Met veel trots kan ICM redactie melden dat haar oudste abonnee Tom Saras
Weergaven: 180
Weergaven: 180
De vaste commissie voor Financiën1en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2hebben op 8 februari 2001 overleg gevoerd met minister Zalm van Financiën en minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:
– De voortgang van de werkzaamheden in verband met de tegoeden Tweede Wereldoorlog (25 839, nr. 17);
– De voortgangsrapportage Tegoeden Tweede Wereldoorlog (25 839, nr. 18), voor zover de stukken betrekking hebben op de Indische tegoeden;
– De nadere uitwerking van de regeringsreactie naar aanleiding van het rapport van de begeleidingscommissie onderzoek Indische tegoeden (25 839, nr. 21).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit, Vragen en opmerkingen uit de commissies, zijn hier ook te downloaden >>>>>>>
Dat er in 2014 een debat kwam daar bestond geen enkel twijfel over! Want het gaat anno 2014 om het zevenvoudige bedrag dan die van Gebaar 2001 (385 miljoen de schatkist kostte). Een staatssecretaris of een minister kan niet eenzijdig een dergelijk besluit op eigen houtje nemen en zal eerst in de Tweede Kamer moeten brengen, hiervoor is draagvlak van de Tweede Kamer voor nodig, net als in 2001 bij Het Gebaar, desondanks destijds vele zaken onduidelijk lagen in tegenstelling tot nu.
Als voorbeschouwing wil ICM graag als redactie terugblikken In beginsel naar Nr. 23 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG dat vast vastgesteld werd op 28 februari 2001, waarom de Indische Gemeenschap niet die gelijke behandeling heeft gehad als de Joodse gemeenschap (Ruim 30.000 - 40.000 per individu gehad), dat overigens bij dit overleg veel aan de orde is geweest. Om dit te beoordelen zal de Indische kwestie naar de vijf perspectieven belicht worden: Indische gemeenschap als bevolkingsgroep, de Indische belangen organisaties (200 stuks verspreidt over het hele land), het oude Indisch Platform voorzitters Boekholt en KLeijn, het Politiek systeem, en Nederlands rechtssysteem.
De Indische Gemeenschap t.o.v. de Joodse Gemeenschap wordt niet gekend als een homogene groep. De verdeeldheid is groot dat zich uit in de wel honderden Indische verenigingen, en ieder met eigen doel en missie, die haaks tegen over elkaar staan. Vanuit politiek Den Haag (Tweede Kamer) komt de Indische Gemeenschap niet goed weg wat de homogeniteit betreft. Is dat de Kamer hier het voordeel van de twijfel geeft (dankzij het politieksysteem) en het zeer te doen hadden wat de Indische Gemeenschap heeft moeten ondergaan in de oorlog tegen Japan, de bersiap periode, en misschien ook door het politieke systeem die redding bracht met Gebaar voor de kille koel ontvangst asl tussenstation. Tevens erkent door de vele te bureaucratisch te werk te gaan en de fouten aan de kant van de Nederlandse Overheid. In vergelijking tot de bevolkingsgroep de Joodse gemeenschap die gekenmerkt wordt als een homogene groep, was binnen de Indische Gemeenschap alleen maar een grote verdeeldheid te besmeuren dat het modder gegooi verder ging dan binnen de Indische Stichtingen. Vele buitenstaanders o.a. ICM (NINES Online) verbaasden zich over dit amateuristisch gedrag in het openbaar.
De Indische organisaties gekenmerkt in het verlengde van hun achterban (leden) voerden een onderlinge hevige strijd onder elkaar, en nadrukkelijk niet tegen die Overheid. Dit was openlijk te besmeuren op het Internet (o.a. via de beroemde websites en het msn). Elk ging voor het eigen belang. De typering alleen al van de "binnen - en buitenkampers”, die regelrecht een discriminatie onder elkaar vormden is te bizar om te verwoorden. Geen eenheid, geen solidariteit, geen visie, geen plan, geen bewijsvoering zoals onderbouwde onderzoek met feiten, en het ontbreken van kennis om een dergelijk grote zaak tegen de Overheid aan te spannen, maar in bijzonder het ontbreken van die professionaliteit, expertise die door de boventoon van eigen belang en emotie werd gevoerd.
Het Oude Indisch Platform als politiek overlegplatform ingesteld door oud premier Ruud Lubbers moest die oplossingen bieden en die redding brengen.
Moeizaam kwam deze van de grond. Te meer de voorzitters Oud - Militaire door de Overheid werd benoemd, dit viel bij de andere organisaties in slechte aarde dat van de honderden slechts 7 toetraden, is niet te verwonderen. Deze hadden geen enkel stem, dat dominant geregisseerd werd door Boekholt oud - buitendienst generaal ( broodheer de Overheid had) en veelal ging voor zijn eigen belangen. De burgers die in het voormalige Indie als oorlogsslachtoffers gekenmerkt hadden worden vielen daardoor overal buiten de boot. Tot wie moesten zij zich wenden. De andere zittende 7 Indische organisaties porforma zitting namen, geen enkel ervaringen hadden dat buitenstaanders moesten ingrijpen! Is ook vrij logisch gezien hun CV profielen die geen enkel academische achtergronden hadden of bestuurservaringen in het bedrijfsleven, en die zich totaal lieten regisseren (overrulend) door een Boekholt waar later ook gelden naar de familie toestroomden (Indisch Huis, in Scheveningen die nooit afkwam, om maar een voorbeeld te noemen, ook deze zaak werd uitgebreid gemeld in het verslag van het overleg, zegt al voldoende in het vertrouwen van het IP).
ICM / NINES Online zag deze bizarre strijd en stak regelmatig de hand op om geen ruzie met elkaar te maken, want de ambtenaren van Overheid kijken ook mee op het Internet! Wat maakt uit of je binnen - of buitenkamper bent of KNILLER. Allen zijn oorlogsslachtoffer geworden met lange nasleep van de "overdracht", Bersiap, en de "Koele Kille Ontvangst in Nederland "geworden uiteindelijk. Van een oorlog die door het koninklijk huis namens Wilhelmina aan Japan is verklaard. Iedere oorlog zal onherroepelijk schade toebrengen aan het leven van de burgers: oorlogsschade immaterieel als materieel en als je ook nog je land kwijt bent waar je bent geboren en getogen . Dit zijn de keiharde feiten, waarom dan nog Buiten-, Binnenkampers, Knillers, en oud - ambtenaren ! Dit onderstreept al die tegengestelde belangen van de gewone burgers in het voormalige Indie.
Het Politiek systeem, Den Haag erkent dat de Overheid en alle voorgaande regeringen te bureaucratisch en grove fouten hebben gemaakt jegens de Indische Gemeenschap..
Maar gezien de grote verdeeldheid bij de Indische organisaties die weer het Oude IP bejegend is voor de Kabinet moeilijk de claims te becijferen zoals die bij de Joodse Gemeenschap. Voorts verschilt de situatie wordt tot de conclusie gekomen. De vraag is of het een Gebaar of een tegoedkoming moet zijn. Politiek Den Haag heeft toch te doen met alles wat de Indische Gemeenschap heeft moeten meemaken, en krijgt in principe het voordeel voor de twijfel, dit mede door het falen van duidelijk wensen / eisen pakket van het oude Indisch Platform door de grote verdeeldheid, die bij de Joodse Gemeenschap wel nadrukkelijk aanwezig is. Dankzij de politieke partijen die de claims willen wegen wordt Het Gebaar als tussen station gezien voor die "Koele en Kille ontvangst in Nederland"en toegekend 385 miljoen, waarvan 35 miljoen voor collectieve projecten (Voor the time being). Om de zaken te kunnen becijferen wordt voorgesteld om een breed historisch onderzoek door het NIOD te laten uitvoeren. Deze resultaten af te wachten om als nog definitief de hoogte van de claims te bepalen, die naast de claim van Het Gebaar kunnen worden ingediend bij de Overheid.
Het Nederlands rechtssysteem (burgerwetboek) stelt, dat iedere burger rechten heeft die moet toezien of de Overheid die ook nakomt'. Het wetenschappelijk onderzoek om reconstructie van feiten in Voormalige Indie zal moeten uitwijzen dat alle zaken die vastgelegd zijn Nr. 23 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG op 28 februari 2001 de Indische gemeenschap in gelijke wordt gesteld aan de hand van de feiten en conclusies die de wetenschappers van het NIOD in het rapport als reconstructie hebben vastgelegd. Daarnaast de transacties hiervoor zijn uitgevoerd; Het Gebaar is uitgedeeld naar de afgesproken bedragen en het breed historisch onderzoek is verricht door de NIOD. Uit dit rapport zijn de claims te herleiden die onvoorwaardelijk de Overheid veroordeelt om tot uitvoering te komen van Gebaar - II met finale kwijting.
Het eventuele verslag van Algemeen Overleg van Tweede Kamer anno 2014 komt er wellicht nu zo uit te zien met betrekking tot eerdere opgesomde perspectieven!
De Indische Gemeenschap, is meer betrokken geraakt bij de Indische kwestie door de jaren heen o.a. door de communicatie via het internet (ICM & NICC) als Internetkrant en maand Magazine en via de pasar malams (800.000 man) . Hierdoor meer bewustwording creëerden en betrokkenheid bij de Indische kwestie. Te meer ICM als communicatie middel werd gebruikt door de Indische organisaties om de achterban te bereiken. Naast dat de Indische kwestie met het Indisch Platform veel in beeld is gebracht door ICM op de pasar malams, en koempoelan gedurende de periode 2003 tot 2014. Niet te vergeten voor de vele oproepen om richting het Plein te gaan voor IP manifestaties. Niet onbelangrijk de informatie en de boeken van schrijvers die hierin een grote bijdrage leveren( Ik Beken, van Elise Lengkeek) . Dat het draagvlak vele malen groter is geworden bleek uit de gehouden Indische Petitie initiatiefnemer Hans Vogelsang. Ruim 10.000 mensen gaven hun mandaat in de vorm van hun handtekening voor de Stille Tocht die uit handen van IP delegatie aan VWS werd overhandigd. Met die petitie stelde de achterban unaniem achter de doelstellingen en de missie: Erkenning, Excuusjes, en compenstatie in de vorm van een pensionregeling.
De Indische organisaties erkenden nu het nieuwe Indisch platform als de organisatie die de belangen namens de Indische Gemeenschap behartigt. Het geruzie en met modder gegooid lijkt nu achter de rug te zijn. Helaas uit dit zich niet bij een aansluiting bij Het nieuwe Indisch Platform, maar allen gaan voor 1 doel; Erkenning, Excuusjes en compensatie voor iedereen die geboren / gewoond heeft in Indonesie. De groep wordt nu geschat op 90.000 man van het oorspronkelijke aantal van 341.000.
Het nieuwe Indische Platform als organisatie ziet een stijging van Indische organisatie die lid worden van Het IP. Van 7 (2001) naar 28, zelfs Pasar Malam Besar in Den Haag met 140,000 bezoekers trad toe tot het IP. De nieuwe vz. Herman Bussemaker koos voor de aanval en trad voor het eerst openlijk de publiciteit tegemoet. Uiteraard gesterkt met de bewijsvoering onder zijn arm De Indische NIOD Rapporten die ruim 1,8 miljoen hebben gekost. In oktober 2009 ism met ICM wordt IP Manifestatie op Het Plein georganiseerd en de hele landelijk pers werd uitgenodigd dat later op de NOS omroep kwam, en in het nieuws. Een gehele andere benadering dan het oude IP, die letterlijk alles hebben verkwanseld.
Niet onbelangrijk en grote aanwinst en versterking was de toetreding bij de delegatie IP Ton Te Mey. Ton die alle in - en outs van politiek Den Haag kent, bovendien met oud MP Jan Peter Balkenende heeft gewerkt. Ton heeft veel sympathie voor wat de Indische Gemeenschap deze 69 jaren moest ondergaan om als tweede rang burger te zijn behandeld door de Nederlandse Overheid. In 2013 trad Herman Bussemaker terug als voorzitter en werd opgevolgd door Silfraire Delhay, Herman Bussemaker zal wel blijven deelnemen in de delegatie als adviseur met betrekking tot zijn achtergrond als materiedeskundige en historicus. Dit IP gaat professioneel en slagvaardig te werk. Het gaat hier niet om 385 miljoen maar ruim om twee en half miljard op zijn minst, dat niet eenvoudig het draagvlak zal krijgen bij de Tweede Kamer.
Politiek systeem, Den Haag heeft er alles aangedaan om barrières den drempels gelegd om de NIOD rapporten te accepteren en om deze ook maar in behandeling te nemen.
Toespraak door Herman Bussemaker bij het overhandigen van de Petitie op 19 maart 2013, zie http://icmonline.ning.com/profiles/blogs/toespraak-door-herman-buss...
Uw donatie kunt U storten op Rabo rekening NL41 RABO 03977255 07 ten name van F.Schwab / ICM Online onder vermelding van donatie Traktaat van Wassenaar.
Indo Rock ons cultureel paradepaardje? (7) door: Albert van Prehn
“Thank You for the music and giving it to me”. Dit mooie liedje van de Zweedse groep ABBA klinkt nog steeds en vaak in mijn oren als muzikant. Ook het nummer van John Miles, “Music was my first love” en “It will be my last”, schitterend en zeker van toepassing op mijn persoon en ik weet zeker op een heleboel van mijn collega muzikanten, van alle nationaliteiten. Is het echt zo dat er niets anders is dan muziek en dat alles, ja bijna alles alleen en enkel op muziek slaat in ons leven als muzikant?
Er zijn vele huwelijken stuk gegaan, er zijn vele levens verwoest door muziek, er zijn vele goede muzikanten aan de zelfkant van het leven gekomen, en zo kan ik nog meer negatieve elementen noemen die verband houden met MUZIEK en muziek maken. Feit is, als ik eerlijk ben tegenover anderen en mezelf, zonder muziek zou mijn leven niet eens meer kunnen bestaan.
Muziek is een verslaving zeg ik wel eens, een drug die erger is dan menige andere drug op aarde. En ik weet zeker dat er nog veel meer muziekverslaafden zijn dan dat er drugsverslaafden zijn in mijn wereldje. Ik raakte ermee besmet op 9 jarige leeftijd en eigenlijk al veel eerder, als ik het zo inschat vanaf mijn tweejarige leeftijd. Mijn Moeder, zuster en ik waren na de interneringstijd gehuisvest in een klein kamertje, er stonden twee bedden, of eigenlijk een eenpersoonsbed en een kleine commode waarin ik sliep. Er was wel een kleine radio in die kamer en mijn moeder had die altijd aan staan, en daaruit kwamen de eerste klanken die ik als tweejarig kind tot nu toe nog in mijn geheugen kan horen. Nu wil het geval dat ik tot bijna mijn eerste levensjaar fragmenten kan terughalen en zeker vanaf mijn tweede levensjaar. Zo kan ik de nummers herinneren van Patty Page, Doris Day, Les Paul and Mary Ford. En nog wat van die artiesten waarvan ik de naam nog niet weet.
Een nummer kan ik nog goed herinneren en dat was een nummer van een mondharmonica trio en natuurlijk die toentertijd bekende jazzy stijl met trompetten en blaasorkesten zoals Glenn Miller. Dat mondharmonica nummertje zou ik nog graag willen horen, alleen weet ik niet wie die artiesten waren, jammer. En Les Paul and Mary Ford: Vaya con Dios, How high the moon, Johnny is the boy for me, etc. Veel later The Guitar Boogie van Arthur Smith en dat kwam door een Hongaarse oom die als banneling in Indonesië kwam en van beroep violist-cellist was en ook gitaar speelde. Hij speelde dat nummer altijd en ik was toen denk ik pas 5 of 6. En het gezicht en mimiek van hem herinner ik mij iedere keer als ik het nummer speel, en dat is de reden waarom ik andere uitvoeringen nooit zal spelen en ook niet mooi vind, surrogaat bij gebrek aan techniek.
Als ik terug denk aan die tijd, dan snap ik best waarom wij als Indische mensen zo Amerikaans georiënteerd zijn en waarom wij de Amerikaanse Rock and Roll en überhaupt alle Amerikaanse muziek zo aanhangen en waarom wij die hier bij onze komst in dit land op onze manier hebben binnengebracht. Het was geen Indo Rock en ik hoop ooit dat deze benaming die zo denigrerend is voorgoed verdwijnt naarmate men zich iets dieper in onze geschiedenis wil verdiepen, dan alleen maar afgaat op een stijl die men gewoon een benaming wil geven als aanduiding, in de toekomst. De toekomst, moet je mij horen, die zal wat dit fenomeen betreft er niet eens meer zijn. De benaming Indo Rock en wat er dan als begrip ermee verband houdt is op sterven na dood; mati, zeggen de Indonesiërs. Tot, dead, muerto, en zo kan ik nog meer vertalingen hanteren.
Dus wij zitten met een erfenis van een of andere geleerde die onze muziek stijl als studieobject een benaming heeft gegeven en daarmee de geschiedenis heeft bepaald. Ook nog krontjong erbij heeft betrokken, tolol. (DOM) Ik heb heel vaak tegen wil en dank geroepen, en ik was niet de enige, Andy Tielman was er ook zo tegen, Indo Rock bestaat niet en hopelijk komt men eindelijk eens tot besef dat het NIET BESTAAT. Wat er wel was, was de Amerikaanse muziekcultuur die na de Tweede Wereldoorlog onze muziek heeft beïnvloed en wij deden niets anders dan die Amerikaanse muziek hier in Nederland maken. Als men de moeite had genomen om destijds de parallel te trekken naar die
Amerikaanse muziekcultuur dan was de benaming INDO ROCK er nooit van gekomen.
Nederland maakte deel uit van een EUROPEES continent waar de Amerikaanse muziek cultuur niet zo’n invloed had gehad als bij ons ex-kolonialen die door de bevrijding gelijk veramerikaans werden. Het is niet verwonderlijk dat de meeste Indische muzikanten niet echt gecharmeerd waren van de Europese muzieksmaak en de Amerikaanse muziek cultuur met zich mee droegen. Als je in de vroege jaren van Andy Tielman, de Crazy Rockers, The Javalins en noem ze maar op, hun manier van muziek maken vergelijk met de Amerikaanse muziek toen dan zie je dat het qua opbouw, invulling, sentiment, sound en ga maar verder het in feite een kopie is.
Het klein gedeelte van de Indonesische invloed is bijna te verwaarlozen en om dan deze invloed als hoofdoorzaak te gebruiken voor een benaming Indo Rock is te ver gezocht en de onderzoekster had zich niet zo gauw tevreden moeten stellen met een typering en benaming. Ik denk dat die persoon zich eerst had moeten verdiepen in de Indonesische geschiedenis en met name na de tweede wereld oorlog wat betreft de Indische Nederlanders. Om maar een groot voorbeeld te noemen, Andy Tielman, zijn stijl is duidelijk gerelateerd aan Les Paul, natuurlijk in de loop der tijd een eigen stijl maar tijdens de eerste optreden na zijn afwezigheid en terugkomst in Nederland heeft hij mij zelf verteld dat hij les Paul als invloed had en al zijn manier van spelen imiteerde.
