf is deze opmerking al problematisch genoeg voor een studie die zegt een inclusieve werkwijze te hanteren. Het buitensluiten van een invloedrijke Indonesiër als
Jeffry Pondaag valt op geen enkele manier te rijmen met de bewering dat Indonesische perspectieven betrokken worden. Feit is en blijft dat een in Nederland gevestigde organisatie die als een van de weinigen Indonesische slachtoffers vertegenwoordigt, niet is uitgenodigd voor de Klankbordgroep. Dit is niet meer terug te draaien of te vergoelijken. Diverse onderzoekers kunnen dan wel in opiniestukken oproepen om naar ‘de Indonesiërs’ te luisteren, de programmaleiding kan dan wel zeggen dat zij de Indonesische historici als gelijkwaardige partners zien, het is allemaal betekenisloos zolang niemand inziet hoe racistisch het is dat Jeffry Pondaag vanaf het allereerste moment genegeerd werd. Het niet aanvoelen wat het buitensluiten van Pondaag betekent, is eveneens een voorbeeld van kleur-ontkennend racisme. Het betrekken van een aantal Indonesische onderzoekers in deelstudies (die zich niet openlijk kritisch opstellen) kan nooit als excuus dienen voor het buitensluiten van een kritische Indonesische stem als Pondaag. Nog los van het feit dat ook mevr. Pattipilohy steeds genegeerd wordt en in de correspondentie niet aangesproken wordt als mede-initiatiefnemer van de open brief. Dat Pondaag bij de tweede publieke bijeenkomst, na een lange, moeizame mailwisseling, wél tienminuten spreektijd kreeg kan al helemaal niet als excuus dienen voor het feit dat hij allereerst werd buitengesloten.

Ten slotte is het tekenend dat het de onderzoekers blijkbaar niet is opgevallen dat de belangrijkste critici die aan tafel zaten niet-witte mensen zijn, in tegenstelling tot hunzelf. Mevr. Pattipilohy was nota bene aanwezig als de enige Indonesische ooggetuige van het tijdperk dat wordt onderzocht. Gezien de scheve verhoudingen voor wat betreft representatie zou het ondenkbaar moeten zijn dat de schriftelijke beantwoording zich vooral richt op een video van 7 minuten van een witte academicus. Ook dit is een voorbeeld van het niet begrijpen, of niet aanvoelen, van kleur-ontkennend racisme. De uitgebreide aandacht voor de kritiek ingebracht door een wit persoon staat in schril contrast met de zeer korte schriftelijke reactie op de harde eisen die Michael van Zeijl (De Grauwe Eeuw) tijdens het gesprek deed. (Overigens heeft De Grauwe Eeuw naar aanleiding hiervan zelf een antwoord gestuurd.) 

De onderzoekers stellen slechts dat Van Zeijl inderdaad belangrijke vragen inbracht “waarvan het merendeel in het onderzoek aan de orde komt.” Hiermee werden zijn concrete eisen niet alleen gereduceerd tot suggesties, het is ook nog eens onjuist. Het onderwerp dat hij aankaart komt namelijk op geen enkele manier terug in de onderzoeksopzet en vragen. In elk geval is het op deze manier afserveren van zijn inbreng als niet-wit persoon (in tegenstelling tot de uitgebreide beantwoording van de vragen van een wit persoon) een voorbeeld van kleur-ontkennend racisme. Hetzelfde geldt voor het negeren van de videoboodschap van Fia Hamid-Walker, als wel het onjuist interpreteren van de vragen van Hadi Purnama. Wij gaan ervan uit dat alle vragen ingebracht door niet-witte personen alsnog een gelijke behandeling krijgen qua beantwoording.

