Ferry Schwab's berichten (2037)

Sorteer op

Ted Hielckert: ‘Missie volbracht

10897302075?profile=originalTed Hielckert:     ‘Missie volbracht’

Na 25 jaar onvermoeibare inzet houdt veteraan Ted Hielckert het voor gezien. Zijn doelstellingen waren: de Indië-veteranen en de Nieuw-Guinea-veteranen in Zwolle op de kaart zetten, scholieren het verhaal van de veteranen in Nederlands-Indië en Nederlands Nieuw-Guinea vertellen en bovenal een Herdenkings monument realiseren voor deze veteranen in Zwolle. Ted Hielckert, de stem van de Zwolse veteranen heeft zijn missie volbracht en gerealiseerd wat hij begonnen is. Tevreden  kan hij terugkijken op 25 jaar  inzet voor ‘zijn’ kameraden en  hen de eer geven die zij zo zeer verdienen.

Toch is er één ding dat Ted niet

 

kan laten: gastdocent zijn op scholen.  Het   contact   met   de

kinderen ligt hem zo na aan het hart en hij vindt het zo enorm belangrijk dat het verhaal van Nederlands-Indië en de offers en inspanningen van de veteranen wordt doorverteld aan de jonge generaties, dat hij dat voor geen prijs wil opgeven.

Zijn missie begon in 1990 op een zaterdagmarkt in Zwolle. Een collega-veteraan tikt hem op de schouder en zegt: “Ik heb gehoord dat jij bij de PTT in de ondernemingsraad zit. Dus dan kan je vast wel de vergaderingen

van de vereniging ‘Contact Oud-Mariniers’ voorzitten. Deze jonge vereniging is nog maar net gestart en de huidige voorzitter is er na een conflict met het landelijk bestuur mee gestopt. Zou jij zijn taak willen overnemen?” Zonder aarzeling zegt Ted Hielckert “Ja, dat wil ik wel”.

En van daaruit rolde hij van het één in het ander. Nam zitting in veel organisaties en commissies, hij was afgevaardigde van zijn vereniging bij Het Indisch Platform en  werd  gastdocent  op scholen

namens het Veteranen-instituut. Hij zegt er zelf over: “Ik werd erin meegezogen. Je komt je eigen verleden tegen en ik begon       het al gauw als een missie te beschouwen”.

 

Ted heeft veel onrecht meegemaakt in zijn leven. Onrecht over het beeld dat is ontstaan over veteranen en over de Nederlandse militairen die uitgezonden werden naar Indië ten tijde van de politionele acties. Onrecht als veteraan terug te keren en beschimpt te worden vanwege misdaden die begaan zijn tegen de burgerbevolking in Indonesië en die nu met schreeuwende koppen alle kranten halen. Nederlandse militairen die alleen maar hun plicht deden worden nu neergezet als meedogenloze misdadigers die het arme Indonesische volk niets dan ellende hebben bezorgd en dood en verderf hebben gebracht.

En het zijn vooral de mensen die tot de jongere generaties behoren en dus de waarheid niet kennen, die zich tegen de Indië-veteranen keren. In feite zijn ze tegen alles wat Nederlands is geweest in Indonesië. Zij willen zelfs teksten op standbeelden veranderen, ja zelfs standbeelden weghalen om iets dat zij menen te weten over het verleden, terwijl ze zelf die periode niet hebben meegemaakt, noch er op school de waarheid over hebben horen vertellen.

 

 

10897304686?profile=originalGastlessen geven blijft hij doen

 

Ted heeft als vijfjarige moeten zien hoe in de Javaanse stad Semarang een groepje vrouwen uit een gebouw werden gehaald door Japanse militairen. “Ze moesten zich tot op de blote huid uitkleden midden op straat, ten

aan-schouwen van ieder die voorbij liep. De vrouwen huilden en smeekten. Daarna werden ze

tegen een muur gezeten zonder pardon gefusilleerd. De lijken lieten de Japanners liggen als voorbeeld voor anderen”. Deze en andere gruwelijke gebeurtenissen heeft hij jarenlang verdrongen. Totdat hij na een open hartoperatie nachtmerries krijgt.

 

 

De beelden komen terug. En ook de herinneringen aan zijn tijd als dienstplichtig marinier in Nieuw Guinea. Men constateert een posttraumatisch stresssyndroom. Misschien is zijn werk voor de veteranen en de mensen uit Indië wel zijn manier van verwerken; zijn therapie.

 

Nu Ted Hielckert inmiddels 75 jaar is geworden en hij zijn werk voor de veteranen al 25 jaar doet, vindt hij het een mooi moment om ermee te stoppen. “Afsluiten met een jubileum is het mooiste wat er is; vooral omdat je de doelen die je voor ogen had, hebt bereikt”. Maar, zoals gezegd, het werken als gastdocent op scholen blijft hij doen, zolang hij nog het ene been voor het andere kan zetten. “De geschiedenis moet toch blijven voortleven”.

 

 29/7-2015 ICM

Lees verder…

10897300884?profile=originalIndo Rock ons cultureel paradepaardje? (18)  door:  Albert van Prehn

Foto Crazy Rockers

Indo Rock ons paradepaardje? Het wordt zo langzamerhand tijd dat we dit hoofdstuk gaan afsluiten. Er is al zoveel geschreven en gezegd en ikzelf heb al zovele discussies moeten voeren omtrent de inhoud van de benaming. Velen weten al niet anders dan dat de Indo Rock benaming realiteit is. Ik heb zo mijn bedenkingen en gezien het regelrecht kopiëren is van de Amerikaanse muziek, wel met een eigen interpretatie dat wel, zou   ik het liever gezien hebben dat   de benaming net zo op het Indo-zijn werd geënt. Niet omdat ik mij

 

ervoor schaam maar eerder omdat ik denk dat je onze voorbeelden ermee te kort doet. Ik zou het Indo-American style noemen, dan doe je de waarheid recht. Oké nu weten we het wel, wat de oude muziek betreft vinden wij heden ten dage nog slechts een enkeling die op de wijze van toen speelt, zelfs de ouder geworden jago’s  van  toen  zoals  de  Crazy Rockers en noem nog wat van   die bands, spelen het niet meer  op die oude wijze, men wil dat misschien niet meer erkennen maar ook daar is de tijd gaan gelden. Neem de gebroeders Poetiray, met hun voorman Bennie nou eens. Ik moet zeggen dat het bijna de oude stijl is. En.... hij   zal dan waarschijnlijk de enige nog zijn met zijn Java Guitars.    In Duitsland hadden we de Indonesian Revival Band die niet meer bestaat helaas en  zo  vindt  je  her  en  der  nog fragmenten van de oude glorie.

De meeste Indo muzikanten spelen een algemeen repertoire en het doet er niet toe wat je speelt, als je het maar geen Indo Rock gaat noemen want ook al ben ik het niet met de naam eens, dat is er niet meer. Zo af en toe probeert men een fragment te laten horen maar als ik eerlijk ben moet ik constateren dat het slechts een schijn is van het origineel. Ik denk dat de ouder wordende helden en de huidige tweede en derde generaties het  op hun eigen manier spelen, beïnvloed door allerlei moderne muziek en smaak.

 

En ik zelf? Zo nu en dan speel ik een nummertje uit die tijd en ook ik moet zeggen dat het    er niet echt op lijkt, mijn interpretatie is nu onderhevig aan de andere muziekgevoelens, de uitingen van het muziek maken bedoel ik ermee. Maar is dat niet goed? natuurlijk wel, immers muziek maken is gebonden aan de uitingen van jouw gevoelens op dat moment en de Indo muzikant blijf met passie spelen, ook al zijn er vele invloeden van zovele stijlen in verweven en wij het geen Indo Ro... eh dinges meer kunnen noemen. “Vorbei ist die Zeit” zeggen de Duitsers en zo is het. Het is in feite in Duitsland geëindigd. In de jaren tachtig was er nog even een opleving maar nu is het vrijwel afgelopen. Zelf vind ik persoonlijk dat de Indo muzikant zich een ander imago heeft aangemeten dan die van entertainer pur sang.

 

10897316061?profile=originalAlbert van Prehn

 

De vele Indische feestjes, kumpulans geheten, eisen steeds

meer dat de bands het publiek bedienen om het te laten dansen. Tanzmuzik? Aber nein, nicht nicht doch? Ik hoop niet dat het zo zal zijn dat we als automatische jukeboxen gaan fungeren en dat er toch nog wel eigen initiatieven mogen bestaan, want als dat niet zo is dan vervallen we in een monotone massa. Het is nu al zo dat bijna iedere band het gelijke repertoire heeft, al merk ik her en der dat men toch het besef krijgt dat verandering en anders willen zijn sterker wordt. Wat is er dan nog over van de oude tijd? Ik denk voornamelijk herinneringen en het gekke is dat juist bij de Hollanders meer bewaard is gebleven dan   bij de gemiddelde Indische man  of vrouw. Zo zijn er Nederlanders die een verzameling

opgebouwd hebben en die ook veel meer waardering hechten aan die muziek dan de gemiddelde Indo. Die staat er wat nuchterder tegenover.

 

Af en toe vindt er een revival plaats in ons land of in Duitsland, de Indo Rock gala's hebben er mijns inziens er ook niet aan meegeholpen om het fenomeen in stand te houden, we worden gewoon te oud en de nieuwe generaties verbinden hun eigen smaak en interpretaties aan hun muziek. Dat is alleen maar goed. Stilstaan betekent immers achteruitgang?

 

Het wordt tijd voor echte vernieuwing of verandering en persoonlijk hoop ik dat de concerten meer in opkomst zullen komen. Muziek die je van binnen voelt, niet omdat je een dansende

massa  moet  vermaken.  Al  blijft

het heel belangrijk. Ik hoop nog steeds dat de organisatoren er een element bij zullen voegen, namelijk een lekker tussendoortje van een act die in staat is om het publiek te ontroeren, te boeien en te enthousiasmeren. Een concert dus waarbij je kunt dansen maar voornamelijk naar kan luisteren.

 

Is het niet tijd dat onze muzikanten daarvoor gaan kiezen? Het stelt je in staat je te bewijzen als muzikant of band, muziek maken kan iedereen maar een concert geven waar je jouw publiek blijft boeien dat is een andere opgave. We moeten er maar eens over gaan nadenken, voordat we geheel verdwenen zijn. 

ICM 29/7-2015

Lees verder…

15 augustus Door: Corrie A. Bos

10897322697?profile=original15 augustus                            Door:  Corrie A. Bos 

Op een dag kwam er een vrouw naast me zitten. Het was geen gewone dag. Het was 15 augustus. Zij was een van de velen die ik de afgelopen jaren heb ontmoet. Ze vertelden hun verhaal, de een wat uitgebreider dan de ander. Een enkeling vertelde slechts een flard van dat wat er in zijn/haar hoofd was blijven rondzweven. Ze gingen er gewoon vanuit dat ik wel wist waarover ze spraken. Ik ben immers een Indo, net als zij.

 

 

Heeft u ook in het kamp gezeten, vroeg ze. Ik knikte. Het woordje ‘ook’ gaf een verbondenheid. Het was genoeg voor haar. Ze had er geen behoefte aan verder te praten. We zwegen. Keken naar de stroom mensen die van het Congresgebouw kwamen en uitwaaierden, op zoek naar een plaatsje.

De Marinierskapel zette het lied in van ‘Bridge over the River Kwai’. We neurieden samen mee, maar in mijn hoofd kwamen de woorden:

Houd moed, het eind is nu in zicht kop op, zet nu een blij gezicht Want heus, het is geen mop       We kiezen gauw het ruime sop.

Na de capitulatie van Japan, nog voor dat de Politionele acties in volle hevigheid losbarstten, reisde ik op zevenjarige leeftijd naar het onbekende Nederland.

Aan de reling van De Oranje, tussen mijn vader, moeder en mijn zusje ingeklemd, heb ik Indië zien verdwijnen. Mijn twee jaar oudere zus Do vertelde nog wekenlang dat ze nooit zal vergeten hoe onze baboe heel alleen op de kade stond en niet eens wuifde toen de boot wegvoer. Ze huilde. Jaren later vertelde ze het weer, nadat we de film ‘Out of Africa’ hadden gezien. De tranen kwamen zomaar bij de scene waarbij Karen Blixen afscheid nam van haar boy op de kade. “Ik zag opeens weer onze baboe staan op de kade”, Zei ze.

In de repatriëringpapieren las ik, na de dood van mijn ouders, dat we met vader mee mochten naar Nederland. Hij moest zo snel mogelijk medisch behandeld worden aan zijn rug. De Japanners hadden hem met een geweerkolf behoorlijk toegetakeld. Hij was luitenant bij de inlichtingendienst en weigerde mee te werken. Dat was ook de reden van onze snelle repatriëring. Wij waren geen spijt-optanten. “We zijn repatrianten”, zei mijn vader. Pas veel later wist ik pas wat het onderscheid was.

De laatste jaren wordt er onder de Indische mensen ook meer en vrijer over die tijd gesproken. De verhalen van voor de oorlog verschuiven langzaam naar de oorlogsperiode en de tijd van de repatriëring staat volop in de belangstelling. Studies, proef-schriften, verhalen in boekvorm, documentaires, toneelstukken en films over dat tijdvak verschijnen in opmerkelijke hoeveelheden.

“De dagen glijden door je hand”, zingt Herman van Veen al meer dan dertig jaar. Dat doen ze ook en in wezen kan ik nooit loskomen van mijn achtergrond: de grond die ik achtergelaten heb. Dat werkt soms heel verwarrend. Ik ervaar – vooral als ik in Indonesië ben – dat ik twee achtergronden meegekregen heb: een Oosterse en een Westerse. De Oosterse komt steeds meer naar voren als ik daar ben, maar toch blijf ik de Westerling die met een vage herkennende verbazing in het Verre Oosten rondloopt.

10897323286?profile=originalJaren na de dood van onze ouders ben ik voor het eerst teruggereisd naar Indonesië. Mijn drie zussen wilden niet, maar uiteindelijk ging – toen ik voor de derde keer afreisde naar het land waar ons leven begonnen is – ging zus Do mee, samen met haar man en hun toen tienjarige zoon. We zijn op zoek gegaan naar de plaatsen waar we gewoond hebben. Onder andere het huis van onze grootouders in Lawang. Het stond er niet meer. Op die plaats is nu een grote fabriek gebouwd, waar medicamenten geproduceerd worden. Achter de fabriek was nog wel de tuin die vroeger uitliep in een moerasachtig gebied. “Daar plukten we met de kebon altijd kangkung”, vertelde ze aan haar zoon. Het was opvallend dat ze veel Maleise woorden gebruikte sinds we in Indonesië waren. “Alles komt gewoon terug; het gaat vanzelf”, zei ze toen ik haar er opmerkzaam op maakte. Daar op die plek kwamen veel herinneringen terug, ook van het Kamp Taman Sari. Dat kwam vooral ook doordat we een groot bord met ‘Taman Sari’ zagen staan. We wisten niet precies meer of het kamp Taman of Tawang heette. We vroegen ons af of dit de plek was geweest waar we samen geïnterneerd waren.

“Weet je nog Cor, dat je toen in die beerput viel en dat Stella en ik je eruit trokken? Je stonk een uur in de wind en we hebben je toen stiekempjes in een slootje wat schoongewassen. Maar Opa rook het toch nog”. Opa? Die zat toch niet bij ons in het vrouwenkamp? Of was het de Bersiaptijd?

We weten het niet meer. We weten eigenlijk ook niet zoveel meer van onze kamptijd. Wat we weten zijn flarden van angstige, maar soms ook grappige voor-vallen. “En weet je nog dat we toen door het prikkeldraad heen smokkelden? Vier eieren voor een theedoek!”Dat laatste weet ik no. Dit verhaal vertelt ze vaak als iemand vraagt of ze zich nog iets herinnert van haar kamptijd. “Telur asin”, zeg ik zonder enig nadenken.

Meestal vertelt ze stoere verhalen over wat we allemaal deden om de Jap af te leiden als er weer gesmokkeld moest worden. Soms werden we gesnapt. Dan kregen we straf. Later, toen ik ouder werd en doorvroeg waar zo’n straf dan uit bestond, keek ze weg en werd er resoluut gezegd, dat het niet zo erg was geweest. De Jap was wel aardig voor de kinderen. Dit maakte mijn oudste zus furieus. Ze schreeuwde ons toe: Wat weten jullie er nou van. Jullie waren veel te klein om je er nu nog iets van te herinneren. Jappen waren niet aardig….!”

Een halve eeuw later, voor het eerst weer terug in Lawang, vroeg mijn zus Do: “Ken je het Taman Sari bevrijdingslied nog, dat we toen zongen?” Zonder antwoord af te wachten, begon ze:

10897324072?profile=originalHoud moed, het eind is nu in zicht kop op en zet nu een blij gezicht,     want heus, het is geen mop       we kiezen gauw het ruime sop!

Al bij het eerste woord val ik in. Ik herinner me dat lied niet van mijn kamptijd. Toen het lied in de jaren zestig weer populair werd voor de film “Bridge over the River Kwai”, zongen mijn twee oudste zussen dit kamplied, als de tune ergens gespeeld werd. Jaren geleden  vroeg ik aan mijn toen drieëntachtig jarige tante Poule, met wie wij samen geïnterneerd waren in hetzelfde kamp, hoe dit lied naar Java was gekomen. Volgens de geschiedenis is het pas tijdens de aanleg van de Birma-Siam Spoorweg ontstaan. “Kabar angin, kind, kabar angin”, zei ze dan. Letterlijk betekent dit: ‘windnieuws’. Maar tante Poule zei altijd: “De wind heeft het in onze oren gefluisterd”. Opeens is er een bericht. Niemand weet waar het vandaan komt. Telepathie? Of de Tong Tong?

Jaren geleden, tijdens een familie-reünie, zong ik onder de afwas in de keuken met mijn nichtjes uit Noorwegen, Amerika en Canada (Indische Nederlanders vind je overal op de wereld) ons bevrijdings-kamplied:

Tamang Sari, het oord van daagse sleur

Werd gevild met vreugde, pret en fleur

Want de clou van dit verjaardags-feest

Werd gevierd met d’evacuatie-geest

En een ieder waant zich al op de boot

Op weg naar kind of echtgenoot

En al duurt de reis nu nog zo lang

Daarvoor zijn wij niet bang

Houdt moed, het eind is nu in zicht

10897324276?profile=originalDe oudjes kwamen naar dat vrolijke gedoe in de keuken kijken en zagen daar vrouwen tussen de veertig en vijftig jaar die zich danspasjes bij het lied probeerden te herinneren. Tante Pietje was aan het mopperen: “Die kinderen zijn niet goed wijs. Wie bgaat er nu nog zo’n kamplied zingen”. Maar Pietje, we waren al bevrijd, weet je nog? Het was in de Bersiaptijd. De bevrijdingsrevue voor de laatste kampdag. Het is toch goed dat de kinderen de vrolijke dingen hebben onthouden. In de laatste jaren van haar leven leefde ze meer in het verleden en vertelde ze over Indië. Maar nooit over de oorlog. Wel over onze lange reis van Malang naar Batavia in geblindeerde treinen die gedesinfecteerd waren met een wit poeder en hoe blij onze ouders waren toen ze hun drie dochtertjes  weer bij zich hadden, daar in het tijdelijke huis aan de Banjoumasweg in Batavia. Maar wat ze niet vertelde en ik pas veel later hoorde, was dat tijdens de

reis een deel van de trein gebombardeerd was. Een wonder dat wij gespaard bleven. Maar dat wonder had diepe geestelijke wonden achtergelaten bij een van mijn oudere nichten.

Een periode van haar leven leed ze aan angst- en driftaanvallen. Die kwamen nadat haar vader – een over het algemeen rustige man – zomaar van het ene op het andere moment heel driftig kon reageren, zonder enige aanwijs-bare oorzaak. Op een dag werd hij zo driftig dat hij een bord erwten-soep naar haar hoofd smeet. Gelukkig bukte ze. Ze moest wel de troep opruimen en dat vertikte ze, dus nog meer herrie. Haar moeder waarschuwde iedere keer: “Jongens, het is binnenkort volle maan”. Maar de verbinding tussen volle maan en de driftbuien van haar vader, daar kwam ze pas veel later achter.

 

Na het erwtensoep-incident ging ze vreemd gedrag vertonen. Later kreeg ze angst- en driftaanvallen en op zulke momenten smeet ze alles wat binnen haar bereik was aan diggelen. Ze ging dan staan, keek recht voor zich uit en ze schreeuwde dan: ‘joeskit’ ‘Kiré’ en boog stijf naar voren en bleef zo staan. Dan duurde het weer even en schreeuwde ze: ‘noré’, waarna ze weer rechtop in de houding ging staan. Daarna schreeuwde ze weer ‘wakkaré’, draaide zich om en liep als een zombie de kamer uit om urenlang voor zich uit te staren, zittend op de grond in haar slaapkamer. De benen onder zich gevouwen. Onbereikbaar voor iedereen. Het is wat de Jappen schreeuwden als we appèl hadden, zeiden mijn zusjes. (joeskit = in de houding; Kiré = buigen; noré = rechtop; wakkaré = weggaan)

Kort daarna werd er gezegd dat ze voor een half jaar naar een sanatorium moest. In werkelijk-heid zat ze in een psychiatrische inrichting. Daar bleek dat niet alleen het bombardement op onze trein, maar ook het kamp en de Bersiaptijd de oorzaak van haar angstaanvallen waren. Het was in die tijd dat Prof. Bastiaans met zijn kampsyndroom therapieën begon.

10897323463?profile=originalTante Poule overleed in 1987, een jaar voordat ik voor de eerste keer na 1947 weer in Indonesië rond liep. Zij was een van de laatste van de oudere generatie die mij over het kamp had kunnen vertellen. In het boek van mijn leven blijven die bladzijden met persoonlijke aantekeningen van mijn kleuterjaren leeg. Ik zou ze nu redelijk goed kunnen schrijven, maar dat zijn dan niet mijn eigen  verhalen. Mijn zusjes en nichtjes – een paar jaar ouder dan ik – die in hetzelfde kamp waren, slaan die bladzijden in hun boek altijd over alsof ze nooit geschreven zijn. Ook zij willen niets meer vertellen. “Vergeten joh, ik weet alleen nog maar wat flarden…..”

Ik vraag nooit verder; ik weet dat het nog heel nabij is voor hen, na al die jaren nog. Zij waren pubers in het kamp. Voor hen zijn het misschien wel de belangrijkste volgeschreven bladzijden in het boek van hun leven. Ik weet ook dat er leeftijdgenoten van mij zijn, die in praatgroepen zaten van de Vereniging ‘Indisch Kampkind’ en dat ze die praatgroepen ‘Kongsi’ noemden, wat in het kamp een kleine groep was dat als een soort gezin functioneerde.

Ik kom er langer hoe meer achter dat er nog heel veel verdriet is onder de generatie kampkinderen. Een ex-collega van mij, die als zevenjarige wees uit Indië na de oorlog door tantes in Nederland werd opgevoed, spreekt nog altijd met veel woede over de ‘Jappen’. Ze weet heel veel verhalen van het kamp waar ze was. Maar haar ouders, daar weet ze helemaal niets van. Alleen een paar foto’s die de tantes vanuit het vooroorlogse Indië toegestuurd hadden gekregen, zeggen wie haar ouders waren. Ouders die met hun dood de herinnering aan haar eerste levensjaren op deze Aarde meegenomen hebben.

De diepe bronzen tonen van de zware Indische klok brachten mij terug in het heden. Ik zat nog steeds naast die dame, die mij vroeg of ik ook in het kamp had gezeten.           www.corrieabos.nl

 

Lees verder…

Indisch, Indonesisch, of wat…

10897301295?profile=originalIndisch, Indonesisch, of wat…

Door:  Dr. Marlene de Vries

In de twee vorige edities behandelde de Indische fotograaf en NICC correspondent Armando Ello (website: ‘Hoezo Indo’) het begrip ‘TwijfelIndo’. Daarin ging hij dieper in op het Indische gevoel, dat vrijwel altijd prevaleert, hoezeer het ‘Indisch bloed’ ook gemengd is met ‘Europees bloed’. In aansluiting daarop past dit artikel zeker.     De socioloog Dr. Marlene de   Vries behandelt dit onderwerp eveneens, zij het vanuit een ander gezichtspunt, namelijk ‘Indisch’   of ‘Indonesisch’.

 

“Je bent Indisch? O, je bedoelt Indonesisch zeker!” De meeste Indo’s zal deze opmerking bekend voorkomen. Indo’s, mensen van gemengd Nederlands-Indonesisch komaf, vormen een van de grootste etnische minderheids-groepen in ons land. Tussen 1945 en 1965 kwamen ca. 200.000 Indo’s naar Nederland, omdat er voor hen geen plaats was in het postkoloniale Indonesië.

Toch blijken heel veel autochtone Nederlanders bitter weinig te weten over de Indo’s. De gemiddelde Nederlander blijkt niet zo vaak op het idee te komen dat iemand Indisch is. En als ze horen dat zulks het geval is, zeggen ze vaak: “O, Indonesisch”. Ze weten vaak niet wat het verschil is tussen Indisch en Indonesisch. (evenmin trouwens als het verschil tussen Indisch en Indiaas, maar dat terzijde, red.).