Geweldig zoals hij het voor elkaar kreeg om Les Paul’s nummers te spelen ZONDER de effecten, gewoon omdat hij nooit had geweten dat die LES Paul zijn sound met effecten bereikte. Neem het nummer Black Eyes en de improvisaties, dan herken je vele Les Paul momentjes erin en tijdens een oefensessie met Andy liet hij het ook horen door voor de fun een nummer van Les te spelen. Ik wist niet hoe de man het voor elkaar kreeg, maar het was origineel, en dat zonder de effecten.
Dat vele Indische muzikanten en ook het Indische publiek wat op dansgelegenheden kwam niet zo erg Beatles en op Britse pop ingesteld was, werd de reden van de verwijdering van de hier in den lande opkomende muziekscene. Tot op de dag van vandaag zijn de Amerikaanse invloeden nog steeds waar te nemen bij de Indo bands en tot op de dag van vandaag heeft de Indische gemeenschap die nog niet opgegeven.
Een ander fenomeen moet niet worden vergeten, de Country muziek die in de jaren 80 hier in ons land ineens zo populair werd, had zijn oorsprong bij de Indische gemeenschap die het al in de 50er en 60er jaren meenam na de overdracht en lang daarna. En ook daar zie je een verschil in beleving en stijl, de Europese elders en de Amerikaanse bij ons Indische muzikanten. Zo is bijvoorbeeld een band zoals The Shadows de legendarische Britse instrumentale band en later Cliff Richard, minder te vinden in het repertoire van de meeste indo bands.
De meer strakke en gepolijste stijl sprak minder aan dan het speelse, frivole en technische wat de Amerikanen met hun muziek deden, vaak veel vindingrijker door de bijna onuitputtelijke improvisatie talenten van de Amerikaanse muzikanten. Die improvisatie talenten hebben het land een status gegeven op de wereld wat popmuziek betreft. Het was even onzichtbaar door de Britse invasie, maar is nu terug als zijnde nooit weggeweest. Wat de gitaarmuziek betreft, de Indo muziek zal nog wel jaren beïnvloed blijven door de huidige Amerikaanse talenten.
Waag het niet om het nog Indo Rock te noemen.
Ergens doet Yogyakarta denken aan Parijs in de jaren twintig van de vorige eeuw. Kunstenaars en academici vormen losse samenwerkingsverbanden, discussiëren tot diep in de nacht over kunst, politiek en wetenschap, omringd door studenten die zich laven aan de kennis en het prestige van de meesters. Links en rechts richten zij kleine verenigingen op, ter promotie van traditionele kunst en boeken van lokale schrijvers, of om in het geheim te spreken over de koers van de regering en de toekomst van Indonesië. De stad is het spirituele en educatieve hart van Java: een stad met 21 universiteiten, vijf hogescholen en een lange geschiedenis van strijd tussen de traditionele Javaanse cultuur en nieuwe ideeën. Hier worden de toekomstige politieke en culturele elites van Indonesië gevormd.
“Dit is het dan,” zegt Gus Muh, een van de oprichters van – en de drijvende kracht achter – Indonesia Buku. “Ons hoofdkwartier. Onze vesting.” De vesting in kwestie is een laag gebouw aan de rand van het uitgestrekte Yogyakarta, daar waar de eerste rijstvelden zichtbaar zijn tussen de bebouwing. Het contrast met het centrum van de stad, een half uurtje rijden met een scooter, is meteen duidelijk. Verkeersaders vol gemotoriseerd, druk toeterend verkeer worden vervangen door slingerende, nagenoeg uitgestorven weggetjes. Het is een omgeving bij uitstek om in na te denken over de schone dingen des levens, de hogere cultuur: boeken, kunst en de aard van kennis. Daarom heeft Indonesia Buku zich hier gevestigd.

Indonesia Buku werd in 1998 opgericht door Gus Muh, schrijver en academicus, en de bekende Indonesische journalist en mensenrechtenactivist Goenawan Mohamad, een van de oprichters van het kritische literaire magazine Tempo. Soeharto was net van zijn troon geduwd, en het politieke klimaat veranderde op slag. Critici van het bewind kwamen uit hun schuilplaatsen tevoorschijn om de verse democratie te helpen vormgeven. “We hadden weer hoop,” zegt Mohamad over die tijd. “Het was Reformasi, de hervorming van Indonesië. We maakten de balans op: wat heeft ons land nodig, en hoe kunnen wij ons nuttig maken? Uiteindelijk kwam Gus Muh met een briljant idee, een vereniging van archivarissen, die zich tegelijktertijd sterk maken voor de ontwikkeling van de Indonesische literatuur.”
De ingeving van Gus Muh had te maken met hiaten die hij zag in de Indonesische cultuur. “Overheidsarchieven zijn vaak onbetrouwbaar en onvolledig, waardoor waardevolle kennis verloren gaat.” Volgens Gus Muh is dit te wijten aan de geschiedenis. “De culturen in Indonesië werden traditioneel gezien oraal overgedragen. Toen Nederland ons koloniseerde, waren zij degenen die het bestuur overnamen en verantwoordelijk werden voor het registreren van kennis. Na de onafhankelijkheid waren we die vaardigheden dus weer kwijt. Wat we nodig hebben zijn kundige archivarissen. We moeten weten wie we zijn, wie we waren, om te ontdekken wat we als land zullen worden.”
De hoge muren in het interieur van het hoofdkwartier van Indonesia Buku worden grotendeels aan het zicht ontrokken door enorme kasten. Honderdduizenden kranten zijn tot pakketten gebonden met rood lint en duidelijk gemarkeerd. Elke centimeter die niet in beslag wordt genomen door de kranten, is gevuld met stapels grote blauwe archiefmappen. Overal staan dozen met boeken. Gus Muh glundert. “Hier kun je alles vinden wat over Yogyakarta wordt geschreven: elk boek, elk krantenartikel. Als iemand zich afvraagt wat de Sultan van Yogya uitspookte op 12 november 1973, kan hij het hier komen opzoeken.” De nieuwste aanwinst is een Duitse drukpers, gekocht met donaties van sympatisanten. “Nu kan iedereen zijn of haar eigen boek laten drukken. Het maakt niet uit wat het onderwerp is en hoe het is geschreven. Voor driehonderdduizend roepiah [ongeveer 20 euro] heb je jouw eigen boek, professioneel gedrukt en met een harde kaft. En natuurlijk stoppen we dat boek ook in ons archief, en als het goed genoeg is, helpen we om het in een grotere oplage uitgegeven te krijgen.”
Vooralsnog dient het archief van Indonesia Buku vooral als ontmoetingsplaats voor de intellectuele elite van Yogyakarta en andere geïnterresseerden. Het vastgelegde verleden, gevangen in vele duizenden meters papier, biedt hen een houvast – een plek voor bezinning in een maatschappij die rap verandert en al te vaak wordt gekenmerkt door institutionele corruptie en willekeur. Maar ook studenten die niets van hun gading vinden in de universiteitsbibliotheken zijn welkom. “Iedereen die iets wil weten over de geschiedenis van Yogyakarta kan bij ons terecht. Veel van onze huidige vrijwilligers zijn studenten die hier voor het eerst kwamen om onderzoek te doen voor essays, maar we krijgen ook veel bezoekers die gewoon eens willen zien wat een archief eigenlijk is.”
"Wat we moeten voorkomen, is dat kennis verloren gaat"
Een mogelijke volgende stap in de ontwikkeling van het archief is digitalisering, maar daar houdt Gus Muh zich nog niet mee bezig. “Dat is meer iets voor de volgende generatie. Enkele van onze jongere leden zijn al wel bezig met het ontwikkelen van een methode om alles in computers op te slaan, maar voor mij is dat toekomstmuziek. Het is mijn prioriteit om ervoor te zorgen dat de liefde voor kennis op hen wordt overgedragen, en dat zij straks een zo volledig mogelijk archief hebben. Wat we koste wat het kost moeten voorkomen, is dat kennis verloren gaat. Weinig dingen zijn triester en schadelijker voor een maatschappij dan dat.”
Vanavond wordt de stilte doorbroken door drukke activiteit. Indonesia Buku organiseert het Book Lovers Festival, een festijn voor de liefhebbers van literatuur uit Yogyakarta en over Yogyakarta. Leden van de vereniging zetten rijen klapstoelen neer op het langgerekte erf van het gebouw. Op een podium overleggen muzikanten over het wel en wee van de geluidsinstallatie. Ze staan tussen een opeenhoping van traditionele Javaanse instrumenten: cimbalen, mysterieuze snaarinstrumenten en forse trommels die iets weg hebben van een retro pannenset.
Gus Muh is verstrooid, wordt vaak afgeleid. Om de minuut verschijnt een van de vrijwilligers aan zijn zijde. Het zijn bijna allemaal jongeren, studenten van de nabijgelegen Kunstacademie, en ze hebben er duidelijk zin in. Zij vuren dan ook gretig vragen op hem af, zodat alles straks vlekkeloos verloopt. “Gus Muh, weten we hoe laat de ambtenaar van het ministerie komt?” De kleine man vertrekt bij elke nieuwe vraag zijn pokdalige gezicht, haalt zijn schouders op. En zonder uitzondering komt zijn echtgenote hem redden. Vrijwilligers worden beleefd maar beslist bij de arm genomen en weggeleid om instructies te ontvangen.
“Dit is de eerste keer dat een hoge ambtenaar van het ministerie ons kleine festival komt bezoeken,” zegt Gus Muh. “We zien het als een teken van erkenning, maar sommigen van ons zijn wantrouwig. De regering heeft nooit iets voor ons gedaan.” Het is een understatement. Leden van Indonesia Buku zijn in het verleden vervolgd onder de zedelijkheidswetgeving. Anderen, waaronder Gus Muh zelf, zijn bedreigd en in elkaar geslagen door radicale moslims. Als ze daarvan aangifte deden bij de politie, werden ze weggelachen. Gus Muh haalt hij zijn schouders op, glimlacht verlegen. “Ach, het maakt mij niet veel uit of de regering blij met ons is. Wij gaan toch wel door. Al het goede werk dat onze schrijvers, kunstenaars en journalisten doen, moet worden bewaard. Voor altijd.”
Zie ook http://www.verspers.nl/artikel/join/9382/indonesia-buku-bewaakt-het...
Tijdens het paasweekeinde heb ik veel gelezen, maar er was één boek dat een meesterwerkje bleek te zijn: 'Encyclopedie van op het nippertje geredde kennis' van Hans Vervoort. Dit boek is om twee redenen meesterlijk: de stijl van schrijven - en dan vooral de toon - en de onderwerpen.
De onderwerpen. Het is precies wat de titel zegt. Hans is 75 jaar geworden en er is kennis, er zijn gebeurtenissen en wetenswaardigheden die met hem verdwijnen als hij sterft. En dus heeft hij ze te boek gesteld.
Soms kleine dingen ('Jef Last kon zijn oren bewegen') en soms grote, die van goud worden door de fraaie, melancholieke toon. Door de vrolijkheid laat Vervoort dikke druppels bitterheid vallen.
Het mooiste voorbeeld is de laatste 'snipper'. (Vervoort noemt sommige stukken nippers, andere snippers.) Hij schrijft daarin over zijn 'grote broer', die, zes jaar oud, stierf in het krijgsgevangenkamp Ambarawa. Na jaren beschrijft Vervoort dit voorval in zijn boek 'Weg uit Indië.' Naar aanleiding daarvan krijgt hij een mail van ene Mia Verbeek. Die is op dat moment 85, maar was zestien toen ze meehielp 'Robbie', het broertje van Hans, te begraven, omdat ze 'begrafenisdienst' had.
Vervoort citeert uit haar brief, waarin de begrafenis van Robbie wordt beschreven. Dan schrijft Vervoort: 'Later op die dag kreeg ik de kom soep van hondenvlees die eigenlijk voor Rob bestemd was. Soms verdwaalde een hond in het kamp en daar werd bouillon voor de zieken van gemaakt. Rob was overleden voordat ze hem die kop soep konden geven. Nooit had ik iets lekkerders geproefd. En het schuldgevoel daarover duikt geregeld op.' Meer niet.
Dat zijn vijf meesterlijke zinnetjes. Het hele schrijnende verhaal beslaat anderhalve pagina. Wat zouden Willem Elsschot, Simon Carmiggelt, Willem Wilmink en Tjalie Robinson deze 'encyclopedie' met welgevallen hebben gelezen.
Een andere snipper van slechts vijf zinnen is deze. Lees en geniet. 'Al na twintig seconden voel je je lekker opgewonden,' zei een vrouwenstem vanuit de tv tegen me, toen ik even wakker werd om half drie 's nachts. Ik was weer eens voor de buis in slaap gevallen. Geduldig wachtte ik twintig seconden en keek naar de blote billen die ze me liet zien. Maar er gebeurde niets. Toen viel ik weer in slaap.'
Gelukkig is dit nog weggegrist en voor de eeuwigheid gered.
(Door: Theodor Holman)
Hans Vervoort 75 jaar
Encyclopedie van op het nippertje geredde kennis (en andere stukjes om te lezen)
Auteur: Hans Vervoort
Uitgeverij: Bravenewbooks.nl
ISBN: 9 789402 117240
Prijs: paperback € 17.95 (135 pgs)
E-book: € 4.95
Aan mijn vrienden, kennissen en andere contacten,
Graag laat ik weten dat onlangs ter gelegenheid van mijn 75ste verjaardag bovenstaande titel verscheen,
een bundeling van stukjes en verhalen die ik schreef op mijn Facebook-pagina.
Het is overal te koop als paperback of ebook.
Maar je/u kunt het ook gratis downloaden als PDF-file op mijn website www.hansvervoort.nl
Theodor Holman schreef er in het Parool een aardig stukje over (klik aan):
http://www.parool.nl/parool/nl/508/THEODOR-HOLMAN/article/detail/36...
Alvast veel leesplezier gewenst!
Met vriendelijke groet,
Hans Vervoort
“Vervoort schrijft realistisch proza, overigens van een heel verfijnde en zuinige soort, met veel speelsheid en lichte ironie.
Hij kan als weinig Nederlanders een dialoog schrijven.” (Kees Fens in de Volkskrant).
Over de schrijver:
Hans Vervoort (Magelang,1939) schreef na zijn debuut in 1970 (Kleine Stukjes om te lezen,Thomas Rap) vele romans en verhalenbundels. Enkele titels,verschenen bij Thomas Rap, Arbeiderspers en Nijgh&Van Ditmar: Heden Mosselen Morgen Gij, Zonder Dollen, Met stijgende verbazing,Vanonder de Koperen Ploert, Eerlijk is Vals, Geluk is voor de dommen. Hij publiceerde enkele jaren geleden de trilogieHet Bedrijf over zijn jaren bij tijdschriftenuitgeverij Weekbladpers. Hij werkte daar o.m. als uitgever-directeur van Vrij Nederland, Opzij en andere bladen. In 2003 was hij met de roman Zonnige Periodeneen van de eerste Nederlandse schrijvers wiens werk ook in e-boekvorm verscheen. Hij bleef een digitaal pionier en zette 13 van zijn niet meer in druk te krijgen titels als gratis e-book op zijn websitewww.hansvervoort.nl . Ze zijn inmiddels meer dan 100.000 keer gedownload. Hij is nu voornemens al zijn oude titels ook als POD (print on demand) beschikbaar te stellen.

Premier Yoshida ondertekent vredesverdrag, San Francisco, 1951.
Herstelbetalingen aan krijgsgevangenen, ex artikel 16 vredesverdrag met Japan (claim 3)
“Resumerend heeft de Indische gemeenschap tot op de dag van vandaag zeven claims open staan jegens de Nederlandse overheid en twee jegens banken en verzekeringsmaatschappijen.” Aldus de belangrijkste conclusie in het boek ‘Opgevangen in andijvielucht’ van Griselda Molemans. In een eerdere beschouwing wezen we al op de gebrekkige onderbouwing van genoemde claims. Ter toelichting hier een nadere uitleg van herstelbetalingen aan ex-krijgsgevangenen op basis van het vredesverdrag met Japan.
Het op 8 September 1951 in San Francisco gesloten vredesverdrag met Japan voorzag wél in herstelbetalingen voor krijgsgevangenen, maar niet voor burgers. De Nederlandse regering besloot het verdrag eerst te ondertekenen, nadat door minister Stikker en de Japanse premier Yoshida een gentlement´s agreement was ondertekend, waarin werd afgesproken dat Nederland en Japan op een later tijdstip overeenstemming zouden zoeken over Japanse herstelbetalingen aan burger-geïnterneerden.
De uitkering aan krijgsgevangenen was gebaseerd op de tekst van artikel 16 van het vredesverdrag:
“As an expression of its desire to indemnify those members of the armed forces of the Allied powers who suffered undue hardships while prisoners of war of Japan, Japan will transfer its assets and those of its nationals in countries which were neutral during the war, or which were at war with any of the Allied powers, or, at its option, the equivalent of such assets, to the International Committee of the Red Cross, which shall liquidate such assets and distribute the resultant fund to appropriate national agencies, for the benefit of the former prisoners of war and their families on such basis as it may determine to be equitable.”
38 duizend
Van het door de Geallieerden aldus verkregen en op rekening van het Internationale Rode Kruis (I.C.R.C.) gestorte geld, kreeg Nederland in eerste instantie ongeveer 11 miljoen gulden. Dit geld zou moeten worden verdeeld onder 42.233 op Rode Kruislijsten vermelde krijggevangenen. Nadere criteria werden door de Geallieerden uitgewerkt, in overleg met het Rode Kruis. Nadrukkelijk werd bepaald dat burgers geen rechten konden ontlenen aan de regeling. Tot rechthebbenden werden gerekend krijgsgevangenen die ten minste zes maanden in gevangenschap hadden verbleven of in gevangenschap waren overleden. Dit laatste betekende dat ook nabestaanden een uitkering konden ontvangen. In Nederland verblijvende Ambonese ex-militairen konden wél een beroep doen op de regeling, Indonesiërs echter niet. Dit laatste was geen vondst van de Nederlandse overheid, maar werd door de Geallieerden gezamenlijk afgesproken. Ingezetenen van andere nieuwe staten zoals Cambodja, India, Laos, Pakistan, de Filippijnen en Vietnam, werden eveneens uitgesloten.
In Nederland verliep de verdeling via het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In 1956 werden belanghebbenden door publicaties in de pers opgeroepen zich te melden. Op grond van de beschikbare cijfers werd per persoon fl. 264,- beschikbaar gesteld. In 1962 hadden ongeveer 38 duizend ex-krijgsgevangenen de uitkering ontvangen, en was op dat moment nog 10% van het totaal, oftewel 1,1 miljoen, in kas. Misschien hadden niet alle betrokkenen zich gemeld, maar wel bijna alle. Bij de verificatie was gebleken dat het oorspronkelijke aantal van 42.233 hoger was dan het werkelijke aantal, omdat “achteraf bleek dat er ook veel burger-geinterneerden op de lijst stonden.”
