Leo Blokhuis schrijft eerbetoon aan Indo's: 'Zij leerden ons hoe je met de elektrische gitaar omgaat'.
De Totokkers (de Hollanders) moeten dit weten zei Leo tegen Ferry Schwab sr. die als ICM editor het boek ontarmde. Is de tweede Tokokker die een Indisch boek schreef in navolging van Elise Lengkeek met de titel "Ik beken" . Acht jaar heeft Leo over dit boek gedaan. Ga lekker dit weekend het boek lezen.
Ferry : "Leo weet je dat in deze statenkwartier heb gewoond , Prins Mauritslaan, toen wij net uit Jakarta moesten vluchten? , en ik heb genoten hier van de Indo bands The Tielman, Crazy Rockers (Pam Pam, Palais de Dance). dn Ook mijn eerste liefde heb ik hier ontmoet, waar ik nog steeds bent verenigd.
Ben ook zeer geemotioneerd dat juist op deze plek je boek presenteert..
Meer weten ga naar http://icmonline.ning.com/…/leo-blokhuis-schrijft-eerbetoon…
door Olof van Joolen
Dolblij was Joty ter Kulve dat ze in 1945 de inktzwarte bladzijde van de Japanse bezetting kon omslaan en gaan nadenken over een toekomst in vrijheid. Het mocht niet zo zijn. Na de Jappenkampen kwam de waanzin van de Bersiap.
Zoals zovelen torste Ter Kulve in 1945 de persoonlijke last van jaren in een Jappenkamp met zich mee. Haar grootvader bezweek er binnen een paar weken na aankomst. ,,Ineens was er van ons leven van voor de oorlog in het bergdorpje Linggadjati niets meer over”, herinnert de 89-jarige oud-jurist zich helder.
,,Het kamp was natuurlijk verschrikkelijk. Erbuiten wonen was minstens zo gevaarlijk. Wij hebben dat een paar maanden gedaan. Tot mijn moeder bij de Japanse autoriteiten werd geroepen met het verzoek mijn zus (17) en mij (14) mee te nemen. Ze moest ons achterlaten. We zouden in een Japans bordeel gaan werken. Alleen omdat ze zei dat de Jappen haar dan eerst moesten doodschieten, lieten ze ons weer vrij.”
Na de oorlog komen Joty ter Kulve en haar familie in Bandung (Java) terecht. De Bersiap-periode waarin niemand meer echt het gezag over de voormalige kolonie heeft, maar veel partijen het met geweld proberen te krijgen, barst in volle hevigheid los. De oude dame vertelt erover in brokjes met de berusting die alleen heel veel jaren kan brengen. Het maakt de anekdotes er niet minder afschrikwekkend om.
,,Bandung toen was zoals Aleppo nu. De stad was in tweeën gedeeld. De Indonesische vrijheidsstrijders probeerden het stuk waar de Nederlanders zaten in handen te krijgen. Met grof geweld. Ik had een vriend die uit bravoure naar de andere kant ging omdat hij een vlag wilde stelen. Ze hebben hem gesnapt en letterlijk in stukjes gehakt”, zegt ze en laat een korte stilte vallen.
,,Er was niemand om ons te verdedigen. We werden naar een school gedirigeerd en daar moest mijn broertje van 14 achter een mitrailleur kruipen. Soekarno en Hatta hadden hun strijders totaal niet in de hand. Die jongens waren door de Jappen en de bezetting lang opgefokt. Ze gingen tekeer zoals die relschoppers die je nu bij het voetbal ziet. Volledig redeloos gewelddadig. Ze deden alles wat god heeft verboden. Plunderen, moorden en verkrachten? Allemaal. Het was oorlog en dan gebeurt dat.”
,,Iets later kwamen de Gurkhas die Engeland had gestuurd als stoottroepen. Zij beschermden ons. Maar alleen overdag. ’s Avonds moesten we ons barricaderen omdat ze ons probeerden te verkrachten. Tegelijkertijd – dat vond ik raar – beschermde een deel van de Jappen die ons eerst in kampen hadden gezet ons wel weer. Pas in de loop van 1946 normaliseerde de situatie een beetje toen de Britten kwamen. Ik heb nog met ze gedanst. Terwijl de kogels bij die feestjes in de rondte vlogen.”
Joty ter Kulve vertrekt in 1947 naar Nederland om rechten te studeren. Met haar bul op zak kiest ze voor een loopbaan in de non-profitsector.
De Wassenaarse noemt zichzelf een vredesactivist. Maar wel eentje die genuanceerd tegen het verleden aankijkt. Ze weigert Indonesië als kwaaie genius achter de Bersiap te zien, maar dicht Nederland die rol ook niet toe. ,,Het heeft kunnen gebeuren door wederzijds onbegrip en botsende belangen. Het zou goed zijn wanneer dat beeld uit een nieuw onderzoek beter naar voren komt.”
Commentaar ICM Editor,
Als jongen van 12 heb ik de bersiap meegemaakt; Het levende bewijs, toen al had ik belangstelling voor de media. Ik las de krant en volgde omroepen. Ik had ook nog de pech dat ik groene ogen en een blanke huid had, dus ik was altijd aan de beurt. Vele incidenten mogen meemaken, en het bewijs een lid teken op mijn rug. Ik zat achter op de brommer, en op een kruispunt werd een handgranaat gegooid, naar wie is mij tot heden onbekend. Gevolg R.I.P broer gooide brommer op zijn kant om de scherven te ontwijken, ik hoorde over scherven rond vliegen, en mijn been en schouder was open geschaafd.
Iedere stap die je zette moest je achteruit kijken. Ik raakte in paniek als de chauffeur te laat was om ons op te halen.
Ik ben nu ruim 16 jaar ICM Editor, en heb zoveel onzin aan rapporten en aan boeken rond zien komen, ook nu weer. Mijn missie is dat de waarheid met feiten boven tafel komt en dat de smerige politiek Den Haag eens erkend, en zich niet steeds verschuilt achter onderzoekcommissies, rapporten, en diensmeer.
Bekend kleur Ben Bot, Jet Bussemaker, Gerrit Zalm en Mark als omhoog gevallen Indo’s en verloochen je afkomst niet.
Uiteraard is de hoofdschuldige aan te wijzen, gewoon Nederlandse regering en het Kon. Huis. Wat heeft Nederland in Indonesie te zoeken? Waarom 300 jaren onderdrukking van vreedzaam Indonesisch volk? Waarom die verkrachtingen? Waarom het land leegroven. Waarom die massamoorden op Indonesische bevolking? Zijn dit speerpunten van het zo geroemde VOC – Model (Jan Peter Balkenende). Wie heeft Japan op persoonlijk titel de oorlog verklaard? Was dat niet Kon. Wilhelmina vanuit London?
Als ik Indonesiër was zal ik altijd wraakgevoelens hebben tegen de bezetter van mijn land, toch, en niet zoals bovenstaande artikel, schande, bahhhh!
