Weg uit Indië (20)

31296914083?profile=RESIZE_710x
 
 
Weg uit Indië (20)
Ter inleiding: We slaan een stukje kamptijd over waarin weinig gebeurt. Wel heeft Tante Aal bericht heeft gekregen dat haar man en Sonja’s vader is overleden.
'We kunnen terug naar Soerabaja,' zei tante Aal. Ze was na twee weken van rouw uit bed opgestaan en had de touwtjes weer in handen genomen. Af en toe verzonk ze nog wel in gedachten en reageerde niet op wat Sonja of Hans dan vroegen of zeiden. Maar los van die momenten begon ze toch wel weer te lijken op de oude tante Aal, altijd bezig, altijd optimistisch.
Soerabaja. Hans herinnerde zich de stad. Hij was er geboren en voor de oorlog had hij bijna twee klassen lagere school gedaan op de Theresiaschool, de nonnenschool.
Ook tante Aal en Sonja kwamen uit Soerabaja, uit het marinegedeelte van die stad, de huizen bij de haven.
'Hoe gaan we erheen?' vroeg Sonja. 'Is het te lopen?'
'Welnee, het is op Oost-Java en we zitten hier in Midden-Java,' zei tante Aal, 'het is zo'n driehonderd kilometer rijden. Maar er gaat morgen een konvooi heen en we kunnen mee. Dan zijn we in ieder geval weer op onze oude plek. En je moeder heeft met je vader afgesproken dat ze allebei zouden proberen terug te keren naar hun oude huis. In de Slametstraat toch, Hans?'
'Slametstraat 10,' zei hij. Dat hij dat nummer nog wist!
Een konvooi bestond uit een groep vrachtauto's die vlak achter elkaar reden en waar soldaten op zaten om ze te beveiligen. Dit konvooi vervoerde vooral voedsel en kogels voor de Engelse troepen in Soerabaja. Tante Aal en de twee kinderen waren de enige passagiers. Op elke vrachtauto stonden wel acht Gurkha's met geweren.
Het werd een lange, lange tocht, want telkens als het konvooi beschoten werd stopten alle wagens en sprongen de Gurkha's ervan af om de schutter te vinden. Even later hoorde je dan een paar knallen en keerden ze terug.
'Het kost veel tijd, maar zo houden ze het traject veilig,' legde kapitein Radstake uit. Hij was een Nederlandse militair die met de Engelsen was meegekomen om voorbereidend werk te doen voor als de Hollandse soldaten zouden terugkeren uit hun gevangenschap. Hij had gezorgd dat ze meekonden met het konvooi en zou ook meegaan naar het oude huis van Hans.
Toen ze eindelijk Soerabaja binnenreden leek de stad uitgestorven. Geen auto's op straat en ook maar weinig mensen. Hans herkende ineens waar ze waren: bij het Pasar Malamplein.
Hij trok tante Aal aan haar arm.
'Hier woonden we vroeger!' zei hij. 'In de Slametstraat.'
Tante Aal klopte op de achterkant van de cabine. Kapitein Radstake deed het zijraampje open keek naar buiten.
'Kunnen we er hier uit?' vroeg tante Aal. 'We herkennen de plek!'
'Dat is goed,' zei kapitein Radstake, 'het ziet er rustig uit. Maar ik kan nu niet met u mee, want we moeten eerst de lading naar het kamp van de Engelsen brengen.'
'We vinden het zelf wel. Maar lijkt het u veilig?' vroeg tante Aal.
'O ja, de Engelsen hebben Soerabaja geheel onder controle, hoorde ik.'
'Dan wagen we het er op.'
Ze stapten uit en Hans leidde ze naar de straat waar hij vroeger had gewoond, met zijn vader en moeder.
De Slametstraat was een smalle straat met vrij kleine huizen op een rijtje. Ook de voortuintjes waren klein. Hier woonden vooral Indische mensen die als ambtenaar werkten of op kantoor. Hans' vader had als boekhouder een klein salaris en kon een groot huis niet betalen. Het was ook gezelliger hier tussen de Indische families dan bij de Hollanders die in de deftige straten woonden. Hans hoopte dat hij zijn schoolvriend Ronnie Eekhout zou terugzien, die woonde een stukje verderop. Tenminste, vroeger woonde hij daar.
Maar nu was er niemand te zien in de Slametstraat. Huizen stonden leeg, deuren waren weg, je kon zo overal binnenlopen. Geen kip te zien! Ze liepen het huis op nummer 10 binnen, waar Hans vroeger had gewoond.
Alles was weg, de meubels, de bedden, de foto's die aan de muur hingen, de pannen, de lepels, de vorken. Er was helemaal niets meer in het huis! En niet alleen de voordeur, álle deuren waren eruit gesloopt.
'Om te stoken, denk ik,' zei tante Aal. 'In het kamp stookten we ook alles op wat kon branden. Voor in de keuken.'
Ze liep naar de achtertuin van het huis. Daar leidde een klein betegeld pad naar het keukentje waar vroeger kokki Mina kookte. Tante Aal telde de tegels en ging op haar hurken zitten.
'Je vader en moeder hebben afgesproken op deze plek een bericht voor elkaar achter te laten,' zei ze. Ze wrikte een van de tegels los. Eronder lag een koekblik.Tante Aal pakte het en deed het deksel open.
Er lag een klein boekje in. Een boekje met foto's, zagen ze toen tante het opende. 'Voor jou, Hans,' zei tante Aal en gaf hem het boekje. 'Dit zijn familiefoto's die je ouders hier begraven hebben voor na de oorlog. Als je vader hierlangs was gekomen had hij het meegenomen en er een briefje voor in de plaats gelegd om te vertellen waar we hem konden vinden. Maar hij is hier nog niet geweest, dat weten we nu zeker.'
Ze haalde een briefje uit de zak van haar jurk en legde die in het blik. Daarna deed ze de tegel er weer op.
'Een brief van je moeder aan je vader,' zei ze tegen Hans, 'ze schreef hem toen ze wist dat ze heel ziek was. Ik heb erbij geschreven dat jij nu bij mij en Sonja bent. Als hij hier langskomt, weet hij waar hij je zoeken moet.'
Hans knikte, het drong allemaal nog niet goed tot hem door. Hij klemde het fotoboekje vast en ze liepen door naar het huis van Ronnie. Ook dat was leeg. Al lopend en kijkend werden ze vanzelf een beetje bang van de stilte en de leegte in de Slametstraat.
Waar waren alle mensen?
E-mail me wanneer mensen hun opmerkingen achterlaten –

U moet lid zijn van ICM - abonnement 8 euro per maand periode 2026 - 2027 om opmerkingen toe te voegen!

Doe mee ICM - abonnement 8 euro per maand periode 2026 - 2027

Blog Topics by Tags

Monthly Archives