Hulpfonds
In 1962 zond het Rode Kruis nog een nabetaling van 1,4 miljoen, te gebruiken voor een meer algemeen doel. Een door Buitenlandse Zaken ingestelde commissie stelde voor een stichting in het leven te roepen, die uit de beschikbare fondsen uitkeringen zou toekennen aan in financiële nood verkerende ex-krijgsgevangenen en hun nabestaanden. In 1962 werd opgericht de ‘Stichting tot hulpverlening aan ex-krijggevangenen van Japan en hun nagelaten betrekkingen’. De Stichting kreeg tot zijn beschikking het tweede bedrag van het I.C.R.C., vermeerderd met 1 miljoen van het oorspronkelijke krijgsgevangenenfonds. Dit laatste hield nog fl. 100.000 in kas voor nakomende aanmeldingen.
Het ook wel zo genoemde ‘Hulpfonds’ is actief gebleven tot 1966, tot het laatste geld was uitgekeerd.
Het geld raakte op
Het resterende geld van het krijgsgevangenenfonds werd later alsnog geheel uitgegeven. Per 1 januari 1967 werd de taak van Buitenlandse Zaken voor wat betreft de uitvoering van artikel 16 van het vredesbedrag overgenomen door Binnenlandse Zaken. Op dat moment was nog slechts fl. 15.000 in kas. Uitkeringen vonden nog slechts sporadisch plaats.
Op basis van deze cijfers mogen we dus aannemen dat ca. 38.500 ex-krijgsgevangenen een uitkering van de artikel 16-gelden ontvingen. Indien het juist is dat het oorspronkelijke bestand nogal was ‘vervuild’ door burger-geinterneerden, dan kunnen we concluderen dat tenminste 91%, maar misschien wel 95% van de krijgsgevangenen of hun nabestaanden een beroep op deze regeling hebben gedaan.
De Nederlandse overheid heeft de regeling niet gesloten, ondanks het feit dat het van Japan voor dit doel verkregen geld ‘op’ was. Thans wordt de regeling – in naam -uitgevoerd door de Stichting Administratie Indische Pensioenen (S.A.I.P.). Uit de laatste jaarverslagen van de Stichting mogen we echter opmaken dat er sinds enige tijd geen aanvragen meer worden ingediend.
De ‘claim’
Mevrouw Molemans kent de juiste cijfers niet, en heeft daar, naar we mogen aannemen, ook geen goed onderzoek naar gedaan. In haar slothoofdstuk verwart ze voortdurend het fonds op basis van artikel 16 van het vredesverdrag (voor krijgsgevangenen) met het fonds op basis van de Yoshida-Stikker-overeenkomst (voor burger-geinterneerden). Ze veronderstelt dat het geld voor de militairen uit het Yoshida-Stikkerfonds komt, en komt op basis daarvan tot onterechte conclusies.
Ze veronderstelt dat de publiciteit rondom het artikel 16-fonds onvoldoende is geweest en daardoor vele ex-krijgsgevangenen hun uitkering hebben misgelopen: “Bij het ter perse gaan van dit boek zijn echter de namen achterhaald van een groot aantal ex-krijgsgevangenen die nooit op de hoogte zijn geweest van deze Japanse compensatieregeling.”
Een onterechte aanname. Als in een tiental jaren tijd mogelijk 95 % van de belanghebbenden een uitkering heeft ontvangen, dan kan de publiciteit niet in de weg hebben gelegen. Een 100%-score is immers onmogelijk. Natuurlijk is het mogelijk dat sommigen niet van de regeling wisten, maar het is evenzeer mogelijk dat sommigen geen uitkering wilden aanvragen. Omdat ze het geld niet nodig hadden, omdat ze het een belachelijk laag bedrag vonden, of omdat ze nog zó boos op Japan waren dat ze er niet van wilden weten. Als we nu, anno 2014, uitgaan van de gedachte dat tenminste 90% van de betrokkenen is overleden, mogen we ook aannemen dat mevrouw Molemans slechts van nabestaanden heeft vernomen dat ‘mogelijk’ in het verleden geen aanvraag werd ingediend. De enige weg om te controleren of dit werkelijk zo is, is contact opnemen met de SAIP.
Tenslotte constateert zij dat de oorspronkelijke uitkering van fl. 264,- (thans in de boeken van de SAIP vermeld als € 119,80) dient te worden geïndexeerd, omdat “de overheid sinds 1958 rente geniet over het door Japan betaalde schadebedrag.” Het fonds bestond uit een ‘lump sum’, die diende te worden verdeeld over het totale aantal potentiële rechthebbenden. In ongeveer 6 jaar tijd, van 1956-1962, werd 90% van het desbetreffende bedrag uitgegeven aan de doelgroep; vervolgens werd in de 4 volgende jaren nog eens 9% van dat bedrag door een privé stichting, zij het op basis van andere criteria, uitgegeven aan die zelfde doelgroep. Na 10 jaar was het geld op. De veronderstelling dat de overheid sinds 1958 (?) rente trekt (waarvan?) is nergens op gebaseerd. Molemans veronderstelt ten onrechte dat nog een deel van het oorspronkelijke geld ergens ligt te groeien, en heeft zo geen oog voor het sympathieke gebaar van de overheid de regeling niet te sluiten ook al kwamen de ‘Japanse uitkeringen’ sinds het midden van de jaren ´60 uit Nederlandse zak. Tenslotte vergeet zij dat de uitvoering van een regeling ook kosten met zich meebrengt.
Wordt vervolgd.
Verontruste berichten van Amerindo's uit Amerika.
De laatste tijden ontvang ik veel verontruste bericht van Indo's uit Amerika. Midden in de nacht word ik mijn bed uitgebeld, en ben meestal gelijk klaar wakker, want verder slapen kun je niet meer naar het horen van deze berichten. Ik zie het om heen binnen mijn familie. Komen over uit Australië of Amerika, en blijven dan hier drie / vier maanden hangen. Wij oudjes in Holland of Spanje hebben toch vele kamers over voor je familie als zij komen logeren. Kan mij herinneren in Calpe (Spanje) keek je toch uit naar je familie, kinderen of kennissen dat ze bij je kwamen logeren, en dan nam je ze op sleep touw.
Zo zit Astrid, mijn vrouw, nadat wij onze casa in Calpe niet meer hebben regelmatig drie/vier maanden in Australië of in Tanzania. Is toch een rijkdom als Indo’s in Spanje, Australië, Amerika en Afrika dat je over en weer bij elkaar kunt verblijven, en is toch weer onze adat. Zeker nu bij het ouder worden.
Deze bewegingen zie ik niet alleen in mijn kringen, maar nadrukkelijk op ICM, want aan de adressen van de abonnee/lid men toch over twee verblijfplaatsen beschikken. Moesten daarom op ICM in abonnementadminstratie een extra woonplaats implementeren. Zo herkenbaar voor mij ook verbleef op twee plaatsen tot het jaar2009 , en niiet te vergeten iedere keer je postverzendingen aanpassen bij PTT Post. Want je hebt op je tweede verbliif alle facilitaire voorzieningen. Weliswaar via de Schotel; wij zaten op Canal plus, die in Nederland staat geregistreerd, dan je Internet, en je telefoon. Dan ligt ook voor de hand dat je op dat adres je post ontvangt. Dat je belastingaangifte hierdoor niet mist om het aan te geven.
Maar nu hoor ik links en rechts, The Care in Amerika is onbetaalbaar geworden. Het met Obama Care zet er nog een schepje boven op. Helaas heb ik mij niet verdiept in die materie.
Een gemiddeld gezin met twee kinderen betaalt rond de 900 dollar aan premie in de maand en de reductation (eigen bijdrage) is 10.000 dollar, dus als je chronisch ziek bent dan ben je goed de pisang.. Dus heel snel gerekend zijn de eerste kosten totaal 20.000 dollar voor je eigen rekening. Hoe ouder je wordt des te meer je wordt geconfronteerd met gebreken en gelukkig worden wij ouder, en dit geldt niet voor iedere helaas; Mijn dochter 45 jaar, en nu mijn schoonzus nog geen 52 jaar. Veel ste vroeg!
Nederland bedraagt basispremie per persoon vanaf € 90 plus eigen bijdrage € 378. Staat dit in groot schril contrast met Nederland, naast de pensioenen toch de beste zorg ! Hoe lang dat zo blijft is de vraag, want Brussel wilt zich ook hiermee gaan bemoeien, en dan zal Mark Rutte zijn dreigingen dit keer wel moeten verzilveren in echte daden. Want toen ik in Calpe woonde en de Spaanse / Franse media volgde ergens in 2003 viel mijn ook op de koppen, dat deze vonden dat de pensioenen van Nederland in een soort Euro pensioen fonds gestort dienen te worden, naast de andere lidstaten (die geen cent hebben te makken voor dit fonds). Nu duiken deze stromingen weer op. Misschien dat wij allen op eens wel achter Geert Wilders gaan staan, zelf ben ik geen fan van een Geert Wilders, laat dat duidelijk zijn.
Terug naar de ouderen in Amerika;
Voor de ouderen in Amerika is dit helemaal niet meer op te brengen. Ik vroeg mij al af waarom veel ouderen uit California en overigen nu vaak in Holland zaten? De meesten hebben nog hun Nederlands paspoort behouden, en ontvangen een deel van de AOW. Deze zijn nu gelukkig in Nederland verzekerd, en dan valt Amerika onder de buitenlandse dekking. Dus je moet eerst zelf de rekeningen in Amerika voor The Care betalen en zodra je Holland op je verblijf adres zit kan je het weer declareren bij de zorgverzekeraar.
De betrokken hebben uiteraard vele jaren in Nederland gewoond; want anders ontvangen ze geen AOW. Gelukkig maar dat deze alternatieve oplossing bestaan, maar hoe het kan is voor mij een raadsel, lijkt een beetje op de Pelita constructie als je als Nederlander in Indonesie woont.
Editor ICM
Ferry Schwab sr,
De geschiedbeoefening over Indische Nederlanders vindt voornamelijk plaats dáár waar de meesten van hen wonen: in Nederland en Noord-Amerika. Er zijn mensen die dat in het perspectief van een Indische diaspora plaatsen. We mogen gelukkig constateren dat in de laatste 25 jaar de productie van geschiedenisboeken en het aantal films en documentaires over de geschiedenis van Indische Nederlanders flink is gegroeid.
De aandacht voor Indo’s die er niet in zijn geslaagd te repatriëren of gekozen hebben in Indonesië te blijven, is echter achtergebleven. De banden met Nederland zijn altijd gebleven, niet altijd via familie of vrienden maar ook mentaal. Indo’s zullen zich ook altijd Nederlander blijven voelen.
Eddy Samson is op 3 april 1934 in de Boomstraat in Surabaya geboren uit een Indische vader en een Menadonese moeder. Vader was Johannes Alexander Samson
(Madiun 1907) en moeder de Menadonese Femina Korang. Hij vertelt dat zijn familie ook een gedeeltelijk Portugese oorsprong heeft. De overgrootvader van vaderszijde was een volbloed Portugees, die een Molukse vrouw trouwde. Opa van vaders kant was gehuwd met Augustien Abels, een totok.
Eddy Samson is getrouwd met een Indonesische en heeft vier kinderen, Fabian, Febe Augustien, Johannes en Eduard. Hij is in Surabaya opgegroeid in de Boomstraat, de huidige Jalan Brambangan. Vader Samson was vóór de oorlog ambtenaar bij de Staatsspoorwegen. Eddy Samson’s komt met al die gemengde relaties uit een echte Indo-familie.
De oorlogsjaren
Toen de oorlog Nederlands-Indië had bereikt, was zijn vader Johannes ingedeeld bij de Luchtbeschermingsdientst (LBD). Na de capitulatie in maart 1942 kwam hij terecht in de Jaarmarktgevangenis, waar hij twee jaar zou zitten. Daarna lieten de Japanners hem “vrij”, dat wil zeggen: hij moest spoorwegen gaan aanleggen. Dat zou duren tot half 1945, niet lang voordat de
foto- Het vlagincident op 19 september 1945
oorlog zou eindigen. De jonge Eddy zat toen met moeder in een huis aan de Jalan Kendjeran, de dienstwoning van zijn vader.
Voor Eddy was de Japanse tijd de eerste grote ingreep in zijn leven: de school werd bijna vier jaar onderbroken, de toekomst en eigen leven waren onzeker geworden, en het gezin ondervond een zeer aanzienlijke materiële achteruitgang omdat bezittingen moesten worden verkocht om te overleven.
Bersiap en Indonesische vrijheidsstrijd
Eddy vertelt al snel over de Bersiap-tijd die direct aansloot op het einde van de oorlog. Hij zegt dat de pemoeda’s, de jonge revolutionairen, zijn vader op een dag opwachtten om hem aan te spreken op zijn werk dat hij voor de Japanners had gedaan en op het feit dat hij in 1945 vóór hun capitulatie was vrijgelaten. Eddy merkt op dat deze pemoeda’s vóór de oorlog bij de spoorwegen, de ondergeschikten waren van zijn vader. Hij maakt hier de toespeling op persoonlijke rancune en afrekening als motieven voor hun optreden. Dus niet zozeer gedreven door het ideaal van de onafhankelijkheid. De 12-jarige Eddy heeft meegemaakt dat zijn ouders door pemoeda’s werden afgeranseld.
In die roerige tijd vertrokken Eddy’s moeder en de kinderen naar Tambaksari, waar hij voorheen ooit op school had gezeten. De wijk was een buurt waar veel Indo’s , Menadonezen en Molukkers zaten. Moeder heeft toen gewerkt in een gaarkeuken van een opvangkamp voor Nederlandse en Indische ex-krijgsgevangenen en burgers die geen huis meer hadden of in afwachting waren van een verhuizing of een gezins-hereniging. De wijk stond onder bewaking van pemoeda’s. Op een dag gelastten dezen de in de keuken werkzame vrouwen te evacueren en ze zouden via Mojokerto westwaarts richting Jombang gaan. Meerdere Indo-families werden toen geëvacueerd. Eddy herinnert zich dat een familie Soemobito daartoe behoorde en een van zijn tantes. Omdat Eddy tijdens de werkuren van zijn moede meestal ging rondzwerven in de stad, was hij op het moment van de evacuatie gescheiden van zijn moeder. Hij wist niet waar ze was toen hij haar aan het eind van de dag weer opzocht. Dit kwam echter goed omdat het transport niet meer is doorgegaan.
Tijdens een van zijn zwerftochten door Surabaya kwam Eddy Samson op 19 september 1945 terecht in het centrum van de stad, in Tunjungan. Samen met een groep jongens uit allerlei hoeken van de stad, waren ze op zoek naar andere vrienden. Ze stonden op een gegeven moment voor het gebouw van de vrijmetselaarsloge De Vriendschap. Daar kwamen ze vaak omdat het tijdelijk in gebruik was als opvangkamp en er veel Indo’s en Nederlanders zaten. Eddy werd er getuige van de gebeurtenis die later bekend is geworden als het vlagincident. Op dat moment haalden Indonesiërs op het dak van het Oranje Hotel, toen nog met de Japanse naam Yamato Hotel, de Nederlandse vlag naar beneden. Ze scheurden de blauwe baan eraf en hesen de vlag als de Indonesische rood-witte.
De “Rode Brug” (Jembatan Merah) waar in oktober 1945 heel veel Indonesiërs en Britten omkwamen in de Slag om Surabaya
In het gebouw De Vriendschap logeerden op dat moment Nederlandse en Engelse paratroepers én mr. Willem Ploegman. Deze voorzitter van de afdeling Surabaya van het Indo-Europees Verbond stond op de nominatie de eerste Indische burgemeester van de stad te worden. Ploegman zag de revolutionaire Indonesiërs de vlag strijken en wilde hen beletten de vlag te schenden en stak de straat over richting het hotel. Eddy Samson vertelt dat de straat intussen was volgelopen met pemoeda’s en andere Indonesiërs, die met genoegen het tafereel meemaakten. Toen gebeurde het snel: Ploegman werd vanuit de massa mensen neergestoken door iemand met een bajonet. Eddy Samson zag hem ineenzijgen. Indische jongens die in De Vriendschap waren, kwamen snel naar buiten en tilden het lichaam van Ploegman op en brachten het naar binnen. Het bleek dat het slachtoffer op dat moment nog leefde, hij ademde zichtbaar. Hij werd per auto getransporteerd naar de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting aan de Jalan Simpang. Mr. Ploegman zou onder
zijn verwondingen bezwijken. Het vlagincident zou in oktober en november worden gevolgd door veel gewelddadiger en heftiger momenten van een nieuw uitgebroken oorlog.
De slag om Surabaya
Achterom kijkend zegt Eddy Samson dat hij en andere jongens erg roekeloos zijn geweest en niet bewust van de risico’s die ze als Indo liepen. Soms was er een handgemeen met intimiderende Indonesiërs, maar bang is hij niet geweest. In ieder geval heeft hij de gewelddadige en dramatische gebeurtenissen van oktober en november 1945 van dichtbij meegemaakt. Zo herinnert hij zich de komst van de Britse Ghurka-militairen in de loop van oktober en de strijd die ze meteen moesten leveren tegen de pemoeda’s die de stad hadden bezet toen er na de Japanse capitulatie een machtsvacuüm was ontstaan. Naast beschietingen met kanonnen en tanks, bombardeerden de Engelsen de stad vanuit de lucht. Het was ook echt oorlog. De pemoeda’s werden nog een geduchte tegenstander omdat ze erin slaagden de Japanners te ontwapenen en hun magazijnen in bezit te nemen. In diezelfde maand was er voor Eddy Samson ook goed nieuws: vader was weer terug en het gezin herenigde zich in het zogeheten B-kamp in de havenwijk Perak.
Op 26 oktober 1945 bereikte Brigade-generaal A.W.S. Mallaby met de gouverneur Suryo van Surabaya een overeenkomst over een bestand. Een belangrijk onderdeel ervan was dat de Indonesiërs niet zou worden gevraagd hun wapens over te dragen. Echter, als gevolg van een misverstand tussen Mallaby in Surabaya en generaal Christison in Jakarta, strooiden de Britten op 27 oktober per vliegtuig folders boven de stad uit waarin juist stond die wapens te overhandigen. De Indonesiërs voelden zich verraden en het bestand liep gevaar. Brigade-generaal Mallaby was zich dat niet bewust en op 30 oktober ging hij zelf de stad rond om het bestand kenbaar te maken. Aangekomen bij de later geheten Rode Brug, Jembatan Merah, stuitte hij op revolutionairen. Daar is Mallaby omgekomen in nogal onduidelijke omstandigheden.