Seksisme

Het is ons opgevallen dat het aspect gender niet benoemd wordt in de onderzoeksopzet. (KNIL-) militairen waren dan wel mannen maar dat betekent natuurlijk niet dat vrouwen geen rol speelden als het gaat om oorlog en geweld. Racisme en seksisme zijn nauw verwant. Verkrachting is een geweldsvorm tegen vrouwen die regelmatig voorkomt in militaire acties. Verder komen aspecten als ‘troostmeisjes’ en ‘nyai’s’ veelvuldig voor in de koloniale samenleving. Ook hebben Indonesische vrouwen een belangrijke rol gespeeld in de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Als gezegd wordt dat het onderzoek inclusief is en ook het Indonesisch perspectief meeneemt, is het belangrijk om het lot en de rol van vrouwen expliciet te benoemen.

Helaas moeten wij op basis van bovengenoemde voorbeelden concluderen dat wij geen enkel vertrouwen hebben in de kennis en vaardigheid van dit onderzoeksteam als het gaat om ras, racisme en het daar aan verwante seksisme. 

Indonesisch onderzoeksteam

Fia Hamid-Walker wees in haar videoboodschap op de continuïteit in koloniale verhoudingen en vroeg aandacht voor het feit dat Indonesiërs als gevolg van die lange kolonisatie nog steeds geneigd zijn tegen witte mensen op te kijken en met ze mee te praten. Ze noemde de betrokken Indonesische onderzoekers “de bruine gezichten met witte maskers,” verwijzend naar Frantz Fanon. Het was schrijnend om te zien dat Van Vree als witte man niet in staat was om enige vorm van zelfreflectie toe te passen, hij wist slechts te oordelen dat haar opmerking denigrerend was naar de Indonesische onderzoekers toe. Dit geeft aan dat Van Vree het probleem dat zij aankaartte óf niet begrijpt óf niet serieus neemt. Zijn reactie illustreert in feite hoe ‘verdeel en heers’ doorwerkt, of hij zich daar nu bewust van is of niet. Als witte man presenteert hij zich als het neutrale midden die in zijn oordeel meer waarde hecht aan mensen van kleur die aan zijn project verbonden zijn dan aan dezelfde mensen van kleur die de durf hebben om tegen de dominant witte visie in te gaan. Hij vergeet dat hij met een budget van 4,1 miljoen euro in een machtspositie zit. Met zijn reactie gebruikt hij de tweespalt onder Indonesiërs om daarmee het onderzoeksproject te rechtvaardigen.

Daarbij komt dat geen enkele Indonesiër aanwezig was tijdens de kick-off van het onderzoek. Zelfs een deel van het aanwezige publiek liet merken het vreemd te vinden dat Jeffry Pondaag met zijn voortrekkersrol niet een van de sprekers was. Indonesiërs konden door de taalbarrière bij voorbaat al niet deelnemen aan de discussie aangezien de voertaal Nederlands was. Waarom wordt deze realiteit ontkent tijdens het rondetafelgesprek? Zo zei Oostindie dat het hem anderhalf jaar had gekost om ons aan tafel te krijgen. Hiermee draait hij de zaken om. Hij koos ervoor om Pondaag destijds te negeren. Het is een onomkeerbaar feit dat de onderzoeksopzet zonder Indonesische inbreng tot stand is gekomen, de Indonesische onderzoekers zijn pas in een later stadium benaderd en zijn momenteel slechts verbonden aan deelstudies. Toen wij een maand later de open brief presenteerden vond Oostindie dat onze bezwaren “te bizar voor woorden” waren. Hij heeft nadien nooit de moeite genomen om in gesprek te gaan. De enige reden dat wij op 31 januari aan tafel zaten was de lange, moeizame e-mailwisseling tussen Jeffry Pondaag en Fridus Steijlen. (Pas na commentaar van Pondaag dat Fridus Steijlen geen projectleider is, nam Van Vree contact op waarna projectcoördinator Mariëtte Wolf de communicatie overnam.)