 

Marlene de Vries deed voor het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar de jonge generatie Indo’s in Nederland. Niet voor niets verzucht een Indische vrouw in De Vries’ boek: “Indisch is een gevoel”: “Het lijkt wel of wij niet bestaan....” Ook in het huidige debat over de multiculturele samenleving worden Indo’s zelden genoemd, zoals ook grootschalig onderzoek naar de integratie van deze groep geheel ontbreekt. Dat een dergelijk groot onderzoek nooit heeft plaatsgevonden, heeft te maken met het feit dat de Indische integratie geruisloos en nagenoeg probleem-loos is verlopen.

 

Niet zelden wordt er gesproken over een ‘geruisloze assimilatie’. “Je hoort erg weinig over Indo’s, omdat er nauwelijks problemen zijn geweest”, meent Roy Melger. Deze Indische socioloog deed met financiële steun van de Stichting Het Gebaar onderzoek naar de sociaal-economische positie van de generatie Indo’s die op jonge leeftijd naar Nederland kwam. “Alles liep zoals het lopen moest, dus er was geen reden om geld te steken in onderzoek naar de diepere oorzaken van eventuele problemen. Er waren geen onderwijsachterstanden, en ook beroepsmatig en cultureel waren Indo’s onopvallend. Ze bouwden geen moskeeën of tempels, maar gingen op in de Nederlandse kerken”.

 

Met hun onderzoeken proberen De Vries en Melger de lacune in de kennis over Indo’s enigszins op te vullen, al moesten beiden zich bij gebrek aan geld tevreden stellen met kleinschalige onderzoeken. Terwijl De Vries zich voornamelijk richtte op de Indische identiteit, keek Melger naar de sociale mobiliteit van de Indo’s, die op jonge leeftijd naar Nederland kwamen. “Mijn onderzoek is voortgekomen uit een gevoel van oernieuwsgierigheid: Hoe is het de Indo’s vergaan nadat zij naar Nederland zijn gekomen”, legt Melker uit. “Zijn ze snel aan de bak gekomen, hebben ze door-gestudeerd en zijn ze verder goed geïntegreerd in de Nederlandse samenleving?”

 

Boek door: Marlene de Vries

 

In zijn boek: ‘Vijftig jaar in het land van aankomst’ concludeert de gepensioneerde socioloog dat de oudere generatie zich stevig heeft geworteld in de Nederlandse samenleving. “Ze doen in alle geledingen van onze maatschappij goed mee. Ongeveer 80 procent van de mensen die ik heb onder-vraagd, stemt bij verkiezingen, 42 procent is lid van een sport-vereniging en 41 procent heeft zich aangesloten bij een kerk-genootschap”.

 

Van doorstuderen in Nederland was daarentegen slechts in een enkel geval sprake. “Ze zijn in Nederland eigenlijk meteen aan het werk gegaan en hebben erg weinig vervolgstudies gedaan”. Hoewel de meeste oudere Indo’s relatief gemakkelijk een baan vonden, bleek uit het onderzoek van De Vries, dat het ‘Indische erfgoed’, waarbij bescheidenheid en beleefdheid naar leiding-gevenden een grote rol speelt, wel een remmende factor tijdens de professionele carrière. De Indische Irene Ulrich (69), die op jonge leeftijd naar Nederland kwam, constateert dat haar gebrek aan assertiviteit haar wel degelijk in haar loopbaan heeft gehinderd. “Ik heb werkelijk alles gepikt wat ze mij vroegen en met mij deden. Steeds dacht ik: Als ze me beter kennen, gaan ze me wel beter honoreren”. Dat gebeurde echter nooit. “Nu zie ik dat ik het anders had moeten aanpakken en dat ik door mijn opstelling bijvoorbeeld geen goed pensioen heb opgebouwd”.

 

Volgens De Vries speelt de invloed van de koloniale erfenis dan ook een belangrijke rol bij de sociale mobiliteit van de Indo’s, ook bij de 2e generatie, die hier in Nederland geboren is. “De invloed van de ideeën en gedragingen die samenhingen met de koloniale verhoudingen, bleek tot mijn verrassing vaak erg groot te zijn. Zij zagen hoe hun ouders zich nederig opstelden jegens de autochtone Nederlanders en dat hebben zij zich onbewust eigen gemaakt. Ze groeien op met het idee dat Nederlanders meer waren dan zij en dat ze als Indo nooit zo hoog op de maatschappelijke ladder konden komen als de autochtone Nederlander”.

 

Ook Irene Ulrich herinnert zich dat ze moest vechten tegen het idee dat de Nederlanders per definitie succesvoller zijn: “Mijn ouders droegen uit dat blank beter was. Mijn moeder had het ook steeds over mijn blanke buurmeisje: ‘Ze doet dit en ze doet dat…’. Als ik dat zat werd, sputterde ik wel eens: ‘Waarom neem je haar dan niet als dochter’. Ook het feit dat ik een Indonesisch vriendje had, werd niet geaccepteerd”.

Voor de jongere generatie Indo’s van nu blijkt de koloniale erfenis nauwelijks meer een rol te spelen. Dat heeft er volgens Marlene de Vries mee te maken dat ze een ander startpunt hebben dan de oudere generaties Indo’s. “Om te beginnen hebben ze vaak maar één Indische ouder. Daardoor zien ze er lang niet allemaal Indisch uit en zijn ze van jongs af aan met autochtoon Nederlandse familie opgegroeid. Tevens zijn ze groot geworden in een andere tijd. Ze zaten op school met Turkse, Marokkaanse, of Surinaamse kinderen en waren niet de enige kinderen die ‘anders’ waren. Ze groeiden op in een Nederland dat gewend was aan mensen met een andere huidskleur, cultuur of godsdienst”.

 

Door hun gunstige startpositie blijken de jongeren het bijzonder goed te doen in hun beroeps-carrière. Melger: “De jongere generatie heeft uitzonderlijk vaak doorgestudeerd. Terwijl de ouderen generaties veelal op een middenniveau zijn blijven steken, heeft de jonge garde nu wel leidinggevende posities bereikt”.

 

Naast het ontbreken van de koloniale erfenis als een belemmerende factor, signaleert hij nog andere oorzaken voor het hoge scholings- en beroepsniveau van de jonge generatie Indo’s. “Die is mede te danken aan      het feit dat ze qua studie-mogelijkheden in een ‘gespreid bedje’ kwamen. Bovendien ligt het ambitieniveau bij Indo’s hoger dan bij autochtone Nederlanders. Indo’s hebben altijd geprobeerd zich zo goed mogelijk aan te passen, maar wilden tegelijkertijd ook goed presteren. Dat laatste zat altijd helemaal vooraan in hun bewustzijn. Nu de remmende factor is weggevallen, prevaleert de prestatiedrang”.

 

Veel jongere Indo’s zijn zodanig geassimileerd, dat hun (deels) Indische komaf niet altijd meer een rol speelt in hun leven. De Vries: “Voor de jongere generatie is het een eigen keuze of ze iets met de Indische achtergrond wil doen. Sommigen vinden het raar om zichzelf als ‘Indisch’ te bestempelen”. Zo noemt de Indische Dunja Landegent (30) het enige Indische in haar leven het Indische eten. “Verder doe ik heel erg weinig met mijn Indische komaf. Zeker na het overlijden van opa en oma, die in de familie nog het meest Indisch waren. Het is soms zelfs zo erg, dat ik niet eens weet wat ik als Indische cultuur zou moeten benoemen of wat Indische tradities zijn”.

 

 

10897306083?profile=originalBoek door:  Roy Melger

 

Toch zijn er Indische jongeren die zich wel verdiepen in hun afkomst en hun aantal groeit gestaag. De Vries: “Sommige jongeren zijn er wel erg mee bezig. Vooral op de sites van Indische jongeren vind je de jongeren die zich vrij fanatiek met hun Indisch-zijn bezig houden. Soms gaan ze zelfs zover dat ze Indische of Indonesische woorden en uitdrukkingen gebruiken, terwijl ik zeker weet dat hun ouders Dat niet deden. Door die sites kun je een indruk krijgen over hoezeer de Indische identiteit bij deze jongeren leeft. Het gaat echter om een relatief kleine groep”.

Hoewel de rol die de Indische roots in hun leven speelt verschilt, noemen oudere en jongere Indo’s wel vaak dezelfde elementen die de Indische cultuur vormen. De eetcultuur wordt meestal als eerste genoemd, maar ook het gevoel dat het er in de Indische families gezelliger en minder ‘opgeprikt’ toegaat dan bij de meeste autochtoon Nederlandse families. Tevens vinden veel Indo’s dat hun omgangsvormen nog steeds verschillen van de Nederlandse etiquette. De Vries: “In Indische ogen kan de assertiviteit van autochtone Nederlanders vaak doorschieten  in botheid. De veelgeprezen ‘eerlijkheid’ en ‘alles-moeten-kunnen-zeggen’ ideologie staan op gespannen voet met de Indische neiging iemands gevoelens te ontzien.

 

Over het algemeen hebben Indo’s wel waardering voor de Nederlandse tendens om gevoelens en gedachten uit te spreken – iets dat in de Indische kringen minder gebruikelijk is. Maar soms, vinden ze, gaan de Hollanders daarin gewoon te ver”.

 

Ook het meedragen van een andere geschiedenis dan de autochtone Nederlanders zagen veel deelnemers aan het onderzoek als onderdeel van hun identiteit. “De generatie Indo’s die in Nederlands-Indië is geboren en opgegroeid, is hun land uitgezet. Vaak zijn ze door de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap familieleden, vrienden of kennissen en bezittingen kwijt-geraakt. En vooral tijdens de Bersiap zijn de Nederlanders, inclusief Indo’s, maar ook de Chinezen door bloeddorstige horden Indonesische jongeren opgejaagd, vermoord en soms letterlijk in mootjes gehakt. Zoiets blijft in je familie vanzelfsprekend na-echoën”.

 

Voor Irene Ulrich geldt dat haar ervaringen in Nederlands-Indië gedurende de Tweede Wereld-oorlog pas jaren later weer een rol ging spelen. “Tijdens mijn huwelijk heb ik mijn Indische identiteit weggemoffeld. Wat ik inde oorlog en de gevaarlijke periode daarna heb meegemaakt, heb ik zelfs mijn man nooit verteld, laat staan er mijn kinderen mee opgezadeld. Rond mijn veertigste raakte ik in een identiteitscrisis en werd ik opeens geconfronteerd met de vraag: ‘Wie ben ik eigenlijk?’ Ik ben me ervan bewust dat de ervaringen, vooral uit mijn kinderjaren, mij gevormd hebben. Mijn leven was opgebouwd uit angstconfrontaties, luguberheden en bedreigingen tijdens de oorlog met Japan en de Indonesische vrijheidsstrijd daarna”.

 

Door die andere geschiedenis voelen sommige Indo’s zich een stuk minder vanzelfsprekend Nederlander dan de autochtone Nederlanders. “Ik ben niet echt een Nederlanders, maar ook geen allochtoon”, meent Irene Ulrich. “Ik zit er ergens tussenin. Mijn gevoel is Oosters en mijn verstand Westers. Ik denk en praat vanuit Westerse standpunten, maar voel me meer wereldburger. Of ik nu in China ben, in Amerika of in Nederland…. ik voel me eigenlijk overal thuis en ik kan mij ook heel goed inleven in andere volken”.

 

Hoewel de Indische cultuur voor sommige Indo’s nog springlevend is, constateert De Vries in haar boek toch dat de invloed van de Indische culturele erfenis voor alle generaties in kracht en invloed aan het afnemen is. “Ik denk dat de Indische cultuur aan het verwateren is, alleen al door het feit dat een groot deel van de jongere generatie maar één Indische ouder heeft. Er is geen voeding meer vanuit de herkomstlanden zoals bij Turken, Marokkanen of zelfs Surinamers. Het ziet er naar uit dat de Indische afkomst in de toekomst meer een soort voetnoot in iemands levensverhaal zal zijn, dan een substantieel onderdeel ervan”, meent De Vries. Dunja Landegent betreurt het langzaam uitsterven van de Indische cultuur. “Het is heel jammer dat het verdwijnt, want het is toch een belangrijk stuk van je identiteit. Ik heb het mijn ouders eigenlijk een beetje kwalijk genomen dat zij mij geen Indonesisch hebben geleerd. Ik was eens aan het werk in een winkel toen een Nederlandse man op mij afkwam en Indonesisch tegen mij begon te spreken. Ik kon niets terugzeggen. Ik vond dat heel erg: hij wel en ik als Indo niet….”

 

Roy Melger ziet het verwateren van de Indische cultuur als een onvermijdelijkheid, die geen reden tot verdriet is. “Ja, ik ben ervan overtuigd dat we een uitstervend ras zijn. En nee, dat is niet erg. Want voor alle immigranten-groepen geldt dat ze op de langere termijn alleen nog in hun eigen kringen iets aan de eigen identiteit en cultuur doen”.

 

(Bron: Nieuwsbrief LV-INOG)    

Lees verder…

10897301269?profile=original10897291258?profile=originalN.I.C.C. Magazine  - Actie comité “Traktaat van Wassenaar ‘66” Een nieuwe Indische petitie gelanceerd door ICM

foto - Ondertekening van het verdrag van Linggarjati door de ministers Sjahrir en Schermerhorn

Op 3 juli 2015 werd een nieuwe Indische petitie gelanceerd, waarvoor wij hier graag uw aandacht vragen. Op 7 september 1966 werd na lang onderhandelen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republik Indonesia een verdrag gesloten, dat bekend staat onder de naam: “Traktaat van Wassenaar”. Hierin sloten beide landen een overeenkomst over onder andere een bedrag van 689 miljoen gulden dat zou worden over-gemaakt door Indonesië aan Nederland. Het bedrag van zou moeten worden uitgekeerd als voldoening van claims van particulieren. Aan de bekend-making hiervan en de oproep aan particulieren zou volgens de regering voldoende aandacht zijn besteed. Publicatie is gebeurd in het Reformatorisch Dagblad en in de Staatscourant. Allebei kranten, die slechts door een zeer beperkt deel van de Nederlandse bevolking gelezen worden. In hoeverre de overheid dit dan als het “besteden van voldoende aandacht” wil kenschetsen, is vooralsnog erg onduidelijk.

.

Ten  uitvoerlegging  van het  Traktaat

Het Traktaat van Wassenaar is in 1966 ondertekend door de toenmalige Indonesische regering en de toenmalige Nederlandse regering. Het bedrag is reeds lang door Indonesië overgemaakt, maar er wordt nog steeds niet voldaan aan de overeenkomst om het bedrag ook aan de Indische gemeenschap uit te keren. Binnen de Indische gemeenschap is nu ICM-online,  de Indische Internet-krant, een initiatief gestart, teneinde de Nederlandse Staat te sommeren uitvoering te geven aan Het Traktaat van Wassenaar en de daarbij behorende gelden vrij te maken ter uitkering aan hen die er recht op hebben. Ter illustratie dient het boek: “To forget the past in favour of the future” – Nederland, Indonesië en de financiële overeenkomst van 1966: onderhandelingen, regeling en uitvoering. Auteurs: J.J.P. de Jong en D.M.E. Lessing-Sutherland Uitgave van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2004. De laatste betaling door Indonesië    is in het jaar 2001 voldaan. Inmiddels zou het gaan om (incl. inflatie en rente op rente) een bedrag van ca. 2,4 miljard ( oen)  euro.

10897248258?profile=originalPetitie

Teneinde deze sommatie kracht bij te zetten, is ICM-online een petitie gestart, die zowel op papier (in de ICM-stand op bijna alle komende Pasars) als ook digitaal (via aan het eind van dit artikel vermelde LINK) ondertekenbaar is. Deze petitie zal de Nederlandse Staat moeten overtuigen om nu ook uitvoering te geven aan de overeenkomst die nu bijna 50 jaar geleden door de twee landen ondertekend is. Om een en ander juridisch te begeleiden is een Collectief Advocaten kantoor in Jakarta in de arm genomen. Deze meldde na een onderzoek in Indonesië, dat men in Indonesië “not amused” is.

Tekst Petitie “TvW-‘66”

Wij, De Nederlands-Indische gemeenschap en allen die zich hiermee verwant voelen of zijn,

Constateren dat de Nederlandse regering al bijna 50 jaar de afspraken zoals die in het ‘Traktaat van Wassenaar 1966’ zijn overeengekomen negeert.       De Nederlandse staat heeft de Nederlanders en Nederlandse staatsburgers van Indische afkomst het recht ontzegd op schadeloosstelling voor het verlies van bezittingen, banktegoeden en dergelijke, als gevolg van oorlogshandelingen, niet alleen tijdens de Japanse overheersing in 1942-1945, maar ook tijdens de Bersiap en de daarop volgende Nederlandse oorlog, te weten de twee ‘Politionele Acties’, alsmede de gevolgen van de Ronde Tafel Conferentie van Linggarjati. De Nederlands-Indische gemeenschap en allen die zich hiermee verwant voelen of zijn,

Verzoeken met klem dat de Nederlandse regering in navolging van “De Indische Kwestie” overgaat tot het uitvoering geven van het ‘Traktaat van Wassenaar’, dan wel onderhandelingen opent met het Advocaten Team van Jakarta (ATJ) en het “Actie comité TvW’66”, welk team in deze door laatstgenoemde in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd, met de intentie tot nakoming van de afspraken, vermeld in voornoemd verdrag, teneinde tot een bevredigende financiële regeling te komen voor ieder die er recht op heeft.

10897248258?profile=originalOndertekenen

Kijkt u in de Pasar Kalender aan het eind van deze editie van NICC Magazine waar bij u in de buurt een Pasar Malam gehouden wordt en meldt u daar bij de stand van ICM-online. Daar kunt u in persoon de petitie ondertekenen. Op de website www.icm-online.nl vindt u onder de rubriek Petitie.nl bij het kopje: “Voor nadere informatie, instructie en updates” alle recente info over de petitie, als u op “DOORGAAN” klikt. Daar ziet u ook de locaties waar u de ICM-stand kunt vinden om uw handtekening persoonlijk te zetten. Gebruik onderstaande LINK om de petitie DIGITAAL te ondertekenen.  http://uitbetalentvw66.petities.nl/

Voor de updates : http://petities.nl/nieuws/petitie-tvw66-laatste-update-van-25-juli-2015-1733-met-steun-betuiging-wn-productions?page=11

 

Lees verder…

Gouden Buffel voor Herman Bussemaker

10897300894?profile=originalGouden Buffel voor Herman Bussemaker

De geschiedenis van Nederlands-Indië lijkt de laatste tijd steeds meer te worden gepolitiseerd. En het begrip “tijd” heeft daarin meerdere dimensies. Het gaat over ons verleden, maar evenzeer over hoe wij met dat verleden zijn omgegaan. Na een zorgvuldige overweging heeft de jury een beslissing genomen. De Gouden Buffel 2014 (de prijs voor degene die het afgelopen jaar de geschiedenis van Nederlands-Indië onder de aandacht van het grote publiek heeft gebracht), gaat dit keer naar: Herman Bussemaker. De Jury bestond uit: Prof. Dr. G.J. Oostindie, Dr. J. Somers en Drs. B.R. Immerzeel.

Juryrapport

“Na zijn pensionering gooide Herman Bussemaker het roer om en werd historicus. Bijzonder genoeg groeide hij de afgelopen jaren uit tot de meest spraakmakende geschiedkundige

uit Indische kringen. Zijn boek “Bersiap! Opstand in het paradijs (2015) is nog steeds verreweg het belangrijkste werk over de jaren 1945 – 1946. Met zijn laatste publicatie “Indisch Verdriet” uit 2014 heeft Bussemaker niet alleen getoond een historicus pur sang te zijn, maar ook nog heel strijdbaar. Indisch Verdriet is een zeer scherpe analyse van het lot dat de Indische gemeenschap heeft getroffen na de aankomst in Nederland. Op de cover van het boek zien we repatrianten de scheepstrap afdalen. Onderaan de trap een ambtenaar. Het zou      de ambtenaar kunnen zijn die Bussemaker in zijn boek beschuldigt van de kille ontvangst. De jury ziet echter graag een beeltenis van Herman Bussemaker zelf, op de rug gezien, die de nieuw-aangekomenen vraagt naar hun ervaringen en daar verslag van doet. Zonder al teveel rancune, maar zakelijk zoals dat hoort.

Dat hij in Indisch Verdriet soms moeite heeft met de beschrijving van zijn eigen rol in deze zo belangrijke geschiedenis en af en toe iets teveel in details treedt, zij hem vergeven. De waarde van deze publicatie zal met de jaren groeien; niet alleen door zijn heldere en controleerbare beschrijving van alle na-oorlogse contacten van de Indische gemeenschap met de overheid in Nederland, maar vooral ook omdat het de basis vormt voor de recente onderhandelingen tussen het Indisch Platform en diezelfde overheid.

10897304695?profile=originalHerman Bussemaker in gesprek met enkele leden van de Tweede Kamer

De jury feliciteert Herman van harte en hoopt dat Indisch Verdriet datgene bewerkstelligt wat het heeft beoogd: erkenning  – ten volle – van de wensen      van de Indische gemeenschap. Bron: Java Post

Lees verder…

10897306671?profile=originalTwijfelIndo…..                        Door:  Armando Ello

Indische cultuur verdwijnt òf is springlevend. Wat vind jij?

Dit was één van de stellingen die je veel terug ziet komen als thema van lezingen, Indische kumpulans of salons die ik wel eens bezoek.

Toen de vraag gesteld werd aan een Indisch publiek van ongeveer 60 aanwezigen (jong en oud), wie het met de stelling eens was of    de Indische cultuur verdwijnt  staken twee mensen de hand op.
Bij de vraag  wie vind dat de Indische cultuur springlevend is stak één iemand een hand op.

En de rest?

De volgende opties zou ik me kunnen bedenken waarom:

1)    De rest die twijfelt zou je kunnen denken.

2)    Ze weten het niet.

3)    Ze staan er niet bij stil.

4)    De vraag speelt niet.

5)    …..??

Is het wel de juiste vraag?

Want later kwam er een reactie uit het publiek: Wat geef je nou precies door? Immers moet je wel de juiste informatie doorgeven of in ieder geval weten wat Indisch precies inhoud. Bij mijn videoserie: https://www.youtube.com/watch?v=vLxLGewx77k  gemaakt op de Tong Tong Fair 2014, stelde ik een aantal vragen die Indisch gerelateerd zijn. Deze vragen werden 10 jaar geleden ook gesteld vanuit andere projecten en Indische websites.

Het antwoord is echter min of meer hetzelfde gebleven dus er lijkt niet veel veranderd te zijn in de beleving van jongeren en hun Indische achtergrond. Mijn reactie op de Identiteitsvraag wat Indisch zijn precies inhoud was deze:   “De jongeren twijfelen nog steeds over hun Indisch zijn, omdat Identiteit niets anders is dan een definitie.
Omdat de definitie (nog) niet helder is, is Indische identiteit moeilijk in woorden uit te leggen of te definiëren”. Mijn projecten hier bij HoezoIndo stelt nog altijd deze vraag: In hoeverre leeft de Indische cultuur bij jou?

Wat denk jij?

De Indische cultuur is springlevend? …OF denk je dat de Indische cultuur verdwijnt? Met de reacties hieronder ontwikkel ik een project dat hier wellicht op aansluit. Weet je het niet? Zit je bij de twijfelgevallen dan mag je ook een like of  geven.  Ik ben benieuwd naar je reactie! Reageer op mijn Blog, Facebook pagina of op Twitter:

Twijfelindo: 

Twijfelindo:                        

Twijfelindo:        

Hieronder een selectie uit reacties op mijn blog

Peggy Lammers – Works at “In Between Jobs”

De Indische cultuur is spring-levend. Ik als secretaris van de Indische Stichting tempo Baru organiseer 10 x per jaar een kumpulan en één keer per jaar een busreis naar de Tong Tong Fair. Kijk maar eens op de fotoalbums op onze Facebook-pagina. Indisch zijn….. en voelen….. is toch iets aparts.

Sinyo Jeroen van Uhm – Works at NTI Hogeschool

De Indische cultuur verdwijnt niet (helemaal). Zolang er gemengdbloedige mensen zijn met ideeën en gebruiken, doorgegeven door hun voorouders uit Indië en Indonesië, blijft de cultuur bestaan. Indisch zijn slaat in mijn beleving niet op Indië, maar op  de cultuur van de Indische Nederlanders. Cultuur is  over-draagbaar en dynamisch en het past zich aan aan omgeving en tijd. Je kunt bijvoorbeeld een Javaan nar Suriname verhuizen, maar het blijft een Javaan met een (aangepaste) Javaanse cultuur.

Als ik op het station ben loop ik achter, en niet voor, mensen langs die op het perron staan. Dat is ook Indische cultuur. Ik zeg 'u' tegen ouderen, dat is ook Indische cultuur.  Ik probeer iedereen te betrekken in een groepsgesprek, verjaardag et cetera. Dat is ook Indische cultuur. Als ik kritiek heb op iemand dat zeg ik dat niet hard op waar iedereen bij is. Iemand behoeden voor gezichtsverlies is Indische ook cultuur. Ik vind het raar om in het zicht van bekenden te eten zonder te vragen of zij ook wat willen eten. Dat is ook Indische cultuur. Als ik een beperkt aantal collega's mag uitnodigen voor bijvoorbeeld een jubileumfeest dan heb ik daar moeite mee. Ik wil alle directe collega's meenemen en niemand uitsluiten, zelfs niet degene die ik minder mag. Dat is ook Indische cultuur.