De Engelsen zijn als reactie daarop 10 november 1945 een offensief begonnen met inzet van schepen, vliegtuigen, tanks en extra troepen. De stad werd binnen drie dagen ingenomen, gevechten zouden nog drie weken duren. Voor Indonesiërs is ondanks de nederlaag Surabaya de stad van de helden geworden. Monumenten en beelden op verschillende plekken in de stad houden de herinnering overeind.
Foto -Het gebouw van de Sociéteit “De Vriendschap”
Evacuatie naar Menado
De Nederlandse regering adviseerde Indo’s en Nederlanders aan naar Nederland te gaan om in een veilige omgeving bij te komen. Eddy’s vader had daar wel oren naar, maar moeder wilde liever richting de familie in Menado. Eind 1945 vertrekt het gezin daarheen om na een jaar weer terug te keren in Surabaya. Vader kon in Menado aan de slag op het belastingkantoor, zodat hij ondanks de staat waarin de (voormalige) kolonie zich bevond zijn gezin kon onderhouden. Eddy ging weer naar school en kwam in de zogenaamde voorklas terecht, die hem moest voorbereiden verder te gaan op de MULO.
Terug naar Surabaya
Vader kon weer werken bij zijn oude werkgever de Staatsspoorwegen. Eddy kreeg de kans naar de zogeheten Herstel-MULO te gaan. Dit onderwijs heette zo omdat er na de onderbreking door de oorlog in het curriculum aansluiting moest worden gezocht naar het lesprogramma zoals dat tot de Japanse bezettingstijd eruit zag. Eddy zat op de Moendoeschool in Tamansari en behaalde al in 1947 het diploma van de MULO. In 1950 wilde hij naar de HBS op de Soerabaja School Vereniging, locatie Gentengkali-Zuid. Hij heeft daar twee jaar op gezeten en doubleerde. Een diploma halen lukte ook niet omdat de school na de soevereiniteitsoverdracht niet meer open ging. Voor Nederlands onderwijs was er geen plek meer in de jonge republiek, die de herinneringen aan de koloniale periode leek te willen wissen.
Na 1950 als burger van Indonesië én Indo
In 1951 slaagde Eddy erin bij het handelshuis Lindeteves-Stokvis NV te werken als volontair, terwijl hij ook nog school volgde. Dat zou hij één jaar doen. Het kunnen verdienen van geld was een nieuwe gewaarwording. Inkomen betekende meer vrijheid, leuke dingen doen en interessante mensen ontmoeten. Vader zou tot 1957 bij de Staatsspoorwegen werken voordat de Indonesiërs het bedrijf nationaliseerden. Eddy ging na Lindeteves naar de tweejarige zeevaartschool in zijn eigen Soerabaja en behaalde het diploma “Indonesische Kleine Vaart”. Als leerling-stuurman werkte hij van 1952 tot 1953 bij de Nederlandse rederij KPM (Koninklijke Pakketvaart Mij). Vanaf 1954 stapte hij over naar de Nederlandse Handelsmaatschappij om van 1955 tot 1962 te werken bij veembedrijf Strohoedenveem.
In Indonesië blijven of naar Nederland?
In de jaren vijftig had vader Samson zijn paspoort ingeleverd ten gunste van de Indonesische nationaliteit, de warga negara. Reden hiervoor was dat hij daarmee zijn opgebouwd pensioen zou kunnen behouden. Eddy begrijpt de beslissing van zijn vader, maar heeft moeite met de consequenties. Zijn redenering is dat hij als minderjarige niet kon en mocht meebeslissen over zijn eigen lot. In de optieverklaring had zijn vader de namen van zijn vrouw en zoon Eddy niet genoemd. Eddy meent dat dit een onrechtvaardigheid is die zijn lot heeft bepaald om in Indonesië te moeten blijven, ook al was hij toen nog minderjarig. Het Indonesische burgerschap leek een goede keuze omdat Nederland en Indonesië een solide overdracht hadden geregeld. Maar al zeer snel wilde Indonesië diverse afspraken niet nakomen. Alles wat Nederlands was raakte min of meer verdacht.
Eerst werd onderwijs alleen in het Indonesisch toegestaan, vervolgens werden vrijwel alle (Indo) Europeanen dwarsgezeten, geïntimideerd en bedreigd met verlies van hun baan of gewoonweg fysiek. Sociaal-economisch ging het intussen achteruit met het land. De voormalige kolonisator werd de zondebok en Nieuw-Guinea nog onder Nederlands bestuur, werd de aanleiding om een breuk te forceren. In 1957 werden alle Nederlandse ondernemingen genationaliseerd en vervolgens Indo’s en Nederlanders letterlijk weggejaagd.
De jaren zestig in Indonesië
De periode 1957 tot 1967 was volgens Eddy Samson een heel moeilijke. Indo’s werden er op aangekeken Nederlanders te zijn en werden daarom tegengewerkt. Banen moesten worden afgestaan ten gunste van Indonesiërs, scholen werden gesloten en het was verboden Nederlands te spreken. Daarbij kwam nog dat het eind jaren vijftig moeilijk was om werk te vinden. In de praktijk kon Eddy Samson dat oplossen door zwart aan het werk te gaan als o.a. chauffeur of losse werkkracht bij allerlei werkgevers en bedrijfjes.
Foto- Gebouw van “Lindevetes-Stikvis”, waar Eddy Samson in de jaren 1951-1952 heeft gewerkt
Deze situatie duurde tot ongeveer 1967. Op de vraag wat het jaar 1965 betekende toen Soeharto de macht van Soekarno overnam en de Nieuwe Orde, Orde Baru, vestigde, antwoordt Eddy Samson dat iedereen gedwongen werd het land van communisten te zuiveren. Met name betekende dat een extra in de gaten houden van alle Chinezen omdat men veronderstelde dat zij loyaal waren tegenover de nieuwe Volksrepubliek. Het was een gevaarlijke periode omdat je niet wist of iemand jou kon aangeven of je nu communist was of niet. Angst en wantrouwen maakten het leven onaangenaam. Je kon het beste niet tegen de heersende machten in te gaan.
De wens te vertrekken, maar nooit toegelaten tot Nederland
Vanaf de vroege jaren vijftig begon Eddy Samson zich al minder prettig te voelen in Indonesië. Hij heeft in 1950 en 1951 pogingen gedaan om als verstekeling naar Nederland te reizen. Eerder, in 1945 en zonder dat zijn ouders het wisten had hij dat ook al geprobeerd. Het zien vertrekken van Indische kennissen en vrienden in de gewelddadige en angstige maanden na 17 augustus 1945, had bij hem ook een verlangen gewekt eens te zien wat Nederland nu voor een land was. Hij zag de schepen gaan waarop hij ook wilde meevaren. En dat deed hij ook op de Zuiderkruis toen hij zich aansloot bij een groep Indo’s die gingen vertrekken. Maar verder dan Singapore kwam hij niet; nadat de douane hem ontdekte werd hij op een vrachtboot retour Surabaya gezet. De tweede poging in 1947 met de Johan van Oldenbarnevelt eindigde opnieuw in Singapore. Eddy Samson zegt te zijn verraden, maar weet niet door wie. Het driemaal is scheepsrecht kwam niet uit in 1951.
Aangemonsterd als werknemer-volontair wederom met een groep Indo’s, volgde dezelfde afgang als de voorgaande twee keer.
Eddy Samson besloot in de jaren zestig de officiële weg te bewandelen met het aanvragen van een visum voor Nederland. Op de eerste en tweede aanvraag in respectievelijk 1957 en 1960 kreeg hij afwijzingen. Op zijn smeekbrief van 1963 direct gericht aan de koningin kreeg hij in 1966 een afwijzend besluit. De redenen van afwijzing zijn hem nooit duidelijk geworden. Hierna heeft Eddy Samson zich erbij neergelegd. “Sudah, ik denk dat het geluk wat dat betreft niet voor mij is weggelegd”. Wilde hij dan zo graag een Nederlander zijn? Nee, dat was niet zozeer het punt. Hij is kind van beide culturen en landen. Eddy Samson voelt zich een Indo, houdt van Indonesië maar ook van Nederland, het verre land dat zijn leven mede heeft bepaald en dat hij ook altijd zelf wilde ervaren als inwoner. Die historische verbondenheid met Nederland voelt hij als een deel van zichzelf en zal er altijd blijven. Bij zijn kinderen en kleinkinderen ligt dat anders. Zij voelen zich geen Indo maar zijn zich bewust van hun afkomst.
foto -Eddy Samson thuis: portretten van “zijn” drie koninginnen aan de muur
Indonesië in de jaren zestig
Langzaam maar zeker werd Indonesië een stabiel land, al was dat als gevolg van een harde dictatuur en een keihard optredend leger. In 1968 herstelden de diplomatieke betrekkingen met voormalig kolonisator Nederland. Eddy Samson ging het intussen ook beter. In 1970 was hij in dienst van Tegra (Teeuwen Graanhandel) dat gevestigd was in Nederland, in het Noord-Brabantse Rijen. Het bedrijf was op zoek naar een Nederlands sprekende opkoper van caplex (voederproduct op basis van gedroogde cassave). Eddy Samson bleek over de kwalificaties te beschikken en hij werd de tussenpersoon voor Tegra in Indonesië. Het salaris was goed en hij had een leuke baan waarin hij succesvol was. In 1972 besloot hij toch iets anders te gaan doen en koos voor een bestaan op zee. De drang om Nederland toch ooit te zien bleek te groot. Hij is toen wel in Rotterdam aangekomen, maar mocht niet van boord omdat hij geen visum had. Wél heeft hij de Hollandse duinen gezien en kanalen, veel en grote kanalen (waarschijnlijk bedoelde hij de Nieuwe Waterweg) voordat het schip kon aanleggen. De vaderlandse bodem was toen héél dichtbij.
Na Nederland letterlijk slechts te hebben gezien vanaf de boot, berustte hij in het kennelijke lot dat voet zetten op Nederlandse bodem er niet in zat. Het varende bestaan ruilde hij in voor een betrekking bij de tandpasta-fabrikant Prodent. Het was een goede baan in de marketing. In 1990 toen hij 56 werd kreeg Eddy Samson de gelegenheid het pensioen in een keer af te kopen en te stoppen met werken. Toch heeft hij op verzoek van het bedrijf er nog twee jaar gewerkt om zich daarna te storten in nieuwe interesses.
Pensionering: nieuwe activiteiten
Wat Eddy Samson na zijn actieve loopbaan is gaan doen, verschilt niet van dat van vele gepensioneerden in Nederland. Hij vervulde taken in de vakbond voor de chemische industrie Federasi Buruch Pekerja Seluruh Indonesia (FBSI). Maar de grote passie is geworden de oprichting in 1999 van de huidige Indo Club Soerabaja, dat in het begin het Bureau De Indo heette. Guus Kost en F. van Lichten waren de mede-oprichters. Doel was om de Indo’s te vinden en in het bijzonder de ouderen, van wie ze vermoedden dat een aantal wel steun konden gebruiken. En anders wel uit een isolement moesten worden gehaald. Bezorgdheid was er bij de oprichters of deze Indo’s genoeg inkomen hadden en hoe het met hun gezondheid en welzijn was gesteld. Zelf Indo’s zijnde die het na moeilijke jaren goed is gegaan, beseften ze dat niet iedereen dat tot stand heeft gebracht. Signalen zijn er natuurlijk altijd geweest omdat ze bekend waren met de Stichting Hulp aan Landgenoten in Indonesië, HALIN. En uit eigen waarnemingen wisten ze van het bestaan van armlastige Indo’s.
Eddy Samson en zijn kompanen voelden de sterke behoefte en noodzaak die mede-Indo’s te bereiken, die misschien te malu waren zich te melden of die niet de beschikking hadden over de (informatie)kanalen om zich bekend te maken. Eddy Samson gebruikte zijn kwaliteiten als netwerker en wist mensen in Indonesië en Nederland enthousiast te krijgen voor zijn plannen.
foto -Indo Club Soerabaja; Koempoelan 24 mei 2009. Rechts-voor (gehurkt) Eddy Samson
Een andere belangrijke activiteit is zijn betrokkenheid bij het behoud van het cultureel erfgoed in Surabaya. In het bijzonder dat van gebouwen met een (kunst)historische waarde uit vooral de periode 1850-1950. Veel van deze gebouwen mochten niet worden gesloopt maar leden vervolgens structureel aan het nodige onderhoud. Het tropische klimaat maakt dat des te noodzakelijker. Het gevolg daarvan is dat de gebouwen er vuil en vervallen uitzien. Eddy maakt deel uit van de Poesaka Soerabaja, dat sinds 2010 een samenwerkingsverband is tussen 25 verschillende initiatieven ter behoud van het erfgoed. Eddy Samson is zelf ook nog eens een adviseur van het gemeentebestuur op dit onderwerp.
Bij Eddy Samson thuis
Recent
Eddy Samson heeft medewerking verleend aan de televisieserie Van Dis in Indonesië, die in 2012 is uitgezonden door de VPRO. Na mijn gesprek met Eddy was mijn conclusie dat Van Dis welhaast niet om hem heen zou kunnen. Daarnaast heeft hij meegewerkt aan een programma van Omroep Max over Indo’s in Indonesië. De uitzending zal zijn op november 2012.
Eddy Samson is duidelijk geen persoonlijkheid die “low profile” opereert. Vanuit betrokkenheid bij zijn Indische medemens en het Nederlands cultureel erfgoed zet hij zich actief in. Met name via PR-achtige activiteiten en het voortdurend onderhouden van zijn netwerken. Hiermee draagt hij bij aan het in stand houden van een Indische gemeenschap in Indonesië, meer dan een halve eeuw na het einde van Indië.
Daarnaast blijft hij een intermediair tussen o.a. de stichtingen HALIN en Tileng, particulieren enerzijds en de Indische gemeenschap anderzijds. Eddy Samson houdt daarmee de vinger aan de pols bij zijn mede-Indo’s die in kwetsbare situaties verkeren. Bron: www.indischhistorisch.nl
Meer informatie: Internet:
Stichting HALIN (Hulp aan land-genoten in Indonesië)
Stichting Help de Indischen in Indonesië
Stichting Tileng
Surabaya Heritage Society
Surabaya Memory (project van de Petra Universiteit) Literatuur:
Vilan van de Loo, Familie gebleven. Hulp aan landgenoten in Indonesië, Edam 2009
Duitse Joden waren ook in Nederlands-Indië niet veilig,
door Werner Stauder
Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers.
Tijdens de recherches voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt.
Talrijke Joden waren in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk ontvlucht en hadden zich in Nederlands-Indië gevestigd omdat zij dachten daar onder Nederlandse bescherming een veilig heenkomen te hebben gevonden. Zij kwamen echter van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de vervolging door de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het kawat (prikkeldraad). Velen van hen hebben het niet overleefd.
Op 19 januari 1942 voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Momenteel werk ik aan een boek over de tragische dood van 411 onschuldige Duitse burgergevangenen, onder wie vele Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hoger hand willens en wetens heeft laten verdrinken.
Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, op 10 mei 1940 te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitsland en Oostenrijk afkomstige Joden.
Dat ook deze Joodse vluchtelingen, die zich juist in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren.
Velen van hen werden opgesloten in de cellen van het beruchte Fort Ngawi, anderen werden naar het eiland Onrust gebracht. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden.
In augustus 1940 werden alle gevangenen overgebracht naar een groot verzamelkamp op Sumatra en volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Blok E was het ‘Jodenblok’.
Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten de Duitse en Joodse gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. Zij werden overgebracht naar de havenstad Sibolga, van waaruit op 29 december 1941 het eerste transport vertrok met de KPM’er Ophir. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd gevangenen en op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport met 478 gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff.
Tot deze laatste groep behoorden ook de Joden van Blok E wier namen met L tot en met Z begonnen. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië waren aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? En waarom was dit schip niet als gevangenentransport aangemerkt?
Omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door een van de bommen scheurde de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het langzaam begon te zinken. Toen het schip tegen één uur slagzij begon te maken, werd de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen, omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.
Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden.
Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden zij er alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en met 53 man te water te laten. In een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. Velen waren in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.
Tegen de avond verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal kwamen 411 gevangenen om. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd.
Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf. Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.
Vergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers
Duitse Joden achter Indische Kawat
door Werner Stauder
Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers. Het doel van dit artikel is het eerherstel van deze mensen. Om aan deze anonieme groep een gezicht te geven zal ik het lot van de heer Otto Moszkowicz als voorbeeld naar voren halen.
Otto Johann Ludwig Moszkowicz, geboren in 1911, was in Nederlands-Indië als ingenieur werkzaam bij de B.P. Maatschappij in Terisi, Djatibarang op West-Java. De heer Moszkowicz was één van de honderden Joden, die in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk waren ontvlucht en zich in Nederlands-Indië hadden gevestigd omdat zij dachten, daar een veilig heenkomen te hebben gevonden onder de Nederlandse bescherming. Zij kwamen van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het prikkeldraad. Velen van hen hebben het niet overleefd, waaronder ook de heer O.J.L. Moszkowicz. Tijdens de recherches voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt. Meer dan 70 jaar geleden, op 19 januari 1942, voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de desbetreffende autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Ik nam daarom het besluit, mij intensief met deze Nederlands-Indische doofpotaffaire bezig te houden om in mijn boek een waarheidsgetrouw beeld te scheppen van alle gebeurtenissen rondom de tragische dood van 411 onschuldige gevangenen, waaronder talrijke Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hoger hand willens en wetens heeft laten verdrinken en aan de bemanning vervolgens het bevel gaf, daarover te zwijgen. Ook Otto Moszkowicz was één van deze verzwegen Joodse oorlogsslachtoffers. Met het onderstaande verhaal wil ik hem en al de anderen uit de anonimiteit halen en postuum eer bewijzen.