Daarnaast bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de precieze aard van het samenwerkingsverband tussen de Nederlandse en Indonesische onderzoekers. Tijdens de kick-off werd de indruk gewekt dat het contact en de samenwerking met het Indonesische team heel nauw is. Verschillende keren reisde een delegatie Nederlandse onderzoekers, waaronder ook Oostindie, naar Yogyakarta af om overleg te plegen. Echter, later werd duidelijk dat de Indonesische professor Bambang Purwanto in werkelijkheid een eigen, apart team had geëist. Dit is erg verwarrend, want betreft het nu een nauwe samenwerking of twee volledig aparte studies? Er zit hoe dan ook iets tegenstrijdigs in de manier waarop de samenwerking wordt gepresenteerd, enerzijds wordt gesteld dat het Indonesische team volledig onafhankelijk is, terwijl anderzijds gesproken wordt over een uitwisseling en het voornemen om een gezamenlijke artikelenbundel te publiceren. Ireen Hoogenboom kondigde tijdens het rondetafelgesprek aan dat de Indonesische onderzoekers binnenkort met een eigen website zullen komen, maar de schriftelijke reactie op de vraag van Lara Nuberg leest:

“Door gezamenlijk workshops te organiseren kunnen de projectteams elkaar informeren, hun bronnen, perspectieven en ideeën uitwisselen en discussiëren over het gebruik van deze bronnen, de historiografie en de terminologie. De projectgroep Regionale studies en het Indonesische project zullen een gezamenlijke artikelenbundel publiceren.”

Is het nu een samenwerking of niet? Wij willen graag weten hoe de resultaten van de Indonesische historici met de Nederlandse resultaten vergeleken zullen worden, aangezien hun perspectieven verschillend kunnen zijn.

Hebben de betrokken Nederlandse onderzoekers enig idee waaromBambang Purwanto zo graag een apart, onafhankelijk team wenste? Is het mogelijk dat hij zich niet helemaal kon vinden in de Nederlandse onderzoeksvragen? En als dat zo is, op welke punten verschilt hij van mening? Wat vindt hij wel of niet relevant om te onderzoeken? En wat zegt dit over het eurocentrische vertrekpunt van het onderzoek? Het geeft toch te denken dat beide Indonesische projectleiders er niet bij waren tijdens de kick-off van het onderzoek. Het is belangrijk om de aarzeling aan de kant van de Indonesische onderzoekers te duiden. Waar komt dit vandaan, wat zit erachter?

Tijdens het rondetafelgesprek vroeg Jeffry Pondaag hoeveel geld het Indonesische team van Nederland ontvangt. In de schriftelijke beantwoording staat slechts dat 4 gepromoveerde onderzoekers voor drie jaar naar Indonesische standaarden zullen worden betaald. Hoeveel euro is dat precies? Aangezien het om belastinggeld gaat is het belangrijk dat hierover helderheid bestaat. Nogmaals verzoeken we om de namen van de Indonesische historici en de universiteiten waaraan zij verbonden zijn, kenbaar te maken, alsmede het budget dat hen ter beschikking is gesteld.

Betrekken Indonesisch perspectief

Van Vree zegt dat hij het helemaal met Michael Van Zeijl eens is dat het Indonesische perspectief aandacht verdient en dat het al die tijd ondergesneeuwd is geweest. Als bewijs dat de onderzoekers dit heel belangrijk vinden verwijst hij naar de deelstudie ‘Regionale Studies.’ Wat ons opvalt is dat het argument ‘we moeten naar de Indonesiërs luisteren’ steeds terugkomt in opiniestukken van betrokken onderzoekers zoals Anne-Lot Hoek, Martijn Eijckhoff en Remco Raben. Het probleem is echter dat uit de onderzoeksopzet blijkt dat niet naar Indonesiërs geluisterd wordt. Het perspectief van de onderdrukten is niet leidend. Als er al over slachtoffers gesproken wordt dan gaat het steeds over Nederlands(-Indische) slachtoffers, terwijl de Indonesische slachtoffers slechts ‘getuigen’ worden genoemd. (Zie ook radio 1 interview Een Vandaag, gesprek met Fridus Steijlen en advocate Liesbeth Zegveld.) Nog los van het feit dat de omgang met kritische Indonesische stemmen als die van Pondaag en Pattipilohy erop duidt dat men niet openstaat voor een Indonesische visie in het geval deze lijnrecht tegenover de Nederlandse visie staat.