En ..... Mark, Jan Peter, Dirk, Ben, Gerrit ........ Nederland heeft nog steeds geleerd vanuit de Indie geschiedenis, in deze bersiap !!!!
ICM 5.12.16
Vier eeuwen geleden verkreeg de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) het monopolie voor de vaart op Azië. De VOC werd in de 17de en 18de eeuw het grootste scheepvaart- en handelsbedrijf ter wereld. Met de handel in specerijen als peper en kaneel - en...

Na 74 jaar is de cijfermatige berekening van de slepende Indische Kwestie (het uitgebleven rechtsherstel voor de Indische gemeenschap) bekend. Op verzoek van Indisch Platform 2.0 heeft onderzoeksjournalist Griselda Molemans ten overstaan van de Vaste Kamercommissie van VWS haar bevindingen gepresenteerd op basis van archiefonderzoek in Nederlandse en buitenlandse archieven. De openstaande claims vertegenwoordigen een waarde van ten minste 36,5 miljard euro.
Een onafhankelijk bureau berekende op grond van indexatie en rente-op-rente de huidige waarde van de claims: de backpay (de nooit uitbetaalde salarissen over 3,5 jaar Japanse bezetting aan 82.000 KNIL-militairen en ambtenaren); de nooit uitbetaalde KNIL-pensioenen; drie buitenlandse compensatieregelingen voor oorlogsslachtoffers c.q. ontheemde gezinnen; en het naar de Federal Reserve in New York weggesluisde goud en geld van De Javasche Bank, de centrale bank van Nederlands-Indië.
Het afrondende onderzoeksdossier betreft de ontmanteling van de filialen van de Yokohama Specie Bank en de Bank of Taiwan, de Japanse banken die de oorlogsvoering financierden en waar het in beslag genomen geld, goud en diamanten van inwoners van de bezette kolonie gestald was. Teneinde inzage te krijgen in de afhandeling van deze individuele claims dient er toegang te worden gegeven tot afgegrendelde Nederlandse archieven.
Door de jaren heen heeft er slechts een minimale afkoop van het rechtsherstel plaatsgevonden onder de noemer van Het Gebaar: een moreel gebaar van 178 miljoen euro aan de generatie oorlogsslachtoffers uit voormalig Nederlands-Indië. De uitbetaling in 2003 tegen finale kwijting was op basis van ‘vermoedelijke gebreken in het rechtsherstel’. Twintig jaar na de onderhandelingen over Het Gebaar zijn deze gebreken op basis van bewijsmateriaal in kaart gebracht.
Aangezien rechthebbenden na de Japanse bezetting van de kolonie vrijwel niets van hun saldi uitbetaald hadden gekregen, betekende dit dat ze onder zeer armoedige omstandigheden een compleet nieuw leven in Nederland moesten opbouwen. Dit onrecht heeft meerdere generaties getekend. Volgens Peggy Stein, voorzitter van het Indisch Platform 2.0, kan er pas stilgestaan worden bij 75 jaar vrijheid in het jaar 2020 wanneer deze openstaande rekening vereffend wordt. ‘De Nederlandse Staat heeft 74 jaar lang symboolpolitiek bedreven. Het is tijd voor gerechtigheid.’
De Indische gemeenschap is een verzamelterm voor alle voormalige inwoners van de kolonie en varieert van Hollandse ambtenaren en militairen tot Indo-Europese, Molukse, Chinese, Toegoenese, joodse, Armeense, Papoea, Indo-Afrikaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders, aangevuld met zogeheten veiliggestelde Indonesische gezinnen van wie de vader voor de Nederlandse inlichtingendiensten werkzaam is geweest.
Indisch Platform 2.0 werkt samen met de Task Force Indisch Rechtsherstel. Sylvia Pessireron, voorzitter van de TFIR: ‘Mijn Molukse vader was sergeant bij het KNIL. Als het thuis over de Japanse bezetting ging, kon hij nauwelijks praten over de martelingen die hij heeft doorstaan. Waar hij ronduit furieus over werd, was dat hij over die periode geen soldij heeft ontvangen. Hij voelde zich enorm geschoffeerd.
Op 1-10-2019 om 15:04 schreef rob andreas van NINES aan Ferry om bericht onder de aandacht te brengen (Ferry sr.)
Met vol interesse heb ik maandag 30 sept. jl rondetafelgesprek te Den Haag met betrekking de Indische kwestie in de Tweede Kamer gevolgd via Life stream, .
Ik heb wel een mening, standpunt in deze.
De bron van al deze slepende ellende van 70 jaar zit hem in het feit dat Drees en Lieftelink kost wat kost alle Indische gelden en het goud naar de NL Staat wilde brengen en buiten de boeken wilden houden,Inen het beleid geen 1 Indisch Staatsburger uit voormalige Indie toe te laat staan te betalen. Het waren wel 381.000 waar het Indisch Platform zich nooit druk om heeft gemaakt.
GELD WAS DE DRIJFVEER.
Dit om de te korten door de Oorlog hier weer op te bouwen.
Velen die zich in de ontwikkelingen / tot stand komen van Traktaat van Wassenaar hebben verdiept zien dat Drees de 500.000 Staatsburgers in het voormalige Indie niet in Nederland wilde toelaten.
Staatsburgers betroffen Nederlanders, Indische Nederlanders, Joodse - en Molukse Gemeenschap.
VS heeft Drees sancties opgelegd bij het niet toelaten, werd o.a. Marshal hulp onttrokken en kredietwaardigheid van Nederland op nul gezet, zodat Nederland geen gelden konden lenen.
Van de 500.000 Indische Staatsburgers werden NIET toegelaten 159.000 ook wel de vergeten groep nu waar Omroep MAX zich om bekommert.
Ook zei DREES geen 1 gulden te willen besteden aan deze vluchtelingen uit voormalige Indie, en later de republiek Indonesie.
Een ieder die in Nederland aankwam diende gelijk een schuldverklaring te ondertekenen v.an 16.000 gulden nu 40.000 euro, bovenop alles zelf betalen de reis, verblijf en nieuwe woning
Nu worden de vluchtelingen beloond met 40.000 euro per jaar.
Vooraf tot stand komen van traktaat van Wassenaar (afsluiting) werd ruim 4,5 miljard betaald op de 600 miljoen ( waarde nu 9) miljard door de republiek Indonesie aan Ministerie van Stef Blok .
Uit meerdere bronnen putte Drees het geld uit het voormalige Indie alle banktegoeden (verzekeringen, pensioenen) werden weggesluisd.
Kredietplafond werd verhoogd , omdat NL garant zou staan voor de nieuwe republiek Indonesie (economisch opbouw).
Grisselda Molemans gaat uit van 37 miljard euro. Heeft vergeten al deze factoren erbij te betrekken en komt het bedrag op ruim 80 miljard dat NL Staat zich heeft verrijkt over het Indisch Geld.
