·Vanonder de koperen ploert (22)
In 1974 ondernamen mijn vrouw Maja (Tanah-Merah, 1940) en ik (Magelang, 1939) met onze zoontjes Marco (3 jaar) en Eric (1 jaar) een tocht van 3 maanden door Java. Ik schreef er het reisverslag 'Vanonder de Koperen Ploert' over (Thomas Rap, 1975). We verbleven eerst een maand in Bandung. En gingen daarna naar Jogja (Jogyakarta, Midden-Java). De volgende bestemming: Semarang. Maar nu is het tijd voor Surabaya, mijn stad.
Surabaja (1), op zoek naar de bekende weg
De in de reisgids genoemde hotels blijken een prijs te hebben die boven ons budget ligt, we komen terecht in , hotel Pregolan, Jalan Pregolan Bunder. De prijs is oké, Maja en ik kunnen met de kinderen een kamer krijgen voor vijfendertig gulden. Dat is te doen.
Onze kamer is treurig, een groot vervallen hok met twee bedden, waar nog een derde bij geplaatst wordt. De wanden zijn zwart aangeslagen, de mandikamer is glibberig, onder de wasbak staat een emmer om het water op te vangen, buiten is een klein platje met een paar stoelen en uitzicht op een hoge muur. Een melancholiek makende omgeving.
Een oude kelner met nog één tand in zijn mond komt ons vragen wat we willen eten. Hij heeft een menukaartje bij zich, maar de prijzen zijn verouderd, vertelt hij erbij.
Moeizaam scharrel ik wat gerechten bij elkaar en vul daarna de eindeloze reeks formulieren in die nodig zijn voor de politie.
We mandiën ons, leggen de kinderen in het bed, praten weinig met elkaar en proberen ook wat te slapen.
Plotseling hebben we schoon genoeg van dit land, verdomme nog aan toe, waarom moet alles altijd zo tegenvallen?
Als we om vier uur wakker worden staat buiten een pot thee, met een lekkernij erbij.
God, dat is leuk, dat valt toch alweer mee.
De oude kelner komt opnieuw langs, nu om te vragen wat we 's avonds willen eten.
Ik zeg hem dat we dat nog niet weten, dat kunnen we toch bestellen als we in het restaurant zitten? Hij knikt aarzelend, dat kan inderdaad wel, en vertrekt.
Als we er verder over nadenken valt zijn gedrag toch ineens in een bepaald patroon: het zal hier toch niet vol pension wezen?
Maja gaat het navragen en komt verbijsterd terug, in de kamerprijs zijn ontbijt, lunch, thee en avondeten inbegrepen, dat hadden ze vergeten ons te vertellen. Maar dat is toch idioot goedkoop, zeggen we tegen elkaar.
Onmiddellijk melden we ons opnieuw bij de receptie, om eens te informeren wat de duurdere kamers kosten.
Voor vijftig gulden kunnen we een airconditioned kamer krijgen, inclusief alle maaltijden voor onszelf en de twee kinderen.
We verhuizen onmiddellijk naar een frisse pas geverfde kamer, waar zelfs een tv-toestel staat. De kamer ligt aan de oprijlaan van het hotel, er groeien de mooiste struiken naast.
's Avonds gaan we eten in de kleine eetzaal, met zacht ruisende fans, de tafel is perfect gedekt met kommetjes citroenwater voor de vuile vingers, fraaie glazen borden, kunstig gevouwen servetten, vele gerechten met rijst, koffie na.
We kunnen ons genot niet op, zeker niet als we ons te slapen leggen in de koele ruimte die door het in de muur bevestigde zacht zoemende apparaat wordt verfrist.
Eindelijk zijn we dan ten prooi gevallen aan de verslaving van de airconditioning en in de volgende dagen merken we dat dat toch wel nadelen heeft. Telkens als we na het kolossale ontbijt-op-bed een voet buiten de kamer zetten valt de natte hitte met een grote klap op ons.
Het apparaat afzetten zou natuurlijk het probleem oplossen, maar de narigheid is juist dat het zo fijn is om in een wat frissere temperatuur te zitten.
We proberen een compromis te vinden door het apparaat zo laag mogelijk te zetten en dat helpt wel.
Surabaja is geen toeristenstad, het is een echte woonplaats met veel winkels en een druk, agressief verkeer. Drie miljoen inwoners wonen hier en het is te merken.
Ons hotel staat vlak bij het winkelcentrum: de ontstellend drukke Tunjungan (waar oversteken alleen mogelijk is via een loopbrug), Embong Malang, Blauran.
Die namen ken ik nog wel van vroeger en het straatbeeld is nauwelijks veranderd, wel wat drukker en moderner geworden met TL-verlichting en neonreclames.
Op Tunjungan vind ik nog toko Nam (evenals vroeger de best voorziene delicatessenwinkel van de stad), toko Piet (nu Metro geheten), het warenhuis Aurora, de autohandel Berretty, de ijssalon Hoenkwe.
Op de hoek van Simpang en Tunjungan staat nog steeds de vroegere Simpang sociëteit (nu hotel Simpang), destijds een bolwerk van koloniaal vertier, met een enorme voorgalerij waar men vroeger in luie stoelen zijn splitje dronk en het voorbijtrekkende verkeer gadesloeg.
Even verderop staat het vroegere gouverneurspaleis (waar nu de gouverneur van Oost-Java zetelt), een wit pronkstuk met de bekende koloniale pilaren en een groot gazon ervoor.
Er tegenover de Jogodolok, een paar eeuwen oud beeld van een vredig glimlachende prins, dat op onduidelijke wijze ooit op deze plek terecht gekomen is.
Nog weer verder kruist de weg een straat die vroeger de Palmenlaan heette, als ik me niet vergis. Nog altijd staat op de hoek de ruïne van de grote bioscoop Maxim, die rond 1950 uitbrandde. De bovenverdieping is opgeknapt en opnieuw een filmzaal geworden, Indra.
Linksaf, in de richting van het gemeentehuis, kom ik langs Zangrandi, de Italiaanse ijssalon waar we vroeger tuttifrutti-ijs aten (zoals in het Hoenkwe-huis noga-ijs met slagroom de specialiteit was).
Ik ben -eindelijk! - thuis!
Foto's: Tunjungan, de bekende winkelstraat.
1. Loopbrug met winkel Metro (vroeger toko Piet)
2. Toko Nam
3. Toko Aurora
Opmerkingen