Veel gebruiken, handelingen en ideeën die Indo's bestempelen als 'Indisch is een gevoel' zijn eigenlijk heel bekende gebruiken in Indonesië en Azië.
Veel Indo's gebruiken ze wel maar kennen de oorsprong niet en beseffen niet dat andere Indo's het zelfde doen en denken.
Ik weet zeker dat heel veel Indo's Indische gebruiken doorgeven aan hun kinderen zonder dat ze zelf doorhebben dat het typisch Indisch is.
Maar daarom de Indische cultuur wel blijft bestaan. See More

Rob Kramer – Research Project Advisor at “Zelfstandig”

Het praten in 1e, 2e en verdere generaties gaat ervan uit dat de geschiedenis en cultuur van de indo draait rond de uittocht uit Indië/Indonesië. Als indo’s dit inderdaad als uitgangspunt nemen, dan is het de dood in de pot: latere generaties raken in de tijd steeds verder weg van wat als het pure Indische wordt gezien. De vraag “wat je meekrijgt”, zegt al genoeg. Het is nooit helemaal, altijd minder, een afzwakking over de tijd.


Ik voel mij geen afgeleide generatie: dit is mijn leven en mijn generatie is generatie 0. Ik heb banden met het verleden, maar heb ook banden met de toekomst. Het verleden is niet enkel de Oorlog en de Reis, ik ben een kind van vele generaties en vele culturele invloeden. Ik kijk in de spiegel en zie mijn voorouders in mijn gelaatstrekken. Ik bezit mijn eigen harta karun, mijn schat: oude foto’s, wat familiestukken van generatie tot generatie overgeleverd. Ik raak ze aan en voel hun kracht. De tastbare restanten van voorbije levens, magische objecten: niet om enige toverij, maar om de verhalen waaraan zij de herinnering levend houden. Mijn voorouders lazen de bijbel, maar reciteerden ook de koran. Zij aten brood en gortepap, maar ook rijst en tempeh. Heldenmoed en lafheid, liefde en verraad, grootse daden, klein geluk en stil verdriet.
Dit alles draag ik mee, is deel van mijzelf. Maar ik leid mijn eigen leven in het hier en nu.


De ideeën, idealen, frustraties, vijandbeelden en slachtofferschap van oudere generaties zijn niet de mijne. Soms kruist mijn pad een aantal jongere indo’s die anders dan ik het kantelmoment van Oorlog en Reis hebben geïnternaliseerd, maar toch de afzwakking over de tijd niet accepteren en als antwoord de last van eerdere generaties op zich hebben genomen. Voor hen is het nog steeds het midden van de twintigste eeuw. Zij verlangen van indo’s dat zij zich conformeren aan wat toen indo’s dachten, voelden en deden, of beter, wat zij vinden dat indo’s dachten, voelden en deden – en worden agressief als indo’s andere wegen bewandelen. Misschien denkt u nu dat ik overdrijf, maar nog maar een paar dagen geleden werd ik door een aantal indo’s op een Facebook Community uitgemaakt voor NSB-er omdat ik volgens hen heb gekozen zou hebben voor de voormalige vijand Indonesië. Het Indische uitgedragen als een naar, in zichzelf gekeerd ressentiment….
Dát zit niet in mijn schatkamer. See More

Chris Tan – Groepsleerkracht 1/2 at Montessorischool Rhenen

Ik ben ontzettend trots op mijn cultuur, maar die cultuur is voor mij meer dan datgene wat er hier in Holland telkens aangehaald wordt. Ik ben trots op mijn cultuur wanneer ik daadwerkelijk daar met mijn familie ben, en ik met mijn oma praat. Indonesië is voor mij niet alleen het koloniale tempo doeloe. Indonesië is voor mij meer dan dat. Ik denk dat veel mensen nog teveel vasthouden aan het oude plaatje dat we kenden van het Indisch zijn. Dat je spekkoek en roti kukus en altijd met een lepel eet bijvoorbeeld vind ik echt bullshit. Ik voel me heel Indisch ondanks ik niet elke gerecht op de Indische kaart ken. Het is denk ik een soort van gevoel dat je in ere houdt.

 

Cathy Berg

Ik ben van de 2e generatie. Na een hele lange periode van stilte merk ik inderdaad een opleving en ben het met Leroy eens. Dankzij de media, FB etc. Ook bij onze vier kinderen die uiterlijk meer op hun Hollandse vader lijken merk ik meer interesse naarmate ze ouder worden. Zelf heb ik dat proces ook meegemaakt als in Nederland geboren en getogen Indo.

 

Artifat Atelier – CLI Utrecht Mijn moeder kwam uit de binnenlanden (Soenda) van Indonesië, mijn vader was een Indo, Europese scholing.
Ik ben een Indo, mijn kinderen zijn Indo (Indische vader) en mijn kleinkinderen ook Indo. En we koken er Indisch op los!
Verder organiseer ik ook de kumpulan Madjoe Baru Maastricht en zie dat er verjonging optreedt en interesse is in het "Indisch" zijn: vooral de taal, het Indisch-gevoel en je daarmee verbonden voelen met elkaar. Als de Indo dan al uitsterft, blijft er een wereldburger van allerlei de gemengde achtergronden voort-bestaan, waarin zij elkaar herkennen.

 

 

10897307066?profile=originalErik Cox

Hoi Armando, Indische cultuur is niet springlevend, maar ook niet aan het verdwijnen. Ruim tien jaar heb ik als bestuurslid van Darah Ketiga een kijkje kunnen nemen in het sociaal netwerk van Indische verenigingen en stichtingen. Ruim vier jaar geleden hebben wij de vereniging opgeheven. Hoewel ik in de afgelopen decennia de verenigingen, stichtingen en organisaties van kumpulans en dansavonden heb zien verdwijnen (alsmede de eerste Indische generatie)   is  er  wel   zeker  op

 

andere vlakken sprake van een Indische cultuur. Ik heb altijd geroepen tijdens mijn functie binnen Darah Ketiga: een cultuur die zich niet ontwikkeld is een cultuur die stagneert. Een cultuur die stagneert is ten dode opgeschreven. Dat is tekstboek omschrijving, maar voer het eens uit; een cultuur ontwikkelen van een gemeenschap die zo divers is en verspreid is over... Nederland toen in de kleinste dorpjes van het land. Het bereiken van jong en oud is onmogelijk als zij niet op zoek zijn, of niet weten waar ze moeten zoeken naar die vaste rots waar zij zich aan kunnen vastklampen tijdens hun zoektocht of juist hun rustig vaarwater in het samenzijn met cultuurgenoten. Mijn persoonlijke mening is dat we bepaalde standaard waarden moeten vasthouden maar ook een heleboel visies c.q. denkbeelden moeten loslaten om onszelf als cultuur te ontwikkelen. Beginnend met acceptatie van elkaar voordat we onszelf kunnen profileren naar de buitenwereld. De enne Indo heeft meer met Indonesië dan de ander, de enne is westers in omgang de ander niet. Dat is allemaal bijzaak. Ik nodig iedereen, inclusief Hoezo Indo en zijn lezers, om contact op te nemen met mij. We zijn bezig   om op 15 augustus (Indië-Herdenkingsdag) een reünie te organiseren voor oud-Darah Ketiga leden. Dit gebeurt bij een instelling waar al een herdenking gepland is, dus ruim andere mensen aanwezig. Ieder die zich geroepen voelt om aanwezig te zijn (cultuur uit te dragen) is vrij om contact op te nemen.

 

Hoe dit boekproject de Indo aan het twijfelen zet

 

Wanneer ik nog eens terugkijk naar mijn crowdfund video, mis ik een beetje mijn eigen duidelijke ‘waarom’ van dit project. Die wil ik graag met je delen, want ondanks het belangrijk is dat  wat ik maak en hoe ik dit project realiseer mag het belang van dit project niet ontbreken. De meeste van jullie die mij met interesse volgen hebben wellicht een idee waarom.  Ik wil hier graag wat uitgebreider ingaan over de inhoudelijke richting van het boek.

10897306701?profile=originalGemengd bloed

Simpel gezegd: Ik geloof dat je sterker in je schoenen staat als je weet wie je bent en waar je vandaan komt.

 

 

Wat als je het de de volgende generaties zou vragen? Hoe is hun identiteitsbeleving om gemixt te zijn? 

Een sterk identiteitsgevoel is van veel factoren afhankelijk. Als je ouders en je grootouders een verschillende identiteit hebben. Je opvoeding en hoe jou omgeving je ziet zijn sterk van invloed op je identiteitsgevoel.

 

Een ouder die zelf met identiteit worstelt samen met een ouder/partner die ook een eigen identiteit heeft is niet dezelfde ervaring als de Identiteit die het kind ervaart die misschien wel qua bloed verwaterd is tot een achtste Italiaans, Nederlands, Duits en Indisch.

Je kunt zeggen dat dit kind 100% Indisch is, maar als hij/zij niets weet van die achtergrond en alleen op andere wijze is opgevoed en opgroeit in een Nederlands, Amerikaans ofwel Europese omgeving, de taal niet kent, niet weet wat een ‘Indo’ is.

Wat kan er dan nog worden doorgeven?

 

En hoe bewust ben je van de meerdere identiteiten die je hebt?

Toch is er iets met dat kleine beetje Indisch, meer dan het eten. Indië spreekt tot de verbeelding. Het is toch een gevoel wat wordt doorgegeven. Zonder woorden te gebruiken en dat maakt dat beetje Indisch mysterieus. 

Relaties en levensfases 

Een kind van gemixte of halve identiteit ervaart verschillende percepties van mensen in verschillende relaties en fases. Mogelijke  onderwerpen zouden aan bod kunnen komen in het boek, want de interviews bepalen de verhalen in hoe een individu zijn of haar identiteit ervaart.

 

• Op School
• Op het Werk
• In de liefde
• Ouders en familie
• De buurt
• Vrienden en vreemden
• Politiek en religie

 

In bepaalde gevallen kunnen zij kiezen voor welke identiteit zij  hanteren of voelen en in andere gevallen wekt die keuze onbegrip en wordt hij/zij niet serieus genomen. Hieronder wat typische voorbeelden uit interviews, gesprekken met mede-Indo’s en TwijfelIndo’s:

 

School: ‘Mijn opa heeft in het Jappenkamp gezeten’.. Nee, dat kamp telt niet mee’.. werd haar verteld.

Ouders & opvoeding: Heeft een Aziatisch  geadopteerd kind een Indische identiteit als hij of zij op Indische wijze is opgevoed? Wordt hij of zij geaccepteerd door de Indische Community als hij of zij geen Indische gelaatstrekken heeft?

Familie: ‘Ow hij/zij is de witte in de familie, dat is een nep Indo’..

Familie/vrienden: ‘Je bent niet Indisch je bent een totok, want jou voorouders hadden een onderneming op Java en hebben zich niet gemengd met de inheemse bevolking’.

Buurt: Een Nederlands kind die opgroeit in de Molukse wijk en bevriend raakte met Molukkers en vervolgens in elkaar geslagen werd omdat hij werd aangezien voor een Indo. 

Voelt zich ondanks nog steeds thuis in de  Indische  cultuur, omdat hij nou eenmaal met hen is opgegroeid. 

 

Deze verhalen van de zogenoemde TwijfelIndo’s laten zien wat de Indische cultuur meebrengt aan identiteits-belevenis. Het uiterlijk speelt een grote rol daarin. Wat zij te vertellen hebben geeft een inzicht voor mensen van verschillende etniciteiten die gemengd bloed hebben.

 

10897307096?profile=originalBelang van dit bijzondere boekproject

Wat ik probeer te bereiken met dit boek is dat Indo’s in alle uiterlijke en innerlijk verschijningen makkelijker kunnen praten over hun afkomst en de geschiedenis van hun familie.

Ik droom van de een wereld dat die geschiedenis herleeft in nieuwe vormen van  identiteit die zich doorvertaald in inspiratie tot het vertellen van persoonlijke verhalen.

Inspiratie voor het maken van kunst. Het maken van een boek, een documentaire, een film en fotografie. Hoe meer verhalen worden overgedragen, hoe meer Indische cultuur gaat floreren.

De eerste stap om meer te weten over jezelf is te beginnen bij je eigen (Indische kant) van je familie. En misschien opent dit boek de dialoog daarvoor, want je zult versteld staan hoe verschillende Indo’s eruit kunnen zien en toch op hun manier zo ontzettend Indisch kunnen zijn.

Dat je er misschien niet Indisch uitziet, maakt je niet minder Indisch.

 

___________________________

Lees verder…

“Wat komen jullie hier doen?”

10897306272?profile=original“Wat komen jullie hier doen?” 

De documentaire “Wat komen jullie hier doen?” gaat over de periode na de Bersiap en de feitelijke onafhankelijkheid van Indonesië op 27 december 1949. De meeste Indische Nederlanders moesten hierna Indonesië verlaten. In Nederland kwamen ze begin vijftiger jaren bij de eerste opvang terecht in de voormalige concentratiekampen Westerbork en Vught, in contractpensions    en bij familie als daar ruimte aanwezig was.

De eerste groep van ruim 80.000 vluchtelingen, die meestal; aangeduid werden als Indische repatrianten, kwamen tussen 1950 en 1952 naar Nederland.

 

In de periode hierna zijn nog eens meer dan 200.000 Indische Nederlanders, waaronder 12.500 Molukkers, naar Nederland gekomen. Verreweg de meesten van hen waren nooit eerder in Nederland geweest.

 

De documentaire

 

De eerste grote groep Indische Nederlanders die uit indonesië vluchtte, kwam al vanaf januari 1950 met schepen aan in Rotterdam en sommigen in IJmuiden. Ze hadden geen idee hoe ze in Nederland opgevangen zouden worden. Een van hen vertelt: “In juli 1950 kwamen we in Nederland aan. Ondanks dat men zei dat het zomer was, hadden we het ijskoud. En ik was hoogzwanger. We hadden geen enkel idee waar we heen zouden gaan. Er stonden grote bussen klaar en daar moesten we instappen. We gingen met twee bussen, met baby’s, met kinderen op schoot, met zwangere vrouwen. De chauffeur van de bus zei: “Waar we jullie naar toe moeten brengen, dat is helemaal niets voor jullie. Als er hier in de bus mensen zijn, die in de buurt of waar dan ook nog familie hebben waar jullie naar toe kunnen, dan brengen we jullie alsnog naar jullie familie”. Maar de meeste mensen hadden hier helemaal geen familie”. 

 

10897306461?profile=originalIn voormalige Duitse Concentratiekampen

 

“We kwamen met de bussen aan toen het al donker was. De kamp-beheerder kwam uity zijn grote huis, hief zijn armen in de lucht en riep: “Wat komen jullie hier doen? Er5 is hier geen eten en we hebben hier niet eens bedden”. De mannen werden van de vrouwen en kinderen gescheiden. Wij moesten in het begin in aparte barakken slapen. Onze m,annen moesten eerst bij de boeren in de omngeving stro halen en daarmee moesten we zelf matrassen vullen. We wisten niet wat ons overkwam. We wisten ook niet dat Westerbork een concentratiekamp was geweest voor Joden, die daarna naar de vernietigings-kampen in Duitsland en Polen getransporteerd werden. Daar hadden we in Indië niets van meegekregen. We vroegen ons af waar we terecht waren gekomen. Ik ben bevallen op een stapelbed. Toen onze zoon geboren werd, zei de zuster tegen mijn man: “Nou, hier is je zoon; met je vrouw gaat het ook goied en je weet verder wel wat je doen moet”. Het was ons eerste kind en wisten wij veel”. Aldus het relaas van een van de gerepatrieerden.

 

10897306488?profile=originalVervolg op Archief van Tranen

 

Deze documentaire, die in augustus zal worden uitgezonden door Omroep MAX, is het vervolg op het tweeluik “Archief van Tranen”, dat eerder werd uitgezonden. In dit tweeluik werden de  vrijwel onbekende massamoorden onthuld op Nederlandse burgers, die plaats-vonden tijdens de onafhankelijk-heoidsstrijd in het voormalige Nederlands-Indië. Deze periode staat bekend als de Bersiap.

 

Met bussen kwamen ze aan bij     het Kamp Westerbork (woonoord Schattenberg)

 

Doel documentaire

 

Documentairemakers Pia van der Molen en Michiel Praal verwoorden de doelstellingen van hun nieuwste productie als volgt: “De Indische gemeenschap in Nederland staat tot op de dag van vandaag bekend als hét voorbeeld van integratie. Zij hebben zich stilzwijgend geschikt in hun lot hier, in het voor hen toen nog onbekende vaderland. Over wat zij tijdens de Japanse bezetting, de erop volgende Bersiap-periode en de daarna volgende gedwongen verbanning uit hun moederland naar het koude Nederland, hebben meegemaakt, is vooral gezwegen. Maar wij, inwoners en overtheid van Nederland, hebben hier ook nooit naar gevraagd. We waren in de wederopbouw na de oorlog vooral met opnszelf bezig, met de verwerking wat óns in de oorlog overkomen was. We waren bezig met het begin van het bouwen aan een welvaartstaat”.

 

10897306501?profile=originalOok in het voormalig Duits concentratiekamp Vught (woonoord Lunetten) werden de Indische mensen opgevangen.

 

“Het is belangrijk dat als vervolg op de documentaire reeks “Archief van tranen” over de bloedige verschrikkingen van de Bersiap-tijd, de verhalen ovber het moeten vluchten naar Nederland en de kilte waarmee de Indische Nederlanders hier zijn ontvangen ook opgetekend wordt”, aldus de makers.

 

Televisie-uitzending

 

De documentaire “Wat komen jullie hier doen?” is germaakt door Pia Media bv in Bussum in opdracht van Omroep MAX. De Televisie-uitzending is op 15 augustus 2015 op NPO 2 om 17.30 uur. De documentaire heeft een lengte van 50 minuten.

Nadere inlichtingen op de website www.pia-media.nl en via e-mail: michiel.praal@pia-media.nl Tel: 06-51357195.

 

 

Lees verder…

ERESCHULD EN BOETE

10897301468?profile=originalERESCHULD EN BOETE

foto :  Michel Korzec.

Een ander lid van de Indische gemeenschap is een zekere mevrouw Spoor-Dijkema die na vijftig jaar nog verkondigde dat er geen goede Jappanners bestaan (‘Vrij Nederland’, 1991).

Deze uitspraken uit de Indische gemeenschap zijn in- en intriest en teleurstellend.

De redactie van de Volkskrant (1991) had schijnbaar in een moment van verstandsverbijstering (?) het geschrift van een zekere heer Korzec geplaatst, die (in een column) commentaar gaf over de, zoals hij het noemde “gedisproportioneerde” aanspraken van de Stichting Japanse Ereschulden.

 

 

Hoezo gedisproportioneerd? Waar haalt mijnheer Korzec die wetenschap vandaan dat te beweren en zich dat aan te matigen? Stoken en modder over een gemeenschap uitstorten die hij helemaal niet kent; is hij een geïnterneerde uit WO II of anderszins een oorlogsslachtoffer? Voorzover ik na kan gaan, is dat niet het geval. Maar het kwaad is al geschied en de destructie heeft zijn werk gedaan. Het doet er nu ook niet meer toe omdat hij kennelijk de bedoeling had mensen voor de schenen te schoppen en te beledigen. Of draagt deze wijsneuzige meneer nog latente en onbegrepen ressentimenten met zich mee, al zeulend, onder een merkwaardig soort jaloezie waarvan hij zelf oorsprong en oorzaak niet meer weet (als oorspronkelijke niet-westerse Europeaan)? Om hier in West Europa voor vol te worden aangezien, moet je toch wel driftig om je heen slaan en zeuren over zaken waar je immers geen ene notie van hebt? Een buitenstaander heeft doorgaans de grootste mond omdat hij zelf betrokken noch verantwoordelijk is. Ik gun als sociaal mens en rechtgeaard vrije democraat van nature een ieder zijn mening en de vrijheid een mening te verkondigen zoals men wil maar hier is geen sprake van een mening: het is een onvervalst oordeel. Dat deze man door Kousbroek ook is aangehaald met betrekking tot de claims van de Stichting Japanse Ereschulden wil niets zeggen over de kwaliteit van zijn geschrift of denkbeeld, laat staan over de man zelf. Ik raad hem dan ook aan zich eerst te verdiepen in de Indisch-Nederlandse geschiedenis, talloze rapporten en vooral de NIOD-rapporten te lezen voordat hij zich waagt aan enig oordeel.

 

Heel anders is het bij burger-geïnterneerden en anderen die aanspraken maken op een materiële genoegdoening die overeenkomt met andere claims van oorlogsslachtoffers en die volstrekt gedisproportioneerd is, om dat woord nog maar eens te gebruiken.

Het is voor mij onbegrijpelijk van Kousbroek dat hij uit de column van Korzec alleen het woord gedisproportioneerd eruit heeft gepikt. Over het waarom, krijgen we het volgende te lezen:

“De overlevenden van de Duitse kampen kregen Wiedergutmachung dat willen de Indische geïnterrneerden ook, maar ze willen meer. Ze willen twintig keer zoveel.”

Nu gooit Kousbroek (zelf geïnterneerd om het nog erger te doen lijken), net als Korzec, een knuppel in het hoenderhok, en maakt louter om te JENNEN), een behoorlijke fout met de hiervoor genoemde misplaatste en ridicule opmerking. Ik vind dit zo teleurstellend en bijzonder gemeen van de man om een groep mensen (waar hij, naar hij zegt zelf toe behoort) neer te zetten als lamenterende klagers. Kousbroek weet drommels goed dat dit onwaar en buiten de werkelijkheid is! Ze willen helemaal niet MEER, ze willen volledige genoegdoening (hetgeen nog niet is gebeurd) wat hen recht doet en rechtens toekomt, nu in materiële zin die gelijk is aan  andere oorlogsslachtoffers. Wat kan die man toch zeuren om iets waarmee hij, naar hij zelf zegt veel moeite heeft, namelijk over het onrecht dat in dit land met voeten wordt getreden. Onbegrijpelijk.

 

Bij onze Europese buren gebeurde de compensaties (voor hún koloniën) toch vloeiender en beschaafder en vraag men zich af of  het de Nederlandse regering historisch nog niet duidelijk genoeg is dat de buurlanden Frankrijk, Engeland hun voormalige koloniën (nog afgezien van de VS) en zelfs het straatarme Portugal hun slachtoffers volledig hadden gecompenseerd. De internationale schande die Nederland hiermee op zich laadt, is buitengewoon groot wanneer dit langer blijft duren. Alles staat in de NIOD-rapporten waar en hoe de Nederlandse regering moet handelen.

Nederland wordt nu internationaal constant in de gaten gehouden (gemonitored zoals dat hedentendage heet) nu deze kwestie speelt en dus actueel is, om te weten waarmee en vooral op welke manier de Nederlandse Staat tot een voor de Indische gemeenschap bevredigende oplossing zal komen aanzetten.

 

Er gaan in mijn directe omgeving al stemmen op om Europese (juridische) sancties op te leggen aan hen die verantwoordelijk zijn voor het onrecht aangedaan aan een gemeenschap; die zijn, zo ik heb vernomen in voorbereiding voor het geval de Indische Kwestie niet snel wordt opgelost.

 

Om alles in juiste verhoudingen te zien schrijft Kousbroek vervolgens dat Duitsland aan de Joodse slachtoffers (per hoofd) ca. fl. 2000 had betaald. Ziedaar zijn grote berekeningsfout. Zoals we weten uit de gegevens werd per hoofd aan de Joodse gemeenschap meer dan fl. 40 duizend uitbetaald, evenals de Roma/Sinti-gemeenschap overigens. Ziedaar, zij werden geheel gecompenseerd. Kousbroek was dus weer niet goed geïnformeerd over de hoogte(s) van de respectievelijke vergoedingen/compensaties aan Europese slachtoffers. Waar haalt hij die compleet foute informatie toch vandaan? Ik neem hem dit zeer kwalijk. Hier lijkt iemand flink met cijfers te goochelen en een dom spelletje te spelen, kijken of een gek er misschien in trapt. Het bedrag heeft exact de hoogte die overeenkomt met de claim van de Indische gemeenschap (20 x fl. 2000 weet u nog?) (de burger-geïnterneerden e.a.). Dat is volstrekt helder en legitiem. Sterker nog, de Indische gemeenschap heeft in haar aanspraken zelfs de geldontwaarding, langer dan zestig jaar nog niet eens in het bedrag verdisconteerd. Een bedrag van € 35 duizend is daarom zelfs heel redelijk (zij het altijd nog te schamel bij nader inzien moet ik erbij zeggen, zowel letterlijk als figuurlijk.)

 

Nu komt de vraag weer op: waar komt die agitatie van Kousbroek vandaan om uitgerekend dit punt te berde te brengen? En dan: waarom maakt hij zich zo verdomd druk om deze zaak waarbij hij persoonlijk geen enkel belang heeft maar waarbij hij wel anderen onnodig tegen de schenen schopt? Ook dit reken ik hem bijzonder aan. Dat hij persoonlijk zelf de materiële genoegdoening niet nodig heeft, is zijn zaak en keuze maar dat hij op de stoel van een ambtenaar gaat zitten om zijn onredelijke betoog publiekelijk te spuien is werkelijk niet comme il faut.

 

Laten we eerlijk zijn en niet doen alsof het bedrag zo hoog en onoverkomelijk is.