Onlangs nog werden de Indische goudvoorraden nog naar Amsterdam gebracht door de onthulling van journaliste Grisselda Molemans.
De vraag die dan opkomt bij mij waar was het parlement (Tweede Kamer) toen ?
Nederland is toch democratisch land dat toen leek alleen geregeerd te worden door Drees?
Hoe is et mogelijk dat 381.000 Staatsburgers op deze wijze zijn behandeld, haar bezittingen gestolen, behandelingen die thuis horen onder de categorie strafrechtelijk, en het erge is dat de Ambtenaren van de verschillende ministeries hier aan 70 jaar aan hebben meegewerkt.
De vraag hoe kan je AOW fonds oprichten ????? Van niets ........... Daar heb je een beginkapitaal voor nodig om de buffers op te bouwen. AOW opgebouwd op Indisch bloedgeld !.
Niet onbelangrijk wiens belang behartigde in die jaren het Oude Indische Platform (IP) , die door NL - Overheid in het leven is groepen. Naast al die stichtingen zoals Pelita, IHC etc... die ook nog worden betaald door het Ministerie van VWS?
Het gaat om 381.000 Staatsburgers, schatting nu zo',n 60.000, die door het IP in de steek zijn gelaten. De focus van het IP is gericht uitsluitend op de groep ambtenaren Te denken dat deze alles vergoed hebben . Ook de 381.000 staatsburgers hebben hun backpay niet gehad, terwijl de republiek Indonesie eerst 4,5 miljard plus 689 miljoen hiervoor betaalde, bizar, schandelijk dat nooit voor deze groep is op gekomen.gaat om 381.000
Nog erger wordt dat het IP hiervan een Indische kwestie maakt en misbruik maakt om namens de Indische Gemeenschap te spreken die ruim 2 miljoen omvat, en slechts een achterban heeft van nog geen duizenden. Goed te horen dat ze nu de zaken bij VWS weghaalt, en de andere Ministeries gaat betrekken, gaat uiteindelijk om hun eigen ambtenaren in het voormalige Indie, dus een geschil tussen werkgever en werknemer, hier schat ik de kans groter dat dit slaag!
Verjaring van het verdrag Traktaat van Wassenaar ?
Welnee .... net als de gruwelijke politionele acties zal de Hoge Raad NL Staat verwijten van alle gerechtelijke dwalingen, en wellicht zullen er ook sancties opkomen !
Voorts heeft het ACTW-66 nog een ander wapen in de strijd gegooid om verjaring tegen te gaan.
In het rapport uitbetalen traktaat van Wassenaar staan al deze gruwelijke daden van Drees opgesteld door ACTW- 66, Actie Commite Wassenaar 1966
Tot slot sprak zich een kamerlid uit over de eendracht binnen de Indische Gemeenschap, deze is er wel, net als ICM voelen zij zich bedrogen door het IP en op het verkeerde been gezet, dus is ook het parlement op het verkeerde been gezet. Het IP was het strategisch wapen dat VWS in zetten om de werkelijke 381,000 gedupeerden van zich af te houden.
ICM heeft de afgelopen 19 jaar wel die eendracht getoond, desondanks de verschillende opvattingen, en de wetenschap altijd bezig had dat het IP namens en voor de Overheid handelde, en specifiek zich alleen op de Indische ambtenaren haar focus had gericht, en dit opblies onder het thema en politiek thema "De Indische Kwestie". Een zaak die gewoon thuis hoort bij hun oud-werkgever. Dat ze vergaten dat waar het om gaat die 381.000 staatsburgers als ambtenaar on haar hoede te nemen,
ICM steunde het IP o.a. bij die 10.000 handtekeningen dat tot KNIL uitbetaling leidde onder Martin van Rijn.. Zijn wel handtekeningen van van die overgebleven 381.000 Indische Staatsburgers.
ICM kent meer dan 100.000 lezers en dat vanaf 1999, die hebben alles in het archief staan, ook de leugenachtige uitspraken van nu !Ferry Schwab sr.
In onze editie van 10 september jl. stond abusievelijk vermeld dat NINES was opgeheven. NINES (Nazaten Indische Nederlanders en Sympathisanten) bestaat echter nog steeds en is nog volop actief voor de belangen van de Indische Gemeenschap.
Bron : Hoofdredacteur Groot Nissewaard 27/9-2019
NINES Spijkenisse is op 13 februari 1980 ontstaan als onderafdeling van NINES Den Haag. Deze laatste vereniging werd in 2004 opgeheven, nadat het opgegaan was in het Indisch Huis. NINES Spijkenisse nam de taken van NINES Den Haag over.
NINES Spijkenisse is betrokken bij het organiseren van diverse evenementen, waaronder de Indische avonden met optredens van beroemde artiesten en bands zoals Jack Jersey, het Indische Dorp, een onderdeel van het Dunya Festival en Pencak. Daarnaast participeert NINES in ICM projecten en onderhoudt het samen met KBRI diplomatieke betrekkingen. Zo was het voor ICM Editor Ferry Schwab Sr. mogelijk persoonlijk zijn verhaal te doen bij de president van de republiek Indonesië.
Door de opheffing van NINES Den Haag ging het webportaal NINES Online over in een Indische Internetkrant, ICM - Online. Deze is een project van ICM Project & Events en heeft als missie 'het in beeld brengen van de huidige Indisch gemeenschap, het beheren en overdragen van de pallet het Indische cultuur erfgoed aan de volgende generatie en de Nederlander, met een knipoog naar Tempo Doeloe. Wat belangrijk is voor de Indische gemeenschap is het signaal geven naar politiek Den Haag voor "de niet opgeloste Indische Zaken.'
NINES voorzitter Rob Andreas nam o.a. deel aan de projecten Backpay/KNIL en ACTW-66 (Verdrag Traktaat van Wassenaar). Backpay/KNIL was een project van NICC samen met ICM/Nines , waarbij ruim 10.000 handtekeningen werden opgehaald die werden overgedragen aan het Indisch Platform met het mandaat Erkenning, excuses en compensatie. Eerst compensatie voor de Oorlogsslachtoffers, dan pas Backpay / Knil. De Rijksoverheid betaalde tenslotte € 25.000 aan 1100 Knillers.
Project ACTW - 66 (traktaat Wassenaar) werd op aangeven van ICM abonnees opgestart in 2015. NINES heeft een belangrijke rol gespeeld in de vormgeving van dit project. In 2017 is aan de hand van diverse onderzoeken en WOB verzoeken het "Rapport uitbetalen Traktaat van Wassenaar" verschenen. Het verdrag houdt in alle burgers (Nederlanders, Indische, Joodse, en Molukse mensen) die in de periode 1947-1966 verbleven in het voormalige Indie resp. in de republiek Indonesië recht hebben op een schade vergoeding. De campagne die van 2015 van start is gegaan, heeft als doel alle 60.000 gedupeerden te informeren over het bestaan van het traktaat, zodat ze alsnog hun claim kunnen indienen. Uitgesloten zijn de ambtenaren/ KNIL in dienst van de Indische Nederlandse regering. In 1966 werd het bedrag van 689 miljoen genoemd; nu gaat het om ruim negen miljard dat toekomt aan 50.000 /60.000 gedupeerden. De petitie die is opgesteld om op basis van het Traktaat van Wassenaar tot uitbetaling te komen, is inmiddels al door 15.548 mensen ondertekend.
