Min. Buza To forget of a promise for The future Deel III

Brochure Min.Buza "To forget of a promise for The future " het evaluatie-rapport over het verdrag van Wassenaar.
DEEL IV + V
Redactie ICM wist dit document te bemachtigen zoals Min.BuZa pleegt te noemen " To forget of a promise for The future " . Het is gewoon een evaluatie rapport verpakt in Brochure die ruimt 90 pagina's bevat. Naast deze onthulling, zijn andere zaken bove tafel gekomen, van die dure onderzoeken. Uit Wob's bij de andere collega Ministeries bleek dat o.a. dat lumpsum niet 689 miljoen bedraagt, maar 6 miljard. Verder was het aan Min.Buza alles gelegen om het bestaan van dit verdrag niet in openbaar te publiceren, zodat de gedupeerden geen claim konden indienen. Gekscherend genoeg bij WOB min. Financien kwam deze met kopie - artikel in parochie-krantje. (WOB = Wet Openbaar Bestuur). Voor ICM was dit een mooie vangst. ICM brengt dit rapport in delen uit.
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________
4.De repatriëring van de Indische-Nederlanders naar Nederland
Door deze gevolgen waren wederom de Indische-Nederlanders gedwongen het voormalige Nederlands-Indië/Indonesië te vluchten met achterlating van al hun bezittingen. Eenmaal in Nederland diende tot op de laatste cent alles te worden terugbetaald. Deze voorziening uit dit Verdrag werd en wordt door de Nederlandse Overheid bewust onder het tapijt geveegd, om maar niet te hoeven overgaan tot uitbetaling. Als bewijsvoering volgt één van de vele brieven van het Ministerie van Maatschappelijk Werk.
Op 27 december 1949 droeg Nederland, als resultaat van de RTC-overeenkomst, de soevereiniteit over Nederlands-Indië over aan de Verenigde Staten van Indonesië. Het was het sluitstuk van een proces van dekolonisatie dat met de uitroeping van de Indonesische Republiek op 17 augustus 1945 en de Nederlandse de facto erkenning van diezelfde Republiek begin 1946 in gang was gezet. Het afscheid van Indië betekende echter bepaald niet dat met een schone lei werd begonnen.
De relaties tussen voormalig moederland en ex-kolonie werden diepgaand door het verleden beïnvloed zowel in negatieve als in positieve zin.
Het vermogen om een bladzijde om te slaan en een nieuw hoofdstuk te beginnen had zijn keerzijde in het vele oud zeer dat aan beide kanten lag opgeslagen. Aan Nederlandse kant bestond bij bepaalde groepen een diep ressentiment. Ook het aloude messianisme, het Multatuliaanse geloof een onmisbare rol te spelen bij de opbouw van Indië, was geenszins uitgespeeld.
Ook in Indonesië speelden oude gevoelens op. Het revolutionaire, anti-Nederlandse instinct was nog lang niet uitgewoed. Bij het leger en andere groeperingen bestond kritiek op de RTC-overeenkomst omdat men op bepaalde punten nogal wat water in de wijn had moeten doen, hetgeen ten koste was gegaan van het ideaal van 'Indonesië merdeka'. Eén van de belangrijkste bezwaren was dat de dominante economische positie van Nederland werd gegarandeerd. Verder had Nederland Indonesië weliswaar 2 miljard gulden schuld kwijtgescholden, maar Indonesië diende nog altijd 1,1 miljard gulden terug te betalen.
De media in Indonesië tastten in het duister. Om wat voor schulden ging het? Er waren allerlei veronderstellingen. Bij de Ronde Tafel Conferentie-overeenkomst in 1949 waarbij de soevereiniteitsoverdracht werd geregeld, zou Nederland aan Indonesië alleen onafhankelijkheid hebben willen verlenen, indien dat laatste land 4,5 miljard gulden betaalde. Indonesië zou verder Nederlandse ondernemingen hebben genationaliseerd. Wat was er in 1966 gebeurd?