En dan de onheuse behandeling en onrechtvaardigheid in deze kwestie die meer dan 65 jaar heeft geduurd. Het is nu de allerhoogste tijd om hier komaf te maken en een definitieve streep te zetten onder deze (voor ieder) pijnlijke Indische kwestie. Kousbroek gaf zelf toe (waar komt opeens die ambivalentie van hem vandaan?) dat de Nederlandse Staat (al die regeringen na WO II, de KVP onder leiding van Romme (de man die de vermaledijde “fokpremie” heeft ingevoerd, waar hij de sociale bijverschijnselen van die wet op de koop toe nam, voorop met zijn uitspraak:


 “.. we zijn hun niets verschuldigd..(.)” zo onvoorstelbaar stupide, grievend, laks en bovendien krenterig en geborneerd handelt wanneer het om aanspraken en in het algemeen over gelijkstelling gaat.

 

De Nederlandse Staat had al lang de tijd gehad om komaf te maken met de Indische Gemeenschap en ze in hun aanspraken volledig tegemoet te komen. In de 60-er en 70-er jaren had de Indische Gemeenschap toen hard en met de vuisten op tafel moeten slaan; maar ze waren hiervoor te beschaafd (“overbeschaafd”, schreef Jan Blokker – scheen geen visitekaartje te zijn PS).

En juist die houding tekent en kenmerkt het lot van mensen die dachten dat de ander uit hetzelfde hout waren gesneden. Het is met die bescheidenheid nu geheel afgelopen, de messen geslepen en de barricades opgesteld.

 

Per slot zijn de NIOD-rapporten waarin de aanspraken van de Indische gemeenschap zijn neergelegd en bevestigd niet voor niets opgesteld Waar moeten ze nog op wachten? Tot ze allen dood zijn? Er is immers geen enkele belemmering om de aanspraken nu uit te voeren; en ondertussen worden weer miljarden euro’s de wereld in geslingerd in plaats van recht(en) en democratie te exporteren voor al die ontwikkelingsprojecten waarvan een handvol uitvoerders het meeste profijt trekken en dat uit gemeenschapsgeld, tegen ongelijke verdeling en onrecht in de Wereld, maar eigen burgers worden ondertussen hun rechten ontnomen en volstrekt genegeerd. De woorden van Kafka zijn hier vlees geworden.

 

10897270465?profile=original

10897270653?profile=original

Het NIOD gebouw – Amsterdam.

 

10897269292?profile=original

 

10897302663?profile=original

De stille tocht 2012 Den Haag – de stoet naar plein 1813.

 

Door :

 ICM Columnist / respondent

 Pjotr Xerxes Siccama

10897249257?profile=original


 

Lees verder…

10897412481?profile=original

10897405889?profile=original

Pasar Malam Tropenvrienden Den Helder 8 t/m 10 juni 2019.

In de prachtig aangeklede Mastenhal op het Willemsoord in Den Helder zal alweer voor de vijftigste keer de Pasar Malam Den Helder worden georganiseerd. Een waar jubileum met tal van verrassingen. Maar daarover later deze maand meer.

Een passe-partout als leuk Moederdag cadeau?

Wat is het leuk om nu al samen met de hele familie te plannen om naar de jubileum uitvoering van Pasar Malam Tropenvrienden te gaan?

En natuurlijk komen Ais Lawa-Lata en Tante Lien ook!

In de online voorverkoop zijn de tickets en ook de passe-partouts voordeliger dan bij de kassa. Zieonderstaande link!

10897406666?profile=original

10897406874?profile=original

 

10897407076?profile=original

10897407300?profile=original

10897407870?profile=original

Lees verder…

10897253880?profile=original

HET GEBAAR -  Hoe dachten de politieke partijen destijds over de Indische Gemeenschap ?

25 839
Tegoeden Tweede Wereldoorlog

nr. 23
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 februari 2001

De vaste commissie voor Financiën1 en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport2 hebben op 8 februari 2001 overleg gevoerd met minister Zalm van Financiën en minister Borst-Eilers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over:

– de voortgang van de werkzaamheden in verband met de tegoeden Tweede Wereldoorlog (25 839, nr. 17);

– de voortgangsrapportage Tegoeden Tweede Wereldoorlog (25 839, nr. 18), voorzover de stukken betrekking hebben op de Indische tegoeden;

– de nadere uitwerking van de regeringsreactie naar aanleiding van het rapport van de begeleidingscommissie onderzoek Indische tegoeden (25 839, nr. 21).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Middel (PvdA) stipt aan dat de Kamer de regering tijdens het vorige overleg heeft gemeld dat er te veel bezwaren leefden om akkoord te kunnen gaan met het voorstel inzake de Indische tegoeden. De regering en het Indisch platform hadden geen overeenkomst bereikt over de hoogte van het bedrag, de keuze voor individuele uitkeringen en het door het platform ongewenste onderscheid tussen binnenkampers en buitenkampers. Bovendien zijn er door veel betrokkenen vraagtekens gezet bij de representativiteit van het Indisch platform.

Het inmiddels bereikte resultaat is beter, maar roept toch enkele vragen op. Er is een akkoord bereikt met het Indisch platform over een bedrag van 350 mln. gulden voor individuele uitkeringen en 35 mln. gulden voor collectieve doelen. De in allerlei organisaties en clubs gefragmenteerde Indische gemeenschap blijft echter twijfels uiten over het Indisch platform als representatief orgaan. Het is niet de taak van de Kamer noch van de regering om, zoals hier en daar is geopperd, alsnog een dergelijk orgaan in te stellen. Vastgesteld moet worden dat de Indische gemeenschap, in tegenstelling tot de joodse gemeenschap, blijkbaar niet in staat is om een breed draagvlak te organiseren. Het moge echter duidelijk zijn dat het overboord zetten van de verschillen ertoe zal leiden dat de onderhandelingspositie ten opzichte van de overheid sterker wordt.

De heer Middel vindt het akkoord redelijk, zeker omdat het onderscheid tussen binnenkampers en buitenkampers is weggevallen. Enige verdieping in deze ingewikkelde problematiek maakt immers duidelijk dat het anno 2001 niet op de weg van het parlement ligt om hierop inhoudelijk in te gaan. Het is overigens onduidelijk of een deel van het bedrag van 35 mln. gulden ook wordt of kan worden besteed aan (de problemen rond) het Indisch huis. De regering blijft toch betrokken bij de besteding van dit geld?

Meer in het algemeen blijft onduidelijk, ook voor betrokkenen, of met het bereikte akkoord over «350 plus 35 mln.» de zaak is afgerond. Het Nederlandse rechtssysteem houdt, zoals bekend, de mogelijkheid van individuele claims open. Daarnaast bestaat er echter onduidelijkheid over het overigens zeer te waarderen breed historisch onderzoek, waarin ook aandacht zal worden besteed aan de financiële aspecten van het rechtsherstel. Volgens het Indisch platform, dat overigens onder druk van de demografische ontwikkeling van haar achterban akkoord is gegaan met de 350 mln. gulden, biedt dit een opening om naar aanleiding van nieuwe gegevens het gesprek met de overheid voort te zetten. Kan de minister helderheid brengen op dit vlak? De zaak is nu toch klaar?

De heer Middel spreekt de hoop uit dat bij de verdeling van het geld over de Indische gemeenschap en bij de besteding van het geld voor de collectieve doelen wegen gevolgd kunnen worden analoog aan die bij de joodse gemeenschap. Gelukkig blijkt er reeds sprake van enige contacten tussen beide groeperingen. De regering blijft toch ook betrokken bij deze structuren?

Reeds eerder zijn vier andere groepen van oorlogsgetroffenen naar voren gebracht, die in dit verband in meer brede zin relevant zijn. Het gaat om homoseksuelen, kinderen van Jehova's getuigen, reizigers en dwangarbeiders. Kan de minister enig licht werpen op eventuele vorderingen op dit vlak, ook in relatie met de stichting Burger oorlogsgetroffenen (SBO)? Hoe staat het daarnaast met de pensioenen? De bij SBO geregistreerde mensen hebben via de IOM (Internationale organisatie voor migratie) formulieren ontvangen die hier en daar de verwachting op een vergoeding oproepen. Is de opstelling van de overheid niet te formeel? Hier is eveneens enige spoed op zijn plaats, gelet op de ook hier geldende demografische ontwikkeling.

Mevrouw Meijer (VVD) maakt duidelijk de vele berichten en gegevens uit de Indische gemeenschap zeer op prijs te stellen, daar deze duidelijk geholpen hebben bij het maken van de uiteindelijke afweging.

Zesenvijftig jaar na het einde van de verschrikkingen in en buiten de kampen in Nederlands-Indië zal ruim 350 mln. gulden worden verdeeld over de Indische gemeenschap, als tegemoetkoming voor de kille en afstandelijke behandeling door de verschillende regeringen na de Tweede Wereldoorlog. Mevrouw Meijer stemt hiermee in. Veel Indische Nederlanders namen destijds verzwakt, berooid en bedreigd, noodgedwongen afscheid van Nederlands-Indië. In Nederland vonden de repatrianten en emigranten geen troost of begrip in een samenleving die alle aandacht vestigde op de wederopbouw. Opeenvolgende naoorlogse regeringen hebben vervolgens bij de gehele groep Indische Nederlanders een nog immer actuele, fundamentele frustratie opgeroepen over onmacht, onrecht en leegte. Dit onverdraagbare verdriet, het gevoel te kort te zijn gedaan door de Nederlandse overheid, valt natuurlijk niet weg te nemen of te restitueren met het door de regering overeengekomen gebaar.

Mevrouw Meijer heeft kennisgenomen van de brief van 12 december 2000 van de minister van VWS. Kan de regering toelichten wat verstaan wordt onder «rechtsherstel» en «gebaar»? De bereidheid van de regering om tot een grondig historisch onderzoek naar het rechtsherstel te komen is verheugend. Wat is echter de betekenis van dit onderzoek? Komt het rapport Aspecten van rechtsherstel, van het Indisch platform, daarbij ter sprake? Kan het onderzoek ook financiële consequenties hebben? De minister schrijft dat naast het collectieve gebaar van 350 mln. gulden individuele claims mogelijk blijven. Enige toelichting is hierbij vereist, opdat hierover duidelijkheid ontstaat binnen de Indische gemeenschap. Wat is bijvoorbeeld de positie van Indische Nederlanders die buiten Nederland verblijven? Meer in het algemeen moet helderheid worden geboden inzake de organisatorische afhandeling. Waar kunnen claimanten terecht die het niet eens zijn met de afwikkeling van hun claim?

Mevrouw Meijer roept de Indische gemeenschap op om voortvarend en in het belang van die gemeenschap tot een voor iedereen aanvaardbare afronding van dit lastige dossier te komen. Hoe groot de frustraties ook zijn, er moet nu het nog kan, snel en effectief recht worden gedaan aan wie het toekomt.

Mevrouw Giskes (D66) vindt het treurig dat ruim vijftig jaar na dato nog steeds over dit onderwerp gesproken moet worden. Daarbij past alleen een vorm van gêne. Ook het parlement immers heeft in de jaren na de oorlog te weinig oog gehad voor de positie van Indische Nederlanders. De brief van 12 december brengt echter een heel goede oplossing nabij, waarbij het vervolgens vooral op de uitvoering aankomt.

Bij de door de regering gekozen aanpak inzake de Indische gemeenschap lopen de thema's gebaar en rechtsherstel enigszins door elkaar. Dit komt vooral omdat de verschillende groepen oorlogsgetroffenen in dit verband niet goed te vergelijken zijn. Bij de joodse gemeenschap is er sprake van een vrij nauwkeurige berekening inzake het rechtsherstel. Bij de Sinti en de Roma is er uitsluitend sprake van een financieel gebaar. Bij de Indische gemeenschap moet vastgesteld worden, gegeven de huidige kennis, dat deze zaken door elkaar lopen. Primair lijkt het te gaan om een gebaar, ook hangende het te komen breed historische onderzoek. Dat onderzoek moet het hele verhaal vertellen, in geschiedkundige zin en inzake het (financiële) rechtsherstel van de verschillende groepen die in dit verband onder de noemer van de Indische gemeenschap vallen. Veel van de betrokkenen waren lange of korte tijd weg uit Nederland of waren er nog nooit geweest. Ook daarom zal hun terugkeer in de Nederlandse samenleving anders zijn geweest dan bij de andere gemeenschappen. Meer in het algemeen moet overigens bedacht worden dat het vrijwel onmogelijk is, na zoveel tijd de lucht definitief te klaren.

Mevrouw Giskes acht de 350 mln. gulden, waarop het overleg tussen de regering en het Indisch platform uit is gekomen, aanvaardbaar. Het is goed om vast te stellen dat er een vorm van overeenstemming is gevonden en dat er een gevoel van tevredenheid bestaat bij de vertegenwoordigers van de Indische gemeenschap. Het onderscheid tussen binnenkampers en buitenkampers is dan ook vervallen en bovendien is er nu sprake van een individuele uitkering. Vervolgens is van belang dat er ook snel overgegaan kan worden tot het verstrekking van de uitkeringen. De overheid heeft op dit vlak immers reeds enige ervaring opgedaan met de joodse gemeenschap.

De 350 mln. gulden aan individuele uitkeringen lijkt bestemd te zijn voor mensen die in de periode 1941–1945 aan dan lijve de oorlogstijd hebben meegemaakt in Indonesië. Kan de minister dit bevestigen? Als vervolg op het technische onderzoek naar individuele claims zal er ten dele verder onderzoek plaatsvinden naar rechtsherstel binnen het breed historisch onderzoek. Als de uitkomsten hiervan bekend zijn, zullen die naast het bedrag van 350 mln. gulden gelegd moeten worden, opdat het allerlaatste woord over dit dossier gesproken kan worden.

De heer De Haan (CDA) is van mening dat de Kamer een zo groot mogelijke vorm van eendrachtigheid moet betonen bij deze zaak. Een dergelijk indrukwekkend onderwerp behoeft immers een indrukwekkend optreden. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat uiteindelijk geen volstrekte tevredenheid zal kunnen worden bereikt over de hoogte of de interpretatie van het bedrag. In alle plezierige en vaak emotionele contacten met de Indische gemeenschap is immers nooit een eenduidige oplossing naar voren gekomen. De kern van de zaak lijkt daarbij de vraag of er nu sprake is van rechtsherstel of van een gebaar. Daarbij ligt ook het onderscheid tussen de oorlogsperiode en het naoorlogse rechtsherstel gevoelig. Toch is het algemeen gevoelen dat er een punt achter de zaak gezet moet worden, ook als het gaat om het vraagstuk van de representativiteit van het Indisch platform.

Het bedrag van 350 mln. gulden moet «for the time being» worden geaccepteerd. In dit verband moet de functie van het breed historisch onderzoek door de regering duidelijk worden gemaakt. Een objectieve historische studie kan tot herkenning en erkenning leiden van de problemen van de Indische landgenoten. Wat echter als de resultaten laten zien dat de Nederlandse Staat op geld van de Indische gemeenschap zit? Hoe zal vervolg worden gegeven aan een dergelijke conclusie, ook in relatie tot het bedrag van 350 mln. gulden? De regering zal dan toch (opnieuw) tot een vergoeding over moeten gaan?

De heer Van Dijke (RPF/GPV) heeft een gevoel van gêne als het gaat om de duur van de afwikkeling van de problematiek van de Indische tegoeden. Het betekent immers onder meer dat vooral de naoorlogse generatie het woord over dit dossier moet voeren. Daarbij kan onmogelijk hetzelfde gevoel of dezelfde emotie worden opgeroepen als die bij de betrokkenen leven over de buitengewoon trieste en treurige gebeurtenissen. Wie zijn ogen sluit voor het verleden, gaat echter de toekomst blind tegemoet. Het breed historische onderzoek wordt dan ook zeer gewaardeerd, ook al zijn de financiële consequenties vooralsnog onduidelijk. Het is belangrijk dat de regering erkent dat de overheid steken heeft laten vallen in het verleden. In dat verband is het wat wonderlijk dat in de brief van 12 december sprake is van «vermoedelijke tekortkomingen». Is er soms ook sprake van «vermoedelijk rechtsherstel»?

Het is belangrijk dat niet getracht wordt het leed van verschillende groeperingen met elkaar te vergelijken. Bovendien moet voorkomen worden dat mensen zich ongelijk behandeld voelen, zeker bij deze gevoelige kwestie. Het verleden van de Indische gemeenschap is goeddeels niet gedocumenteerd. Uit diezelfde gemeenschap is echter recentelijk door diverse mensen naar voren gebracht dat lang niet alle voor de hand liggende bronnen zijn aangeboord. Heeft de regering een maximale inspanning gepleegd om de beschikbare feiten boven water te krijgen? De heer Van Dijke sluit zich overigens aan bij de woorden van de heer Middel over de kwestie van de representativiteit van het Indisch platform.

Het is de heer Van Dijke nog niet geheel duidelijk wie voor een uitkering in aanmerking komt. Hoe staat het bijvoorbeeld met de mensen, die na de oorlog zijn geëmigreerd? Vallen zij buiten de reikwijdte van deze regeling? Meer in het algemeen zou het buitengewoon betreurenswaardig zijn als bij de afwikkeling van een en ander zaken een rol gaan spelen die de waardigheid in het geding brengen. De oproep van mevrouw Meijer in dezen wordt dan ook door hem onderschreven.

De heer Van der Staaij (SGP) merkt op dat bij rechtsherstel in het algemeen en bij de Indische tegoeden in het bijzonder drie trefwoorden van groot belang zijn: voortvarendheid, zorgvuldigheid en consensusgericht. Gelet op zowel de tijd dat de gebeurtenissen speelden als de hoge leeftijd van betrokkenen is voortvarendheid van groot belang. Zorgvuldigheid en consensusgericht zijn eveneens belangrijk, bijvoorbeeld gelet op veelal ontbrekende gegevens. De bijzondere gevoeligheid van het gebaar, de erkenning en de tegemoetkoming van de overigens zeer gevarieerde Indische gemeenschap maken duidelijk dat het niet kan gaan om een zakelijk debat. Er moet tegemoetgekomen worden aan de ervaren kilheid, het formalisme en de bureaucratie, het onbegrip en de slechte ontvangst van de Indische burgeroorlogsslachtoffers in naoorlogs Nederland. De vele brieven uit de Indische gemeenschap laten immers zien hoe diep de verbittering is.

De in de stukken gebruikte term «gebaar» is weinig gelukkig, omdat deze te veel de sfeer van onverplichte vrijgevigheid uitademt. De term «tegemoetkoming» doet meer recht aan de gevoelens die bij de betrokkenen leven, aangezien het om morele aanspraken gaat. Dat maakt overigens een waardering van de hoogte van het bedrag heel moeilijk. Er lijkt echter zo veel als mogelijk overeenstemming te zijn bereikt over een bedrag dat, ondanks alle kritiek, aan het doel beantwoord. Met het bedrag van 350 mln. gulden plus 35 mln. gulden voor collectieve doeleinden lijkt een balans bereikt, ook aangezien er nu sprake is van individuele uitkeringen. Gaat bij de invulling van de bedragen de afbakening van de doelgroep nog problemen opleveren? In het verleden is immers gesignaleerd dat hier sprake zou zijn van een complicatie. Hoe verhoudt daarnaast het publiekrechtelijke kader zich met de aangeboden behulpzaamheid van de regering bij het opstellen en uitvoeren van een uitkeringsreglement?

De heer Van der Staaij onderschrijft van harte de stelling van de regering dat voor rechthebbenden de mogelijkheid van individuele claims overeind blijft. Uit coulanceoverwegingen zal daarbij worden afgezien van een beroep op louter verjaring. De regering gaat voor het onderzoek naar individuele claims proberen, toegang tot relevante buitenlandse archieven te krijgen. In hoeverre zal een dergelijke poging vrucht kunnen hebben?

Het belang van een breed historisch onderzoek wordt door de heer Van der Staaij onderschreven. De witte vlekken moeten worden ingevuld, opdat er zo veel mogelijk helderheid kan worden gebracht. Staat de door de regering bepleitte breedheid overigens niet de ook gewilde snelheid van het onderzoek in de weg? Wanneer is dit historisch onderzoek afgerond? Volgens de brief van 12 december spelen bij het onderzoek ook de morele aspecten een rol. Dit kan suggereren dat de discussie over de morele aanspraken en de hoogte van het totaalbedrag heropend kan worden. Dat is toch niet de bedoeling? Bij de Indische gemeenschap zijn op dit vlak toch geen verwachtingen gewekt?

De heer Vendrik (GroenLinks) wijst erop dat een gevoel van schaamte past bij de constatering dat vorige politieke generaties in het parlement de zaak niet eerder tot klaarheid hebben kunnen brengen. De algemene lijn van de regering bij de joodse tegoeden, het zoeken naar bewijzen voor het kille en incomplete rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, is doorgetrokken naar de Indische tegoeden. Eenzelfde benadering hoeft echter niet tot dezelfde uitkomsten te leiden, omdat de aard van de geschiedenis van de joodse en de Indische Nederlanders geheel verschillend is. Al met al is het een wellicht onbeholpen maar gerechtvaardigde en belangrijke poging om voor de door Indische Nederlanders opgedane trieste ervaringen, veroorzaakt door Nederlands handelen, verantwoordelijkheid te (her)nemen.

Het is goed dat het kabinet heeft besloten om in plaats van 250 mln. gulden voor collectieve doelen, 350 mln. gulden te reserveren voor individuele uitkeringen. Een en ander kan dan ook op steun van de Indische gemeenschap rekenen. Een belangrijke vraag daarbij is of met enige zekerheid op objectieve wijze vast te stellen valt wie precies tot de kring van gerechtigden behoort. Deze delicate kwestie speelde ook bij de joodse tegoeden, met name inzake de halfjoden. Meer in het algemeen past hierbij de stelling dat het beter is, een uitkering te veel te verstrekken dan een uitkering ten onrechte te onthouden. De brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport spreekt over nader overleg met het Indisch platform over de kring van gerechtigden. Daarbij moet met enige «zachtheid» worden geopereerd, om te voorkomen dat mensen (weer) een gesloten loket vinden.

De heer Vendrik vraagt zich af wat het bedrag van 350 mln. gulden betekent. Is het een gebaar of een tegemoetkoming en wat is de relatie met het rechtsherstel dat voor sommige Indische Nederlanders zo slecht is uitgepakt? Het is daarnaast in dit verband enigszins onduidelijk wat het breed historische onderzoek, dat er zeker moet komen, behelst. Er moet een poging worden gedaan om zo breed mogelijk boven water te halen wat de Indische Nederlanders is overkomen. De kardinale vraag daarbij is welke consequenties de regering vervolgens uit de conclusies van dat onderzoek zal trekken ten aanzien van het rechtsherstel. Het collectieve gebaar van 350 mln. gulden aan individuele uitkeringen kan immers gezien worden als een poging tot tegemoetkoming in het kader van een onvolkomen rechtsherstel. Daarnaast moet de overheid echter de vraag open laten hoe men zal reageren op de uitkomsten van het onderzoek, aangezien die onbekend zijn. Dit betekent dat er op geen enkele wijze verwachtingen kunnen worden gewekt, al kan niet uitgesloten worden dat het onderzoek het bedrag van 350 mln. gulden ter discussie stelt. Deze opstelling is het meest rechtvaardig ten opzichte van de Indische gemeenschap. Hoe waardeert het kabinet deze opstelling?

Het is niet aan het parlement om te oordelen over de representativiteit van het Indisch platform. Dat neemt niet weg dat het Indisch platform en de regering zich rekenschap moeten geven van de vragen die hieromtrent leven. Dit kan iets betekenen voor de wijze van werken in de komende tijd, bijvoorbeeld transparantie bij de toekenning en besteding van gelden. Een dergelijke opstelling zou zeer te waarderen zijn. De vereniging Oud-cliëntencontact 45 maakt er overigens gewag van geen plaats te krijgen in het Indisch platform. Kan de minister iets betekenen voor deze groep?

De heer Vendrik verwacht nadere voorstellen over de invulling van de 35 mln. gulden aan collectieve doeleinden. Bij de samenstelling van de Indische gemeenschap is er sprake van een enorme pluriformiteit en diversiteit in ervaringen en posities. Deze pluriformiteit moet dan ook tot uitdrukking komen bij de besteding van deze gelden.

Antwoord van de regering

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deelt de trieste gevoelens over het late moment waarop de overheid probeert te reageren op gevoelens die reeds sinds augustus 1945 leven bij de Indische gemeenschap. De betrokken groep Nederlanders heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt vanaf december 1941. Het leed van deze landgenoten is op geen enkele manier te vergoeden. Hier past slechts blijvend begrip en medeleven.

Gedurende een vrij lange periode is overleg gepleegd over de invulling door de regering van de tekortkomingen in het rechtsherstel. De aanvankelijk gekozen oplossing van een collectief gebaar van 250 mln. gulden heeft een stroom van reacties veroorzaakt. Vervolgens is opnieuw overleg gevoerd, waarbij de inmiddels bekende oplossing is gekozen. Bij dat vaak plezierige en soms emotionele overleg heeft het Indisch platform zich ook steeds het lot aangetrokken van de Indische Nederlanders die geen lid zijn van een van de achttien clubs van het platform. Het bedrag van 35 mln. gulden voor collectieve doeleinden gaat overigens gepaard met een verzoek om projecten en ideeën in te dienen. Het net zal daarbij zo wijd mogelijk uitgegooid worden, zodat ook voorstellen van buiten het Indisch platform gehonoreerd kunnen worden.