Het verdrag Traktaat van Wassenaar is in 1966 ondertekend door de regeringen van Nederland en Indonesië. Het doel van de overeenkomst was dat de Indonesische regering aan Nederland het bedrag van 689 miljoen gulden zou betalen ter genoegdoening aan de Nederlandse staatsburgers, die huis, have en goed in Indonesië moesten achterlaten ten tijde van de repatriëring tussen 1947 en 1962. De Nederlandse regering heeft dit echter nooit aan de rechthebbenden uitbetaald. Het Traktaat is ondergebracht in de claim stichting ACTW66. Als u meent recht te hebben, schrijf u dan in als deelnemer via www.Icm-online.nl zodat ook namens u het proces wordt gevoerd. U kunt de stichting ook financieel steunen door een bedrag te storten op NL41 RABO 03977255 07 ten name van F. Schwab / ICM Online onder vermelding van donatieACTW 66. Vragen over de inhoud van deze petitie kunt u richten aan Ferry Schwab, Wouterskampen 68, 3849 BC Hierden, Of mail naar Schwab@kabelfoon.nl. Updates over het project vindt u op www.icm-online.nl.
Bron Groot Nissewaard 27/9-2019
Reactie ICM redactie.
NINES zat als delegatie lid in het oude Indisch Platform, waar het Gebaar tot stand kwam( 385 miljoen werd uitgekeerd aan betrokkenen die voor 15 augustus 1945 werden geboren), en had onderafdelingen in Spijkenisse, Tilburg en Groningen. Hiervan was Spijkenisse het meest actief. Net als het huidige ICM (Indische Internetkrant, voorheen NINES Online) volgde NINES Spijkenisse zijn eigen koers. Zijn ook zeer content niet in die Indische huisjes en zaakjes verzeild te zijn geraakt. NINES Den Haag ging samen met het Indisch huis. U weet wat voor Indische soap hier uit is voort gekomen, die de basis legt aan het Sophia-hof van nu. ICM / NINES is de andere keerzijde van de medaille als het om de Indische zaken gaat. ICM / NINES staat letterlijk voor de Indische Gemeenschap en is overal in het land. De 381.000 staatsburgers die het land Indonesie uit moesten vluchten met achterlatend van al hun bezittingen, en banktegoeden. Vervolgens hier in Nederland alles zelf hebben moeten betalen de reis, pension, en nieuwe woning. Bizar is ook nog als via traktaat van Wassenaar de republiek de schadevergoeding compenseerde. Hier een voorbeeld dat het Indische Platform alleen voor zijn eigen toko opkomt namelijk alleen de ambtenaren / Knil in dienst van de Indische Nederlandse regering. Wie is de achterban van IP, nog geen 5000 man. 381.000 staatsburgers heeft het Indisch Platform in de steek gelaten in deze 70 jaar. Deze was alleen gespitst op back/knil waar hun doelgroep uitbestaat.
Niet op de oudjes in Indonesie ( bekend van Omroep Max), de groep die onder de bersiap hebben te leiden , en die hun ouders in Nederland hebben opgevangen, en niet onbelangrijk het traktaat.
Ook alle leden van de Tweede Kamer zijn op het verkeerde been gezet door dit Indisch Platform, bizar!
Lees het boek Andijvilucht van Grisselda Molemans; Citaat bij aankomst in Nederland moesten deze Indische Staatsburger gelijk een schuldverklaring tekenen van 16.000 gulden = 40.000 euro.
Wilt meer weten schwab@kabelfoon.nl
Hans Moll:„Nederlandse slachtoffers blijven stuiten op een muur van onbegrip en ontkenning.”
OPINIE Hans Moll, Federatie Indische Nederlanders
Het Haagse gerechtshof oordeelde dinsdag dat Nederland zich niet kan beroepen op verjaring van geweld en executies door Nederlandse militairen in 1947 in voormalig Nederlands-Indië. Begrijpelijk, vindt Hans Moll. „Maar ook schrijnend voor ons Indische Nederlanders.”
Anno 2019 ontkent niemand dat er tussen 1945-1950 misdaden zijn begaan door Nederlandse militairen, maar in de beeldvorming lijken Indonesiërs inmiddels de enige slachtoffers. De erkenning van het leed van (Indische) Nederlanders staat in schril contrast met de wijze waarop Indonesisch slachtofferschap gehoor vindt. Nederlandse slachtoffers blijven stuiten op een muur van onbegrip en ontkenning.
Ook mijn moeder heeft ooit voor een commissie gezeten waar ze moest vertellen wat haar was overkomen. Ze hoopte in aanmerking te komen voor een aanvulling op haar bijstandsuitkering in het kader van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Mijn moeder was een zogeheten ’buitenkamper’; omdat zij van moederszijde ’inlandse’ grootmoeders had, kon zij buiten de kampen blijven.
Door de oorlog was in Indië hongersnood ontstaan. De niet-geïnterneerde blanken - Duitsers, Zwitsers, Italianen - hadden geen middelen van bestaan anders dan via ruilhandel. Mijn moeder fungeerde in die informele handel vaak als koerier. Steeds lag daarbij ontdekking door de Kempeitai (de Japanse Gestapo) op de loer.
Een keer stapte ze uit de trein en zag dat een razzia gaande was op het perron. Mensen moesten tonen wat ze bij zich hadden en werden afgeranseld als er verboden waar bij hen werd aangetroffen. Ze werd niet gefouilleerd, maar hield er wel een levenslange angst aan over voor het openbaar vervoer.
Na de overgave van Japan brak de onafhankelijkheidsstrijd aan, de Bersiap. Mijn moeder moest enkele keren vluchten voor met bamboesperen en kapmessen gewapende Indonesiërs. In Batavia kwam ze te werken bij de inlichtingendienst van het KNIL. Daar kwamen de foto’s en verslagen binnen van moordpartijen onder (Indische) Nederlanders, Chinezen, Ambonezen en van sympathie met de Hollanders verdachte Indonesiërs. Ze waren vaak getjintjangd, in stukken gehakt.
Mijn moeder is overleden in een verzorgingshuis in Diemen waar ze niet naast het tuinraam wilde zitten, want in de struiken kon wel een sluipmoordenaar zitten. Soms zat ze te rillen van angst omdat ze bang was dat ze naar Indië zou worden teruggestuurd.