Het is onduidelijk wat de drie instituten met ‘het Indonesisch perspectief’ willen gaan doen. Wij stellen dat het slachtoffer-perspectief niet naast het perspectief van de dader kan bestaan alsof ze allebei evenveel recht van spreken hebben. Of zoals Esther Captain stelde dat de rollen wisselend en diffuus zijn, soms slachtoffer, soms dader.Het Nederlands koloniaal perspectief zal moeten wijken. Het Indonesisch perspectief als interessante aanvulling is onmogelijk. In de schriftelijke reactie op de vragen van Annemarie Toebosch valt te lezen dat het onderzoeksprogramma ontkent dat zij aan ‘nivelleren’ doen. De onderzoekers vinden dus niet dat hun streven naar ‘meerstemmigheid’ en ‘multi-perspectiviteit’ de indruk wekt dat zij alle perspectieven naast elkaar willen laten bestaan. In het punt over de Bersiap hebben wij al toegelicht op welke manier er volgens ons wel degelijk genivelleerd wordt. Het simpelweg ontkennen hiervan is geen overtuigend antwoord op de vraag welke waarde wordt gehecht aan de perspectieven van de onderdrukten. Esther Captain zei dat het allemaal niet zo zwart-wit ligt. Dit is een dooddoener. Nuanceren is een typisch koloniaal reflex. Er is namelijk altijd een overkoepelend narratief waarin dader/slachtoffer verhoudingen helder te benoemen zijn.

4. Alternatief schrijversteam synthese

Wij eisen dat Gert Oostindie vervangen wordt, wij achten hem ongeschikt om de synthese te schrijven. De redenen hiervoor zijn al uitgebreid behandeld in punt 3 van de bijlage van de open brief. Hieronder kort samengevat nog eens de meeste belangrijke redenen:

  • Hij erkent de problematische opzet van het onderzoek niet, hij doet de bezwaren van de open brief slechts af als ‘te bizar voor woorden’;
  • Hij spreekt geen Indonesisch;
  • Hij is geen Indonesië-kenner;
  • Hij ziet de koloniale geweldstraditie niet als iets dat bij Nederland hoort. In zijn boek ‘Soldaat in Indonesië’ schrijft hij dat Nederland geen sterke militaire cultuur kent en betoogt dat zijn land zich vanaf begin 20e eeuw als neutrale mogendheid profileerde;
  • Hij doet (publiekelijk) onverantwoorde uitspraken zoals: ‘ik ben het onderwerp zomaar ingerold,’ ‘er zijn slechte maar ook goede kanten aan kolonialisme,’ ‘Nederlandse oorlogsmisdaden moeten worden begrepen in de context van toen: bescherming van de bevolking, herstel van orde en vrede’ ‘historici mogen niet moraliseren’, ‘gelukkig kent Nederland geen ontwikkelde traditie van postkoloniale-studies’.
  • Hij heeft een verouderde, positivistische blik op geschiedschrijving en ontkent zijn eigen subjectiviteit;

Kortom: wij vinden dat iemand die niet begrijpt hoe racisme werkt, die kolonialisme en slavernij nivelleert en die niet weet wat voor verantwoordelijkheden zijn privileges met zich meebrengen, ongeschikt is om de samenvatting van een onderzoek over koloniaal geweld te schrijven. We stellen voor dat een onafhankelijk onderzoeksteam de synthese schrijft, bestaande uit Nederlandse maar vooral Indonesische onderzoekers die vanuit een dekoloniaal perspectief te werk gaan. We denken hierbij aan onderzoekers als Rushdy Hoesein, Fia Hamid-Walker, Ady Setyawan, Yongky Gigih Prasisko, Jan Breman, Ewald van Vugt, Sandew Hira. De exacte samenstelling van het schrijversteam staat nog niet vast, maar het moet duidelijk zijn dat degenen die de synthese schrijven niet deelnemen aan het onderzoek.