De minister antwoordt dat met het bedrag van 350 mln. gulden het collectieve gebaar is afgesloten. Het breed historisch onderzoek is vooral nodig omdat er veel witte vlekken bestaan. De historische documentatie over de bezettingsperiode en de periode daarna moet dan ook worden aangevuld om de ontwikkelingen te reconstrueren. Het Indisch platform heeft uitdrukkelijk gevraagd om de notitie van oktober 2000, Aspecten van rechtsherstel, mee te nemen bij dit onderzoek. Een aanvullend onderzoek naar het rechtsherstel zal dan ook een herkenbaar onderdeel gaan vormen van het breed historisch onderzoek.

De commissie-Van Galen en de technische commissie haalbaarheidsonderzoek hebben beide moeten vaststellen dat er teleurstellend weinig archiefmateriaal beschikbaar is. Na grondige bestudering van een en ander is het de overtuiging van de regering dat het breed historisch onderzoek weinig nieuwe aanknopingspunten, inzichten, feiten of claims zal opleveren inzake het rechtsherstel. Er is een maximale inspanning gepleegd om de feiten te achterhalen. De kans dat de Nederlandse regering «op Indisch geld zit» is dan ook minimaal oftewel vrijwel uitgesloten. Wel kunnen wellicht mensen met de conclusies van het onderzoek een individuele claim ondersteunen. Er is ook in dit verband contact met de Indonesische regering over het raadplegen van haar archieven. Honorering van een dergelijk verzoek is onzeker, ook al is duidelijk gemaakt dat het niet in de bedoeling ligt om claims bij de Indonesische regering neer te leggen. Als de resultaten van het onderzoek bekend zijn, zal de regering zich daarin verdiepen en vervolgens geen discussie uit de weg gaan. Het collectieve gebaar is echter gemaakt met het bedrag van 350 mln. gulden. De minister antwoordde desgevraagd dat het naar de stellige overtuiging van de regering hierbij zal blijven. Het indienen van individuele claims blijft overigens te allen tijde mogelijk, ook als de betrokken mensen in het buitenland wonen. De claim op wat men in financieel-materiële zin te kort is gekomen, heeft immers geen verband met de huidige woonplaats.

De minister erkent dat er sprake blijft van een discrepantie bij de interpretatie van het totaalbedrag van 385 mln. gulden. Is het een gebaar of een tegemoetkoming in het rechtsherstel of voor de kille ontvangst? De Indische gemeenschap wil het graag zien als een gebaar op grond van de kille ontvangst. De regering ziet het als een poging tot verzachting van de ervaringen bij het toenmalige, gebrekkige rechtsherstel. In de brief is sprake van «vermoedelijke» tekortkomingen. Aangezien er weinig harde feiten over het rechtsherstel zijn en er geen volledig beeld beschikbaar is, gebiedt de zuiverheid een dergelijke formulering. Naar de overtuiging van de minister is er echter sprake van «waarschijnlijke» tekortkomingen. Juist de correct-formalistische en bureaucratische opstelling van destijds, ook inzake de valutakwestie, wil de overheid daarom alsnog pogen te verzachten. Meer in het algemeen past de term «tegemoetkoming» daarbij wellicht beter dan de term «gebaar».

Het Indisch platform is uitgenodigd om een voorstel te doen over de afbakening van de doelgroep inzake de individuele uitkeringen. Het bedrag zal ten goede moeten komen aan alle Nederlanders die tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië verbleven of elders (onvrijwillig) geïnterneerd of tewerkgesteld waren door de Japanse bezetter. Inmiddels is een ambtelijke werkgroep, onder voorzitterschap van mevrouw Van Heemskerk, belast met de voorbereiding van de uitvoering. Die zal ook de uitkeringcriteria nader uitwerken. Aan het NIDI (Nederlands interdisciplinair demografisch instituut) is bovendien gevraagd de doelgroep zo goed mogelijk te omschrijven. Bij die doelgroep horen ook mensen die zijn geëmigreerd. De werkgroep is kwartiermaker voor de in te stellen stichting die, geheel analoog aan die voor de joodse tegoeden, in twee ronden zal zorg dragen voor de afwikkeling en beoordeling van de uitkeringen. Met het oog op de hoge leeftijd van de betrokkenen zullen de eerste bedragen nog dit jaar worden verstrekt. Het ministerie van VWS blijft overigens te allen tijde beschikbaar om, ook als de organisatie reeds werkzaam is, de stichting met raad en daad bij te staan. De verdeling van de gelden is echter een zaak van de stichting zelf. De Kamer zal te zijner tijd in kennis worden gesteld van de uiteindelijke doelgroepdefinitie en de voortgang in het algemeen.

De minister legt uit dat de Kamer tevens nader op de hoogte zal worden gesteld van de besteding van het bedrag van 35 mln. gulden voor collectieve doelen. De zaak van het Indisch huis wordt daarbij in principe op de eigen merites bekeken. Uiteindelijk gaat het echter om de wensen van de Indische gemeenschap.

Met de homoseksuele gemeenschap is overigens zeer recent overeenstemming bereikt over het beschikbaar stellen van 3,5 mln. gulden voor aanvullend onderzoek en het toegankelijk maken van de resultaten daarvan. Een oproep van de SBO inzake de kinderen van Jehova's getuigen heeft slechts drie reacties opgeleverd. Deze drie mensen zijn uitgenodigd voor een gesprek. De reizigers, de woonwagenbewoners, kennen geen organisatie die als gesprekspartner te gebruiken is. Inmiddels is SBO bezig om middels een meldpunt de relevante gegevens te verzamelen. Nog dit jaar zal daarover een rapport aan de Kamer worden toegestuurd.

Bij de ex-dwangarbeiders is er sprake van een teleurstellende ontwikkeling rond het in Duitsland opgerichte fonds. Veel bedrijven hebben nog niet gestort. Ook Oostenrijk kent een fonds, waarvoor overigens SBO de aanvraagbegeleiding mag verzorgen. Op korte termijn wordt de landelijke aanvraagprocedure bekend gemaakt. De regering wil daarnaast trachten iets te doen voor deze mensen via het WUBO-traject (Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945). De Pensioen enuitkeringsraad (PUR) heeft hierop besloten met een pilot te starten voor 1% van de bij SBO-geregistreerde ex-dwangarbeiders, zodat gepeild kan worden hoeveel interesse er is en hoeveel mensen hiervoor in aanmerking komen.

Over de kwestie van de pensioenen vallen, in afwezigheid van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, geen nieuwe feiten te melden.

De minister van Financiën geeft aan dat met rechtsherstel niet wordt gedoeld op een vergoeding van de schade die tijdens de oorlog is geleden. Het gaat om de inzet van de overheid om getraceerde goederen bij de rechthebbende terug te brengen. Door erop te wijzen dat Nederland de oorlog aan Japan verklaarde, wordt soms getracht uit te komen op een soort integrale schadevergoeding. Koningin Wilhelmina zou immers in een radio-oproep hebben gesteld dat er sprake zou zijn van compensatie van geleden oorlogsschade. Het is echter onmogelijk om iedere individuele schade als gevolg van verschillende oorlogshandelingen te vergoeden.

Bij het rechtsherstel zijn ongetwijfeld fouten gemaakt. De kernvraag daarbij is of de Nederlandse overheid op Indisch geld zit. Het bedrag van 350 mln. gulden is een tegemoetkoming voor juist het vermoeden dat het rechtsherstel, ook wat betreft de Nederlandse staat, niet helemaal perfect is verlopen. Het is immers naar de stellige overtuiging van de regering onmogelijk te achterhalen welke fouten zijn gemaakt en welke bedragen daarmee waren gemoeid. Dat laat de mogelijkheid van een individuele claim onverlet, ook al is er sprake van verjaring. Daarbij kan het breed historisch onderzoek wellicht aanknopingspunten bieden.

De afwikkeling van de joodse tegoeden verloopt voorspoedig. Inmiddels worden reeds bedragen uitgekeerd. Hopelijk is er snel sprake van een uitkeringsreglement inzake de Indische tegoeden. Daarbij kan men zijn voordeel doen met de reeds opgedane ervaringen. Er zal dan ook in dit geval sprake zijn van de tweerondenmethode, zodat de 350 mln. gulden geheel individueel uitgekeerd zal worden.

Nadere gedachtewisseling

De heer Middel (PvdA) vindt het van belang dat de uiteindelijke uitvoering van de regeling inzake de Indische tegoeden niet wordt opgehouden door eventuele discussies. Mede gezien de kritische geluiden over representativiteit uit de Indische gemeenschap, is een beroep op de regering gepast om met extra attentie zorg te dragen voor een goede organisatie van de uitvoering. De toenmalige minister-president heeft de Indische gemeenschap immers in 1991 opgeroepen zich te organiseren tot een gesprekspartner voor de regering.

Het onderzoek naar de afbakening van de doelgroep is wat wonderlijk, gelet op de praktijk bij de joodse tegoeden en de uitvoering van met name de WUBO. De huidige woonplaats of nationaliteit van een oorlogsgetroffene maakt toch niets uit? De pilot inzake ex-dwangarbeiders is een aardig initiatief, maar ook hier is enige snelheid geboden met het oog op de hoge leeftijd van de betrokkenen.

De heer Middel vindt dat de overheid de schijn moet vermijden dat mensen aan het lijntje worden gehouden. Het breed historisch onderzoek kan aanleiding geven tot ondersteuning van individuele claims, die immers overeind blijven. Het moet echter duidelijk zijn dat er geen behoefte bestaat om in een later verband op het collectieve bedrag, 385 mln. gulden, terug te komen.

Mevrouw Meijer (VVD) heeft eveneens geen behoefte om op het totaalbedrag van 385 mln. gulden terug te komen. De vraag waar mensen terecht kunnen die het niet eens zijn met de afwikkeling van hun claim is onbeantwoord gebleven.

De wijze van afwikkeling van de joodse tegoeden is, na alle verwikkelingen, buitengewoon goed en plezierig te noemen. De regering moet dan ook toezeggen, vooral behulpzaam en inlevend te zullen opereren bij de organisatie van de afwikkeling van de Indische tegoeden. De Indische gemeenschap op haar beurt moet de strijdbijl begraven, zodat een snelle en goede afwikkeling binnen bereik komt.

Mevrouw Giskes (D66) constateert dat de ergernis over het naoorlogse rechtsherstel en de onvrede en frustratie over de kille ontvangst elkaar hebben versterkt. Erkenning hiervan leidt dan ook tot het in elkaar grijpen van de termen gebaar en rechtsherstel. Daarbij moet geen onderscheid worden gemaakt tussen mensen die wel en mensen die niet in Nederland zijn gebleven. Wellicht hebben immers veel mensen Nederland juist verlaten omdat de ontvangst zo kil was.

De stellige overtuiging van de regering over een deel van de conclusies van het breed historisch onderzoek staat haaks op het idee van onderzoek op zichzelf. Bij een dergelijke overtuiging kan men het onderzoek immers beter laten. Is het niet beter te spreken van «verwachting» in plaats van «overtuiging»? Er kan immers niet uitgesloten worden dat er als gevolg van het onderzoek enigerlei claims naar voren komen die niet tot uitdrukking zijn gebracht in het bedrag van 350 mln. gulden.

Mevrouw Giskes vindt het verheugend en bovendien wezenlijk voor de voortgang van het uitkeringsproces dat er een onafhankelijk voorzitter is gevonden voor de werkgroep. Kan de Kamer te zijner tijd kennisnemen van het uitkeringsreglement?

De heer De Haan (CDA) heeft lof voor de stijl waarmee de regering in de afgelopen periode heeft gehandeld. Mede met het oog daarop moet het debat een duidelijke afsluiting vinden.

Het bedrag van 350 mln. gulden is een collectieve tegemoetkoming die individueel wordt uitgekeerd. Het ligt niet in de bedoeling daarop terug te komen. Uit het breed historisch onderzoek, dat vooral de documenten moet ordenen en de gebeurtenissen moet boekstaven, kan echter blijken dat voor bepaalde groepen of individuen het rechtsherstel nog moet plaatsvinden.

De heer De Haan vindt het belangrijk dat de afwikkeling van een en ander goed wordt georganiseerd. Daarbij kan men de vruchten plukken van de ervaringen en specifieke kennis die zijn opgedaan inzake de joodse tegoeden.

De heer Van Dijke (RPF/GPV) memoreert dat onduidelijk is gebleven hoe te oordelen over de gevolgtrekkingen van het historisch onderzoek. Het accent bij dat onderzoek moet niet liggen op een verdere precisering van genoegdoening of rechtsherstel. Dat zou een veel te smalle betekenis aan dit op zichzelf te waarderen onderzoek geven. Men moet het laten bij het bedrag van 350 mln. gulden, individuele claims uitgezonderd.

Hoe is de regering overigens van zins om de verschillende rechthebbenden, bijvoorbeeld zij die verblijven of wonen in het buitenland, te traceren? Worden er pogingen gedaan om deze mensen te bereiken en zo ja, in welke vorm?

De heer Van der Staaij (SGP) stelt vast dat de materiële en de immateriële aspecten van de tegemoetkoming, ook gezien de wijze van rechtsherstel, moeilijk te scheiden zijn.

De vraag wanneer de eerste resultaten van het breed historisch onderzoek worden verwacht, is onbeantwoord gebleven. Dat onderzoek moet overigens niet als doel hebben om het bedrag van 385 mln. gulden ter discussie te stellen. Het kan echter dienstbaar zijn aan individuele claims.

De heer Vendrik (GroenLinks) vindt dat bij het toekennen van uitkeringen souplesse, snelheid en ruimhartigheid moeten worden betracht.

Kan de minister toezeggen zich sterk te zullen maken voor de zaak van de representativiteit van het Indisch platform, ook in verband met de positie van het Oud-cliëntencontact '45? Alle initiatieven uit de Indische gemeenschap moeten immers een plek onder de zon krijgen.

De heer Vendrik begrijpt van de regering dat de kans dat het breed historisch onderzoek nieuwe feiten oplevert, die het bedrag van 385 mln. gulden opnieuw ter discussie stellen, vrijwel nihil is. Het enige dat hier rest, is de resultaten van het onderzoek af te wachten. Er moet overigens niet vooral of alleen gekeken worden naar de witte vlekken in het rechtsherstel. Deze onderzoeksvragen moeten echter ook niet naar de rand van het onderzoek worden geduwd. Afhankelijk van de conclusies zal er wellicht een debat dienen te ontstaan over het voorliggende akkoord.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft breed uitgesproken steun gehoord voor de conclusie dat het bedrag van 385 mln. gulden het laatste woord is inzake het collectieve gebaar. Op dit vlak mogen er dan ook geen valse verwachtingen worden gewekt.

De hoofddoelstelling van het breed historisch onderzoek is de witte vlekken in de geschiedschrijving op te sporen. Het vele materiaal moet zodanig geordend worden dat de Nederlandse geschiedschrijving een goed hoofdstuk zal bevatten over deze verschrikkelijke periode. Aan het Indisch platform is toegezegd de notitie Aspecten van rechtsherstel bij het onderzoek te zullen betrekken. Naar schatting van de onderzoekers zal het totale onderzoek vier jaar in beslag nemen. Het is echter goed mogelijk dat bepaalde delen van het onderzoek, naar tijd of thema, eerder worden gepubliceerd. De regering stelt daarbij niet reeds te weten wat de resultaten van het onderzoek zullen zijn.

De minister legt uit dat is overeengekomen dat het bedrag van 350 mln. gulden ten goede moet komen aan toenmalige Nederlanders die tijdens de Japanse bezetting in het voormalig Nederlands-Indië verbleven of in opdracht van de bezetter onvrijwillig elders geïnterneerd of tewerkgesteld waren. De Kamer zal, nadat het NIDI een en ander heeft bekeken, op korte termijn een doelgroepdefinitie ontvangen. Nog dit jaar moet immers begonnen worden met het verstrekken van de uitkeringen.

De regering zal ook meer in het algemeen betrokken en behulpzaam blijven bij de organisatie. De inzet is daarbij gericht op het zo snel mogelijk oprichten van een stichting. De beslissingen van deze stichting staan open voor beroep en bezwaar, analoog aan de stichting voor de joodse tegoeden. De landsadvocaat is overigens reeds bezig met het ontwerpen van statuten voor de stichting en van een uitkeringsreglement. De Kamer zal ook deze beide regelingen toegezonden krijgen. De minister zegt toe actief betrokken en inlevend te zullen blijven, ook om eventuele rimpeltjes bij de afwikkeling zo snel mogelijk glad te strijken.

De minister maakt duidelijk dat bij de besteding van de 35 mln. gulden voor collectieve doelen alle ideeën en voorstellen van de Indische gemeenschap welkom zijn. Hierbij wordt vooral gedacht aan projecten in de sfeer van educatie, welzijn en cultuur. De inspanningen zijn momenteel overigens vooral gericht op het tot stand brengen van de individuele uitkeringen.

Het traceren van de mensen uit de doelgroep zal op eenzelfde wijze plaatsvinden als bij de joodse groepering. Door middel van advertenties in binnen- en buitenlandse kranten, netwerken en ambassades zal ook de kleine groep mensen die zich buiten Nederland bevinden bijvoorbeeld in Amerika in de gelegenheid worden gesteld om te reageren.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Essers

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Janssen


XNoot

1

Samenstelling: Leden: Schutte (RPF/GPV), Reitsma (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF/GPV), Bakker (D66), De Vries (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Stroeken (CDA), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Vendrik (GroenLinks), Remak (VVD), Wijn (CDA), Kuijper (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Bolhuis (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Koenders (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Patijn (VVD), De Wit (SP), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD), Blok (VVD), Dankers (CDA), Hillen (CDA), Weekers (VVD), Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA), Timmermans (PvdA), Hindriks (PvdA), Smits (PvdA).

XNoot

2

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Middel (PvdA), Essers (VVD), voorzitter, Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Rouvoet (RPF/GPV), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Gortzak (PvdA), Hermann (GroenLinks), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Mosterd (CDA).

Plv. leden: Lambrechts (D66), Rehwinkel (PvdA), Apostolou (PvdA), Örgü (VVD), Van Gent (GroenLinks), Van de Camp (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Weekers (VVD), Ravestein (D66), Schutte (RPF/GPV), Schimmel (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Eurlings (CDA).

Verberg inhoudsopgave

Inhoudsopgave

Acties


E-overheid bouwt mee aan betere dienstverlening met minder regeldruk

Overheid.nl werkt samen met: Antwoord voor Bedrijven | Rijksoverheid.nl

SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl

Lees verder…

Man van Marion Bloem doet zijn verhaal

ZIN VAN HET LEVEN IVAN WOLFFERS, ARTS-SCHRIJVER

‘Iedere poging de chaos te bedwingen is legitiem’

De arts en schrijver Ivan Wolffers is gefascineerd door het thema overleven. Hoe kan het dat de mens in vrijwel alle omstandigheden standhoudt?, wil Fokke Obbema van hem weten.


763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8
Ivan Wolffers. Beeld Jitske Schols

In december 2002 krijgt arts en schrijver Ivan Wolffers te horen dat hij ‘gevorderde prostaatkanker’ heeft – de prognose van de behandelend arts is ‘tussen vijftien maanden en vijftien jaar’. Ruim zestien jaar later leeft hij nog altijd. Hij is inmiddels opa van drie kleindochters en heeft diverse boeken aan een omvangrijk oeuvre van proza en non-fictie toegevoegd. Zijn laatste werk is het persoonlijke Overleven. De titel slaat niet alleen op zijn eigen lot, maar ook op dat van de mensheid. De inmiddels 70-jarige Wolffers blikt vooruit: zijn kleindochters kunnen het ‘al over enkele decennia’ een stuk zwaarder krijgen dan hijzelf. ‘Pessimistisch in het hoofd, optimistisch in het hart’, zo omschrijft hij zichzelf.

Hij blikt in Overleven ook terug. Voor zijn Joodse familie van vaderskant was daarvan tijdens de Tweede Wereldoorlog nauwelijks sprake: van de 70 familieleden worden er 67 vergast. Onder de drie overlevenden bevinden zich zijn vader en zijn opa. Dat dramatische verleden blijft in huize Wolffers in Amersfoort na de oorlog onbesproken: ‘Al mijn vragen stuitten af op een muur van zwijgen.’

In de jaren vijftig zit hij op een zwaar christelijke School met de Bijbel: ‘Ik voelde me daar een buitenstaander, want ik geloofde niet in God, ook al deed ik mijn best.’ Als ­puber identificeert hij zich sterk met zijn Joodse achtergrond. Geruime tijd gelooft hij, ten onrechte, dat zijn Joodse ouders in de oorlog zijn omgekomen en dat hij is geadopteerd: ‘Ook in het gezin voelde ik me een buitenstaander.’

Ondanks een fascinatie voor geschiedenis kiest hij voor medicijnen, want die studie biedt hem uitstel van militaire dienst. Marion Bloem, later succesvol schrijver, komt op zijn pad: ‘Door haar Indische achtergrond bevond zij zich ook in de positie van outsider. Dat verbond ons.’ Samen krijgen zij al snel een zoon – Bloem is 20. Het jonge stel besluit hun passies, schrijven en reizen, uit te leven – zoon Kaja doorloopt de lagere school grotendeels op wereldreis, dankzij les van zijn ouders.

Als jonge huisarts krijgt Wolffers in de jaren zeventig landelijke bekendheid met een dagelijkse Volkskrant­column. Aanvankelijk gaat die alleen over geneesmiddelen, later ook over onderwerpen als seks en dood. Met zijn directe stijl doorbreekt hij taboes, zonder dat zelf echt te beseffen: ‘Een arts die over de dood schreef, dat leek me niet zo bijzonder.’ Uit zijn ­columns volgt het standaardwerk Medicijnen, dat lezers in staat stelt zich mondiger tegenover artsen op te stellen: ‘Ik wilde mensen de kans bieden hun kennispositie te versterken.’ De rol van ‘publieke gezondheidsexpert met geniale ideeën’, zoals hij zichzelf licht spottend noemt, doet zijn gevoel buitenstaander te zijn, afnemen. Toch is dat niet verdwenen – het etiket ‘kankerpatiënt’ waarmee hij al zestien jaar is belast, heeft het weer versterkt.

Wat is de zin van ons leven?

‘De biologische essentie is overleven en reproduceren. Wat we daar als mensen aan toevoegen en waarmee we ons van dieren onderscheiden, is dat we zin aan ons leven willen geven. Voor mij is dat wat het overleven mogelijk maakt. Die zin geven we eraan door verhalen. Zo vertellen we aan onszelf het verhaal van ons eigen ­leven. Dat geeft er structuur aan – het maakt deel uit van making sense, zoals de Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz het noemde. We zijn voortdurend bezig het verhaal kloppend te krijgen. Dat hebben we nodig om de chaos te bedwingen die het bestaan in wezen is. Religies spelen daar ook op in, ze voorzien in die behoefte door met hun verhalen orde te scheppen in de chaos. We kunnen niet zonder dat soort zingeving, het is eigen aan mensen. Onderzoeken naar geluk en welzijn laten ook zien dat mensen die de zin van hun leven zien, gemiddeld langer leven. Een goed verhaal helpt bij het overleven.’

Heeft uw ziekte tot een ander verhaal geleid?

‘Nadat ik te horen had gekregen dat ik prostaatkanker had, nam ik me voor dat ik meer wilde zijn wie ik ben en minder wilde acteren. De mens vertelt zijn verhaal niet alleen aan zichzelf, maar ook aan anderen. Vaak probeert hij dan indruk te maken door te beweren dat alles goed gaat, dat er niks aan de hand is. Ook dat maakt deel uit van ons overlevingsmechanisme. Wanneer mensen met hun eindigheid worden geconfronteerd, gaan ze vaak hun verleden herzien door alle eindjes netjes aan elkaar te knopen. Maar ik wilde geen Jip en Janneke-verhaaltje. Zo eenvoudig is het leven niet.

‘De ziekte betekende dat er opeens chaos was in mijn bestaan. Door te schrijven hoopte ik daar vat op te krijgen. Ik ben begonnen met een blog over het alledaagse, waarin ik alles beschreef wat met die kanker te maken had. Ik nam me voor tot de kern door te dringen, de essentie te benoemen.’

LEESTIP

‘Leven en lot van Vasili Grossman speelt zich af tijdens de slag om Stalingrad en gaat in op hoe klein wij zijn tijdens ons destructief handelen. De dood schuilt om elke hoek en mensen kruipen voor even tegen elkaar aan op zoek naar beschutting. Vooral indrukwekkend zijn de prachtige beschrijvingen van de natuur. Die is eeuwig, terwijl de mens maar tijdelijk is.’

Lukte dat ook?

‘Gedeeltelijk. Het probleem is dat je altijd iemand hebt die over je schouder meeleest. Grote schrijvers kunnen zich daaraan onttrekken. Reve schreef wat er in hem opkwam, hij bekommerde zich niet om anderen. Ik heb dat ook geprobeerd, maar betwijfel of het me gelukt is. Ik kwam erachter dat mijn blog door veel meer mensen werd gelezen dan ik had verwacht. Ik dacht dat vooral wat vrienden en familieleden zo op de hoogte zouden blijven, maar veel meer mensen gingen het lezen. Daardoor voelde ik me toch weer gedwongen bepaalde zaken achter te houden. Marion (Bloem, red.) zal ongetwijfeld zeggen dat ik nog niet eerlijk genoeg ben geweest.’

Heeft ze gelijk?