Mijn vader, ook een Indische Nederlander, die bij het KNIL zat, kwam in een ’Jappenkamp’ terecht. Hij overleed twee jaar nadat hij vervroegd met pensioen was gegaan. In zijn nalatenschap vond ik papieren van een uitkeringsarts. Daarin stond iets over de ontberingen die hij moest ondergaan in het kamp: mishandelingen, beri beri, dysentrie. Volgens zijn tweede vrouw leed hij die laatste twee jaar aan nachtmerries, vaak over de Bersiap. Erover praten wilde hij niet.
Mijn moeder moest voor de Wubo-commissie vertellen wat haar tijdens de oorlog was overkomen. Voordat de aanvraagformulieren helemaal waren ingevuld en uiteindelijk na lang doorvragen, was er ook uitgekomen wat ze tot dan toe nooit had verteld. Een verhaal dat hoort bij alleenstaande, jonge en mooie vrouwen en vijandige, jonge soldaten tijdens een oorlog. Na die eerste vernedering en de vernedering van het vertellen aan vreemden, volgde de derde, toen de keurig geklede, Hollandse heren op leeftijd na beschaafd te hebben geluisterd, zeiden: „Ja, we geloven u, maar het is natuurlijk niet te bewijzen.”
Mijn vader is nooit gecompenseerd voor de gederfde soldij in krijgsgevangenschap. Mijn moeder kreeg geen uitkering van de Wubo. Tegen het licht van de uitspraak van het hof schrijnt dat.
Hans Moll is voorzitter van de Federatie Indische Nederlanders
FOTO HOLLANDSE HOOGTE / SPAARNESTAD PHOTO
Geweld en executies in Nederlands-Indië te verwijtbaar door
DEN HAAG Nederland kan zich niet beroepen op verjaring bij de schade die Nederlandse militairen in 1947 hebben veroorzaakt door geweld en executies in voormalig Nederlands-Indië. Dat heeft het Haagse gerechtshof gisteren besloten in twee zaken die waren aangespannen door oud-strijder Yaseman en enkele kinderen van geëxecuteerden.
Advocaat Liesbeth Zegveld hoopt dat deze uitspraak de deur opent voor een collectieve regeling voor kinderen van slachtoffers in Nederlands-Indië. Defensie vreest dat de groep die aanspraak maakt op een schadevergoeding steeds groter wordt.
Nederland verzette zich tegen de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië in 1945, waarna militairen met geweld en executies probeerden het koloniale gezag te herstellen. In 1947 vonden op Zuid-Sulawesi (destijds Zuid-Celebes) ’zuiveringsacties’ plaats. Yaseman werd bovendien gemarteld tijdens Nederlands gevangenschap op Oost-Java. Uiteindelijk werd in 1949 de republiek erkend. Nabestaanden en kinderen spanden een rechtszaak aan omdat ze vonden dat ze recht hadden op een schadevergoeding.
De Staat vond dat er sprake was van verjaring, omdat het gaat om gebeurtenissen van ruim zeventig jaar geleden. Op een zeker moment moet je ergens een streep onder kunnen zetten, zo redeneert Defensie, aangezien feiten zoveel jaar na dato niet meer zijn vast te stellen.
Het gerechtshof heeft die bezwaren afgewezen. Het hof vindt dat ’de buitengewone ernst en de grote mate van verwijtbaarheid van het gebruikte geweld verjaring in de weg staan’. Ook stelt het hof dat het weliswaar lastig is om de zaken van de – inmiddels bejaarde – kinderen te bewijzen, maar dat de Staat die problemen vooral aan zichzelf te wijten heeft. Nederland heeft destijds niet gedocumenteerd wie werd doodgeschoten of mishandeld.
Volgens advocaat Geert-Jan Knoops, deskundige internationaal recht, past deze uitspraak in een ontwikkeling. In het (inter)nationale recht accepteren rechters een beroep op verjaringstermijnen door een staat bij ernstige misdrijven steeds minder. „Zo oordeelde de rechtbank Den Haag op 14 september 2011 in de ’Ragawede-zaak’ ook dat een beroep op verjaring voor een deel van de vorderingen moest worden afgewezen.” Die zaak had eveneens betrekking op executies van het KNIL, ditmaal op 9 december 1947 in Ragawede in Indonesië, waarna weduwen en een overlevende een zaak aanspanden. Zij kregen een schadevergoeding.
Nieuw aan de uitspraak is dat nu ook kinderen van slachtoffers door handelen van de Staat in aanmerking komen voor een schadevergoeding. Dat zou de deur kunnen openen naar vergoedingen als gevolg van schade door de slavernij.
Advocaat van de slachtoffers Liesbeth Zegveld is dolblij met de uitspraak. Ze hoopt dat deze uitspraak tot een collectieve regeling voor kinderen van slachtoffers uit Nederlands-Indië leidt. „Voor weduwen bestaat zo’n regeling al. Zij hebben recht op 20.000 euro als ze met een relatief lage bewijsvoering van het leed komen. Het zou chique zijn als ook de kinderen gelijk een beroep op een regeling kunnen doen.” Zegveld denkt dat deze uitspraak deuren kan openen voor schadevergoedingen bij recente gevallen van koloniaal geweld.
De rechtbank moet nu vaststellen of de eisers ook echt een kind zijn van de mannen die in 1947 zijn geëxecuteerd. Zij krijgen dan een vergoeding voor de kosten van levensonderhoud voordat ze volwassen waren, maar geen smartengeld, bepaalde de rechtbank eerder. Het hof liet dat in stand. In de zaak van de inmiddels overleden Yaseman was de Staat al schadeplichtig gesteld door de rechtbank. Het hof bekrachtigt dat nu. Yaseman heeft 5.000 euro aan smartengeld ontvangen. Defensie kan nog niet zeggen of er beroep wordt aangetekend.
Op het podium van café De Zwarte Ruiter aan de Grote Markt staan de Crazy Rockers grapjes te maken. ,,Hebben jullie er zin in, let's have a party'', roept frontman Woody Brunings (81). De band speelt Jailhouse rock. Er wordt gedanst in de zaal en achter de tafel waarop stapels boeken liggen. ,,Wat klinken ze nog goed'', zegt een vrouw.
Dit is mogelijk de meest swingende presentatie van een roman die er ooit is geweest. Voor indoband de Crazy Rockers is het bekend terrein: zij swingden hier al als jonge pikkies in 1960, toen de zaak nog La Gaité heette. Leo Blokhuis (57) was toen nog niet geboren.
De 'popprofessor' is al een tijd gefascineerd door de muziek uit de jaren 50 en 60. ,,De Nederlandse rock-'n-roll is ondenkbaar zonder indobands. Zij leerden hoe je met de elektrische gitaar omgaat. The Motions en Golden Earrings kwamen pas later'', vertelt Blokhuis.