Conclusie

Tot slot de vraag wat er gedaan wordt met onze bezwaren. De open brief werd al in november 2017 verstuurd maar anderhalf jaar later vormt kolonialisme nog steeds geen overkoepelend thema in de opzet. Daarnaast zijn diverse punten uit de open brief nooit beantwoord, ook niet tijdens het rondetafelgesprek. Denk aan punt 10 van de bijlage over vergelijkend onderzoek, punt 12 over de wet van 1971, punt 13 dat gaat over Indonesië-weigeraars. En niet te vergeten onze serieuze bezwaren tegen de betrokkenheid van oud-generaal de Kruif als ‘expert’ in de wetenschappelijke adviescommissie. Wij zouden graag zien dat de opzet ook daadwerkelijk aangepast wordt. Daarom verwachten wij een duidelijk antwoord op de vraag: wordt onze kritiek ter harte genomen en krijgt 350 jaar koloniale uitbuiting vanaf nu wel een prominente plek in het onderzoek?

Lees verder…

Nederlandse mariniers gaan in de aanval bij het plaatsje Krian bij Surabaya, Oost-Java.

30 oktober 2017 - 14:00   
Door Sandew Hira

Afgelopen week was ik in Brussel waar ik een inleiding hield over herstelbetalingen. Het onderwerp ligt gevoelig bij gekoloniseerde geesten. Voor de Holocaust hebben Joodse organisaties US$ 8 miljard gevraagd. Ze hebben US$ 70 miljard gekregen. Daarover is nooit een probleem gemaakt.

Ook is er nooit een probleem gemaakt toen gekoloniseerde landen herstelbetalingen hebben betaald aan de kolonisator.

De tot slaaf gemaakte bevolking van Haïti heeft in een bloedige revolutie tussen 1791 en 1804 haar vrijheid bevochten. In 1825 organiseerde Frankrijk een nieuwe aanval op Haïti met steun van andere Europese landen en Amerika. Ze legde een cordon van veertien oorlogsschepen met 528 kanonnen om het eiland en gaf het Haïtiaanse volk de keuze: of herstelbetalingen betalen of een economische blokkade riskeren met hongersnood, oorlog en uiteindelijk de herinvoering van slavernij. Haïti moest het bedrag van 150 miljoen Franse franc betalen (US$ 22 miljard in de huidige waarde) voor verloren bezittingen van Franse slavenmakers (inclusief de waarde van de tot slaaf gemaakte mensen). Haïti moest het geld lenen bij Franse banken tegen 6 procent rente. Elk jaar tussen 1825 en 1947, bijna 150 jaar lang, heeft Haïti een bedrag betaald als aflossing van deze schuld. In 1990 vroeg Jean Aristide, de eerste democratisch gekozen regering van Haïti US$ 22 miljard terug van Frankrijk. In 2004 werd hij afgezet door een coup die gesteund werd door Amerika en Frankrijk. Hij moest vluchten naar Zuid-Afrika.

Een ander voorbeeld waarbij een gekoloniseerd land herstelbetalingen moest doen aan de kolonisator is het geval van Indonesië en Nederland. In 1940 kwam het Nederlandse koloniale regime in Indonesië ten val door de Japanse inval. In 1945 riep Soekarno de onafhankelijkheid uit. Nederland, die zelf net bevrijd was van de Nazi-bezetting, stuurde zijn leger naar Indonesië om een vuile oorlog te voeren die 150.000 Indonesiërs het leven kostte.