‘Ja, er zijn wegen die ik niet in wil gaan. Ik heb mijn best gedaan het verhaal zo zuiver mogelijk te krijgen, omdat ik geen rommel wil achter­laten. Maar ik houd ook wel dingen geheim, omdat ze niet goed in mijn verhaal passen.

‘Met mijn blog hoopte ik de plek van de ziekte in mijn leven zo klein mogelijk te houden. Dat is wat naïef geweest. Ik dacht: ik communiceer er langs die weg over, verder is het klaar. Ik wilde niet alleen maar op die ene dimensie worden aangesproken.’

Werkte dat?

‘Nou, de buitenwereld is er altijd om je aan je ziekte te herinneren. Wanneer iemand tegen je zegt: ‘Ik vind dat je er nu beter uitziet dan de vorige keer’, dan heeft hij het over mijn ziekte. Terwijl ik helemaal niet zo beoordeeld wil worden, maar het gewoon wil hebben over leuke zaken: welke mooie boeken heb je gelezen, welke mooie films heb je gezien? Ik vind het heel onprettig de hele tijd als kankerpatiënt te worden gezien.’

Nood doet bidden, luidt het gezegde. Heeft u dat wel eens overwogen?

‘Toen ik van mijn ziekte te horen kreeg, dacht ik vooral: zo gaat het leven. Bidden kwam niet in me op, al begrijp ik het tegenwoordig beter. Vroeger dacht ik: wat een onzin, nu sta ik daar veel milder tegenover. Wanneer mijn schoonmoeder voor het eten bidt, doe ik ook maar mijn ogen dicht, uit respect. Een God is er voor mij niet, ik geloof niet dat er een hogere kracht is die de boel bestuurt. Maar er kan voor mij wel goddelijkheid zijn. Besef maar eens hoezeer we als mensen gezegend zijn. Dat de evolutie met die basale principes van ­leven en overleven ons zo ver heeft gebracht; dat we nu zo oud kunnen worden, ook al ben je ziek. Dat is echt een gezegend verhaal, het had zo anders kunnen lopen. Ga ik dood, dan is het fantastisch geweest: dan is van 1948 tot en met mijn sterfjaar het licht aan geweest in een wereld waarin alles bijzonder en interessant was. Natuurlijk doen we ook stomme dingen in dit leven, maar het is prachtig en goddelijk.’

Hoe kijkt u aan tegen religies?

‘Mensen verwachten nogal eens een harde, wetenschappelijke afwijzing van mij, maar ik kijk met respect en piëteit naar iedere poging van mensen de chaos te bedwingen. Zo zie ik religies. Richard Dawkins (evolutie­bioloog, red.) heeft steekhoudende argumenten voor atheïsme, maar ik vind zijn dwangmatige kant irritant. Laat mensen toch, denk ik dan.’

Wat heeft u van uw ziekte geleerd?

‘Als je ziek wordt, leer je beter zien wat de essentie van het leven is. Je beseft wat je over het hoofd zag toen je nog gezond was. Zelf kwam ik bijvoorbeeld achter de schoonheid van de natuur. Die had ik nauwelijks tot me laten doordringen, ook al liep ik dagelijks hard door de bossen. Wat je vooral niet wilt zien als je gezond bent, is de dood. Die beschouwen we als iets voor anderen. Dat is geen verwijt, want je moet daar ook helemaal niet dagelijks mee rondlopen. Ga maar zolang mogelijk uit van het eeuwige leven.’

Dan houd je jezelf toch voor de gek?

‘Ja, maar toch moet je die illusie koesteren. We kunnen dat, want ons besef van sterfelijkheid is vooral cognitief, niet gevoelsmatig. Natuurlijk, iedere dode in onze omgeving doet vreselijke pijn en op dat moment beseffen we: ‘Eens kom ik aan de beurt.’ Maar al vrij snel schakelen we over op: ‘Ik voel met best goed, er is toch niks ernstigs met me aan de hand?’ Dan wint onze overlevingsdrang het van ons besef van sterfelijkheid.

‘Door de lange duur van mijn ziekte ben ik weer gaan leven als de meeste mensen, namelijk alsof er geen einde aan komt. Waarom zou ik niet wereldkampioen prostaatkanker kunnen worden? Laat ik maar van het gunstigste scenario uitgaan. Natuurlijk besef ik mijn eindigheid, maar ik druk de dood graag uit mijn bewustzijn. Zolang je een gezond gevoel voor humor weet te bewaren, kun je er wat van maken. Al zijn de problemen waarmee ik te maken krijg, zoals ­incontinentie en problemen met ­seksualiteit, bepaald niet grappig.’

Zitten er aan uw verhaal nog losse eindjes?

‘Over mijn Joodse achtergrond zit ik nog met veel vragen, maar ik merk dat ik verder onderzoek uitstel. Stel dat ik van alles vind, dan kan het voelen alsof de puzzel is gelegd. Dat schrikt me af. Verder ben ik, naarmate ik ouder word, meer bezig met de vraag: wat heb ik bijgedragen? Ik heb veel gepubliceerd en afgrijselijk veel foto’s gemaakt, maar wat stelt het voor? Op zich kan ik best tevreden zijn, maar veel werk is toch ook weer snel verdwenen. Er zijn veel golven over het strand gespoeld, heel wat sporen zijn uitgewist. Ik voel me daar vaak melancholisch over. Maar dat is niet hetzelfde als somber. Ik houd nog altijd erg van het leven. Voor mij is melancholie schoonheid zien in het verdwijnen.’

ZIN VAN HET LEVEN

Journalist Fokke Obbema kreeg op 1 april 2017 een hartstilstand. In een reeks interviews gaat hij op zoek naar de zin van ons leven. Lees hier eerdere verhalen.

Lees verder…

Er moet een nieuw verdrag komen

Er moet een nieuw verdrag komen tussen Nederland en de republiek Indonesie.

10897335255?profile=original

10897414276?profile=original 

De verdragen zijn  een politieke modetrend geworden tegenwoordig. Op zich een goede overeenkomst waar je op land - of landen nivo keiharde afspraken vastlegt naar de toekomst toe.

De werking is net als in natuurkunde geënt op communicerende vaten. Met zo’’n verdrag wordt getracht om de rechten van de mensen te nivelleren. De culturen dichter bij elkaar te brengen, de gevoerde politiek op 1 lijn brengen, niet onbelangrijk de economieën doelmatig in stappen in elkaar te laten vloeien voor een gestaagde groei, en uiteraard de democratie verder gestalte te geven als het om de rechten van mensen gaat.

De bedenker van de Euro - Oud-premier Lubbers- had dezelfde missie voor zich zoals bovengenoemd. 1 Europa net als de Verenigde Staten. 1 Europa zou vele voordelen opleveren als wij naar VS kijken, maar VS kent niet de verschillende landen en een ieder met zijn eigen cultuur. Met Verdrag van Maastricht werd de Euro ingevoerd. Ambitieus werd dit Europroject opgepakt en door de strot van de Burgers geduwd. De Euro heeft de burgers alleen veel geld kost en in de ellende gestort, naast dat NL Overheid alles heeft weggesaneerd; In de zorg, scholen, Ouderen, en  veel geld dat naar Brussel gaat. Niet te vergeten als consequentie voorvloeiend uit het verdrag de tientallen miljarden om Griekenland te redden. Verdrag meldt dat ieder Lid van de Euro moet een lid in nood moet redden. Echter de burgers worden door politiek en de media nog verder dom gehouden, ook de goeroes uit de scholen van de economieën hullen in het zwijgen.

Hoe zit het nu met de waarde van onze bezittingen “Assets”? Als Nederland nu terugkeert naar de oude harde Nederlandse Gulden, is deze door de koers van de euro diep gevallen tot wel 45 %. Stel dat voor de invoering van de Euro uw huis 300.000 guldens bedroeg, is deze rond de 180.000 gulden waard. 120.000 gulden is aan de luchtbel van de Euro in rook opgegaan.

 

Wij hebben nog een verdrag dat het Traktaat van Wassenaar heet.

 Geratificeerd  door de regeringen van Nederland en Indonesie in 1966. Deze beoogde dezelfde ambities en intenties van de huidige president Jokowi voor het onderdeel hervormingen van toepassing op beide landen.

Het andere onderdeel financieel paragraaf hield in dat de republiek Indonesië 689 oude Nederlandse guldens diende te betalen aan het Ministerie van Buitenlandse zaken van Bert Koenders. Deze gelden hebben de bestemming voor het compenseren van de Indische Gemeenschap, die al hun bezittingen in het voormalige Indie hebben verloren, omdat deze het land moesten uitvluchten. De republiek heeft in 2001 de laatste termijnbetaling gedaan. Nimmer zijn deze gelden door NL Overheid uitbetaald aan de Indische Gemeenschap. Inmiddels is bedrag opgelopen door de rente op rente, en de invoering van de Euro op 2,4 miljard. Hierboven op komt dat de Indische Gemeenschap als vluchteling alles tot op de laatste cent hebben moeten terugbetalen  aan de Overheid voor: de overtocht, tijdelijk verblijf, en voorschot herinrichtingskosten dit in tegenstelling tot de huidige vluchtelingen. Om de Overheid tot de orde te roepen heeft de Indische Gemeenschap het Actie Comité TvW-66 in leven geroepen om de Overheid – Min. Buza – te sommeren om over te gaan tot uitbetaling.

Het verdrag van Oekraïne is nu in beeld.

Nederland zal eerst moeten beginnen om in de spiegel te kijken. Twee verdragen van het merk “Nederland” die bevolkingsgroepen in de ellende hebben gestort. In het bijzonder werd bij het Traktaat van Wassenaar de Indische gemeenschap als bevolkingsgroep hard getroffen dat nu 51 jaren wacht op hun eigen geld.

 

Sluiten nieuw verdrag tussen Nederland en Indonesie.

De communicerende vaten komen weer uit de kas. Indonesie heeft een economische groei van jaarlijks ruim 7`,7 % dit heb ik Jokowi persoonlijk zeggen in business forum in Kurhause in Scheveningen,  tegen Nederland nog geen 1%. Hier liggen mogelijkheden voor Nederlandse economie. De vele masterplannen in de republiek biedt Nederland voor meer dan ruim 100.000 arbeidsplaatsen tot 2027. De republiek weer kan haar infratrustructuur verbeteren en op een next level zetten. De intensiveringen van de betrekkingen en de banden die het verdrag traktaat van Wassenaar beogen, kan nu worden geconcretiseerd naar een gezamenlijke toekomst toe.

Maar eerst zal  het financieel deel uit het Traktaat Wassenaar uitbetaald moeten worden aan de rechthebbenden.

Lees verder…

De staf van Prins Diponegoro

10897293881?profile=original De staf van Prins Diponegoro                  Door: Michel Maas en Lidy Nicolasen

 De pelgrimsstaf van prins Diponegoro (de Willem van Oranje van Indonesië), veroorzaakt 181 jaar na dato opwinding in zijn thuisland Indonesië. Volkskrant correspondent Michel Maas legt uit waarom en Lidy Nicolasen reconstrueert met de Nederlandse bezitters hoe de staf uiteindelijk kon terugkeren naar Indonesië.

De staf van Diponegoro staat stilletjes in een zijzaaltje van de tentoonstelling Aku Diponegoro (Ik Diponegoro). Piepkleine spotjes werpen een schemerig, bijna geheimzinnig licht op de staf. Spiegelwanden weerkaatsen het licht, maar het blijft te donker om er selfies te maken. Flitsen is verboden. Er zijn weinig bezoekers in de Nationale Galerie in Jakarta. De stilte in het zaaltje staat haaks op het rumoer dat de staf heeft veroorzaakt in de Indonesische media.

De terugkeer van Diponegoro’s staf, na 181 jaar, was groot nieuws. Het was bijna alsof de Javaanse prins en nationale held zélf een beetje was teruggekeerd. Grote kranten als Kompas en Jawapos besteedden er hele en halve pagina’s aan en maakten daarmee duidelijk dat deze staf veel meer is dan alleen maar een stok met een kunstig gesmede metalen bovenkant die lijkt op de zon of de maan of de aarde waarover de houder regeerde. Diponegoro gebruikte de staf als hij op bedevaart ging naar heilige plaatsen op Java – vooral in Yogyakarta. Daarmee heeft de staf zelf ook iets heiligs gekregen. Er liggen krachten in verscholen van een geschiedenis die teruggaat tot de Javaanse godenwereld.

    Prins Diponegoro

Held

Ook Diponegoro (1785-1855) is meer dan zomaar een prins. Hij staat in de Indonesische herinnering gegrift als de eerste en grootste held van de strijd tegen de Hollandse kolonialen. Prins Diponegoro is de Willem van Oranje van Indonesië. Bij hem begon volgens de geschiedenis-boeken de bevrijding. Alle schoolreisjes in Jakarta eindigen bij de cel onder het oude stadhuis waar de prins werd vastgehouden. Ieder schoolkind heeft wel een selfie met de tralies.

De terugkeer van de ‘Staf van Diponegoro’ uit Nederland was voor iedereen een grote verrassing. De makers van de tentoonstelling hadden die goed geheim gehouden, tot de avond van de opening. Twee nazaten  van gouverneur-generaal Jean Chrétien Baud overhandigden daar, in de Nationale Galerie, de 1.40 meter lange staf aan de minister van Onderwijs en Cultuur. De gouverneur-generaal had     het object 181 jaar geleden meegenomen naar Nederland, waar de familie langzaam vergat wat het eigenlijk was. Erika en Michiel Baud brachten de staf terug, en werden daarmee op slag lokale beroemdheden die overal door media werden gevolgd.

De staf kreeg zijn schemerige ereplekje op de tentoonstelling. De stilte daar ligt misschien niet alleen aan de duisternis. Misschien deinzen veel mensen ook een beetje terug om al te dicht bij de staf te komen. Je weet maar nooit. Het kan immers zijn dat de spirituele kracht ervan nog niet is uitgewerkt. Dat is iets waarmee je in Indonesië altijd rekening moet houden.

10897305674?profile=originalDe gevangenneming van Prins Diponegoro

Magie

Kompas, een serieuze en gerespecteerde krant, suggereert dat magie de reden was om de staf 181 jaar geleden aan gouverneur-generaal Baud te overhandigen. De Javanen wilden de Nederlanders betoveren: via de magische staf probeerden zij ‘de Nederlanders hun kracht af te nemen’, schrijft de krant. Dat is voor Indonesiërs niet zo raar als het lijkt. Magie speelt een grote rol in hun leven, tot op de dag  van vandaag. Zelfs presidenten hebben er last van. Om de hoek, in de grote zaal, hangt bijvoorbeeld het centerpiece van de tentoonstelling: het schilderij ‘De gevangenneming van Diponegoro’ door Raden Saleh, onbetwist de grootste schilder uit de Indonesische geschiedenis, de Rembrandt van Indonesië, en dit schilderij is zijn Nachtwacht. Het was er bijna niet meer geweest. Het schilderij hing jarenlang in  het presidentieel verblijf in Yogyakarta, maar ‘Ibu Ani’, de echtgenote van de vorige president Susilo  Yudhoyono, was er bang voor. Dat gevoel had zij wel vaker. Zij dacht dat de geschilderde personages ‘s nachts door het paleis spookten en kreeg daar echt kippenvel van. Het onbetaalbare schilderij werd toen liefdeloos in de kelder opgeborgen waar het ten prooi viel aan vocht, schimmel en ongedierte.

Besar Kepala

Bezoekers drommen nu samen voor het gerestaureerde schilderij. Monkelend wordt gewezen op de hoofden van de Hollanders op   het doek, die er een beetje opgeblazen uitzien. De schilder heeft ze met opzet iets te groot geschilderd, maar hij heeft dat zo subtiel gedaan dat het bijna niet opvalt. De Hollanders merkten het niet. Besar Kepala mompelt een bezoeker, en de anderen lachen. Besar Kepala (dikke kop) betekent in Indonesië arrogant of lelijk.  Om de staf van Diponegoro lacht niemand. Dit ‘belangrijke artefact van de Indonesische geschiedenis en het Indonesische volk’ (Kompas) blijft voortaan in de Nationale Galerie, waar het met grote eerbied wordt behandeld. Je weet immers maar nooit hoe sterk hij nog is. Het kostte wat tijd, maar de Nederlanders zijn uit Indonesië verdreven; wie weet heeft de magie echt gewerkt.

10897305492?profile=originalEen geschenk, geen roofkunst

In de hoek van de gang leunen een wandelstok, een speer en een ingeklapt antiek veldkrukje tegen elkaar aan. Erboven hangt een missiebusje. ‘Kijk, hier stond het ding. Op de muur zie je de afdruk nog’, zegt Erica Baud (64), net terug uit Indonesië. ‘Ik heb deze spullen uit het huis van mijn ouders. Niemand keek er ooit naar om. Ik nam ze mee omdat ik ze mooi vond’. Het ‘ding’ is de pas teruggevonden pelgrimsstaf van de in 1785 geboren Javaanse prins en vrijheidsstrijder Diponegoro. De prins is een nationale held aan wie op dit moment in Jakarta een tentoonstelling is gewijd. Samen met haar broer Michiel heeft Erica Baud de staf tijdens de opening van de tentoonstelling officieel overgedragen aan het Nationaal Museum. ‘Michiel hield een woordje en ik overhandigde de staf aan de minister van Onderwijs. Er stond een batterij fotografen en ik vergat de staf bijna los te laten. Het was een groots gebeuren, heel emotioneel.’ De staf komt uit de nalatenschap van haar voorvader Jean Chrétien

Baud. In juli 1834 werd hem als beginnend gouverneur generaal van Nederlands-Indië de 1,40 meter lange houten stok met zilveren beslag en een smeed-ijzeren schijfvormige kling, door een voormalige medestrijder van Diponegoro ‘in onderwerping’ aangeboden. De prins had de oorlog tegen de Nederlanders verloren en was gevangen gezet. Zijn bediende was met de staf aan de haal gegaan om die aan de Nederlandse machthebber te overhandigen na zijn overgave.

Sultans

Van oorsprong was de staf niet van de prins, maar van de Sultans van Demak, en dus veel ouder. Prins Diponegoro kreeg hem van een gewone Javaan. Hij droeg de staf altijd bij zich als hij op pelgrimstocht ging om de zegen van het Opperwezen te vragen voor zijn ondernemingen. Jean Chrétien Baud bracht de staf naar Nederland. Maar de kennis over het belang van de staf ging in de loop der jaren verloren. Dat veranderde vorig jaar zomer, vertelt nazaat van de vijfde generatie Erica Baud. Ze kwam in contact met Harm Stevens, conservator van het Rijksmuseum. Hij had in Bauds archief een beschrijving gevonden van de pelgrimsstaf. En dat niet alleen. Uit een briefwisseling bleek dat Baud de staf en andere voorwerpen had willen overdragen aan het Rijksmuseum en het Museum voor Volkenkunde in Leiden. Om onbekende redenen is dat nooit gebeurd.

Erica Baud: ‘Harm Stevens klopte bij een nicht aan, maar niemand van de familie wist er iets van. Er moest iets van een staf zijn. Ik zei: ik heb wel een paar dingen staan. Stevens kwam meteen kijken en toen hij zei dat het best dé staf zou kunnen zijn, heb ik hem meteen in bubbeltjesplastic verpakt en naar het Rijksmuseum gebracht. Toen we eenmaal de betekenis van de staf kenden, wisten we heel zeker: hij gaat terug naar Indonesië.’De staf komt uit het ouderlijk huis, dat is eigenlijk het enige dat Erica Baud zich herinnert. Zij en haar broers en zussen kunnen zich niet herinneren waar de staf al die jaren heeft gelegen of gestaan.

10897304677?profile=originalAankomst van Prins Diponegoro bij het Nederlandse gezag na zijn overgave.

Geschenk

‘Wij waren totaal verrast. Het is geen roofkunst, het is een geschenk, dat zei Stevens meteen. We hebben ook gezocht naar een notitie van Jean Chrétien Baud. Die was nergens meer       te vinden. Toen de staf onder   een sterke tl-lamp van het Rijksmuseum lag, vroeg iemand ineens: wat staat er op geschreven? We bogen ons allemaal naar voren. Bleek dat het briefje van opa op het houten kapje van de kling was geplakt. Het was in de loop der jaren helemaal bruin geworden. We hebben geprobeerd het te ontcijferen. Dat lukte niet helemaal, maar wat we konden lezen, overtuigde ons er nog sterker van dat dit de bedoelde staf was.’

Op de tafel van Erica Baud liggen stapels boeken over de voormalige kolonie. Allemaal in de loop der jaren aangeschaft. Indië keerde immers altijd terug in de familieverhalen. Ze toont het portret van haar voorvader, geschilderd door de destijds in Nederland en Duitsland beroemde Javaanse schilder Raden Saleh. ‘Een niet onaantrekkelijke man’, zegt ze. ‘Je wilt natuurlijk ook dat hij een niet al te onaardige man was. Uit wat erover hem is geschreven, blijkt dat hij, hoewel een koloniaal heerser, veel aandacht had voor de Javaanse cultuur en gebruiken. In Nederland werd hij minister van Koloniën en toen heeft hij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde opgericht. Een familieportret geschilderd door Raden Saleh hangt daar nu.’

Geen van de nazaten van Jean Chrétien Baud  heeft later bemoeienis gehad met Indië. De vader van Erica Baud stond weliswaar in 1949 op de nominatie als dienstplichtige te worden uitgezonden, maar dat is vanwege een ziekte niet doorgegaan. Zelf werkt Erica Baud met Nederlandse gamelangroepen, maar pas nu heeft ze ‘op onze bedevaartreis’ de plaatsen bezocht waar haar voorvader ooit de baas was en waar ook een doodgeboren kind van hem begraven ligt.

‘Mensen vragen me vaak wat ik met Indië heb. Nu kan ik ze vertellen over mijn bet- bet- betovergrootvader en de staf van Diponegoro.’

Dit artikel verscheen eerder in De Volkskrant, 25 maart 2015. 

Lees verder…

De buurman van Rudy Burgwal

10897303482?profile=original

De buurman van Rudy Burgwal            Door:  Herman Keppy

Gelooft u in toeval? Ooit vond ik in het Tropeninstituut toevallig een verwijzing naar de lezing van een Ambonese arts die in 1907 in Nederland woonde. Jaren later probeerde ik zijn geschiedenis te achterhalen en dat lukte wonderwel. Kon ook niet missen. Toevallig woonde ik in Amsterdam om de hoek waar hij ooit woonde, met zijn broer, eveneens arts. En op Ambon had ik, opnieuw toevallig, hun moeilijk bereikbare geboortedorp bezocht, toen ik nog niet wist dat dit hun geboortedorp was. Ik heb een dik boek over die broers kunnen schrijven: Tussen Ambon en Amsterdam.

 

Een lange inleiding naar de verhuizing die ik binnenkort ga maken. Al geruime tijd wil ik weer in Den Haag wonen, maar de laatste twee maanden heb ik er druk achter gezet. Websites in de gaten gehouden, gereageerd op leukuitziende woningen, zoals dat gaat. Tja, en dan blijkt het ene huis toch te klein, het andere in deplorabele staat, en de ideale woning gaat net aan je neus voorbij. Tot opeens: een huis in de Bomenbuurt. Ik zal u allereerst verklappen dat die huurwoning mij is gegund en dat ik binnenkort de sleutel krijg. Ik heb geen moment getwijfeld. Ook niet toen ik de andere kandidaten zag die eveneens graag wilden. Hé, dit is mijn buurt.

 

Gebroeders Poetiray

 

Niemand lijkt het meer te weten, maar vlakbij woonden bij het uitbreken van de oorlog de Molukse gebroeders Poetiray. Beiden trachtten Engeland te bereiken, de lange route over land. Donald werd opgepakt en belandde in Buchenwald. Zijn broer Henk kon neutraal  Zwitserland bereiken, raakte ongeduldig, trok over de Alpen en hij werd ingerekend door de carabinieri. Overgedragen aan de Duitsers en te werk gesteld in Berlijn. De broers stuurden brieven naar hun moeder in de Bomenbuurt en keerden na de oorlog terug.

Om de hoek in de Populierstraat daar woonde Indische mevrouw Burgwal met haar enig kind. Zoon Rudy wist met een eenvoudige boot naar Engeland te vluchten. Hij volgde een vliegopleiding bij de RAF en werd Spitfirepiloot. Hij haalde onder meer zeventien-eneenhalve V1 uit de lucht voordat die dood en verderf zouden kunnen zaaien op het Engelse vasteland. Zeventien zeker, de halve deelde hij ruiterlijk met een andere piloot die tegelijkertijd op de vliegende bom schoot. Rudy overleefde de oorlog niet, want in 1944 trof Duits afweergeschut zijn vliegtuig. Hij stortte neer in Normandië.

Zijn geschiedenis zou misschien zijn vergeten als de familie Leidelmeijer, van Haags restaurant Bami Kwa, zich niet na de dood van moeder Burgwal over de spullen van haar zoon ontfermden. Zij schonken zijn fotoalbum, zijn dagboek en de bronzen medaille aan het NIOD, Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocide studies. En ze lieten mij weten dat het daar lag.

  

Gebroeders Spook

 

Op een steenworpafstand op het Valkenbosplein verzamelde zich tijdens de oorlog een knokploeg om een kantoor met distributie-bonnen te overvallen. Allemaal Indische jongens onder leiding van de jonge jurist Rutger Webb. O ja, hoorde één Hollands meisje bij. Dat werd later de moeder van Ernst Jansz.