Eén ding was duidelijk; “Soekarno was brought to his knees to pay this”. Er was, berichtte men verontwaardigd, sprake van een omgekeerde wereld. Het slachtoffer van het kolonialisme moest Wiedergutmachung betalen. terwijl Indonesië door een diepe economische crisis ging.
5.Traktaat van Wassenaar (Het slotoverleg van 5 tot 7 september 1966)
Al “tawarrend” (afdingend) raakten beide partijen het er wel over eens dat het een goede zaak zou zijn om de kwestie zo spoedig mogelijk af te ronden. De Sultan van Yogyakarta zou daarvoor naar Nederland komen. Begin september was het zo ver. Tussen 5 en 7 september 1966 voerden Luns en de sultan overleg in Den Haag. De onderhandelingen verliepen moeizaam. De Indonesische parlementsleden binnen de Indonesische delegatie oefenden druk uit tot een harde opstelling, terwijl leden van het Nederlandse bedrijfsleven hun best deden het belang van compensatie te minimaliseren. Uiteindelijk bereikte men overeenstemming waarbij de lump sum op 600 miljoen gulden werd gesteld met een rente van een procent post 1973. Tegelijkertijd verwierf Indonesië voor het jaar 1966 ontwikkelingshulp in de vorm van een gift van 22 miljoen gulden en een krediet van 4 miljoen. Bovendien werd er een bankkrediet van 40 miljoen gulden beschikbaar gesteld. Op 7 september 1966 om vijf uur ’s middags werd het akkoord ondertekend.
Het doel van de overeenkomst was “dat door betaling door de Indonesische Regering van een bedrag van zeshonderd miljoen Nederlandse guldens aan de Nederlandse Regering alle bestaande financiële vraagstukken volledig en definitief zullen zijn geregeld.”
Essentieel in de overeenkomst was dat beide partijen er zich van onthielden “hun onderscheiden vorderingen te specificeren en de vorderingen der andere Partij te toetsen of te erkennen.”
Door niet te specificeren welke schulden in het geding waren, werd de Indonesische regering in staat gesteld de in Indonesië bestaande politieke gevoeligheden te omzeilen.
Onder ’alle bestaande financiële vraagstukken’ die volledig en definitief werden geregeld werd verstaan: alle financiële vorderingen van elk der overeenkomst sluitende Partijen en haar onderdanen op de andere overeenkomstsluitende Partij en haar onderdanen, hetzij uit hoofde van bilaterale overeenkomsten, hetzij uit anderen hoofde, onder andere pensioenrechten, voor zover deze vorderingen voor 15 augustus 1962 zijn ontstaan.”
De hoogte van dit bedrag bedroeg 600 miljoen gulden (€ 272,27 miljoen). Vermeerderd met de op grond van de overeenkomst verschuldigde rente van 1% per jaar, kwam het totaal te verdelen bedrag neer op 689 miljoen gulden (€ 312,65 miljoen). Indonesië zou dit bedrag tussen 1973 en 2003 in jaarlijkse termijnen overmaken.
De verdeling van deze lump sum -en dat was het laatste belangrijke kenmerk- werd aan de Nederlandse Staat overgelaten. Daartoe werd in Nederland een Verdelingswet opgesteld die in 1969 van kracht werd.
De lump sum
Beide delegaties kozen er al tijdens het overleg in Tampak Siring in 1964 en de Ponsen-Blom-ronde in november 1964 voor, dat het door Indonesië te betalen bedrag de vorm van een lump sum zou krijgen. In een uitvoerig briefingsdossier dat op BZ begin 1962 werd opgesteld constateerde men, dat er zich op dit punt een internationale tendens had ontwikkeld. Na de Eerste Wereldoorlog werden bilaterale schadeclaims als die in Indonesië gewoonlijk via de totstandkoming van een Global settlement geregeld. Daarbij betaalde de staat die de “depossederingsmaatregelen” had genomen een bedrag aan de staat, waarvan de onderdanen gedupeerd waren.