Onder druk van de Amerikanen trok Nederland zich terug.

Bij de Ronde Tafel Conferentie van 1949 leidde de Amerikaanse druk op Indonesië tot een overeenkomst waarbij Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië erkende, maar Indonesië Nf 4,5 miljard moest betalen aan herstelbetalingen. PvdA premier Drees eist een extra Nf 2 miljard voor de kosten die Nederland tijdens de vuile oorlog had gemaakt, maar de Amerikanen vonden dat te gortig. Tussen 1950 en 1956 heeft Indonesië Nf 4 miljard overgemaakt. In 1956 weigerde ze de rest te betalen.

In de Nederlandse geschiedenisboeken wordt gedaan alsof de wederopbouw van Nederland mogelijk gemaakt is door de Amerikaanse Marshallhulp. Die hulp bedroeg US$ 1,1 miljard en was gegeven in de vorm van een lening. De echte financiering van de wederopbouw kwam van Indonesië. Dat staat niet in hun geschiedenisboeken.

Het ergste komt nog. De Nederlandse bezetting van Indonesië was één van de wreedste bezettingen.

Marjolein van Pagee, een Nederlandse journaliste, geeft een voorbeeld van de Nederlandse wreedheid tijdens de vuile bezettingsoorlog op basis van gesprekken met nabestaanden van de Indonesische verzetsleider Andi Abubakar Lambogo op het eiland Sulawesi. In 1947 hadden ze Lambogo gevangengenomen bij Salu Wajo en zijn hoofd afgehakt. Ze spietsten het op een bajonet en hingen het later aan een paal op de markt in de plaats Enrekang zeven kilometer verderop. Het lichaam is op de weg bij Salu Wajo achtergebleven. De Nederlandse militairen dwongen andere krijgsgevangenen, die ze gemaakt hadden, één voor één om het afgehakte hoofd van hun leider, dat op een bajonet was gespietst, te kussen. Daarna hingen de Nederlandse soldaten het hoofd aan een paal. Het hoofd heeft daar twee dagen en een nacht gehangen als afschrikwekkend voorbeeld. De familie mocht uiteindelijk het hoofd meenemen en het samen met het lichaam in Enrekang begraven. Daar is er nu een ereplek voor Lambogo op de begraafplaats. Dit was het beschavingsniveau van de Nederlanders in Indonesië, die beduidend lager was dan die van de Nazi’s die al niet erg hoog was. De Nazi’s hebben nooit het hoofd van een Nederlandse verzetsleider afgehakt en andere Nederlanders gedwongen om dat hoofd te kussen.

En dit Nederlandse volk heeft dan herstelbetalingen geëist en gekregen van de mensen die ze driehonderd jaar lang hebben gekoloniseerd. Hoe schandalig kan geschiedvervalsing zijn

.

Sandew Hira

ICM Redactie.

 

In het kader van onderzoek door ACTW-66 team (actie comité traktaat van Wassenaar 1966) komen deze met verbijsterende ontwikkelingen. Om een einde te maken aan deze langslopende onderhandelingen in zake de nationalisatie - proces RTC, werd deze afgesloten door sluiten van het verdrag traktaat van Wassenaar, dat er over en weer niets meer van elkaar is te vorderen.  Bizarre dat de 341.000 Nederlandse Indische Burgers er buiten werden gehouden. Nota bene gingen de onderhandelingen over hun eigendommen, bezittingen en banktegoeden.  Met het gedrocht - Verdrag traktaat van Wassenaar - proberen beide regeringen om geen enkele bedragen te betalen voor bezittingen, eigendommen, en tegoeden.   De bekende constructie akkoorden bij een doorstart of een faillissement werden hier ingezet, en door instellen van commissies die de ambtenaren bedachten. Het ontwerp van alle verdragregels ademt dit uit, regels ontwerpen in het verdrag die nadrukkelijk wijst om feiten onder het tapijt te vegen, dan zeer cryptische berekening toepassen.