Ik ga straks winkelen in de Fahrenheitstraat waar de Indische gebroeders Spook met andere vaderlandslievende jongens een groep NSB-ers een lesje wilde leren. Helaas, op de daken stonden Duitse soldaten met mitrailleurs. De broers en vele anderen werden ingerekend. Toen de Spookbroers vrijkwamen uit het Oranjehotel, stond hun besluit vast: wij proberen Engeland te bereiken. Dat lukte. Een van de broers, Cor, vertelde mij het verhaal in Canada. Al wist hij niet meer in welke straat het NSB-incident had plaatsgevonden. Heb ik uitgedokterd. Hé, dit is mijn buurt.

Er woonden in de Bomenbuurt nog meer dappere Indische mensen. Ze zijn er niet meer. Sommigen, zoals Rudy Burgwal, overleefden de oorlog niet, anderen zoals de gebroeders Spook en Poetiray emigreerden zo gauw zij de kans schoon zagen. Maar hun verhalen zijn niet weg, want oom Herman schrijft ze op. En geen betere plek daarvoor dan de Bomenbuurt, waar het ooit begon.

Lees verder…

ICM Archief : SCHERPE KRITIEK OP STAATSECRETARIS

10897295885?profile=original10897296273?profile=originalSCHERPE KRITIEK OP STAATSECRETARIS VAN RIJN OVER INDISCHE KWESTIE

Leo Tho Neijenhuis, voorzitter van de Bond van Ex-geïnterneerden en Gerepatrieerden Overzee (BEGO) heeft in een open brief scherpe kritiek geuit op staatsecretaris Van Rijn. Hij verwijt hem laksheid en loze beloften bij het afhandelen van de zogenaamde Indische kwestie die al sinds 1951 speelt. Van Rijn heeft de afgelopen 3 jaar tot 5 maal toe beloofd met maatregelen te komen en die voor te leggen aan de Tweede kamer, maar heeft dit nooit gedaan. Neijenhuis overweegt nu een klacht tegen de Nederlandse Staat in te dienen bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens. Hieronder is de tekst van de open brief te lezen.

TEKST OPEN BRIEF

"Maar al te graag had ik een positief bericht willen geven over de nu alweer 3 jaar durende onderhandeling met staatssecretaris Van Rijn over de z.g. Indische Kwestie. Nog steeds is er echter niets positief te melden, ondanks het feit dat deze staatssecretaris tot 5 maal toe aan de onderhandelaars van het Indisch Platform (IP) heeft beloofd deze zaak uit te willen werken en aan de Kamercommissie van WVC voor te leggen.
Als participant van het IP ben ik nauwkeurig op de hoogte gehouden, met steeds weer de mededeling dat wij ons nog even rustig moesten houden en dat wij geen overijlde reacties moesten geven aan onze leden. Er komt echter een moment dat er binnenin iets knapt en er geen energie meer over is om verder maar af te wachten. 

BELOFTEN POLITIEK

Decennia lang zijn er door allerlei politieke partijen beloften geuit om de Nederlands Indische samenleving het recht van een rechtvaardige behandeling te geven. Echter op het moment dat deze partijen regeringsverantwoordelijkheid kregen, lieten zij volledig afweten.
En ook nu, met behulp van een onverschillige houding t.a.v. de laatste nog levende oorlogsgetroffenen, gesteund door onwelwillende en tegenwerkende ambtenaren worden wij nog steeds aan de kant geschoven. Zelfs over de aantallen oorlogsslachtoffers die in Z.O.- Azië zijn gevallen wordt bagatelliserend gesproken, over de aantallen vermoordde slachtoffers tijdens de Bersiapperiode nog maar te zwijgen. Er waren voor de oorlog meer dan 300.000 Nederlandse burgers in Indië en ruim 20% is nooit teruggekeerd. Complete families zijn volledig verdwenen en nooit is er ook maar iets van hen vernomen. En maar volhouden dat er hoogstens zo’n 23.000 slachtoffers waren te betreuren.

SCHAAMTE NEDERLAND

“Nederland schaamt zich over haar koloniale verleden” kreeg ik te horen van een medewerker van het Nationaal Comité 4/5 mei. Ik zei hem dat Nederland zich moet schamen voor het verraad aangedaan aan de Joodse burgers tijdens W.O.- II en aan het verraad nà W.O.- II aan de Nederlands Indische samenleving. Immers tijdens de onderhandelingen in San Francisco (Peace Treaty) in 1951 over de herstelbetalingen die Japan zou opgelegd moeten worden, bezweken de onderhandelaars onder druk van de Amerikanen (overigens tot grote woede van de Britten). Uit het z.g. Yoshida – Sticker akkoord dat uiteindelijk werd afgesloten, kwam  een schamele tien miljoen dollar aan herstelbetalingen voort. In 1956 werd per persoon 325 gulden uitgekeerd (en velen hebben zelfs dat niet ontvangen), voor verlies van al hun bezittingen en het verblijf van ruim 3,5 jaar in Japanse concentratiekampen. En nog steeds tot vandaag de dag beroepen de opeenvolgende Japanse regeringen zich op dat akkoord, ondanks het feit dat er meermalen naar voren is gekomen dat dit schaamteloze akkoord opengebroken had moeten worden. De Nederlandse regering heeft toen voor de eerste maal, zonder ruggespraak met de Indische gemeenschap rechten weggegeven of overgedragen.

380 MILJOEN NIET UITGEKEERD AAN PARTICULIEREN

Bij de overdracht van Nederlands Indië in december 1949 werd de z.g. Wet op de Soevereiniteits Overdracht afgesloten. Via artikel 4, de Amnestie Ordonnantie werd een uitzondering gemaakt op het Internationale oorlogsrecht om te voorkomen dat over en weer blijvende beschuldigingen geuit zouden worden. Hiermee komen wij automatisch op het z.g. Traktaat van Wassenaar dat is overeengekomen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië op 7 september 1966. Het oogmerk van de overeenkomst was om met de afspraak over betaling van een lump sum door de Republiek Indonesië ervoor te zorgen dat in ieder geval nog een deel van de claims van de Nederlandse Staat EN van particulieren gehonoreerd zou worden. Het totaal bedrag zou om 600 miljoen gulden gaan. Opvallend is dat de Republiek Indonesië in termijnen van 1973 t/m 2003 689 miljoen gulden, inclusief rente aan de Nederlandse Staat heeft uitbetaald. 223 miljoen gulden was bestemd ter voldoening van een gedeelte van de claim die de Nederlandse Staat op de Republiek Indonesië had. Het resterende bedrag (van 466 miljoen -red.) zou worden uitgekeerd ter voldoening van claims van particulieren, maar wel met name als gevolg van nationalisering van bedrijven. Aan de oproep voor particulieren zou ruim bekendheid zijn gegeven door bekendmaking van de Verdelingswet in het Staatsblad, maar ook door publicatie in de landelijke pers. De landelijke pers? Jawel in het Reformatorisch Dagblad, maar wie las die krant eigenlijk en wie was geabonneerd op de Staatscourant? Uiteindelijk blijkt er rond de 86 miljoen gulden te zijn uitgekeerd aan particulieren, de rest ( 380 miljoen-red.) verdween in het bedrijfsleven en de Staatskas.

TWEEDE KEER RECHTEN WEGGEGEVEN

Feitelijk was dit de tweede keer dat de Nederlandse regering, zonder ruggespraak met de Indische gemeenschap hun rechten heeft weggegeven en aan zichzelf en het bedrijfsleven heeft overgedragen. Nederland had allang zijn schuld aan de Nederlanders uit het voormalig Nederlands Indië moeten voldoen door erkenning van hun schuld, maar door politieke onwil, die tot vandaag de dag nog steeds doorklinkt, is hier geen sprake van. De rechtsgeleerde prof.dr.mr. W.J. Vervaart stelde een aantal jaren geleden al vast dat “wat het naoorlogse rechtsherstel zo schrijnend maakte, was dat Nederlandse Staat in strijd met zijn eigen uitgangspunten van gelijkheid en solidariteit, de Joodse getroffenen niet op dezelfde wijze heeft behandeld als alle Nederlanders. Deze pijnlijke naoorlogse ervaring van voortgezet onrecht hebben de beroofde en berooide oorlogsslachtoffers uit voormaling Nederlands Indië in nòg sterkere mate moeten ervaren. De blijvende ongelijke behandeling tussen Joodse Nederlanders en de Nederlanders uit voormalig Nederlands Indië treft hen nog dagelijks.”

AANKLACHT TEGEN NEDERLANDSE STAAT

Bij dit alles ben ik mij gaan afvragen of er niet een aanklacht tegen de Nederlandse Staat voorbereid moet worden en voorgelegd aan de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens. De opgestapelde leugens en verdraaiingen van de Nederlandse Staat, die gesteund wordt door politiek correcte, ethisch moralisten gaan veel te ver. Met ijver proberen zij de geschiedenis over hun koloniaal verleden weg te poetsen, zoals het opzettelijk vernielen en weggeven van de Indische archieven en het uit de geschiedenisboeken halen van 4 eeuwen koloniaal verleden.

Ook deze misselijk makende gedragingen van de Nederlandse Staat moeten wij wel degelijk gedenken bij het 70 jarige verleden van de capitulatie van Japan. Of zoals Hegel al zei: “Niet op de theorie moet je beoordelen, maar op praktisch handelen komt het aan.”

w.g. Leo tho Neijenhuijs,voorzitter BEGO

Meer informatie: info@pia-media.nl

Lees verder…

.helaas, zo ging dat.....

10897303671?profile=originalZo ging dat...helaas....

http://julieallebewijzen-buzzfeed.blogspot.nl/…/

1947-soedah… had de boodschap goed begrepen na haar aankomst eind 1946. Zwijgen over Indië en meehelpen met de wederopbouw van Nederland. Terwijl haar moeder en haar twee kinderen in een contractpension in Markelo verbleven was Julie begin 1947 op zoek naar werk in Amsterdam. Zij vond al snel een baan bij een Notaris kantoor aan de Vossiusstraat. Een paar maanden later leerde zij Anton kennen en zouden al snel gezamenlijk een etage betrekken aan de Amstel. In januari 1948 werd hun eerste kind geboren.

De inmiddels zo bekende ‘zwijgzaamheid’ van de eerste generatie gerepatrieerden en later de spijtoptanten uit Nederlands-Indië kan gerelateerd worden aan: de koele ontvangst door de Nederlanders, de discussies over ‘wat is een Indo’ een Nederlander of een Indonesiër (lees Socioloog Wertheim ‘ze moeten maar in psychoanalyse om te ontdekken dat zij Indonesiër zijn’). Hun Indische opvoeding die vaak conservatief was geweest en gebaseerd op gehoorzaamheid (je vader en de Europeaan weten het beter). De gerepatrieerde Indo's hadden een vaak zeer verschillende culturele achtergrond en kwamen zeker niet allemaal van het eiland Java. De nieuwe bewoners met een Indische achtergrond werd echter als één groepering met een grote culturele achterstand beschouwd. Betutteling was het gevolg.

Het merendeel van de Indo’s kreeg hierdoor het gevoel dat zij tweederangs burgers waren. Door dan maar te zwijgen, te gehoorzamen en hard te werken zouden zij op termijn wel een plaats in de maatschappij gaan veroveren. Het duurde echter soms jaren voordat Indische families een eigen huis en werk hadden gevonden. De Nederlandse overheid vindt echter nog steeds dat de 'inburgering' van de Indo's zeer geslaagd zou zijn. Opvallend vaak waren de Indo’s de bescheiden maar wél aanwezige gangmakers in het verenigingsleven wat weer langzaam op gang kwam toen de Nederlanders weer geld voor contributies hadden. In bijna elke vereniging in Nederland zitten wel een of twee Indo’s die op een bescheiden manier veel werk verrichten.

De opvang en hulp aan oorlogslachtoffers was vanaf 1945 langzaam op gang gekomen. Men had geleerd van de eerste wereldoorlog van 1914-1918 dat men wel degelijk aandacht moest besteden aan de individueel getroffenen ook als het een heel volk betreft. In de psychiatriese instellingen in Nederland werden veel Nederlanders verpleegd die niet alleen hun echtgenoot/echtgenote waren verloren maar soms ook hun kinderen of gehele familie. De huisartsen maakten melding van veel patiënten die klachten van depressieve aard hadden. De ontwikkeling van antidepressiva die aansloot op een goed onderzocht ziektebeeld moest nog op gang komen. Dus het advies was al snel ‘ach mevrouwtje van tobben wordt je ook niet beter’. Een goede “volksgezondheid” was immers hard nodig om het land weer op te kunnen bouwen. Het was ook nog de periode dat slachtoffers ‘recht op privacy’ hadden. In de tegenwoordige tijd is dat bijna andersom. De media zoals kranten en TV staan soms eerder dan de hulpverleners een drama ‘te verslaan’. Terwijl men zich vroeger schaamde voor een depressie kan men heden een groot arsenaal aan ‘hulp’ zoeken los van de tips en het begrip van familie en partners.

Terwijl veel gerepatrieerde Europeanen hun Nederlandse familie hadden kan dit niet gezegd worden over de Indo’s zoals Julie. Die had in Nederland alleen haar moeder en een verre aangetrouwde nicht. Over haar Vader was niets bekend geweest bij het Rode Kruis. De Indo’s moesten ook nog een zekere schroom overwinnen om naar de zo ‘Nederlandse’ artsen op bezoek te gaan. Zou de arts hun wel begrijpen en goed verstaan? Hoeveel Indo mannen en vrouwen de huisarts bezochten met depressieve klachten vanwege hun opspelende oorlogservaringen is niet echt bekend.

Als er indertijd een stichting ‘Soedah, laat maar’ was opgericht ipv bijvoorbeeld Stichting Pelita dan waren er zeker zo’n 150.000 Indo’s lid geworden. Hun passieve houding is pas vanaf eind jaren ’60 veranderd. De gordijnen van de huizen ging verder open en er kwam een periode dat er ‘leefkuilen’ en ‘knuffelmuren’ in zwang kwamen. Flowerpower, Peace en Love. Oorlogslachtofferhulp werd veranderd in erkenning en hulpverlening. Het sobere beleid van de jaren '50 bleek succesvol geweest. De sociale zekerheid nam toe en de sociaal-maatschappelijke veranderingen werden aangejaagd door de eerste naoorlogse generatie jongeren die de ‘grijsheid’ van de jaren ’50 als benauwd hadden ervaren en de liberale oprispingen van de jaren ’60 ten volle wilde benutten.

De Indo broers de Wolff scoorden in 1959 een eerste hit onder de naam de Blue Diamonds en Anneke Grönloh veroverde in 1962 met het liedje Brandend Zand de Nederlandse harten. De Indo muzikanten werden vanaf eind jaren ’60 steeds minder gevraagd en moesten plaats maken voor uit Engeland en Amerika afkomstige of door Nederlandse muzikanten geïmiteerde populaire (Pop) muziek. De bevolking was tussen 1945 en 1970 met drie miljoen inwoners toegenomen en de TV was van zwart/wit naar kleur gegaan. Door het Groot Indonesisch Kookboek van Bep Vuyk maakten vele Nederlanders kennis met de gevarieerde rijsttafels. Onder Indo’s en hun families met Nederlandse aanhang was de eerste Pasar Malem Tong Tong in Den Haag 1959 een groot succes. Ook het voorbereidend werk door Mary Bruckel-Beiten in de voorgaande jaren (waaronder de eerste grote Pasar Malam in 1958 en vergelijkbare evenementen in de jaren daar voor) en vele anderen zoals o.a. Tjalie Robinson die vonden dat het Indies (Indo) gedachtegoed bewaard moest blijven sloeg niet alleen aan bij de Indo's er kwamen ook steeds meer Nederlanders naar de Pasar Malam's.

De ‘zelfhulp’ onder de Indo’s kwam op gang door met elkaar in gesprek te gaan tijdens deze steeds populairder wordende evenementen. De menukaarten van de Chinese restaurants werden uitgebreid met Indische recepten die vergeten leken te zijn. De termen ‘Binnenkampers’ en ‘Buitenkampers’ werden nog niet openlijk gebezigd. Bijna geheel Nederland had immers buiten de gevangenis en concentratie kampen de oorlog doorgemaakt. En toch wilde men nauwelijks horen dat ‘de toestand’ op o.a. Java onvergelijkbaar was met de ‘verschrikkelijke jaren' tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Koningin Wilhelmina heeft in November 1945 nog wel een heel lief briefje geschreven aan de ‘Kinderen die geïnterneerd geweest zijn’. De twee jonge kinderen van Julie en de vele andere Indo kinderen hebben dit lieve briefje nooit gekregen want zij waren immers nooit ‘geïnterneerd' geweest. Wilhelmina wist kennelijk ook niet dat veel kinderen opnieuw 'geïnterneerd waren in zogenaamde 'beschermingskampen'. De kinderen die wel geïnterneerd waren geweest zullen nog wel eventjes verbaasd zijn geweest over de opmerking over hun Moeders en (door omstandig heden elders geïnterneerde Vaders:
Wist de Koningin dan niet de er mannen/jongens en aparte vrouwenkampen waren geweest en dat veel geïnterneerde kinderen met name hun vaders nauwelijks herkenden als zij al verenigd werden? Willem Nijholt over het contact met zijn Vader na de oorlog; 'Mama hij zegt dat we naar bed moeten'. Was zij ook niet op de hoogte dat er géén Nederlands onderwijs aan de kampkinderen gegeven mocht worden. De 'buitenkamp' kinderen moesten net als Julie en alle andere buiten de kampen verblijvende Indo's zo snel mogelijk 'gejapaniseerd' worden.

Veelzijdig acteur Willem Nijholt leerde in de jaren '80 zijn publiek nog een Japans liedje om daarna pas te vertellen dat het een liedje was uit zijn kamptijd als jonge jongen. Nijholt in 1934 geboren in Gombong uit Nederlandse ouders, kwam op zijn achtste ook in een kamp terecht. Hoewel hij zei daar geen trauma's aan overgehouden te hebben, waren het wel vormende jaren. ‘Je slaat je jeugd over als je op je twaalfde dode mannen moet afleggen, terwijl je ook nog zo aan jezelf moet denken dat je daarnaast ook hun eten gaat ophalen, zodat je wat extra voedsel hebt’. Jaren later, in 2002 zegt hij:

"Het kamp, daar word ik vooral aan herinnerd als ik Japanse toeristen zie, of iets níet koop omdat het een Japans merk is. Laatst ging ik een grasmaaimachine kopen en ze hadden in de winkel alleen Japanse. Ik zei tegen Ben, mijn vriend: 'Ik doe het niet.' Maar ik kon niet anders, we hadden het ding nodig. Toen zei ik: 'Oké, dan zal deze Jap godverdomme voor míj werken.' Ja, en dat 55 jaar na dato.'' ''Ik heb er de laatste jaren weer meer last van. Een bitter gevoel, omdat ik door het kamp geen goede scholing heb gehad, omdat ik mijn moeder heb verloren...

Terwijl Willem Nijholt in een van de kampen verbleef leefde ‘buitenkamper’ Okke Norel in een boom.

De in Nederland aangekomen Indo’s hielden aldus noodgedwongen de lippen op elkaar . Er waren vanaf 1945 veel discussies op gang gekomen over wie ‘goed’ en wie ’fout’ in de oorlogsperiode was geweest. De Indo’s kregen vaak het verwijt te horen dat zij eigenlijk ook een beetje fout waren geweest. Zij hadden ‘hun’ land immers niet goed verdedigd en kwamen eenmaal Nederland aangekomen hun hand op houden. Ook de kinderen van Julie en Anton werden al op jonge leeftijd geconfronteerd met geheimzinnige uitspraken zoals ‘die melkboer daar is verkeerd geweest’. Of ‘oh, ben jij er een uit dat NSB gezin’! Nog in 1965 hoorde de kinderen over ‘die verkeerd geweest zijnde familie. ‘Ja daar, schuin aan de overkant!’ Wat de kinderen dan zagen was een grote vrijstaande villa met een mooi onderhouden tuin. Was dat huis betaald met oorlogsbuit? In die villa woonden ook kinderen met dezelfde leeftijd als de kinderen van Julie en Anton.

Natuurlijk vroegen de kinderen niets aan de kinderen van de villa maar je paste er wel voor op om het hen om te gaan. Pas jaren later hoorde je dan de achtergrond. Het was de grootvader van de villa eigenaar geweest die een rol in de NSB gespeeld zou hebben en met de moffen geheuld zou hebben. De Nationaal Socialistische Beweging van Anton Mussert die samen met de bezettende Duitsers het land wilde gaan regeren. Ja, die waren goed ‘fout’ geweest. Had de moeder van Charlotte ook niet meegelopen met de Indische NSB optochten in Bandoeng 1935 toen Mussert Indië bezocht? Julie was laaiend van woede geweest toen zij haar moeder in een bruin hemd voorbij zag marcheren.

Wie ‘goed’ was geweest kon rekenen op repatriëring naar Nederland. Dat ging echter niet vanzelfsprekend de Nederlandse regering was er logistiek maar ook psychologisch niet echt op ingesteld om hun ‘onderdanen die in den verre verbleven’ snel naar Nederland te halen. En wie zou de transportkosten moeten betalen? Nederland was immers zwaar ‘berooid’. Er was wel genoeg (geleend) geld om tussen 1945 en 1950 meer dan 200.000 militairen naar Nederlands-Indië te sturen. De Nederlandse politici waren echter wel zo ‘slim’ om er op toe te zien dat Nederlands-Indië zogenaamd autonoom was geweest waardoor de ‘eigen’ schulden waaronder de achterstallige salarissen en pensioenen van de Europeanen en Indo’s dus niet uitgekeerd behoefde te worden. Laat staan dat er sprake was van schadevergoeding vanwege het achterlaten van huizen

Foto :Station Utrecht 1956 - aankomst repatrianten uit Indië

De blogspot is uit de lucht gehaald en als ""gevaarlijk""aangegeven....vreemd!

Lees verder…

Mijn moeders Indië

Mijn moeders Indië

10897293855?profile=original

foto- Els Groos in haar geboortestraat in Cimahi

Ze werd er geboren, zat er als kind in een kamp, maar verder? Volkskrant-journalist Olaf Tempelman nam zijn moeder mee op herontdekkingsreis door het Java van haar jeugd.

Door Olaf Tempelman  

De hemel betrekt boven de Prins Hendriklaan, pardon, de Jalan Sudirman. Mijn moeder weet dat je nu een bananenblad moet plukken, onder een bananenblad blijf je even droog als onder een paraplu. Er was weinig dat ik minder met mijn moeder associeerde dan het bananenblad. Ik wist ook niet dat ze thuis was in tropisch riet, op Java het winkelassortiment kent en dat ze houdt van jeruk panas, heet sinaasappelsap.

Els Groos, mijn moeder

Els Groos, mijn moeder

Wat wist ik eigenlijk wel? Dat er op één fotootje na geen babyfoto’s van haar zijn, dat ze van sambal houdt en is opgevoed door Indische kindermeisjes, baboes, over wie ze met meer affectie sprak dan over haar eigen moeder. ‘Zo deed de baboe dat’, klonk het vaak. De baboe zei kasian! als je je knie openhaalde, de baboe kookte de heerlijkste nasi en hield een paraplu boven je hoofd als er druppels begonnen te vallen.  

Zoeken naar mijn moeders geboortehuis

De Jalan Sudirman is zo’n straat op Java die je in de 21ste eeuw nauwelijks kunt oversteken. Op busjes en betjaks volgen stromen brommers en scooters, bereden door gezinnen en vrouwen met baby’s aan de borst. In een moment van waaghalzerij slepen we mijn moeder de weg over. Behoofddoekte brommermeisjes remmen op het nippertje en lachen ons lief toe.

Wat doen we in dit verkeer? We zoeken naar mijn moeders geboortehuis. Google weet dat deze straat tot 1949 door het leven ging als de Prins Hendriklaan. Google liegt niet, want de huizen hier zijn op en top koloniaal, destijds wit, nu geel en groen en omringd door hekken. Zelfs modale Hollandse bouwsels zijn in trek bij beter verdienende Indonesiërs. In één van die huizen is mijn moeder geboren. Aan deze ooit idyllische weg moeten mijn grootouders gelukkige jaren hebben beleefd. Helaas voor mijn moeder vielen die voor haar geboorte.

Echte herinneringen

Ergens wilde ze haar geboorteland graag terugzien, ergens was ze er bang voor – een dubbel gevoel dat veel voorkomt bij eigenaars van een Indische jeugd. Het echte geboorteland bestaat immers niet meer.

Je kunt beter spijt hebben van iets wat je hebt gedaan dan wat je hebt verzuimd, zeggen ze. Mijn zussen en ik besloten met onze moeder op reis te gaan nu het nog kan. Dat vrienden de laatste jaren moeders verloren met latere geboortejaren dan 1942, was een aansporing. Heimelijk hoopten we uit de eerste hand dingen te horen over de laatste jaren van dat koloniale rijk waarvan Nederland met zo veel moeite afstand deed.

Mijn moeder behoort tot de laatste generatie met echte herinneringen aan dat imperium. Eind 1950 werd ze uit een inmiddels onafhankelijk Indonesië gerepatrieerd. De in Indië opgegroeide generatie van Hella Haasse en Rudy Kousbroek is Nederland de afgelopen jaren ontvallen. Als mijn moeders generatie er niet meer is, dan is Nederlands-Indië definitief iets van naslagwerken en archieven – en een land op papier is toch iets anders dan een land dat mensen zich nog kunnen herinneren.