Ik zei een keer op tv per ongeluk 'Indonesiërs' en werd daar direct op aangesproken
,,Ik zei een keer op tv per ongeluk 'Indonesiërs' en werd daar direct op aangesproken.'' De emotie waarmee dat gebeurde, was nieuw voor hem. Hij kende de geschiedenis van de Bersiap niet. Op school leerde je niets over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd met rebellen (pemuda's) in 1945 na de capitulatie van Japan. En Blokhuis heeft 'geen enkele druppel Indisch bloed'. Maar dat bewogen verhaal, waar Indo's meestal over zwijgen ('Soedah, dat is voorbij'), daar wilde hij meer mee doen. Niet in de vorm van een non-fictie boek, zoals Haags speelkwartier (over muziekhandel Servaas), maar in een roman.
De auteur neemt ons mee naar het Soerabaya van de jaren vijftig, waar Chris Buisman in de tuin op zijn gitaar speelt. Hij hoort de eerste rock-'n-roll via Amerikaanse zenders op de Filipijnen. In diezelfde tijd ziet Hagenaar Johan Berkenbosch in bioscoop Thalia de film Rock around the clock en koopt zijn eerste singletje. Hij luistert er stiekem naar, want zijn strenggelovige vader wil de 'oerwoudmuziek' niet in huis hebben.
Beide jongens ontmoeten elkaar in 1958 bij een muziekhandel in de Boekhorststraat, waar Chris met zijn broer en een vriend laten horen hoe je rock-'n-roll speelt. Ze beginnen de band de Rocking Blue Boys en spelen voor volle zalen in het Moors Paleis in de Haagse dierentuin, de Marathon en La Gaité. Ze hebben zoveel succes, dat ze voor veel geld mogen optreden voor Amerikaanse soldaten in Frankfurt, Hamburg en Stuttgart. De jongens zijn maanden van huis, kopen auto's, instrumenten, hebben vriendinnen.
Het is geen schelmenroman
,,Maar het is geen schelmenroman'', zegt auteur Blokhuis. Bandleider Chris wordt achtervolgd door wat hij heeft gezien in de Bersiap-tijd, de angst die hij toen voelde. Hij was gevlucht uit zijn moederland als verstekeling op een schip. Zijn ervaring is geen fictie, maar de harde werkelijkheid voor veel Indo's, het verleden dat ze liever wegstoppen.
Blokhuis deed ruim zeven jaar research om het personage Chris overtuigend neer te zeten. Hij sprak met veel mensen, las boeken, bezocht plekken in Indonesië. ,,Johan was bekend terrein voor mij, dat wist ik wel'', vertelt de auteur die als domineeszoon enigszins vertrouwd is met het christelijke milieu van de bassist van de band.
Maar de lotgevallen van Chris, dat was andere koek. Als hij in Nederland aankomt, wordt hij eerst acht maanden opgesloten en moet hij wasknijpers draaien. De overheid vertrouwt de Indo's niet, omdat ze 'oosters geöriënteerd' zijn. Met zijn moeder belandt Chris in een contractpension in Scheveningen, waar de hospita zegt: ,,Dit is wat anders dan een hutje in de tropen.'' Hier was de oorlog veel erger geweest, want mensen aten tulpenbollen, terwijl er in Indië kokosnoten volop waren. Op straat schreeuwt men 'pinda' naar Chris.
Dit is een eerbetoon aan alle Indische Nederlanders!
Blokhuis raakt geëmotioneerd als hij een eerste reactie op zijn boek aanhaalt. Een tweet van een hem onbekende zoon van een Indische man herkende het verhaal. Voor de auteur voelt dat als een groot compliment, zijn boodschap is overgekomen. ,,Dit is een eerbetoon aan alle Indische Nederlanders!''
Het schrijfproces was voor Blokhuis een ontdekkingsreis, waarin hij een tipje van de historie kon oplichten. Hij raakte onder de indruk van de hartelijkheid waarmee hij overal werd ontvangen. ,,En altijd kwam er wel bami of wat anders op tafel.'' Ook bij de presentatie van zijn boek zijn er veel omhelzingen.. Thuis probeert hij Indische recepten uit als hij kookt voor zijn vrouw. ,,Ik kan al rendang maken.''
Op het podium sluiten de Crazy Rockers hun show af met Bye, Bye. Ze stonden model voor de Rocking Blue Boys. Bandleider Woody Brunings las de manuscripten na op historische feiten. Hij is erg blij met de roman, waarvan hij het eerste exemplaar mocht ontvangen. Blokhuis: ,,Zonder hem was dit boek niet mogelijk geweest.''
Zonder iets te verklappen, vertelt Blokhuis dat hij het einde van de roman vrij vroeg had bedacht. ,,Kopen dat boek'', klinkt er vanaf het podium.
Blauwe Zomer, Ambo Anthos 21,99 euro, Leo Blokhuis wordt op vrijdag 4 oktober om 19.00 uur geïnterviewd over zijn roman in boekhandel Paagman aan de Frederik Hendriklaan in Den Haag.
Elke ochtend het nieuws uit Den Haag in je mailbox? S
Column : Rolo E. Lapré opmaak, 7 december 2016
foto : Voorpagina Telegraaf 1959
De Telegraaf van 2 december 2016 kopt : 1) “Kabinet maakt ommezwaai -Toch nog onderzoek naar Indië”. 2) Vervolgens op pagina 2- VVD schrapt eis onderzoek naar geweld Indische zijde. 3) Met als thema’s: Onderzoek niet uit budget van Defensie – Complete Hollandse gezinnen uitgemoord – Staat blijft op gepaste afstand – Veteranen zijn al ingelicht over studie.
Laat ik beginnen bij punt 1: Het is geweldig dat er eindelijk een onderzoek komt. De zoveelste? Maar geeft geen uitstel voor het uitvoeren van het Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966, in Staatsblad 183, uitgebracht in 1969 onder nr. 397 in Artikel 3.
a) Is dat om in het NL-Budget te verantwoorden dat er een groep Nederlanders naar Yogyakarta zijn vertrokken voor studie (Welke? Wat mag dat kosten?).
b) Hoe komt het dat Mark Rutte als historicus wederom een poging doet om verwarring te veroorzaken binnen zijn eigen Nederlands Indische Gemeenschap.
De Nederlandse Staat blijft op gepaste afstand? Wat een hypocrisie Mark Rutte, U als historicus?
Tot slot, dit onderzoek heeft niets te maken met het “Verdrag Tractaat van Wassenaar 1966”. Is dat niet een schaamteloze vertoning van een Min. President van een democratisch land dat “Mensenrechten” voorstaat en “Discriminatie” veroordeelt?
Ik kom hier later op terug bij mijn uitleg TvW66.
c) De Telegraaf als onafhankelijke media die zich zo laat meeslepen, in de voor de Nederlands-Indische Gemeenschap, het in verwarring brengen cq. ze op het verkeerde been zet met zo’n bericht. Gaat het dan alleen nog maar om de verkoopcijfers?
Vervolgens gebruikt zij ook nog een onduidelijke aanduiding met de woordkeuze van “Indische zijde” m.b.t. de harde voorwaarde om het openen van de Indonesische archieven. Volgens mij moet het zijn : “schrapt de eis van de “Indonesische zijde”.