 

Verdrag Traktaat Wassernaar was bij uitstek het vaccin tegen de besmetting van deze burgers. Als bonus dienen ze eerst bij aankomst in Holland schuldverklaring van 16.000 te ondertekenen. Voorts de reis, verblijf en inrichting zelf te betalen. Leuker konden ze bij het DOA van Min. BuZa niet bedenken.

 

Harde conclusies dat voor de nationalisatie dus 4 miljard plus 689 miljoen werd betaald. Tevens door het sluiten van het verdrag nog eens 1,2 miljard Marshal hulp werd verkregen, plus het kredietplafond werd verhoogd.  Nederland moet zich schamen om over leed dat deze 341.000 Nederlandse Indische Burgers hebben moeten dragen, en hiervan een verdienmodel te maken. 

 

Velen weten niet dat voor aanvang van de oorlog de kas van toenmalige regering werd leeg geplunderd. Alle gelden werd doorgesluisd naar Amsterdam, en goudvoorraden naar New York getransporteerd, en nog moet Soekarno 4,5 miljard + 0,689 miljard betalen voor de nationalisatie dus de overname van de bezittingen / eigendommen / banktegoeden van Nederlandse Indische Burgers, en deze 341.000 burgers moeten nog de eerste euro zien, bah schaamteloos!

 

Mark, Thierry en Jesse,   

Dit is nu een voorbeeld uit onze huidige Nederlandse samenleven van 60 jaar geinstitutioneerde discriminatie tegen de Nederlandse Indische Gemeenschap.  Is geen toeval, geen incident als je spreekt over 341.000 Nederlandse Indische Burgers, en nu nog steeds actueel is.    Zijn wel de bezittingen van je ouders!

 

Lees verder…

10897379069?profile=original

 
OPROEP -  Aan de gehele Nederlands Indische Gemeenschap (NIG) het volgende :

Na de reeds 19 jaar 
van inzet tbv de ICM-stichting, de Internet krant, en de Claimstichting ACTW66, door Ferry Schwab en vrijwilligers, een Speciaal bericht aan de vele duizenden “Volgers van de ICM-Internet-krant en ondertekenaars van de Petitie" tav Het Traktaat van Wassenaar 1966, en de daarvoor opgerichte Claimstichting ACTW66, 
tbv de Slachtoffers van de Nederlandse  Indische burgers periode 1947-1962, en niet vergeten het ICM Video-Kanaal op Facebook met de uizendingen  waar velen veel plezier van hebben: 

Het totaal van de tot nu toe gedoneerde gelden (3 %) staat helaas genoeg, nog NIET in verhouding met het aantal ondertekenaars  van genoemde Petitie !

Dit ondanks de herhaalde verzoeken hiertoe, middels de ICM-Internetkrant, om alsnog Vrijwilig te doneren, en aan die, 
die nog niet als  betrokkenen van ICM -en Claimstichting ACTW66, de genoemde Petitie hebben ondertekent : 
"Laat de ICM-stichting met haar vrijwilligers niet in de steek !” , want ook deze ICM-Internetkrant is voor u van belang, naast de te verwachten resultaten uit een nog te starten Jurische Procedure tbv de Claimstichting ACTW66, richting de Nederlandse Staat. 
Doch ook belangrijk voor U, langs deze weg (ICM-internetkrant) u te kunnen ontvangen met Informatie , en ook het mogelijk maken van publicaties Van en Voor haar lezers met aanhang vanuit de NIG zelf, maar ook voor alle andere zaken rondom de Claimstichting ACTW66 , wat haar vorderingen zijn !!