Het begon allemaal op 10 mei 1940. Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2.800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitstalige landen afkomstige Joden. Dat ook deze Joden, die juist voor de nazi’s gevlucht waren en zich in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren. Op deze bewuste Erev Sjabbat van de 3e Ijar 5700, die om 18:11 uur plaatselijke tijd begon, werd de Parasja Emor gelezen. Na de sjabbatviering werd Otto Moszkowicz laat op de avond door Nederlandse politie-agenten en BB-ambtenaren gearresteerd en naar het politiebureau gebracht, waar hij de nacht achter tralies doorbracht samen met andere Duitse en Joodse arrestanten. De volgende dag werden zij op transport gezet naar een verzamelkamp op West-Java en van daar uit naar Tandjong Priok, de haven van Batavia, waar een KPM-schip klaar lag om hen verder te brengen naar het eiland Onrust. Zij moesten aan de kade in het gelid gaan staan, omringd door zwaar gewapende inheemse militairen, en ontvingen de mededeling, dat zij zich aan boord van het schip moesten begeven nadat aan een tafel de gegevens van alle arrestanten waren genoteerd. Ook de heer Moszkowicz moest zijn naam en adres opgeven en zijn portemonnaie, portefeuille, sleutels, horloge enz. inleveren. Alles werd geregistreerd en in zakjes gestopt. Daar zag hij later nooit meer iets van terug. Tegen de avond werden ze aan boord gebracht en moesten meteen naar het bloedhete overvolle ruim toe. Na ca. 1 ½ uur varen werden ze aan wal gebracht. De ontscheping van de gevangenen vond onder groot militair vertoon plaats met veel geschreeuw en gesnauw. Ze werden daarbij dikwijls geschopt en geslagen. Onder het toeziend oog van de kampcommandant kapitein H. J. de Vries werden Otto Moszkowicz en zijn lotgenoten via een hoge, met prikkeldraad omgeven en van tralies voorziene poort gedreven en in groepen van ruim 100 man naar de diverse barakken afgevoerd, dertig in getal. Daar werden de Joden van de overige Duitsers gescheiden en apart gezet. Elke barak was 30-40 meter lang en 5 meter breed, had een vochtige betonnen vloer zonder bedden, was afgedekt met gegolfd plaatijzer en slechts schaars belicht. Bovendien wemelde het er van allerlei ongedierte. Iedere barak was genummerd en werd door middel van een drie meter hoge omrastering afgescheiden van de overige barakken en het was ten strengste verboden de prikkeldraadomheining dichter dan op 2 meter afstand te benaderen. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. Een van hen was Johnnie Duell, de directeur van het Metropooltheater in Batavia, die als Duitse Jood in de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front had meegevochten en zelfs voor zijn moedig optreden als piloot gedecoreerd werd. Ondanks het feit dat hij zich tot Nederlander had laten naturaliseren, kwam hij toch evengoed samen met Otto Moszkowicz in barak 18 op het eiland Onrust terecht. Zij moesten een bundel stro oprapen en daarmee een plekje op de kale vloer zoeken om daarop te slapen. Dekens tegen de nachtelijke afkoeling werden niet uitgereikt en zowel fysiek alsook verbaal geweld was geen uitzondering.
De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden. Niemand stond er blijkbaar bij stil dat deze mensen helemaal geen Duitse staatsburgers meer waren en dat zij juist uit Nazi-Duitsland moesten vluchten om aan de afgrijselijke jodenvervolging te ontsnappen. Dat de Duitse Joden door de Nederlandse politie werden gearresteerd in het land waar zij rust en vrijheid dachten te vinden, en dan op het beruchte eiland Onrust ook nog in een zogenaamde ‘Jodenbarak’ werden opgesloten in plaats van hen als vluchtelingen op te vangen en hen politiek asiel te verlenen is ronduit schandalig te noemen. Dat dit echter niet per vergissing gebeurde, maar juist van hogerhand beslist werd blijkt uit het feit, dat het besluit hiervoor door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer werd genomen als een veiligheidsmaatregel op grond van artikel twintig van de Regeling Staat van Oorlog en Beleg. De Duitse Joden werden in Indië als ‘veiligheidsrisico’ beschouwd omdat men vreesde, dat zij door de nazi’s konden worden gechanteerd met hun familieleden in de concentratiekampen. Om deze reden liet Starkenborgh de veiligheid voor de menselijkheid gaan met alle gevolgen van dien. Zo werd ook de onschuldige ingenieur Otto Johann Ludwig Moszkowicz het slachtoffer van dit noodlottige besluit en kwam onder onmenselijke omstandigheden achter het prikkeldraad terecht.
In de vroege ochtend van 15 mei 1940 werd hij getuige van de brute moord op zijn jonge barakgenoot Rudolf Frühstück. De geïnterneerden van barak 18 gingen naar buiten om te luchten. Vlak voor de omheining waren enkele Javanen in de hoge bomen geklommen om daar wat takken af te kappen in verband met het monteren van een elektrische leiding. Natuurlijk was dit voor Moszkowicz en zijn barakgenoten een prachtige afleiding om naar te kijken en ook de jonge Frühstück was één van deze toeschouwers. Met opgeheven hoofd stond hij gefascineerd te kijken hoe snel en behendig deze inlanders in de boom konden klimmen en had daarbij niet eens door dat hij inmiddels op minder dan twee meter van de prikkeldraadomheining was gekomen. Onbewust wilde hij op een gegeven moment met zijn hand op één van de peilers van het hek steunen, waardoor die hand zich dus boven het verboden gebied bevond met het gevolg dat hij nietsvermoedend en zonder waarschuwing door een sergeant van het bewakingsdetachement van achteren werd doodgeschoten door een welgemikt schot in de hartstreek. Er ontstond onmiddellijk een groot tumult in het kamp. Zijn barakgenoten renden naar hem toe om hem te helpen, waaronder ook dr. Emil Mengert uit Batavia, terwijl ook militairen van alle kanten kwamen aanlopen, die de arts onder bedreiging van het geweer dwongen zijn patiënt te verlaten en iedereen de barak in joegen. Uit de omliggende barakken klonken luide protesten tegen deze handelwijze. Onder de toegesnelde militairen bevond zich ook kapitein De Vries, die, met zijn pistool in de hand, de zwaargewonde jongeman zieltogend in het gras aantrof. Kort daarop stierf hij. Rudolf Frühstück was een jonge Jood, die in de jaren ’30 van Duitsland naar Singapore emigreerde, maar daarna zijn toevlucht in Nederlands-Indië zocht toen de oorlog tussen Engeland en Duitsland uitbrak, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in Indië veilig zou zijn. Frühstück ontmoette in Indië de dood, die hij in Duitsland wilde ontlopen. Heel tragisch!
Toen de gouverneur-generaal van Starkenborgh samen met de legercommandanten luitenant-generaal Berenschot en generaal-majoor Schilling eind mei 1940 het kamp op het eiland Onrust bezocht en constateerde dat de toestand daar ‘zeer onvoldoende’ was, gaf hij opdracht om onmiddellijk een centraal kamp te bouwen waar alle Duitse mannen van de hele Indische Archipel konden worden ondergebracht. In alle haast werd er in het zuiden van Atjeh op het eiland Sumatra het centrale kamp Lawé Sigala-gala gebouwd in de Alasvalei vlakbij Kota Tjané. Op 6 juli 1940 ging het eerste transport van vijfhonderd man met de Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elke blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werden vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.
Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten het kamp op Sumatra te ontruimen en de gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. In een geheim codebericht aan minister van Kleffens schreef Starkenborgh: “Britsch-Indië is bereid onderbrengen Duitsche geïnterneerden welke vertrekken 28 December en 2 Januari. Het schijnt mij juister gezien belang maatregel de Duitsche Regeering Uwerzijds inlichten, echter niet voordat tweede groep is aangekomen omdat eerder bekendmaken eventueele Japansche voor ontzetting zou kunnen verhaasten dan wel pogingen zou kunnen uitlokken om het transport op zee op te vangen. De datum van aankomst zal ik U nader seinen.” Er was hierbij dus slechts sprake van twee transporten. Over een derde transport staat niets in de officiële telegramwisseling tussen de gouverneur-generaal en de minister in Londen. Op dat moment bevonden zich nog ruim 2450 Duitse en Joodse gevangenen in Lawé Sigala-gala, die in met prikkeldraad ‘beveiligde’ vrachtauto’s werden overgebracht naar de havenstad Sibolga. Op 29 december 1941 vertrok het eerste transport geïnterneerden met de KPMer Ophir uit Sibolga. Het schip had bijna duizend gevangenen aan boord, waaronder zich dertig fanatieke nazi’s bevonden, de rest waren vooral jonge mannen, velen uit de blokken A en D, enkelen uit F en C en een heel enkele uit E en B. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd Duitsers aan boord, eveneens uit de diverse blokken zorgvuldig geselecteerd zodat de gevaarlijkste gevangenen alvast het land uit waren. Op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport uit Sibolga met 477 Duitse gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff. Deze groep, waartoe ook Otto Moszkowicz behoorde, bestond uit de rest van Blok E, het Joodse blok, mannen van wie de namen met L t/m Z begonnen en de ouderen uit alle andere blokken alsook zeelui. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan, dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië zijn aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? Wist men soms van tevoren al dat het schip nooit zou aankomen?
De kans om Bombay te bereiken was eigenlijk reeds vanaf het vertrek vrijwel nihil omdat de Van Imhoff, die blijkbaar doelbewust niet als gevangenentransport aangemerkt was, al door Japanse verkenningsvliegtuigen gesignaleerd werd toen het nog in de haven van Sibolga lag. De omstandigheden aan boord waren voor de geïnterneerden mensonterend. De 477 grotendeels bejaarde gevangenen werden beneden in het bloedhete ruim van het vrachtschip opgesloten en zaten dicht opeengepakt in 2 meter brede kooien van prikkeldraad, elk met een capaciteit voor dertig man. Omdat elke kooi amper één meter tien hoog was en het voor de gevangenen dus onmogelijk was rechtop te staan, hurkten en lagen zij dicht op elkaar. Er was te weinig drinkwater, ventilatie en sanitaire voorzieningen waren vrijwel nihil. In de kooien hing een vreselijke stank en het was er niet uit te houden van de hitte. Alleen al het laten vertrekken van het schip onder deze barre omstandigheden, die sterke overeenkomsten vertonen met die in de slavenschepen van de West-Indische Compagnie zoals de Leusden waar ik straks nog op zal terugkomen, was reeds een grove schending van het volkenrecht. Daar komt nog bij dat er onvoldoende reddingsmiddelen op het schip aanwezig waren om iedereen te kunnen redden en, zo later bleek, sowieso uitsluitend bedoeld waren om de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement in veiligheid te brengen.
Het duurde dan ook niet lang totdat er zou gebeuren wat iedereen vreesde, want omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door één van de bommen scheurde op een gegeven moment de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het schip langzaam begon te zinken. Toen de Van Imhoff tegen één uur slagzij begon te maken, werd door kapitein Hoeksema de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en de Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden, zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.
Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden. Een van hen, Stephan Walkowiak, kreeg bij deze poging weliswaar een schot dwars door zijn hand, werd daarna echter door inheemse militairen in een van de achterste reddingsboten bloedend aan boord gehesen hoewel er vanuit de motorsloep gecommandeerd werd de man aan zijn lot over te laten.
Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden de mannen er na twee uur zwoegen alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en te water te laten. Officieel kon de sloep slechts 42 inzittenden bevatten, maar desondanks konden er toch wel 53 man mee en in een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. De riemen en het noodrantsoen waren helaas door de Nederlanders uit de boot verwijderd maar gelukkig lagen de mast en de zeilen er nog in. Velen waren vanaf het schip in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.
Tegen de avond van 19 januari 1942, rond half zeven, verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal zijn 411 onschuldige Duitse en Joodse gevangenen hierbij omgekomen. Een van hen was Otto Johann Ludwig Moszkowicz. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd!
Onder de slachtoffers bevonden zich naast de talrijke Joden ook enkele tientallen protestantse zendelingen, katholieke missionarissen, dominees en priesters, ook diverse bekende kunstenaars waaronder de kunstschilder Walter Spies en zelfs een groot aantal actieve en gepensioneerde KNIL-militairen en politie-ambtenaren, die al meer dan 20 jaar genaturaliseerd waren en trouwe dienst aan de koningin bewezen. Van al deze gevangenen kan derhalve moeilijk gezegd worden dat zij nazi's of gevaarlijke elementen geweest zouden zijn hetgeen hun gruwelijke dood zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de bemanning en de bewakers zichzelf in de reddingsboten in veiligheid hadden gebracht terwijl zij de aan hen toevertrouwde gevangenen keihard aan hun lot overlieten druist in tegen alle regels op zee. Tot op heden zijn de verantwoordelijken nooit berecht!
Dit verhaal zal ongetwijfeld nare herinneringen oproepen bij de lezers die bekend zijn met de koloniale geschiedenis van Nederland, want het lijkt wel een déjà vu. Op 1 januari 1738 verging in een onweer voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname het slavenschip Leusden van de West-Indische Compagnie, waarbij kapitein Outjes willens en wetens ruim 700 slaven, die benedendeks aan kettingen waren vastgeklonken, liet verdrinken terwijl hij zelf met zijn Nederlandse bemanning op de sloepen stapte en naar de wal vertrok. De kapitein durfde de slaven niet los te laten omdat hij bang was dat ze de bemanning op het zinkende schip zouden overmeesteren. Dezelfde reden gaf ook kapitein Hoeksema aan ten opzichte van de Duitse gevangenen op de Van Imhoff. Op 18 november 1737 vertrok de Leusden vanaf het Nederlandse Fort Elmina aan de kust van het huidige Ghana naar Suriname met honderden slaven aan boord. Benedendeks was het erg donker en benauwd en door het ontbreken van sanitaire voorzieningen stonk het daar verschrikkelijk. Het slavenruim van de Leusden was in twee lagen verdeeld zodat er meer slaven vervoerd konden worden. Hetzelfde principe werd 200 jaar later ook toegepast op het ruim van de Van Imhoff. Vandaar dat de kooien waarin de Duitsers opgesloten werden slechts één meter tien hoog en twee meter breed waren waardoor zij net als de slaven op de Leusden op elkaar gepakt als haringen in een ton zaten. Zowel de mannelijke alsook de vrouwelijke slaven waren naakt en twee aan twee aan elkaar geketend. Toen het slavenschip eind december 1737 zijn eindbestemming naderde kwam het voor de kust van Suriname in een noodweer terecht. De slaven zaten als ratten in de val toen de romp brak en water de ruimen binnen stroomde. Kapitein Outjes had namelijk de luiken dicht laten spijkeren om te voorkomen dat de slaven naar boven zouden komen, toch hoe hadden ze dat kunnen doen als ze vastgeketend waren? Zonder ook maar één vinger uit te steken om hen te redden liet de kapitein de sloepen strijken en vertrok met zijn bemanning. Ruim 700 onschuldige Afrikaanse slaven hebben deze scheepsramp niet overleefd en men moet zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze grootste tragedie uit de Nederlandse scheepvaarthistorie bijna 300 jaar lang in het moederland zelf vrijwel onbekend bleef. Het antwoord laat zich wel raden.
Terug naar de Van Imhoff. Ook de weinige overlevenden, in de beide booten en op de vlotten, die de volgende ochtend werden waargenomen door het KPM-schip Boelongan, mochten op uitdrukkelijk bevel van de Commandant Zeemacht niet gered worden. Daarom weigerde de kapitein om humanitaire hulp aan de drenkelingen te verlenen en gaf onder luid gemor van zijn eigen inlandse bemanning het bevel te vertrekken en de drenkelingen zonder water en voedsel aan hun lot over te laten. Hij beriep zich hiervoor op een geheime order van admiraal Helfrich. Een van de drenkelingen, de Duitse Jood Arno Schönmann uit Soerabaja, sprong van een vlot in het water en zwom het schip achterna. Een inlandse matroos, die medelijden toonde, gooide hem een werplijn toe. Schönmann probeerde daaraan omhoog te klimmen, werd daaraan echter gehinderd door de eerste stuurman en is achteraf verdronken. De vlotten dreven af en werden nooit teruggevonden. Ook twee inzittenden van de beide booten hebben het niet gehaald. Zo waren er uiteindelijk van de 477 geïnterneerde Duitsers nog slechts 65 overlevenden, die door de Nederlandse autoriteiten op het eiland Nias, waar zij enkele dagen later aanspoelden, opnieuw werden gevangengezet.
Uit de zeer geheime correspondentie uit 1942 tussen gouverneur Starkenborgh in Batavia en minister van Kleffens in Londen blijkt duidelijk dat het Van Imhoff-schandaal in Nederland al vanaf het begin angstvallig in de doofpot is gestopt. Het openbaar worden van de ware toedracht zou de autoriteiten tot de hoogste instanties zowel in Batavia alsook in Londen en later ook in Den Haag behoorlijk in verlegenheid gebracht hebben en moest dus koste wat het kost geheim gehouden worden. De bemanning en het bewakingsdetachement kregen reeds enkele dagen na hun aankomst in Padang het bevel de ware toedracht rondom het gebeurde met de Van lmhoff geheim te houden. In een telegram aan de Minister van Buitenlandse Zaken in London, de heer Eelco Nicolaas van Kleffens, schreef Starkenborgh op 1 februari 1942: “Daar vele geruchten reeds de omloop deden ook onder Duitsche vrouwen dat schip met geïnterneerden vergaan en aangezien het voorts ongewenscht is publicatie langer uit te stellen wegens kans eerder bericht buitenlandsche radio, is heden een korte verklaring uitgegeven dat een transport het voorwerp van Japansche actie is geworden welke een groot aantal slachtoffers heeft geëischt. Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk niets gezegd teneinde verkeerden indruk buitenland te vermijden.” Niettegenstaande deze poging om de ware toedracht te verbergen wisten enkele overlevenden vanaf het eiland Nias later toch een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen door te geven naar Duitsland.
Een klacht wegens moord, die een Duitse overlevende in 1953 tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff bij de Nederlandse justitie indiende, werd twee jaar later weliswaar in onderzoek genomen, maar resulteerde uiteindelijk 1958 in de conclusie dat er geen redenen waren om een strafvervolging in te stellen. Men beriep zich hiervoor o.a. op de ‘volledige’ scheepsverklaring, die kapitein H.J. Hoeksema op woensdag 4 februari 1942 samen met de vierde stuurman M.R. van der Sluis en de hoofdwerktuigkundige J. van der Ploeg aflegde voor de havenmeester van Batavia, de heer W.H. Morren ten havenkantoor Tandjong Priok.