Eindelijk neemt Nederland zijn eigen verantwoordelijkheid in deze historische kwestie.
Ten overvloede :
Het onderzoek over misdrijven door wie dan ook moet ALTIJD goed en adequaat worden onderzocht. Dat geeft o.a. het bestaansrecht van een democratisch en niet- discriminerend land.
Uitleg TvW66 te Wassenaar :
1) Het “Verdrag Tractaat van Wassenaar 1966”, Staatsblad 183, uitgebracht in 1969 onder nr. 397 waar in Artikel 3 onder punt 1 staat dat Indonesische regering en de Nederlandse regering zijn overeengekomen: Dat Indonesië Hfl. 600 miljoen plus rente 89 miljoen zal overmaken naar “De Nederlandse Bank N.V.” on the books of “De Indonesische Overzeese Bank N.V.” ten behoeve van de schade die is geleden door de Nederlands-Indische Gemeenschap etc. etc.
Dit besluit is ondertekend door destijds voor Nederland Min. J. Luns en voor Indonesië door Sultan Hamengku Buwono (Sultan van Yogyakarta). Origineel in bezit van het ACTW66.
2) Indonesië heeft dit bedrag in 2003 afbetaald. Inmiddels is het volgens de deskundigen al meer dan € 2.4 miljard waard en is het onder het beheer van de Min.v. Buitenlandse Zaken. Deze heeft Staatssecr. Martin van Rijn de opdracht gegeven dit bedrag uit te keren aan de RECHTHEBBENDEN (de TOENMALIGE vluchtelingen en bedreigde NIG).
De eerste stap is gezet door het Kabinet: De toenmalige KNIL-ers en Ambtenaren krijgen hun achterstallige salarissen uitgekeerd. Waarom dan wachten om de volgende twee stappen uit te voeren?
3) Dit punt staat reeds lang op de agenda van de Tweede Kamer voor bespreking. Echter steeds weer wordt dit punt voor hen uitgeschoven i.v.m. de prioriteiten keuze.
Waaraan voorbij wordt gegaan, ook door de leden van de Tweede Kamer is :
a) Hoe oud zijn inmiddels de Rechthebbenden en hoeveel zijn er nog in leven?
b) Is dat de reden om te wachten, zodat er nog maar 7 daarvan in leven zijn?
Mark Rutte als historicus kent toch het verhaal van “Rawagedeh”?
Daarmee is ook gewacht tot er 7 vrouwen waren overgebleven (met dank aan Liesbeth Zegveld) die ieder € 20.000,= kregen uitgekeerd (op een onacceptabele manier).
Vandaar dat er een Actiecomité TvW66 is ontstaan o.l.v. Rob Andreas - F. Schwab (Sr) - Marshal Manengkei. Zij zijn begonnen met een Petitie rond te sturen.
De Petitie heeft 3 betekenissen :
a) Het bekend stellen van het Verdrag Tractaat van Wassenaar 1966 aan de onwetend gehouden NIG.
b) Met het verzamelen van handtekeningen doet het ACTW66 een poging de Tweede Kamer te verzoeken hier meer aandacht aan te willen besteden.
c) Dit i.v.m.: 1) Het schenden van Mensenrechten – 2) Het gevoel bij de NIG steeds weer gediscrimineerd te worden als eigen bevolkingsgroep - 3) Via de Volksvertegenwoordigers forceren een antwoord van het Kabinet te verkrijgen, wat de reden is van het uitstellen van compensatie aan de Rechthebbenden.
Het zou mij verbazen als allen die het niet eens zijn met deze discriminerende handelwijze van het Kabinet, dit niet via de ondergetekende petitie zouden hebben laten blijken ter ondersteuning van het ACTW66.
Zwarte Sinterklaas
Niet uitpakken maar inpakken. Voor de Nederlanders in Indonesië was 1957 het jaar van Zwarte Sinterklaas.
Op 5 december kwam de mededeling dat ze voorgoed het land moesten verlaten. Het was de climax van de anti-Nederlandse stemming die al maanden heerste in de voormalige kolonie. En daar gingen ze... richting een voor velen onbekend vaderland.
Andere Tijden, donderdag 6 december, 21.25 uur, Nederland 2
Terwijl iedereen in Nederland op Sinterklaasavond in1957 vrolijk pepernoten at en cadeautjes uitpakte, was de Sinterklaasviering in Indonesië omgeven door een zwarte rand. Alsof het een Sinterklaassurprise betrof, hoorden de 50.000 Nederlanders op 5 december dat ze Indonesië moesten verlaten. Van een echt ontspannen feestje was toen geen sprake meer. Lange tijd waren er al spanningen in Indonesië en de haat tegen de Nederlanders was hoog opgelopen. Toch had niemand van de Nederlandse gemeenschap erop gerekend dat ze echt weg zouden moeten. Maar de Indonesische regering pikte het niet meer. Nog altijd gedroegen de Nederlanders zich alsof het land van hun was, terwijl Indonesië al sinds 1949 onafhankelijk was. Bovendien viel Nieuw-Guinea nog onder Nederlands bestuur, geheel tegen de zin van de Indonesische regering in.
Als militair kwam de Nederlander Ruurd Koopmans in 1946 in Indonesië terecht. Lang duurde zijn militaire loopbaan in Indonesië niet, na de eerste politionele actie werd hij gedemobiliseerd. Hij besloot in 1948 bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) in Jakarta te gaan werken. Koopmans: “Ik wilde heel graag in Indonesië blijven. Ik zal er geen doekjes om winden, ik wilde daar carrière maken. Natuurlijk wilde ik ook goed doen voor het land, maar de broodwinning stond voorop. Het was een opbouwperiode, die eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog en het was niet makkelijk". Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 bleven de Nederlanders zich nog altijd gedragen alsof ze de baas waren in het land. Ze behielden vaak hun koloniale bezit en de oneerlijke economische verhoudingen bleven vrijwel gelijk. Heel verrassend was dat niet, want zo was het officieel vastgelegd bij de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag in 1949. De Nederlandse bedrijven hadden daar bedongen dat zij in het onafhankelijke Indonesië ongelimiteerd zaken konden blijven doen. Dat was opgetekend in de Financieel Economische Overeenkomst. De Nederlandse bedrijven konden gebruik maken van allerlei voordelige regelingen, zodat de winst optimaal was. De Indonesische regering was politiek dan wel onafhankelijk, maar economisch volstrekt niet. Dat ging wrikken. Die economische afhankelijkheid was pijnlijk zichtbaar bij de scheepvaartverbindingen tussen de talrijke eilanden van de archipel. Dat was praktisch het monopolie van de KPM. Indonesië zou graag de KPM in handen krijgen. Dat zou een uitstekende basis kunnen vormen voor de Indonesische handel. Maar dat bleef een droom. Daar was geen geld voor.