De Claimstichting ACTW66, (binnen ICM) kan zonder Voldoende financiële middelen naast de ICM-internet-krant, Niet de noodzakelijke Juridische Procedure opstarten naar de Nederlandse Staat, om deze vervolgens te wijzen op haar verantwoordelijkheid, c.q. te dwingen, te handelen naar de Rechthebbende betrokken Slachtoffers, als gevolg van een "oud politiek conflikt” tussen Indonesië en Nederland, De Indische Kwestie, genoemd
 in  Het Traktaat van Wassenaar 1966,  om vervolgens nu eindelijk de Herstel-betalingen op te starten naar de Slachtoffers van deze langlopende tragedie, en dit uiteindelijk te kunnen afsluiten, 
want de tijd dringt voor de nog levende Slachtoffers -en Nabestaanden  . 
Dit alles volgens de procedures, eerder vastgelegd in het voor/door ICM inmiddels zo belangrijke Rapport Traktaat van Wassenaar, opgesteld door het Actiecomité Traktaat van Wassenaar 1966  Aan het onderzoek  hebben geholpen Rob Andreas, Ferry Schwab,  RIP  Marshal Manengkei,  Peggy Lesquiller (advocaat), Jan Enoch (Advocaat) ,  Kleiweg (advocaat en Marjolein (journaliste/historicus)
Het rapport is door Calbona uitgever in boekvorm uit ISBN  978-94-92575-18-0

Dit is waar de Stichting ICM staat voor vecht, en daarom afhankelijk van donaties is, dit alles in stand te kunnen houden.
Daarom alsnog met nadruk aan de ondertekenaars, die nog niet hebben gedoneerd, dit alsnog te doen, Als morele verplichting tbv van Slachtoffers en Nabestaanden, EN de jarenlange tomelose inzet van Voorzitter en Vrijwilligers, want ook Voorzitter 
Ferry Schwab en zijn gehele familie is Mede-slachtoffer van dit oude conflict !

Daarom : Waar is het wachten op, om alsnog een donatie te doen, want voor niks gaat deze “Zon” niet op,  de ICM-internet krant en Claimstichting ACTW66, en is Inzet van ALLE betrokkenen noodzakelijk, daar deze Stichting GEEN subsidie krijgt van de Ned. Staat !

Note: 
Van de Inzet van het IP (Indisch Platvorm) met haar jarenlange verkregen subsidies, is niks meer te verwachten. Dit door het jarenlange ontbreken van Inzet, Leiding, Controle  en Transparantie , tav de "Indische Kwestie” , mede door persoonlijke conlficten binnen dit  "voorbije bestuur” .

De gevraagde donaties door de NIG, zijn mede noodzakelijk nav de hoge procedure-kosten, de Claimstichting de mogelijkheden te geven te kunnen procederen, omdat alle voorgaande Regeringen GEEN UITVOERING willen GEVEN AAN DE OPDRACHT TOT UITVOERING VOOR ALLEN (de nog 60.000 overlevenden) uit de gedoneerde gelden aan Buitenlandse Zaken, met Herstelbetalingen te beginnen aan de NIG, na haar GEDWONGEN VERTREK UIT INDONESIË , met achterlating van Alles, 
inclusief haar Geboortegrond en Status!

DAAR STAAT EN VECHT, FERRY SCHWAB EN ZIJN VRIJWILLIGERS VOOR.
Als zij noodgedwongen moeten stoppen, is Zijn/haar persoonlijke inzet en gelden voor niks geweest, behalve voor de Behoudende Nederlandse Staat, met 4,5 miljard staatssteun van Indonesië in haar zak, als "Bewaarder van deze Achterstallige betalingen aan de Nederlands Indische Gemeenschap : 
Voorkom dit en laat uw stem en hart spreken, Steun de ICM en haar VRIJWILLIGERS !!!
Uw inschrijving als deelnemer ACTW-66 Claimorganisatie via www.icm-online.nl ; en Rapport is te bestellen info@icm-online.nl

JCvV
 

 

Lees verder…

Blog Topics by Tags

Monthly Archives