Na 64 jaar terug

En zo zette mijn moeder na 64 jaar weer voet op Javaanse bodem. Vertrokken per boot, terug per vliegtuig. Vroeger was Jakarta minder heet, zegt ze als we uit de airco van de Soekarno Hatta Airport in het Indonesië van nu stappen: toen het hier nog Batavia heette, had je geen smog die blijft hangen tusssen wolkenkrabbers die hoger zijn dan die in New York.

Dichter bij haar geboorteplaats wordt het koeler. De weg slingert 150 kilometer door theevelden de bergen in. Tussen Bandung en Tjimahi (Cimahi) zit al het gemotoriseerde verkeer vast, anderhalf uur doen we over de laatste 25 kilometer. Tjimahi. ‘Een klein garnizoensplaatsje bij Bandung’, zei mijn moeder altijd over dat woord in haar paspoort. Het Tjimahi dat wij binnenrijden, heeft kilometerslange buitenwijken, groothandels, shoppingmalls en bijna een miljoen inwoners.

Ongepland kind

De oude koloniale straten zijn de enige lommerrijke. ‘Gek idee dat mijn moeder hier zwanger heeft rondgelopen’, zegt mijn moeder na enkele minuten stilte. Driekwart eeuw terug waren mijn grootouders hier totoks, ‘witten vers van de boot’. Een tropische tuin, een binnengalerij, baboes die dag en nacht klaarstonden – dat ze het hier heerlijk vonden, laat zich begrijpen.


Mijn grootvader vond in de malaise van de jaren dertig werk als verpleger bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Om zijn verloofde naar Indië te halen, moest die eerst trouwen. Omdat de bruidegom al in Indië zat, trouwde de bruid in haar eentje op het Haagse gemeentehuis – ‘met de handschoen’, in jargon. Belangrijker destijds was het kerkelijk huwelijk. Dat werd enkele uren na mijn oma’s aankomst in Tjimahi voltrokken in de katholieke kerk die er nog gewoon blijkt te staan, in de oude Prins Hendriklaan.

Kerkelijke huwelijken leidden in katholieke kringen van weleer meestal snel tot zwangerschappen. Lang niet altijd tot vreugde. Een eerste meisje, Eleonora Melania Maria Groos (Nony) werd geboren op 18 december 1940. Een tweede, Elizabeth Laetitia Maria Groos (Els), mijn moeder, volgde minder dan dertien maanden later, op 13 januari 1942. De Japanse invasie van Indië was in volle gang, mijn opa was gemobiliseerd en afwezig bij de geboorte. Dit kind was, alles wijst erop, niet gepland.

Urenlang in de tropenzon op appèl

In het licht van de geschiedenis bleek het extra onwelkom. Mijn moeder was een paar weken oud toen Nederland capituleerde en mijn grootmoeder met een grote én een pasgeboren baby uit de Prins Hendriklaan naar het verderop gelegen kamp Baros verhuisde. Vroeg in ’42 belandden bijna alle Hollandse vrouwen uit het garnizoensstadje hier achter prikkeldraad. In 1944 gingen ze verder, achterin een vrachtwagen, naar de door de Japanners afgezette wijk Tjihapit in Bandung. Vanuit Tjihapit volgde transport per laadbak naar Tjideng (Cideng) in Batavia.

In de oorspronkelijke woonwijk woonden in 1942 een paar honderd mensen. In kamp Tjideng zaten in 1945 ruim 10 duizend Nederlandse vrouwen en kinderen geïnterneerd. Hier beginnen de herinneringen van mijn moeder. De oudste is het hongergevoel, de één-na-oudste het samen met andere kinderen duiken naar citroenschilletjes op de grond.

Mijn jongste zus heeft een plattegrond van Tjideng uitgetekend. Het oude kamp valt vrijwel samen met een betere wijk in het Jakarta van nu. Die wordt, zoals dat gaat in dit deel van de wereld, 24 uur per dag bewaakt tegen armoedzaaiers uit een bewoonde vuilnisbelt verderop. In deze straten was mijn moeder een ondervoede peuter, over deze plek hoorde zij haar moeder een jeugd lang praten in monologen. Tjideng: urenlang stonden vrouwen daar in de tropenzon op appèl. Tjideng: daar moest je ‘kikkeren’ op bevel. Het kan niet anders of het was traumatisch voor mijn oma. In 1939 betrok ze een prachtig huis met bediendes, amper drie jaar later zat ze in een Jappenkamp met twee matig tot niet gewenste, kleine kinderen.

De smaak van chocola

Het moeilijkste, zegt mijn moeder terwijl schoolmeisjes uit het Tjideng van nu naar haar zwaaien, was dat zij en haar zusje in de verhalen van hun moeder nooit voorkwamen: meer dan ‘jullie zaten daar te spelen’, ‘voor jullie was het niet erg’, ‘jullie hadden geen idee wat daar gebeurde’ hoorden ze niet. De monologen hadden een vast einde: ‘Ik heb jullie door het kamp gesleept.’ Daar ging je je als kind extra schuldig van voelen.

Gezin Groos, 1946

Gezin Groos, 1946

Mijn moeders volgende herinnering is van na de Japanse capitulatie in augustus 1945: de smaak van chocola die werd uitgedeeld en het weldadige gevoel van een volle maag. Een paar maanden later kwam mijn grootvader terug uit Japanse krijgsgevangenschap. Mijn moeder herkende hem niet. Hoe kon het anders: ze had deze broodmagere man nog nooit gezien. Dat mijn grootmoeder in latere jaren telkens opnieuw zou vertellen dat ‘Elsje haar eigen vader niet herkende!’, deed deze onder een slecht gesternte begonnen verhouding geen goed.

Wanneer mijn grootouders precies zijn herenigd, is onduidelijk. Dat er in augustus 1946 een derde kind werd geboren, duidt op een hervatting van het katholieke huwelijksleven eind 1945. Wat de jaren erna fascinerend maakt, is dat mijn grootouders conform instructies van de Nederlandse overheid probeerden door te leven in ‘ons Indië’ alsof er niets was gebeurd. Op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, had Soekarno al de republiek Indonesië uitgeroepen. Onafhankelijkheid? Begin 1946 vestigde de familie zich in Soerabaja waar mijn grootvader weer aan het werk ging voor het KNIL. De vlucht van Batavia naar Soerabaja in een Nederlands militair vliegtuig, was mijn moeders eerste vliegreis, en de enige waarbij zij met de rug naar het raam tegenover soldaten zat.

Soerabaja, Soerabaja

‘Soerabaja, Soerabaja, met je zee en je hemel zo blauw.’ De zee die wij in Soerabaja zien is smerig en van een onbestemde kleur, onder de hemel hangt witte smog. De straten trillen, er verrijzen wolkenkrabbers, het verkeer zit vast. Ter verdediging van Anneke Grönloh: haar nummer-1-hit over deze idyllische stad is al 52 jaar oud.

Uit de zee die hier blauw was, viste mijn grootvader in 1946 een garnaal op van dertig centimeter. Mijn moeder heeft dat beest nog steeds op haar netvlies staan. Het plaatselijke Chinese restaurant had er veel Nederlands-Indische guldens voor over. De zee zo blauw zat ook vol haaien. Mijn grootvader assisteerde bij de amputatie van het been van een marinier die was gaan zwemmen – voor zijn kleuterdochters een even huiveringwekkend als fascinerend verhaal. Verpleegde opa in Soerabaja ook gewonde Nederlandse soldaten? Dat moet haast wel, want er werd in 1946 meer dan incidenteel gevochten.

Het probleem is dat we zo weinig van hem weten, van de vader van mijn moeder. Wat hij in krijgsgevangenschap heeft gedaan, wat hij heeft gezien van oorlogshandelingen – deze man was weinig mededeelzaam. Deze man was ook bescheiden en zelden aan het woord. Mijn grootmoeder voerde het woord, 98 zo niet 99 procent van de tijd. In haar monologen over Indië kon ze tot tien keer toe hetzelfde zeggen. Mijn grootvader luisterde en knikte, een filterloze sigaret in de hand. Ik heb dit tafereel een paar keer zelf aanschouwd voor zijn vroege dood in 1979, en ik moet altijd aan deze man denken als je weer eens leest dat mannen vroeger gezag hadden.

Gevechten

Deze gesloten man, honderd procent onder de plak, móet in 1946 in het militair hospitaal van Soerabaja bebloede Hollandse jongens op brancards hebben zien binnenkomen. Dat het KNIL in een strijd met de lokale bevolking was verwikkeld, vertelden de verplegers niet aan hun vrouwen en kinderen die in de rustige Nederlandse wijk hun tropenslaapjes deden. Mijn moeder herinnert zich de wilde kat die krijste in de uren dat ze de slaap niet kon vatten.

Herfst 1945 waren in Soerabaja gevechten uitgebroken nadat bevrijde Nederlanders hun vlag hadden gehesen op ‘hun’ Oranje Hotel. De daaropvolgende volksopstand was neergeslagen door Britse troepen die snel beseften hoe de wijzers stonden op de klok van de geschiedenis, en zich in 1946 door het KNIL lieten aflossen. Het Oranje Hotel bestaat nog, ingeklemd tussen betonnen nieuwbouw. Vandaag de dag heet het Majapahit. Het heeft vijf sterren en een Indonesische herdenkingplaquette op de plaats waar Nederlanders hun rood-wit-blauw hesen om duidelijk te maken dat ze terug waren – maar niet voor lang.

Voelden mijn grootouders dat ze hier minder welkom waren dan in 1938? Het kan niet anders. Voorvoelden ze dat het weleens snel afgelopen kon zijn met de Nederlandse heerschappij? Nee. In 1948 was de familie om medische redenen in Nederland; mijn grootvader kampte, toen al, met hartklachten, het in 1946 geboren zusje had Engelse ziekte. Bij de inhuldiging van Juliana in september 1948 stonden ze in Den Haag langs de kant van de weg. Mijn grootmoeder sprak toen woorden die mijn moeder zijn bijgebleven: ‘Kijk goed naar de Gouden Koets, want we gaan terug naar Indië en jullie zullen Nederland heel lang niet meer zien.’

Zusters Ursulinen-handschrift

Dat was minder dan zestien maanden voor de soevereiniteitsoverdracht! Die tekende Nederland, het is bekend, alleen onder zware druk van een zeldzaam eensgezinde internationale gemeenschap. Hoe konden mensen dat niet zien aankomen? Doordat de Nederlandse autoriteiten zo uit de pas liepen met de geschiedenis, waarschijnlijk. Het respect voor het gezag was in die jaren nog groot. Die deftige mannenstem van het Polygoonjourmaal die vertelde dat de orde in Indië was hersteld, die werd geloofd. De familie woonde aan de Gerth van Wijkweg in Batavia, vlak bij het Koningsplein, toen in december 1948 de tweede politionele actie begon.

Het waren heerlijke middagen aan de Gerth van Wijkweg in 1949. De meisjes waren amper in bed gestopt voor hun tropenslaapje of ze kropen door het raam naar buiten, de binnentuin in, waar ze mango’s plukten die ze op de grond fijnstampten en mengden met ketjap. Zo kreeg je een heerlijk goedje dat rudjak heet. Aan het eind van de middag gingen ze vaak ijs eten in ijssalons waar witten in 1949 nog werden bediend.

De katholieke meisjes uit Batavia zaten op school bij de Zusters Ursulinen, vlak bij het Koningsplein. De nonnen leerden mijn linkshandige moeder met rechts schrijven, door een bel aan haar linkerpols te binden. Ging ze in de fout, dan hoorden de zusters dat meteen. Maar met of zonder gerinkel, mijn moeders krabbels bleven afwijken van het befaamde, door Hella Haasse beschreven ‘zusters ursulinen-handschrift’.

Per betjak in haar mooiste witte jurk

Eerste heilige communie

Eerste heilige communie

Sancta Ursula. Dat staat in 2014 gewoon op de gevel van het schoolgebouw langs een verkeersader. Als mijn moeder de binnenplaats inspecteert met een overdekte galerij die dwars door een tropische tuin loopt, zien we waar we op hadden gehoopt: de pure herkenning van een plek van vroeger. De kathedraal waar ze in 1949 haar eerste communie deed, is er ook nog. Ze arriveerde per betjak in haar mooiste witte jurk. De rit ging dwars over het Koningsplein van Batavia. Een paar maanden later ging dezelfde rit over het Merdekaplein van Jakarta. Want op 27 december 1949 tekende Nederland de soevereiniteitsoverdracht.

Medan Merdeka, Vrijheidsplein. Op weg naar school zag mijn moeder Soekarno, nu staatshoofd van een onafhankelijke republiek, met een luidspreker in de hand een grote menigte toespreken. Ze herinnert zich ook de duizenden ruggen van moslims op het plein tijdens het vrijdagmiddaggebed. Het was nu 1950 en de grote geschiedenis was volop bezig de wereld van 8- en 9-jarigen binnen te dringen. In de loop van 1950 konden mijn moeder en haar zus niet meer alleen over het Merdekaplein naar school. Vanaf nu moesten de baboes mee, als bodyguards. Geruchten over ontvoeringen van witte kinderen verspreidden zich als lopend vuur door de Nederlandse gemeenschap. Rijen baboes leverden de kinderen om zeven uur ‘s ochtends op school af en wachtten ze op voor de middaghitte begon. Die lieve baboes deden alles om alles hun solidariteit met de Nederlanders te betuigen. ‘Onze baboe sprak het woord Merdeka altijd heel boos uit’, herinnert mijn moeder zich, ‘na het woord Merdeka spuwde ze twee keer in haar handen.’

Zonder bewaking

Medan Merdeka – 64 jaar later kan mijn moeder er weer zonder bewaking overheen. Noem het een vreemde ervaring. Dat komt vooral door het Monumen Nasional, gereedgekomen in 1975, dat met een hoogte van 137 meter nogal in het oog springt. ‘Vroeger was dit een pléín’, zegt mijn moeder, ‘nu is het een open vlakte rondom die enorme paal.’

In de tweede helft van 1950 veranderde het gezinsleven snel. Eerst kwam er een einde aan de zondagse uitstapjes naar een populair stuk strand dat Palm Beach heette. Reden: daar waren op klaarlichte dag witten vermoord. Onbekommerd winkelen was er ook niet meer bij. Steeds meer middenstanders weigerden nog aan witte klanten te verkopen. In november 1950 kreeg de familie levensmiddelen bezorgd door het leger.

Kort voor de repatriëring mocht mijn moeder met haar vader mee naar een begraafplaats buiten Jakarta. Mijn opa droeg een fototoestel om zijn nek en speurde met een lijst namen in de hand naar graven. ‘Waarom moet je die fotograferen, papa?’, vroeg zijn dochter. ‘Daar liggen dienstplichtigen die vorig jaar zijn gesneuveld’. ‘Voor wie zijn de foto’s?’ ‘Voor hun ouders. Die zullen hier nooit komen, maar die willen wel graag een foto van het graf van hun zoon.’

De dood ingestuurd

De dienstplichtigen van 1949: ze werden de dood ingestuurd in een strijd waarvan destijds bijna de hele wereld schande sprak. Tegenwoordig is hun laatste rustplaats één van de zeven Nederlandse erevelden op Java. Mijn moeder loopt hier tussen dezelfde graven als toen en hoort dezelfde krekelgeluiden. Hoe anders is de omgeving: in 1950 lag het veld in tropische natuur, nu is het aan de vier zijden omzoomd door wolkenkrabbers.

In de winter van 1951 woonde het gerepatrieerde en nu uit zes personen bestaande gezin achtereenvolgens in een hotel in Doorn en in een huisje in Amerongen, een tijd die mijn moeder zich herinnert als, nou ja, akelig. De kou was snijdend, het eten smakeloos, de Hollandse kinderen waren meedogenloos. Op school werden de witte tropenmeisjes uitgescholden voor ‘bruine beren’ en ‘poep-Chinezen’.

Volgend trauma: het sloven voor mijn grootmoeder, die onthand was zonder baboes en haar twee oudste dochters aan het werk zette. Leven in Nederland, dat bleek op je knieën de vloer schrobben van koude kamers. Vijftig jaar later zat mijn grootmoeder, de 90 voorbij, in een randstedelijk verpleegtehuis en deelde daar dermate veel instructies uit dat haar dochters de vraag kregen: ‘Heeft ze soms dienstmeisjes gehad?’ Hun antwoord: ja, tot 1951 had ze baboes, na 1951 had ze dochters.

Baboe

In Indië was het leven fijner geweest, voor alle gezinsleden. Mijn moeder miste de baboes op een andere manier – affectief. Die baboes, die deden wat haar moeder nooit deed, je knuffelen en troosten. Tegen de baboe kon je je aanvlijen, bij de baboe kon je uithuilen. Vrij snel na repatriëring bleek dat de baboes ook een buffer waren geweest tussen mijn grootmoeder en de kinderen die ze door het kamp had gesleept. In Nederland verhardden de verhoudingen, vooral die met mijn moeder – het kind dat op het slechtste moment was geboren en ook nog eens geneigd was tot tegenspraak. Om twistgesprekken te beslechten, had mijn grootmoeder maar één zin nodig: ‘Ik heb jou door het kamp gesleept.’

Ik heb het haar zelf horen zeggen, op één van die jaarlijkse bezoeken in de jaren tachtig. Mijn moeder zag er steevast als een berg tegenop, wij voelden ons steevast ongemakkelijk. Mijn oma praatte doorgaans anderhalf uur achter elkaar, zei dan drie, vijf of zeven keer hetzelfde over Tjimahi, Tjihapit en Tjideng, vroeg niets aan mijn moeder en niets aan ons. Daarna gingen we weer weg, voor een jaar, of voor twee jaar.

Desalniettemin: die zin waarmee ze haar Indië-monologen bijna ritueel beëindigde, is een historisch feit. Ze gíng met twee baby’s het kamp in en kwam er, na bijna vier jaar omringd te zijn geweest door kindersterfte, met twee kleuters uit.

Alsof je op je 72ste je vleugels uitslaat

In het busje naar het vliegveld kijkt mijn moeder naar de wolkenkrabbers, de smog en de natte bananenbladeren. Ben je nou blij dat je nog een keer bent teruggegaan?, vragen we. Ja. Dat ze veel Indië meedraagt, dat wist ze wel, maar ze was niet gewend erover te praten: bij haar thuis bestond alleen het Indië van iemand anders. Dit was nu eens een keer háár Indië. Alsof je op je 72ste je vleugels uitslaat. Voor ze de vertrekhal inloopt, ademt ze nog een keer de lucht in die voor tropenmeisjes nooit buitenlands wordt.

x

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in De Volkskrant, 21 februari 2015.

x

Lees verder…

Indonesie kapt er lustig op los

Indonesie kapt er lustig op los 

10897303275?profile=original

Nieuwsartikel - 23 februari, 2015
Ruim een jaar geleden presenteerde Asia Pacific Resources International (APRIL) een nieuw ‘Duurzaam bosbeheerplan’. De Aziatische pulp- en papierproducent beloofde serieus werk te maken van de bescherming van de Indonesische bossen. De realiteit blijkt helaas anders…

We hadden er al niet veel vertrouwen in. APRIL heeft eerder mooie beloftes gemaakt én gebroken. Al in 2004 beloofde het bedrijf in vijf jaar tijd te stoppen met ontbossing voor de productie van papierpulp. Je voelt ‘m al aankomen: de mooie woorden bleken in praktijk nog geen cent waard.

 

Het kappen gaat door

Ook nu belooft APRIL veel, maar tegelijkertijd is deze papier- en pulpgigant van plan tot 2019 door te gaan met het kappen van de Indonesische bossen. Het bedrijf weigert ook te stoppen met het afwateren van veengronden, ondanks dat dit leidt tot bos- en veenbranden.

Het afgelopen jaar hebben we de activiteiten van APRIL op Padang Island, voor de kust van Sumatra, in de gaten gehouden. De foto’s laten nog maar eens zien wat de praatjes van APRIL waard zijn. Zolang ze niet gedwongen worden te stoppen zal dit bedrijf net zoveel Indonesisch regenwoud kappen als het kan.

Bekijk hier de volledige fotoserie:

 

Goede voorbeeld

Twee jaar geleden gaf Asia Pulp & Paper, een grote concurent van APRIL al het goede voorbeeld, door niet langer te ontbossen. Het bedrijf kwam tot deze stap na jarenlange campagnes van Greenpeace en andere organisaties. Onder druk van miljoenen supporters wereldwijd verbraken grote afnemers en financiers van APP zoals Unilever, Douwe Egberts en ING hun banden met het bedrijf. Het bedrijf kon niet anders dan haar beleid verduurzamen.


Dat is dan ook precies wat klanten en financiers van APRIL nu moeten doen: zeg de contracten op tot dat het bedrijf écht verandert. De omstreden papiergigant wordt onder meer gefinancierd door banken als Santander en de Nederlandse ABN AMRO. Pijnlijk, want ABN AMRO schrijft zelf voor dat zij niet betrokken wil zijn bij transacties die leiden tot de vernietiging van kostbare ecosystemen. Greenpeace is in gesprek met ABN AMRO en het lijkt er op dat de bank deze zaak serieus oppakt. We hopen snel te horen hoe ABN AMRO er voor gaat zorgen dat ze niet langer bijdragen aan ontbossing.

Lees verder…

10897281292?profile=original10897239901?profile=originalGroningen gaat ten gronde door ontbreken Kabinet visionaire missie.
Reactie van Min. uit Indonesie.

Tegenwoordig door de Internet zijn alle ontwikkelingen te volgen. Zo stuitte ICM als redactie op de Mega Masterplannen die het Kabinet van de Indonesische regering ontwikkelde. Masterplannen met grote investeerders uit het buitenland die de infrastructuur, sociaal en economisch naar een hoger plan tilde. Iedereen profiteert hiervan.
Heeft Indonesie Nederland ver achter zich gelaten als het om Mega Master plannen  ontwikkelingengaat ?

Ja, kan hier resoluut op worden geantwoord.


Henk Kamp is nu al een jaar bezig om de “Quatar & Dubai “ te redden daar lijkt op. Kan hier van zijn collega’s in de republiek Indonesia wel wat van leren, die wel duizenden provincies met een populatie van 251 miljoen besturen. Sinds het vertrek van de Nederlanders uit het voormalige Indie is dit land sterk ontwikkeld, en met grootste economische groei ruim 7,8 % op bevolking van 250 Miljoen, en Nederland 1,2 op 16 miljoen.


Henk Kamp en de zijnen lijken totaal visieloos te zijn. De geschiedenis van de provincie Groningen laat zien dat gedurende 55 jaren de Dubai & Quatar is van Europa. Nederlandse huishoudens als Europese huishoudens zijn afhankelijk van deze rijke energie bron, waar provincie Groningen niets voor terug heeft gehad. Geen voorzieningen zoals in Dubai & Quatar o.a.: gratis zorg, gratis school etc.. In tegenstelling verzakte bodem gepaard met dagelijkse aardlaag verschuivingen die zorgen dat infrastructuur en gebouwen doen in storten. Hun leven van de ene dag in een hel veranderde, net zoals de Indische Nederlanders toen Koningshuis Japan de oorlog verklaarde, zie hun lot nu anno 2015 hoe Martin van Rijn dit oppakt of liever gezegd wegvlucht!

55 jaren wordt het rijkelijk energie uit deze bodem gehaald, die langzaam zorgt dat de druk wegneemt en verschuivingen te weeg brengt die uiteindelijk resulteren in aardbevingen, en verwoestingen van gebouwen en infrastructuur.

De geschiedenis heeft geleerd hoe het Kabinet omgaat met problemen die te wijten zijn aan visieloos zijn van een Nederlandse regering. Neem het voormalige Indie, dankzij het wanbeleid en oorlogsverklaring aan Japan, en later niet erkennen van de republiek Indonesia heeft ze haar onderdanen in Indie - De Indische Gemeenschap, die met 341.000 het land Indonesie moesten verlaten tot anno 2015 - in de steek gelaten door steeds onderzoekcommissie in te stellen. Dit begint nu ook aan de oppervlakte te drijven wat de provincie Groningen betreft.

Correspondent uit Indonesie mailde de ICM redactie :
Provincie Groningen heeft ruim 55 jaren rijke energie bronnen geleverd voor alle huishouden in West – Europa, dit is een harde constatering. De minister Kampt richt zich puur op quick en dirty oplossingen, terwijl dit probleem op een doelmatige wijze vraagt naar alle partijen toe. Shell (Nederlandse regering) zijn afhankelijk van de inkomsten voor de begroting van de Nederlandse regering, en is verplicht te blijven leveren aan alle huishoudens in West Europa. Waarom wordt nu NIET  alle opbrengsten direct aan de provincie Groningen beschikbaar gesteld om de Infrastructuur en de gebouwen te herbouwen als aardbevingsbestendig zoals die landen waar aardbevingen aan orde dag zijn o.a. Japan. Hiervoor een megaplan ontwikkelen. Dit zal resulteren dat infrastructuur en gebouwen bestendig blijven tegen de aardbevingen, die zullen blijven in de toekomst. De Groningse Economie zal weer gaan aantrekken en de werkloosheid zal dalen. Niet onbelangrijk de leveranties aan alle huishouden zullen blijven behouden, en uiteraard ontwikkelingen van alternatieve bronnen. Ten slotte niet afhankelijk te zijn van Poetins gas.
In die 55 jaren is ruim 700 miljard verdiend (BNP = 248 miljard). 
Trima Kasih banjak!

Lees verder…