Ondanks de nadrukkelijke vermelding dat deze verklaring geheel overeenkomstig de waarheid en zonder bijvoeging of weglating van daadzaken zou zijn, roept het lezen van dit zeven A4-tjes tellende document toch wel enkele vragen op: De kapitein verklaarde dat de geïnterneerden goede ligging hadden in de daarvoor genoemde dekken, maar in hoeverre kan bij prikkeldraadkooien van 2 meter breed en 1 meter hoog van een goede ligging gesproken worden? De kapitein heeft samen met zijn bemanning en de militairen het zinkende schip verlaten terwijl daar nog honderden gevangenen in het ruim opgesloten waren, waarvan uiteindelijk 411 personen omkwamen die grotendeels gered hadden kunnen worden. In hoeverre kan hij dan beweren dat hij en zijn ondergeschikten zich aan hun verplichtingen hebben gehouden en steeds met de meeste zeemanschap hebben gehandeld? Een goede kapitein verlaat als laatste het zinkende schip! In zijn verklaring wil kapitein Hoeksema ons laten geloven, dat de reddingsboten allemaal vol waren en dat er voor de 477 geïnterneerden geen plaats was, hetgeen enerzijds betekent dat er al vanaf het begin geen rekening werd gehouden met een eventuele redding van de Duitse geïnterneerden, maar anderzijds spreekt hij zichzelf ook tegen. De Nederlanders beschikten over een motorsloep en vier gewone reddingssloepen met elk een minimale capaciteit van 42 inzittenden. Uit het feit dat er in de achtergelaten vijfde sloep uiteindelijk 53 man konden plaatsnemen blijkt, dat er ruim voldoende plaats was om een groot aantal drenkelingen te kunnen redden. De 84 bemanningsleden en 62 bewakers zaten dus heel uitgebreid in de sloepen terwijl er nog ruim 100 man erbij hadden gekund. Sowieso hadden ze de Joden mee moeten nemen, die in principe niet eens geïnterneerd hadden mogen worden. Wat de zwemmers betreft, die probeerden de reddingsboten te bereiken, heeft de kapitein het in zijn verslag weliswaar over een gewonde geïnterneerde, die in een van de sloepen werd meegenomen, maar hij verzuimde daarbij te vermelden, dat deze Duitser gewond raakte doordat er dwars door zijn hand geschoten werd bij zijn poging om aan boord van de boot te klimmen. Verder wordt in de verklaring de aanwezigheid van voldoende reddingsvesten en enkele reddingsmatrassen vermeld, maar wat hadden de drenkelingen eraan als zij door de haaien werden aangevallen en de Boelongan de volgende dag weigerde om de Duitse overlevenden aan boord te laten? Al deze vragen bleven tot op heden onbeantwoord.
In 1964 kreeg de cineast Dick Verkijk van Herman Wigbold van de VARA de opdracht om een documentaire over de Van Imhoff-affaire te maken voor de actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’. Vrij Nederland schreef op 1 februari 1969 met betrekking tot het feit dat de kapitein van het zinkende schip de gevangenen in het ruim aan hun lot overliet nadat hij zichzelf in veiligheid had gebracht: ‘Voor Wigbold stond vast dat er geweigerd is Duitsers te redden omdat zij Duitsers waren!’ Hoewel Justitie weigerde om gegevens hieromtrent aan Verkijk te verstrekken was hij er desalniettemin in geslaagd een nauwkeurige reportage over deze beschamende gebeurtenis te maken, die echter nooit is uitgezonden omdat de toenmalige televisiecommissaris Jan Willem Rengelink de uitzending botweg verboden had. Zo bleef de documentaire achter slot en grendel op de planken liggen en was later nergens meer te vinden. Gewoon spoorloos verdwenen! Wij kunnen er gerust van uit gaan, dat het ruwe materiaal vernietigd is. Een tweede documentaire van Verkijk over hetzelfde onderwerp, die wel aanzienlijk korter was dan de eerste, werd door de VARA-voorzitter Jaap Burger persoonlijk verboden, waarbij het niet uitgesloten is dat dit in overleg met de toenmalige regering gebeurde gezien het feit dat Jaap Burger onder Willem Drees oud-fractievoorzitter van de PvdA was.
Hoe dan ook, Dick Verkijk liet het er niet bij zitten en publiceerde de resultaten van zijn onderzoek op vrijdag 16 april 1965 in Het Parool, hetgeen nogal enige opschudding veroorzaakte. Naar aanleiding hiervan wijdde Der Spiegel op 22 december 1965 en 7 februari 1966 twee uitgebreide artikelen met foto’s en ooggetuigenverslagen aan de pogingen van zowel de VARA-leiding alsook van de Nederlandse autoriteiten het Van Imhoff-schandaal in de doofpot te stoppen. Dit had tot gevolg, dat de fractieleider van de PSP in de Tweede Kamer, Lankhorst, op 15 februari 1966 lastige vragen over deze affaire aan de toenmalige minister van Defensie Piet de Jong (Kabinet Cals) stelde. In zijn reactie wees de Jong op het onderzoek uit 1956 met het resultaat dat het ministerie van Buitenlandse Zaken de regering in Bonn destijds liet weten dat geen strafvervolging zou worden ingesteld. Ook in maart 1966 werd in de Eerste Kamer door de PSP, gesteund door de PvdA en de ARP, een voorloper van het CDA, op meer inlichtingen over de gebeurtenissen rondom de Van Imhoff aangedrongen. Minister De Jong gaf hierop de schriftelijke reactie, dat er geen onjuiste beslissingen waren genomen en dus geen grond aanwezig was voor een strafrechtelijke vervolging tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff. De Kamers kwamen daarna niet meer op het gebeurde terug en de discussie was gesloten.
Zo belandde de hele affaire opnieuw in de doofpot en werd door de latere publicaties van Van Heekeren en Bezemer slechts ten dele openbaar gemaakt. Tot op heden werd niemand verantwoordelijk gesteld voor de dood van 411 geïnterneerde Duitsers en Joden, waaronder Otto Moszkowicz, waardoor het Van Imhoff-schandaal nog steeds een zwarte bladzijde in de geschiedenis van maritiem Nederland zal blijven.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf.
Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.
Weergaven: 179
Door Albert van Prehn - Het verloren gevecht.
Jaren lang hebben wij geprobeerd om de opeen volgende regeringen zover te krijgen dat de ere schulden eindelijk eens worden erkend en uitbetaald. Is dit een verwachting met daadwerkelijke inhoud?
Ik denk van niet en gezien de ploegen die onze vertegenwoordigers moeten voorstellen heb ik weinig hoop en verwacht ik eindelijk, na jaren pogen en hopen, dat men daar in den haag totaal niet geïnteresseerd is om aan de eisen voor een eerlijke afhandeling te voldoen.
Eerlijkheid is nooit te combineren met die figuren die daar in de tweede kamer HET VOLK moeten vertegenwoordigen, zij zitten daar niet alleen voor zich zelf maar ook voor de grote bonzen, banken en al van die instellingen en personen. Nu komt er nog iets om de hoek kijken denk ik en dat is, als men met onze eisen gaat werken zouden er best stinkende beerputten opengehaald kunnen worden, wie weet wat er allemaal is gebeurd met die gelden, ik kan me best voorstellen dat die inmiddels ontvreemd zijn op de legale manier, net zoals er nu wordt gestolen van de mensen die hun leven lang de maatschappij hebben opgebouwd, gespaard hebben voor werkgelegenheid en pensioen. Wat te denken van diegenen die nu als oudere een klein vermogen hebben opgebouwd? Gespaard en vergaard met kromliggen en ijverig werken. Men doet nu net of dat DAT een misdaad is en de zogenaamde solidariteit met de jongeren, die moeten maar eens zien met hun verwende leventje door onze generatie op gebracht, om het zelfde te bereiken.
Sparen kunnen ze niet, al heel jong zitten ze met torenhoge schulden en het kan gewoon niet op. Moet dat nu alsnog op de zakken van de ouderen blijven teren?
Het is gewoon geen moraal en die jonge politici behoren bij de huidige hebberige en egoïstische generatie die de woorden norm en fatsoen al heel lang uit hun woordenboekje hebben geschrapt.
Maar nu terug naar de ereschulden of hoe die ook heten moge.
Denken wij nou echt dat wij begrip kunnen verwachten van politici die in een tijdstip van nu zijn opgegroeid? De asociale maatregelen die alleen maar de genen treffen die het minst te besteden hebben zijn daar goede voorbeelden van en wat wij kunnen verwachten.
Recentelijk is het schandaal van de ouderen die door kinderen moeten worden verzorgd nog even naar boven gekomen. De minst bedeelden uit onze maatschappij dragen weer de zwaarste lasten, want als je jouw ouders in huis zou halen, vervallen de vene toeslagen waar je recht op hebt en daartegenover verhogen jouw lasten, 5000 euro per jaar inleveren, hoe slim en geniepig is het systeem in elkaar gezet. Het is maar dat een paar slimme koppen vandaag de uitslag van de berekeningen op TV bekend maakten. Mijn tenen staan gewoon zo krom dat ze dwars door mijn schoenen dreigen te gaan.
Om maar niet te spreken over de gulle weggevertjes naar noodlijdenden in het buitenland, en nog erger het koesteren van hen die slimgebruik maken van de Nederlandse idioterie en in het buitenland prachtige inkomens genieten. Je kun beter Marokkaan of een andere buitenlander zijn in dit land dan Nederlander zelf, die gulheid en makkelijke tolerantie die genieten wij hier niet. Misschien dat we toch maar de zaak hier weggeven en ons in het buitenland vestigen, denkt u zich dat eens in, oude dag goed verzorgd met een inkomen waar je heel luxe van rond komt.
Laten de buitenlanders de zaak hier maar overnemen waarvan her en der wordt beweerd dat zij dat doel hebben. Maar laten ze dan ook die hele kliek in de tweede kamer ook overnemen, want daar hebben ze toch heel veel steun van gehad zou ik zeggen. Als ex-koloniaal of de afstammeling ervan koester ik weinig hoop op de eerlijke afhandeling van de ereschulden en perkara’s, zeker als het om duiten gaat. Wij kennen en ervaren nog steeds hoe zaken verlopen als het hier in dit land om centen gaat, als zouden die bij wijze van voorbeeld in een beerput liggen.
Nee lieve en beste lotgenoten, ik steun de berichten van de pogingen van onze mensen niet meer die de hoop wekken dat wij onze rechten nog ooit zouden krijgen, niet op de manier waarop het zo lang gaat, het enige is dat men het aandurft om het via het internationale recht erop aan laat komen, maar daar is de animo niet voor en waarschijnlijk ook door gebrek aan steun vanuit onze gemeenschap. Ik denk, dat naarmate gewacht wordt, naarmate de tijd verstrijkt, het een hopeloze en op niets uitlopende strijd gaat worden.
Indië is een verloren zaak en dat was het al bijna 70 jaar geleden al en de grote verliezers zijn zij, die uit de ex kolonie moesten verkassen. Net als al die ouderen die nu als weggooi gebruiksvoorwerp worden beschouwd, zo is het ook met ons, de ex-kolonialen, diegenen die TOEN nuttig genoeg waren om voor koningin en vaderland de stormen van de bersiap hebben moeten doorstaan.
Leve de koningin. leve het vaderland en verrek maar nu je niet meer van nut bent.
Albert van prehn (persoonlijke mijmeringen-12 mei 2014)
In aanloop naar de 56e Tong Tong Fair (vroeger: Pasar Malam Besar) hier een artikel over de oprichtster Mary Brückel-Beiten die in 1958 de allereerste Pasar Malam organiseerde in de Grote Zaal van de Haagse Dierentuin. De start van de Pasar Malam wordt heel vaak toegeschreven aan Tjalie Robinson, pseudoniem voor Jan Boon. Hier volgt het werkelijke verhaal, geschreven door de zoon en schoondochter van Mary, die nu al 55 jaren in Canada wonen.
Wie was Mary Brückel-Beiten?
Anna Maria (Mary) Beiten werd op 6 oktober 1904 in Bondowoso op Oost-Java geboren. Haar vader, Anton Beiten was een suikerplanter en haar moeder Emmy Aban was een Javaanse. Haar latere echtgenoot, Alexander Brückel, was bestuursambtenaar, geboren op 4 september 1902 in Amsterdam. Zij trouwden in 1935. Mary Brückel-Beiten was in Indië al een pionierster op tal van gebieden. Zo deed ze als vrouw mee aan een autorally van Soerabaja naar Batavia, waarbij ze nog won ook. De volgende dag stonden alle kranten vol met de koppen dat een vrouw de rally had gewonnen, wat nauwelijks voor mogelijk werd gehouden. Smalend berichtten sommige kranten dat ze waarschijnlijk een man in haar auto had verstopt, die het grootste deel van de race voor haar reed. Mary was toen pas 18 jaar oud. Een tijd later werd in de kranten gevraagd welke vrouw in een klein vliegtuigje durfde te reizen en weer was Mary branie genoeg om dit te doen.
Mary Brückel-Beiten was lerares, journaliste en schrijfster. In de oorlog schreef ze gedichten voor kinderen en maakte ze schetsen en notities, die ze in een wasmand voor de Jappen verborg. Altijd stond Mary klaar om haar medemens te helpen.
Na de oorlog, in 1946, kwam Mary met haar gezin in Nederland terecht. Ze deed er direct alles aan om goed in de Nederlandse samenleving te integreren. Ze reisde van dorp naar dorp om de plattelandsvrouwen kennis te laten maken met de Indische cultuur en hen Indisch te leren koken. Soms kreeg ze ongezouten commentaar van een boer, die zei dat alleen kippen rijst eten, waarop zij terug kaatste, dat de varkens ook aardappelen eten, waarop de boer afdroop.
De vrouwen echter vonden haar kookkunst geweldig en al gauw werden er fancy fairs gehouden. Dit deed Mary gedurende een aantal jaren en de Nederlanders begonnen de Indische cultuur te begrijpen. Door de boekjes, die zij voor de Hollandse huisvrouw uitgaf werd zij al gauw een graag geziene gast op diverse bijeen-komsten, waar ze demonstraties gaf om het Indische koken in Nederland te promoten. Op een dag fluisterde een Indische vrouw haar in het oor: “Goh, Mary, het lijkt wel een pasar Malam, net als in Indië”. Toen ze thuiskwam, dacht ze dat dit klopte; haar fancy fair wás net als een pasar malam.
Na een kookdemonstratie voor de Vereniging van Huisvrouwen wordt er natuurlijk geproefd.
Tijdschrift “Onze Brug”
Op 3 oktober 1957 kreeg Mary een brief van Tjalie Robinson. Hij vroeg haar om mee te werken aan zijn tijdschrift “Onze Brug”. Mary stemde toe en al gauw stelde ze in december 1957 voor om het blad om te dopen in “Tong Tong”. Ze had thuis een boek waarin de Indonesische Tong Tong beschreven was. Ik vroeg haar of haar naam nu op de voorkant zou komen. Mary antwoordde: “Nee, dat is voor Tjalie… het is zijn blad. Hij is schrijver en journalist en hij gaat schrijven over wat we met de Vereniging Indische Nederlanders (VIN) gaan organiseren”. Door Mary’s instigatie werd toen met de leden van de VIN de “Indische Kunstkring” opgericht.
Een van de eerste evenementen die Mary organiseerde was het Tong Tong Cabaret samen met leden van de VIN. Tjalie was hierbij komiek en gaf ook speeches. Het geheel werd opgeluisterd door een Gamelan band. Ook Mary zelf deed mee en de première vond plaats op 12 april 1958 in aanwezigheid van Koningin Juliana en Minister Marga Klompé.
Tong Tong
Voorafgaand aan de première, tijdens een repetitie, zei Tjalie aan de andere leden: “Ik ga een nieuw blaadje oprichten; willen jullie meedenken aan een naam?” Velen verzonnen gekke namen, totdat er één zei: “Waarom niet Tong Tong, net zoals het Cabaret?” Tjalie vond dat een goed idee en zo werd het besloten. Mijn moeder begreep hier niets van. Had ze Tjalie niet al eerder gezegd dat het zo zou moeten heten?
Maar Mary had nog steeds een voornemen om de fancy fairs uit te laten groeien tot een echte Pasar Malam. Zij vroeg de andere VIN leden haar initiatief te steunen, maar omdat niemand geld had, heeft Mary zelf met haar hele familie alle centjes op tafel gelegd om deze droom te realiseren. Iedereen deed mee: haar twee zusters, Bets en Ems, haar man, ook Jo, haar twee dochters Maud en Dee en schoonzoon Loek Mol. Haar twee zonen, waaronder ikzelf, zaten al in Canada. Uiteindelijk hadden ze geld genoeg om de allereerste Pasar Malam te organiseren, die toen in 1958 gehouden werd in de grote zaal van de Haagse Dierentuin. Het werd een groot succes, mede door het optreden van de Tielman Brothers, culturele Indonesische dansvoorstellingen en kookdemonstraties en dan natuurlijk allerlei standjes en kramen. Het succes was zo groot dat besloten werd in 1959 opnieuw een Pasar te houden.
Nadat ze een achttal Pasars had georganiseerd vond Mary het te commercieel worden en droeg in
Dansvoorstelling op Pasar Malam 1958
1965 haar gehele organisatie over aan Tjalie Robinson. Tjalie populariseerde de Pasar Malam, die inmiddels verhuisd was naar de Houtrusthallen. Mary begon een nieuwe uitdaging in de vorm van de stichting “Uit en Thuis”. Ze organiseerde vliegreizen per chartervlucht naar de USA en Canada, zodat ouders daar hun geëmigreerde kinderen konden opzoeken. Toch bleef zij op de jaarlijkse Pasar Malams haar kookdemonstraties ten beste geven, hetgeen zij tot op hoge leeftijd volhield.
Tjalie was een vervent beoefenaar van de katapult
Pasar Malam Selamat Datang in Holland
Wie meer wil weten over het ontstaan van de pasar Malam in Nederland en het leven van Mary Brückel-Beiten, kan het boek bestellen dat door haar geschreven is onder de titel: “Pasar Malam Selamat Datang in Holland”, verkrijgbaar bij www.amazon.com, ISBN nummer: 978-1-77136-099-9. Prijs: 16,00 US$, exclusief de verzendkosten.
De Indonesische president heeft besloten om de hoofdstad van het land te verplaatsen naar een ander eiland dan het drukke Java. Maar een nieuwe locatie ter vervanging van het vervuilde en langzaam in zee zakkende Jakarta moet nog worden gevonden, zei de minister van Planning maandag.
De huidige hoofdstad, Jakarta, de thuisbasis van meer dan 10 miljoen mensen. Beeld AP
Regen en overlopende rivieren hebben Jakarta weer eens bijna tot stilstand gebracht. Het verkeer loopt vast en hele buurten staan blank. Al dat water gaat ook wel weer weg, weten de bewoners, maar voor president Joko Widodo is de maat vol. We gaan verhuizen, laat hij weten. De minister van Planning maakt het nieuws op een persconferentie bekend: over tien jaar is niet Jakarta, maar een andere stad de hoofdstad van Indonesië. Welke stad dat zal zijn weetnog niemand, maar er is geen weg terug meer.
Het heeft lang geduurd voordat die knoop werd doorgehakt. President Soekarno speelde al met de gedachte in de jaren ‘50. Hij liet zelfs de basis voor een nieuwe hoofdstad leggen in het midden van Kalimantan, op het eiland Borneo. Daar bouwde hij Palangkaraya, een provincieplaats met de plattegrond van een wereldstad. De veel te brede geasfalteerde straten en pleinen domineren in 2019 nog steeds een groen en landelijk stadje met minder inwoners dan een gemiddelde wijk in Jakarta.
Palangkaraya is het dus nooit geworden. Het was te ver weg, te moeilijk te bereiken en te zeer de middle of nowhere. Toch heeft elke president sinds Soekarno op zijn minst even met het idee van een verhuizing gespeeld. De vorige president Susilo Bambang Yudhoyono wilde verhuizen, maar wel op Java blijven. Hij heeft er nooit serieus werk van gemaakt. En nu is Joko Widodo aan de beurt. In 2017 heeft hij zijn mensen opdracht gegeven een onderzoek te doen naar de mogelijkheden. Uit dat onderzoek kwamen drie plaatsen bovendrijven: alledrie op het eiland Borneo. En een van die drie, en de grootste kanshebber, is opnieuw: Palangkaraya.