Een ‘lump sum’, zo argumenteerde men na het gemengde commissie overleg in november 1964, was voor beide partijen voordelig. Immers in dat geval hoefde men niet iedere individuele claim af te handelen, hoefde men geen omslachtige juridische acties te ondernemen om de geleden schade precies vast te stellen, kon men van verdere vorderingen over en weer afzien en kon de Nederlandse wetgever de bestemming van de aflossingen intern bepalen.
Er waren echter ook politieke voordelen. Indonesië hoefde zijn verplichtingen aan Nederland niet te specificeren en zich dan ook niet uit te spreken over het al dan niet verschuldigd zijn van schuldbetalingen krachtens de RTC-overeenkomst en vergoedingen voor de nationalisaties in 1958. Nederland kon van haar kant in het midden laten of het al dan niet de eenzijdige opzegging van de RTC-overeenkomst erkende.
De betalingen door Indonesië
Van het totaal te verdelen bedrag van 600 miljoen gulden (€ 312,65 miljoen) had Indonesië reeds in 1962 36 miljoen gulden voldaan. De overeenkomst stipuleerde dat het resterende bedrag ad 564 miljoen gulden (€ 255,93 miljoen) in dertig (30) gelijke jaarlijkse termijnen zou worden voldaan. De eerste termijn zou op 31 december 1973 vervallen. Vanaf deze datum zou over de dan nog openstaande bedragen een rente van 1% per jaar worden betaald. Zoals reeds eerder vermeld, bedroeg het totaal te verdelen bedrag daardoor 689 miljoen gulden. Eind 2002 zou de laatste termijn eindigen.
Bij afzonderlijke briefwisseling werd nog overeengekomen dat het door Indonesië in 1962 reeds gestort bedrag ter beschikking werd gesteld in twee gelijke termijnen, de eerste op 31 december 1966 en de tweede op 31 december 1967.
Het kwam er in de praktijk op neer dat Indonesië jaarlijks aan Nederland (in casu de NederIandsche Bank) een bedrag van 18,8 miljoen gulden betaalde (circa € 8,5 miljoen) vermeerderd met interest.
Met ingang van 1 januari 1974 droegen, zoals gezegd, de nog openstaande bedragen een rente van 1% per jaar, te betalen vanaf 31 december 1974.
De jaarlijkse bedragen stelden het Ministerie van Buitenlandse Zaken in staat, personen en instanties wier claimaanvragen waren gehonoreerd, op grond van de Verdelingswet rechtstreeks of indirect uit te betalen. De ups and downs in de betrekkingen tussen beide landen hadden op de betalingen geen enkele invloed. Dat was opmerkelijk omdat in het kielzog van de verbreking van de ontwikkelingsrelatie ook andere vormen van samenwerking averij opliepen. In 2003 konden de claims definitief worden afgewikkeld. Begin 2003 maakte Indonesië de dertigste en laatste betaling over en medio februari 2003 betaalde BuZa (de afdeling Civielrecht van de Directie Juridische Zaken), de claims voor de laatste keer uit.
Dit Verdrag laat het feit onbesproken, dat het Indisch Bestuur onder het Nederlands Bestuur, het geld inclusief assets en al van de Multinationals, het Bankwezen en de Verzekeringsmaatschappijen wegsluisden naar de hoofdkantoren in Nederland. De staatskas, goud en waardepapieren werden door de Nederlandse regering via diverse schepen naar New York vervoerd. Net als in Nederland zijn dit opbrengsten verkregen uit de economie van Nederlands-Indië/de Republiek Indonesië, benevens een economisch winbelang van 200 jaar V.O.C.; kortom, Soekarno en Hatta begonnen initieel met een leeggeroofde staatskas. De Koninklijke ondernemingen (multinationals) vielen niet onder dit Verdrag; deze ondernemingen hadden al eerder hun kapitaal en assets weggesluisd (zie Rapport Van Galen).
Wordt vervolgd
Deel III Zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-iii
Deel II zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-ii
Deel I zie https://icmonline.ning.com/profiles/blogs/min-buza-to-forget-of-a-promise-for-the-future-deel-i