Soekarno wilde verhuizen om redenen van nationalisme. Jakarta, het vroegere Batavia, was de hoofdstad van de oude kolonie, Nederlands-Indië. De nieuwe onafhankelijke republiek Indonesië had een nieuwe hoofdstad nodig. Maar de mensen bleken te zeer aan Jakarta gewend, of beter nog: gehecht.
Latere plannen hebben nog wel die nationalistische ondertoon, maar Widodo’s besluit heeft een veel praktischer achtergrond: Jakarta is uit zijn voegen gebarsten. De stad met zijn meer dan tien miljoen inwoners is een ramp. Jakarta heeft de ongebreidelde groei van de eigen bevolking en de explosieve toename van het verkeer niet kunnen bijbenen. De miljoenenstad beschikt niet eens over een geïntegreerd systeem van openbaar verkeer. Met als gevolg: dagelijks groeiende files. Onder Joko Widodo is er een inhaalslag begonnen, maar die heeft nog nauwelijks geleid tot enige verlichting.
Het verkeer is overigens niet eens het grootste probleem waarmee de stad te kampen heeft. De bodem van het noordelijk deel van Jakarta blijkt in snel tempo weg te zakken, waardoor een groot deel van de stad in de zee dreigt te verdwijnen. De verhuizing lijkt daardoor eerder een noodzakelijkheid dan een politieke wens te worden.
Niet heel Jakarta zal trouwens verhuizen. Het is de bedoeling dat Jakarta het economisch centrum van het land zal blijven. Alleen de politieke hoofdstad verhuist naar elders, een splitsing die ook bestaat in de Verenigde Staten, in Australië en Canada. Of misschien beter nog: in Myanmar. Daar heeft een militaire junta in 2005 midden in het land een gloednieuwe hoofdstad uit de grond gestampt: Naypidaw. Het resultaat is onthutsend: wegen van soms wel twintig rijstroken breed verbinden reusachtige regeringsgebouwen en vijfsterrenhotels met elkaar, maar nergens is een spoor van leven te bekennen. Niemand woont er, want iedereen verblijft als het even kan veel liever in de oude hoofdstad Yangon. Daar is het veel leuker.
ICM redactie.
In 2015 kwam de ICM krant in het bezit van het Jakarta Baru Masterplan. Het plan van de president Jokowi ontvouwde dat om een geheel nieuwe Jakarta ging. Ruim 2300 miljard alleen al tot 2028, waar ruim 640.000 mensen werk aan hebben. Waar de ingenieurs veel moeite mee hadden was de 16 miljoen inwoners dat Jakarta en de files, dat misschien wel 40% van het budget ging zitten in voorzieningen zoals onteigeningen, de drukte, en transport van bouwmaterialen. Meest voor de hand liggend was om een nieuwe Jakarta te bouwen. Op www.icm-online.nl kan U het JBM (Jakarta Baru Masterplan downloaden.
Van puputan tot pasar malam door: Sabina de Rozario
Waar ooit duizenden mensen omkwamen, wordt nu elke zaterdagavond vertier gezocht en gevonden. Ik zie vanaf de straat al de gezellige drukte op het plein. Een monument, dat ter nagedachtenis van de gebeurtenis in 1906 is geplaatst, siert de historische plek in Denpasar. Veel gezinnen, jonge geliefden en studenten vertoeven er in alle ontspannenheid.
Monument Puputan in Denpasar
De politie houdt er toezicht en leidt het verkeer in goede banen, parkeerwachters zijn druk in de weer om de bezoekers naar de parkeerplaatsen te loodsen. Als ik het ‘grasveldje’, meer is het niet, betreed, heerst er een ambiance vergelijkbaar met die van een pasar malam die ik ken van Nederland. Overal zie ik lichtjes, speelgoedverkopers en ruik ik de geur van vers geroosterde saté. Ik koop een maïskolf en besluit een rondje om het monument te lopen. De specifieke sfeer, die herinneringen bij me oproept, is me onverwacht niet vreemd.
Hoge dosis trots
In het begin van de vorige eeuw was het op deze plek , het ‘veldje’ in de hoofdstad van Bali, waar gewapende Nederlandse militairen tegenover een Balinese koning met zijn onderdanen stonden. De reden: radja Gede Ngurah Denpasar werd verantwoordelijk gehouden voor het vergaan van een Chinees schip voor de kust van Sanur. Deze radja besloot zich niet zomaar over te geven aan het Nederlandse leger en bedacht een scenario waarbij een hoge dosis trots aan ten grondslag lag. Het was voor de Balinezen al duidelijk dat zij de strijd nooit konden winnen met hun traditionele wapens. Echter, overgeven aan de vijand behoorde niet tot de opties.
Wat er toen gebeurde heeft niet veel Nederlandse geschiedenis-boeken gehaald. De radja droeg zijn onderdanen op zich in witte ceremoniële kleding met hun mooiste juwelen te hullen. De zwaarden werden ter hand genomen en het paleis van de radja werd in vuur en vlam gezet. Gezeten op zijn draagstoel omringd door zijn familie, Hindoe priesters en onderdanen, wachtte hij het Hollandse leger op.
Het stoffelijk overschot van de vorst van Badung wordt overgebracht naar Denpasar
Puputan
Onder begeleiding van oorlogs-trommels gooiden de Balinese vrouwen geld en juwelen naar de naderende indringers. Terwijl dit vernederende schouwspel zich afspeelde, schoot het Nederlandse leger onder het commando van Generaal-majoor Rost van Tonningen verward om zich heen. Op dat moment liet de radja zich door de priester in het hart steken, het teken voor de onderdanen om zichzelf van het leven te beroven. Mannen, vrouwen en zelfs kinderen onderwierpen zich aan hun lot. Het bloedbad waarbij honderden mensen die zich voor de ogen van de Nederlanders ter aarde stortten, is de Balinese geschiedenis ingegaan onder de naam Perang Puputan Badung.
Puputan is een Balinees ritueel gevecht tot de dood erop volgt en heeft begin vorige eeuw in een korte tijd meerdere keren plaatsgevonden. Van 1894 tot 1908 komen duizenden Balinezen om tijdens zo’n rituele zelfmoord, waarvan de koloniale troepen niet alleen getuigen waren, maar ook aanstichters. Niet alle radja’s van Bali maakten vrijwillig een einde aan hun koningschap. De radja’s van onder meer Badung, Denpasar en ook Pemucutan weigerden hun zelfstandigheid op te geven ten tijde van de kolonie en waren bereid ten onder te gaan. De radja van Tabanan besloot tot vrijwillige overgave, maar pleegde na twee dagen gevangenschap toch zelfmoord. Zijn stoffelijk overschot werd naar de Puri van Denpasar overgebracht tijdens de zevende Bali-expeditie, gericht tegen de vorst van Badung in 1906. De vorst van Klung Kung kwam tot een akkoord met de overheerser, tot ‘zijn’ puputan een einde maakte aan de samenwerking in 1908.
Archieffoto’s uit Nederland
Elk jaar worden de puputans herdacht bij het monument op het Puputan plein. Hoe dramatisch de toedracht ook is geweest, Bali zou Bali niet zijn om voor de gelegenheid van het 100-jarige jubileum in 2006 met alle trots een week lang optredens en andere feestelijkheden te plannen. Om begrip van de Nederlanders te generen werd de toenmalige Koningin Beatrix voor deze feestweek uitgenodigd. Voor de special gelegenheid werden archieffoto’s van de puputan ingevlogen, afkomstig uit de fotocollectie van de Leidse Universiteit. Het hoogtepunt van het wekelijkse festival was de kroning van Ida Tjokorda Ngurah Denpasar IX, de nieuwe radja van de hoofdstad.
Al lopend naar de uitgang probeert een verkoper me een Mickey Mouse-ballon aan te smeren. Uitgelaten kinderen rennen om me heen of spelen met hun net gekregen voetbal. De maïsverkoper ruimt zijn boeltje op, nog voor middernacht is hij ‘los’ en kan hij tevreden naar huis. De feestelijkheden op het Puputan plein achter zich latend zonder een notie te hebben van het bloedbad dat er ooit heeft plaatsgevonden.
Bron: Java Post
Religie is iets wat de mens al vanaf zijn ontstaan met zich mee draagt.
Vanaf het moment dat hij zijn brein kon gebruiken en de wereld wonderen om hem heen begon te aanschouwen kwam hij tot de ontdekking dat er zaken zijn die hij niet kon verklaren en zo gebeurde het dat de mens het dan maar toeschreef als iets wat bovennatuurlijk is en niet verklaarbaar omdat er een almachtig wezen moet zijn wat zoveel onverklaarbaars teweeg brengt.
Het geloof in het bovennatuurlijke heeft de mens sindsdien alleen maar vastgehouden en al naar gelang de tijd vorderde zijn er zovele geloofsovertuigingen geweest naarmate de mens zich ontwikkelde al intelligent wezen.
Met de toename van het intelligentie peil nam ook de overtuiging toe dat er een almachtig wezen moest bestaan en daarbij ook een wezen met kracht, macht en geweld waar je diepe respect voor moet hebben en het strafproces voor het NIET respect hebben kwam om de hoek kijken.
De bovennatuurlijke macht werd al gauw gezien als een goddelijk wezen die je gunstig moet stemmen om dingen gedaan te krijgen die je zelf als mens, niet voor elkaar zou kunnen krijgen zoals jouw eigen gelukzaligheid en voorspoed, tegenslag, overleven, goede oogsten, droogte en regen tijden, ziekten en heling en ga zo maar door.
Ieder stam heeft zijn eigen goddelijk wezen en deze kreeg vaak een eigen naam, maar met het bewustzijn van de aanwezigheid van een goddelijk wezen kwam ook de tussenpersoon in het leven die kon bemiddelen tussen mens en God. De man (meestal) of vrouw die bijzondere gaven had.
Dat werd een sjamaan, priester, medicijnman of wat voor benaming ook, die zijn macht en invloed had op de rest van de stam, het volk of gemeenschap.
Deze persoon was vaak bepalend voor de normen en waarden die hij of zij bedachten in combinatie met die van de stam, groep, of volkstradities in de cultuur verweven.
Heden ten dage zijn de primitieve geloofsovertuigingen bestempeld als bijgeloof, heidense gedachtenspinsels en noem maar op en heeft zich het fenomeen voorgedaan dat het overgrote deel van de menselijke aardse bevolking zich tot de christelijke of mohammedaanse geloofsovertuiging heeft gekeerd.
Niet geheel vrijwillig maar veelal heeft de geschiedenis laten zien dat het onder dwang is gebeurd, bijvoorbeeld door onderwerping, bij kolonisaties.
Er zijn zovele godsdiensten geweest en de goden hadden allemaal een eigen stam, volks, gemeenschap etc. naam.
Zo hadden de Noordeuropeanen Wodan, Thor en weet ik veel nog meer, de Grieken hadden Zeus, de Romeinen, Spanjaarden Egyptenaren en ga zo maar door allen hun eigen godsbeelden.
Totdat er vanuit het Midden-Oosten twee religies hun grote invloed konden uitbreiden, de joodse geloofsovertuiging en die van de Arabieren.
Deze twee voornaamste geloofsovertuigingen staan bol van cultuur inhoudelijke zaken die bij de betreffende volkeren hoort.
Doordat invloedrijke machthebbers zich tot deze geloofsovertuigingen wenden, werden al heel snel de onderworpenen al dan niet onder dwang ook bekeerd. Via de machthebbers in Rome in de tijd van het christusverhaal.
Maar laten wij eens dieper op de inhoud van de religies in het algemeen duiken.
Allereerst valt meteen op dat de goden menselijke gelijkenissen hebben en niet alleen dat, ze hebben ook de menselijke eigenschappen in zich en nog erger de menselijke gedachten gangen en hiërarchieën.
Zo is er een boven god die zijn zetel heeft als gelijk een menselijke koning, die heeft weer zijn onderdanen, er is een straffende God die vreselijk te keer kan gaan als je niet gehoorzaam bent en diezelfde god staat je bij in jouw strijd bij oorlogen, bevoordeelt je als je maar goed gehoorzaam bent en heeft jouw eigen volk als voorkeurs volk zodat je boven de andere volkeren een rechtspositie hebt verkregen en je het recht hebt om anderen te onderwerpen aan jouw god.
Dat is al eeuwen aan de gang en het gebeurt nog steeds, waardoor ik persoonlijk overtuigd ben geraakt dat er helemaal niet zo’n goddelijk wezen bestaat.
Bepaalde geloofsovertuigingen zijn net als clubjes waar je lid van moet worden, en als je er geen lid van bent ben je per definitie ongelovig, heiden, verdwaalde, en verlorene.
De heilige geschriften beelden de mannelijke denkwijze uit waar de vrouw de onderdanige en nietszeggende rol toebedeeld krijgt en eigenlijk alleen als broedmachine, lustobject, verkoopwaar, en slavin van de man is.
Het is ook niet anders want de geschriften zijn door mannenhanden samengesteld met mannengedachten in een mannencultuur, bovendien zijn ze puur menselijk met alle menselijke eigenschappen, zoals het belonigsstelsel, de vader, zoon verhoudingen alsof het gewoon een vleselijke menselijkheid is, het priesterschap wat alleen mannelijke leden heeft, kortom alles wat wij als structuur in onze maatschappijen hebben zo zal het ook daar in de vermeende hemel moeten zijn.
Is dat zo? Nee, zeg ik persoonlijk als ongelovige, in mijn optie is een Almachtig wezen ver van onze bekrompen ideeën verwijderd en wie zegt dat de Almachtige een man moet zijn. Ja, volgens de geschriften wel, maar die zijn zoals eerder vermeldt door mannen handen geschreven en beïnvloed door mannen gedachtegangen.
Zo is er ook een duivel uitgevonden wat in mijn ogen puur een middel is om de eigen onvolmaaktheid een plaats te geven en die figuur van satan is HET middel om je te verlossen van jouw geweten, immers je kunt er niets aan doen als die duivel je aanzet om rottigheid te veroorzaken.
Zo wordt je met 12 maagden beloond in de hemel als je als islamiet je eigen leven offert voor jouw geloofsgenoten in de strijd, alsof je daar in de hoedanigheid van geest nog seksverlangens kunt hebben. Alweer zon geval waar men abusievelijk aanneemt dat het daar niet anders aan toe gaat dan hier op aarde.
Er is een pracht en praal in Rome met een machtscentrum van jewelste die bepaalt of je veilig mag vrijen of niet en zich niet bezighoudt met het feit dat al die rijkdommen best eens aangewend kunnen worden aan het hongerprobleem op deze aardkloot waar men het simpele geld als echte ware god aanbidt. Het is ook nog een politiek bolwerk wat zich bezighoudt met dood en verderf en onderdrukking zoals zijn tegenhanger de islam. Politiek hoort niet in een echte religie thuis.
Je mag naar hartenlust andersdenkenden vervloeken, vermoorden, uitroeien en vooral als je machtswellustig bent. Wel in dienst van de godheid die je aanbidt of gebruikt voor jouw eigen frustraties en wellust/wreedheden. Alle eigen kwaadheid goedpraten in naam van allah of jezus of weet ik veel wie nog meer. En dan ook anderen voor jouw vieze eigen karretje spannen en zelf proberen buiten schot te blijven.
Kortom zoals ik erover denk, en dat is persoonlijk, bestaat er geen god zoals de religies ons willen doen geloven, voor mij is het TE menselijk en is men met niets anders bezig dan met zijn eigen overtuigingen ZONDER eerst te kijken waar het om je heen echt aan toe gaat.
In mijn ogen is een goddelijke overtuiging niets anders dan het weten dat er een macht is wat jou en het hele universum beheerst, alle ingewikkelde natuurwetten heeft gecreëerd.
Anders dan dat wij willen geloven zijn wij allemaal, dieren planten en mensen, uit een zelfde energie ontstaan en dat bij iedere aantasting ervan je bezig bent met je zelf aan te tasten.
De vloek van de religie is het primitieve brein van de mens die zijn ego niet kan overwinnen.
Indien U en ik, en wij als mens allemaal niet alleen met onszelf bezig zijn, onze eigen IKKE, maar met de werkelijke essentie van het bestaan hier op aarde, HET LEVEN SAMEN MET ELKAAR, dan is geen religie nodig en hadden wij voor onszelf en voor onze medeschepselen een paradijs kunnen scheppen.
In mijn belevenis en overtuiging is het Almachtige wezen verre van menselijk en doen wij het te kort door religies die het uitbeelden als zijnde een mens met als onze hebbelijk en onhebbelijkheden.
Religies zijn nuttig voor het bewustzijn van het noodzakelijke om alles met elkaar te delen en doen, zonder onderscheid om gewoon simpelweg te overleven, maar ze zijn onbewust ontwikkeld tot een ordinair politiek spel van macht en overheersing.
De mens zal de ware Almachtige pas leren kennen als het zijn primitieve ego heeft overwonnen.
Tot die tijd zijn religies een vloek voor de mensheid door misbruik en eigen belang.
Wat wel is dat, hoe gestudeerd je ook denkt te zijn, je er niet omheen kunt dat het simpele van jouw eigen bestaan en de dingen om je heen zoals een simpele bloem, niet hebben KUNNEN ontstaan zonder een scheppende kracht. Alle ingewikkelde natuurwetten zijn er niet zomaar ineens uit het niets.
Ben je daarvan bewust, dan ben je ook bewust van jouw eigen nietigheid, en ben je daarvan overtuigd geraakt zal je heel anders in het leven staan. Het simpele feit dat je leeft is al een wonder op zich want je bent niets anders dan een product van stoffen uit de natuur die ook aanwezig zijn in ieder ander wezen op deze planeet. Intelligentie kan ook domheid inhouden die vernietiging van jezelf teweegbrengt. Intelligentie wat het persoonlijke ego NIET kan uitschakelen is niets anders dan primitief aanwezig zijn. Op dat gebied verschillen wij niets van het dier.
In alle simpelheid beschreven met persoonlijke overtuiging.
Albert van Prehn.26 mei 2014.
Niet vaak verschijnt er een boek, dat zoveel stof doet opwaaien en waarover voor en tegenstanders nog net niet rollebollend over de straat gaan, als het boek: “Opgevangen in andijvielucht” van Griselda Molemans. De auteur had zelf ook al ruim van tevoren voorspeld dat dit zou gaan gebeuren.
In het blog van het NIOD schrijft Peter Keppy dat Molemans valse hoop wekt bij veel Indische Nederlanders. Hij zegt onder andere naar aanleiding van het artikel van Lidy Nicolasen in de Volkskrant, dat NICC Magazine in de vorige editie plaatste:
Het boek “Opgevangen in andijvielucht” begint met een invoelend geschreven relaas over de kille opvang van Indische Nederlanders in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Maar de epiloog lijkt een ander boek.
NIOD onderzoeker Peter Keppy
Molemans’ verontwaardiging over misstanden bij de opvang ontaardt aan het slot van haar boek namelijk in een slecht gefundeerde en warrige aanklacht tegen instanties, personen en onderzoekscommissies. Zij harkt het Indische repertoire van oorlog gerelateerde kwesties bijeen (veronderstelde verdwenen bank-tegoeden, niet uitbetaalde soldij van KNIL-militairen, het uitblijven van schadevergoeding). Volgens Molemans liggen er nog ergens door Indische Nederlanders niet-opgeëiste miljoenen. Zij slaagt er echter niet in dit hard te maken; erger nog: haar epiloog werkt vertroebelend voor wat we al weten.
Ik maakte deel uit van het onderzoeksteam van historici dat werd bijgestaan door enkele bancaire en juridische experts (bekend als de Commissie van Galen). Gedreven om aan te tonen dat Zalm het wel eens mis zou kunnen hebben, togen we aan het werk. We veronderstelden dat Indische Nederlanders als gevolg van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) en de daarop volgende Indonesische revolutie (1945 - 1949) waren beroofd van banktegoeden en verzekeringsgelden en dat de Nederlandse en de Nederlands-Indische overheid nalatig waren geweest.
Onze aanname bleek niet te kloppen. We vonden geen enkele aanwijzingen voor bij financiële instellingen geparkeerde tegoeden noch een grote groep rechthebbenden die daar na de oorlog aanspraak op zou kunnen maken. Wel vonden we bewijzen dat zowel overheden als banken en verzekeringsmaatschappijen die uitbetaling tijdelijk, en in een klein aantal gevallen zelfs permanent, hadden verhinderd. In 1955 was er sprake van dertig rechthebbenden die door twee levensverzekeringsmaatschappijen uit Canada waren benadeeld.
Hoe zit het dan met Molemans’ miljoenen verdwenen bank- en verzekeringstegoeden? Volgens haar geeft een document van de Federal Reserve in New York, gedateerd in juni 1945, antwoord op de verzekeringskwestie. Zij betoogt dat dit document aantoont dat het mogelijk is onderzoek te doen naar individuele gevallen van niet-uitgekeerde verzekeringen, hetgeen door de Commissie van Galen is bestreden. Het document toont volgens Molemans dat in 1938 de zeventien grootste verzekeraars in Nederlands-Indië voor 251,8 miljoen gulden aan levensverzekeringen verkochten.
Als Molemans meent dat onderzoek naar gedupeerden uitvoerbaar is op basis van dit document, waarom heeft zij dit dan niet gedaan? Het antwoord is eenvoudig. Niemand kan op basis van dit enkele document uitleggen hoe levensverzekeringen ná juni 1945 zijn afgewikkeld. Het geeft slechts een inventarisatie van de stand van zaken in 1938. De Commissie van Galen daarentegen heeft in 2000 wel het antwoord gegeven op de vraag hoe in de context van de in augustus 1945 uitgebroken Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de soevereiniteitsoverdracht van 1949 levensverzekeringen en banktegoeden zijn afgewikkeld.
Journaliste en auteur Griselda Molemans
Dat Molemans deze onderzoeks-uitkomsten negeert is lichtzinnig. Haar suggestie van het bestaan van niet-opgeëiste miljoenen wekt valse hoop bij vele Indische oorlogsgetroffenen en ook hun nabestaanden over de kansen op vergoeding van materiële en immateriële schade. Dat is in mijn ogen regelrecht kwalijk. Molemans wil derhalve meerdere rekeningen vereffenen, maar het effectbejag in haar epiloog zit dat in de weg. Het principe van hoor en wederhoor is zoek. Collega-historici publiceerden over de kille opvang van de Indische Nederlanders, over minister van Financiën Lieftinck die in de naoorlogse jaren zijn hand stijf op de knip hield, over de achterstallige salariëring van voormalige KNIL-militairen, de uitgebleven schadevergoedingen, en de strijd voor erkenning van leed en onrecht.
De boekenkast is inmiddels goed gevuld, maar we vinden deze bevindingen en titels niet terug bij Molemans. Onderzoeker Lizzy van Leeuwen poneerde de prikkelende stelling dat “Indische cultuur en identiteit zijn gaan behoren tot de groeiende cluster van mythen, legenden en broodje-aap verhalen”. Molemans doet haar duit onbeschaamd in dat zakje.
Reactie van Griselda op Keppy
Over de felle reactie van Keppy in het NIOD blog, wil ik het volgende zeggen: De reden dat Keppy fors uithaalt naar het boek 'Opgevangen in andijvielucht' is eenvoudig te verklaren: in de epiloog lever ik bewijs voor A). het in veiligheid stellen van de administratie op microfilm en het belegd vermogen van de verzekeringsmaatschappij Nillmij in de kluizen van de Federal Reserve in New York en B). het in bewaring stellen van de geld- en goudvoorraden van De Javasche Bank bij diezelfde Federal Reserve in februari 1942. (De rechtsopvolger van de Nillmij is AEGON)
Keppy en zijn mede-onderzoekers namens het NIOD hebben naar eigen zeggen uitvoerig onderzoek naar de Indische Tegoeden verricht in buitenlandse archieven en hierover een eindrapport gepubliceerd, ook wel het 'rapport Van Galen' genoemd. Staat het bewijs voor deze kapitaalvlucht vanuit Batavia naar New York vermeld in het rapport? Met geen woord. Opmerkelijk genoeg komt mijn bewijslast uit de National Archives and Records Administration in College Park, Maryland; nota bene hetzelfde archief waar Keppy cum suis onderzoek heeft gedaan.
Wat nu? Hebben de heren onderzoekers de betreffende 'classified' documenten niet kunnen vinden? Of niet willen publiceren? Hadden ze de waarheid wel gepubliceerd, dan was dit grote bedrog door banken en verzekeraars al lang bekend geweest: het geld- en goudkapitaal is niet door de Japanse bezetter geconfisqueerd, maar in veiligheid gesteld in New York inclusief de administraties op microfilm. Hoeveel geld heeft de Nederlandse overheid ook alweer onder de vlag van Het Gebaar betaald voor dit rapport? Met andere woorden: hoeveel heeft de Nederlandse overheid aan haar eigen instelling betaald om de waarheid toe te dekken? Laat het NIOD haar naam maar liever veranderen in NIGOOD: Nederlands Instituut voor Gecensureerd Onderzoek en Oorlogs Documentatie.
Tenslotte het commentaar van de hoofdredacteur van ICM-online, Ferry Schwab over deze kwestie. De 381.000 Indische Nederlanders die tussen 1950 en 1970 Indonesië moesten ontvluchten, hebben nog miljoenen euro's tegoed van de Nederlandse overheid, meldde de Volkskrant op 18 maart jl.
Men veronderstelde dat het om nieuwe feiten zou gaan. In eerste instantie betreft het 341.000 mensen die hierdoor zijn getroffen en niet 381.000. Wat de Volkskrant meldt, betreffen drie afzonderlijke dossiers die reeds onder aandacht staan van het Ministerie van VWS. Vorig jaar 19 maart 2013 werd een Indische Petitie met ruim 10.000 handtekeningen na een Stille Tocht aan betreffende Ministerie van VWS overhandigd. Hierbij schitterde met name de Volkskrant door afwezigheid, waar deze Stille Tocht op voet werd gevolgd door andere media o.a. Omroep Max.
ICM-online hoofdredacteur Ferry Schwab
Het Rapport van Gaalen staat geheel los van de andere die al bekend zijn binnen VWS en verdient daarom ook een andere benadering. Hier liggen de al opgestelde NIOD-Rapporten aan ten grondslag onder andere opgesteld door drs. Keppy en Drs. Meier die de belastingbetaler ruim anderhalf miljoen heeft gekost. Dit dossier is nu in behandeling en onder beheer bij de staatssecretaris Martin van Rijn, die binnenkort met het antwoord komt richting voorzitter van het Indisch Platform Silfraire Delhaye. Deze zal dit eerst terugkoppelen naar Dagelijks Bestuur van Het Indisch Platform of de voorgestelde compensaties als redelijk en fair mogen worden beschouwd voor die 69 jaren onrecht. De staatssecretaris is diverse malen gevraagd door het Parlement om met oplossing te komen in deze zaak. Als referentie wat betreft de compensatie ligt er al een kader, namelijk de Joodse Gemeenschap en Roma's. Deze hebben in 2001 wettelijk individueel tussen de 40 en 50 duizend gulden gecompenseerd gekregen. Veel geld voor de Overheid die een dergelijke regeling ook aan de Indische Nederlanders verschuldigd is. De Staatssecretaris zal echt met creatieve oplossingen moeten komen. Want hoe je ook wendt of keert, de Overheid heeft een forse schuld openstaan die al bijna 70 jaren oud is.
Het dossier "Onderzoeksrapport naar tegoeden particuliere banken en levensverzekering van Nederlanders in Indië 1940 -1958", beter bekend als het Rapport van Gaalen dat in 1998 in opdracht van het Ministerie van VWS werd opgesteld dat door een team van 12 deskundigen, werd verricht o.l.v. de Commissie van Gaalen. Dit onderzoek gaat uit naar de verrichtingen en handelswijze van het Bankwezen - en Verzekeringswezen in het voormalige Nederlands-Indië. De essentie was dat alle geldstromen met de assets (goudvoorraden, waardepapieren, en -objecten) in kaart zijn gebracht. Waar de assets zoals de goudvoorraden, polissen en overige naar toe zijn verhuisd tijdens de periode voor, tijdens en na de oorlog. Welke Banken, Verzekeringsbedrijven, Handelsmaatschappijen en welke Multinationals hadden in voormalig Nederlands-Indië een vestiging of waren er aantoonbaar zelfstandige ondernemingen. Waar werden de consolidaties gehouden en belast (in Indonesië, Nederland of elders). Zo zijn de Amrobank en Mees & Pierson bekenden die hier uitspringen. In hoeverre heeft de Javaanse Bank een link met de Nederlandse Bank. Niet te vergeten de Handelshuizen die nu wereldwijd zijn vertegenwoordigd maar toen in het bijzonder in het voormalige Nederlands-Indië als groot deel van het volume omzetten, bijvoorbeeld Borsumij Wehry die later o.a. via Holland Systema als een van haar dochters de grote huisleverancier werd van de Banken in Nederland; die o.a. heeft geprobeerd om het selfbanking Concept Dassault binnen het Nederlandse Bank-wezen te introduceren. Hier was sprake van duidelijke link naar het voormalige Indië en in hoeverre deze nu nog kunnen worden aangesproken voor het Indisch kapitaal. Wie nu naar de AEX gaat ziet nog vele maatschappijen op de lijst staan, gedreven door het Indisch Geld. Betekent dat deze organisaties nu als nog via de AFM kunnen worden benaderd voor de openstaande claims.
Het rapport geeft conclusies, maar vreemd genoeg geen echte aanbevelingen met alternatieven en oplossingen met de te volgen stappen voor Het Vervolg. Dit zijn vragen die NU aan de opdrachtgever van het rapport kunnen worden gesteld en aan de opstellers van het rapport. Ja, als journalist heb je een boek kennelijk nodig! Zeker als je materiedeskundige bent, of werkzaam bent geweest in deze sector. Ik weet niet of dit voor de onderzoekers geldt van dit rapport. In ieder geval is hier het laatste woord nog niet over gezegd.
______________________
Happy hardcore-dj Paul Elstak ( 53 ) ziet zichzelf gewoon als Nederlander. ‘Ik heb me nooit een kleurling gevoeld.’
Paul Elstak. Beeld Casper Kofi
Paul Elstak (53) waarschuwt dat het een ingewikkeld verhaal is. ‘Elstak is een oude slavennaam uit Suriname. Wijntak, Elstak, dat soort namen. Mijn opa was zwart als roet. Vanuit Suriname ging hij naar Indonesië om te strijden voor het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger - red.), tegen de Jappen. Daar leerde hij mijn oma kennen, die was half-Indonesisch en half-Chinees.
‘Mijn vader werd geboren in Jakarta. Na de onafhankelijkheid verhuisden ze naar Nederland, naar Den Haag. Ze hoorden bij de eerste immigranten. Mijn vader ging in een bandje spelen, hij zat in de Haagse rockscene, met Golden Earring en Shocking Blue. Op tournee in Duitsland ontmoette hij mijn moeder, die weer half Litouws is.’
‘Vroeger ging ik wel naar een clubhuis met Indo’s die er trots op waren om Indo te zijn. Dat had ik niet. Wij woonden tussen de Nederlanders, ik heb me nooit een kleurling gevoeld. Ik werd er niet mee gepest. Sommige mensen krijgen op die manier een afkeer van Nederlanders, ik niet.
‘Ik zie mezelf gewoon als een Nederlander, wanneer ik niet in de spiegel kijk. Soms zien ze me aan voor Turks. In het buitenland denken ze: Israëlisch of Arabisch.’
‘Mijn moeder is heel snel Nederlands geworden. Die was bij het WK voetbal in 1974 al voor Nederland en niet voor Duitsland. Mijn vader werkte hard om zijn hoofd boven water te houden, hij had helemaal geen tijd om met zijn afkomst bezig te zijn. Eigenlijk zijn ze perfect geïntegreerde immigranten. Het gaat ook wel eens goed.’
‘Geen idee. Ik heb in ieder geval geen wrok tegen Nederlanders omdat mijn voorouders slaven zijn geweest. Dat vind ik hetzelfde als mensen die nog steeds boos zijn op Duitsers. Niemand is verantwoordelijk voor zijn voorouders, nog niet eens voor wat zijn eigen vader heeft gedaan.
‘Ik hou niet van werkloze types die de slavernij erbij halen als excuus voor dat ze niet werken. Dat vind ik zwak. Get over it. Je moet gewoon zorgen dat je werk hebt, net als iedereen.
‘Surinamers kennen de naam Elstak, Nederlanders weten niet dat het Surinaams is. Die vragen: ben jij dé Elstak, de dj? De achternaam zegt ze niets, zij kennen alleen de Paul die ervoor staat. Het enige dat ik weet: het publiek van de happy hardcore ziet mij niet als een donkere, ze zien me als een van hen.’
‘Een donker publiek houdt niet zo van het hardere stampwerk, die trekken meer naar r&b en hiphop. Mij trok die harde muziek gelijk. Hoe dat kwam, dat moet je aan Onze-Lieve-Heer vragen.
‘Ik gaf mijn eigen draai aan housemuziek. Ik klooide maar wat aan, regels waren er niet. Later werd daar een label op geplakt. Van gabberhouse ging ik naar happy hardcore. Meer dj’s kwamen terecht in het hardere werk. Ik werd een promotor van die muziek omdat ik een eigen label had en veel uitbracht. De media probeerden gabberhouse zwart te maken, ik sprak me daartegen uit.’
‘Hier wordt altijd naar gevraagd. Het is een overtrokken verhaal, ik heb nooit iets gemerkt van racisme – al betekent dit niet dat het niet bestaat.’
‘Ik kom natuurlijk uit Den Haag, ik verhuisde naar Rotterdam om in een discotheek te draaien. Een Hagenees ben ik niet, wel een Rotterdammer. Ik heb veel te danken aan deze stad, heb hem ook gepromoot. Mijn label heb ik Rotterdam Records genoemd.
‘In die tijd had Feyenoord als shirtsponsor Stad Rotterdam Verzekeringen. Bij shows in het buitenland droegen fans het Feyenoordshirt met die sponsortekst erop. In Spanje, Duitsland, Australië, overal zag je die shirts. Niet omdat ze voor Feyenoord waren, het ging ze om het woord Rotterdam. Jammer dat Feyenoord van sponsor is veranderd.’
‘Ik ben 53, daar ben ik niet meer mee bezig. Twee weken geleden was ik nog in Amsterdam, mijn dochter woont daar. Maar ik kan er niet meer optreden als dj, zo gaat dat helaas in Nederland. De laatste keer was misschien wel twintig jaar geleden.
‘Een tijdje terug was ik geboekt voor het festival Thunderdome in de Rai, die boeking hebben ze gecanceld. De organisatie kon niet instaan voor mijn veiligheid. Omdat ik toevallig uit Rotterdam kom en voor Feyenoord ben, wilden mensen mij in elkaar slaan. Het rare is: die fanatieke Ajax-aanhang komt niet eens uit Amsterdam, ze wonen in Almere of Purmerend.’
‘Als ik in het buitenland uitleg wat voor muziek ik maak.’
‘Nooit.’
‘Japans.’
‘Ze komt uit Zeeland en haar moeder is Duits, net als die van mij. Dat zorgde voor een soort klik.’
‘Blank is het woord waar ik mee ben opgevoed.’
Paul Elstak (Nederland, 1966) brak in 1991 door met de single James Brown Is Still Alive, gevolgd door hits als Rainbow in the Sky en The Promised Land. In 2010 maakte hij Turbo, de titelsong voor de film New Kids Turbo. En in 2017 scoorde hij met rapper Jebroer de hits Kind van de duivel en Engeltje.
Als editor / onderzoeker journalist van ICM, Indische Internetkrant ben ik even door de nieuwe website gereisd van het IHC. Met bizarre zaken desondanks de subsidie van ander half miljoen vraagt nog eens 25 euro aan donatie per persoon.
http://www.indischherinneringscentrum.nl/
Als eerste viel mijn oog op dat er heel wat van ICM Internetkrant is gekopieerd, het heeft nu ook een webshop. Alleen met producten die afkomstig zijn van hun partners, of moet ik zeggen lotgenoten die ook uit die ruif te eten krijgen (jaarlijkse subsidie van ander half miljoen).
Mijn oog viel op dat desondanks de subsidiestromen, het Sophia huis nog steeds is gesloten. 1 van de bestuursleden sprak reeds zijn bezorgdheid uit dat in de hoop eind juni open gaat. Wat opvallend is of was, er werden plannen geopperd met samenwerkingen, maar iedere behoeft nog een nadere concretisering.Allemaal vaag ......
Wordt vriend wordt een donatie gevraagd van 25 euro voor een jaar, bizar eigenlijk dat naast ontvang subsidie van ander half miljoen.
.
Opvallend is dat Het Indisch Platform wordt beloond na de Farce deal van de KNIL en ook een kantoor krijgt. Meest bizarre is dat hier wordt gesproken over de verbinding met de Indische Gemeenschap, en tegelijkertijd honderden bezoekers per week worden verwacht.
ICM als Indische Internetkrant waar o.a. de Pasars 1 van de speerpunten is, neemt nooit het woord Indische gemeenschap in de mond waar wel ruim 1 miljoen mensen worden verbonden met de Indische Culturele evenementen dag in dag uit het hele jaar door, want een FARCE!
INDISCH NICC MAGAZINE Editie 4 / 2019 is uit !
OM TE LEZEN KLIK H I E R