Voor de Indonesische regering was het wel haalbaar om op microniveau maatregelen door te voeren om de economische macht van de Nederlanders in te perken. Pragmatische politici begonnen daarom begin jaren vijftig met de zogenaamde "indonesianisasie". Die politiek was erop gericht om zoveel mogelijk economisch bezit in handen van Nederlanders, geleidelijk over te hevelen naar de Indonesische bevolking. Ook het Indonesisch personeel moest op hogere posities komen. Nederlandse bedrijven met een sleutelpositie, zoals de spoorwegen, elektriciteit - en gasbedrijven kregen als eerste met deze maatregelen te maken. Indonesiërs richtten een eigen handelsvereniging op om het monopolie van de "Big Five", de vijf belangrijkste Nederlandse handelshuizen, te breken. Ook reserveerde de regering importvergunningen exclusief voor eigen Indonesische importeurs, ten nadele van de Nederlandse ondernemers. Later volgde de regel dat 70 % van het personeel in Nederlandse bedrijven Indonesisch moest zijn. Maar het ging moeizaam. De Nederlanders stonden niet te springen om Indonesisch personeel op hogere functies of in het management te plaatsen. De scheiding tussen de Nederlandse gemeenschap en de Indonesische bevolking bleef groot. De Nederlanders leefden geïsoleerd van de Indonesische bevolking. Constance Huydecoper, echtgenote van de eerste secretaris van de Nederlandse vertegenwoordiging in Jakarta, herinnert zich dat het haar bij aankomst in 1957 opviel, dat er in het centrum van die immens grote gebouwen stonden van Nederlandse bedrijven: "Het enige Indonesische dat je op het grote centrale plein zag, waren de Indonesische bedienden die daar rondfietsten om ons, de Nederlanders, te bedienen".
Om Nederlandse bedrijven te dwingen meer Indonesiërs op hogere functies te plaatsen, beperkte de regering het afgeven van werkvergunningen aan Nederlanders. Dit ontmoedigingsbeleid moest er op lange termijn toe leiden dat Indonesiërs de bedrijven helemaal zouden overnemen. Voor de radicale nationalisten ging dat "op de lange termijn denken" veel te langzaam. Zij wilden de "koloniale economie" per direct omzetten in een nationale economie. En Nieuw-Guinea moest Indonesisch worden. Hun radicale opstelling versterkte de nationale gevoelens en de anti-Nederlandse stemming. Eind 1957, in aanloop naar de stemming in de VN over de status van Nieuw-Guinea, liepen de spanningen hoog op.
"Serahkan Irian Barat" (Laat West Irian los) en "Usirl andjin belanda dari R.I." (Jaag de Nederlandse honden weg uit de Republiek Indonesië); overal in Indonesië stonden deze leuzen op de muren gekalkt. De sfeer werd in deze laatste maanden van 1957 steeds grimmiger. De twee strijdpunten waren Nieuw-Guinea en economische zelfstandigheid. Men wilde af van het juk van de "koloniale" Nederlanders. De Indonesische regering stelde zich gematigder op dan de nationalisten, maar ging wel akkoord met de start van een landelijke Nieuw-Guinea campagne. De coördinatie kwam in handen van het “West Irian bevrijdingscomité”, geleid door de minister van Voorlichting, Subidjo. Dit bevrijdingscomité streefde naar het verbreken van de diplomatieke betrekkingen en nationalisatie van de Nederlandse bezittingen. Op 28 oktober 1957 startte de Nieuw-Guinea-campagne. Een joelende en schreeuwende mensenmassa stroomde toe op het plein voor het gebouw van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging. Constance Huydecoper zag het vanaf het "platje" op het dak, waar ze altijd met haar man koffie dronk: "Ze verbrandden een stropop en schreeuwden dat de Hollanders, Belanda, dood moesten. Wij waren in hun ogen echt vijandige en ellendige figuren. De Hollanders kregen ook al geen invitaties meer om op nationale feestdagen te komen op het paleis van Soekarno. Wij waren niet meer welkom".
De demonstranten trokken brullend door de straten. Op gebouwen van Nederlandse bedrijven en auto's van Nederlanders schreven ze anti-Nederlandse teksten en woningen van Nederlanders werden geplunderd. De schrik zat er goed in, maar na een aantal dagen nam het leven zijn gewone loop. Nederlandse ondernemers waren op hun hoede en drongen er bij de Nederlandse regering op aan zich soepeler op te stellen met betrekking tot Nieuw-Guinea. Zij zagen de bui al hangen. De nationalisten hadden immers aangegeven dat ze alle bedrijven zouden bezetten, als de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Luns weigerde over de status van Nieuw-Guinea te onderhandelen. Om de druk op te voeren bezetten nationalisten op 10 november 1957 "De Djakartaclub" en de Nederlandse jachtclub in Tandjong Priok, de haven van Jakarta. Beide instituties golden voor Indonesiërs als dé symbolen van het Nederlands kolonialisme. Nederlanders kwamen in die clubs regelmatig bij elkaar om te eten en elkaar te ontmoeten. Constance Huydecoper kwam daar ook wel eens, maar ze zag er nooit een Indonesiër; alleen maar blanken.
Massademonstraties, spontane werkonderbrekingen en stiptheidsacties van het Indonesisch personeel volgden elkaar in rap tempo op. Propagandistische radio-uitzendingen stonden in het teken van anti-Nederlandse stemmingmakerij. In Jakarta, Bandung, Surabaja en Malang mochten Nederlanders niet meer in restaurants en bioscopen komen. In winkels negeerde het personeel de Nederlanders en bij benzinepompen mochten ze niet meer tanken. Op straat gold voor hen een parkeerverbod, en parkeerde men toch, dan werden de banden lek gestoken. Constance Huydecoper: "De sfeer was niet goed, wij hadden een speciale nachtwaker die waakte over de banden van onze auto, dat ze niet lek geprikt zouden worden door anti-Nederlandse oproerkraaiers”.
Met de bus had ook geen zin, omdat Nederlanders geen gebruik mochten maken van het openbaar vervoer. De sfeer was zeer broeierig. Libert Hol, wiens vader bij de gasfabriek OGEM werkte, vertelt dat vrijheidsstrijders in de wijk waar hij woonde Nederlandse fietsers dwongen te stoppen en geld eisten in het kader van de vrijheidsstrijd voor Nieuw-Guinea. “Het was duidelijk voelbaar dat alles wat blank was, fout was", zegt Hol. Constance Huydecoper merkte dat andere buitenlanders contacten met Nederlanders uit de weg gingen: "De Amerikanen spraken niet meer met ons, noch de Fransen, de Belgen, noem maar op. In het geheim hadden we contacten met de Australiërs. Er was drie weken geen water omdat de leidingen kapot waren, wellicht sabotage, gelukkig mochten we bij de Australiërs onze emmers vullen. De Australiërs beschikten over het oostelijke deel van Nieuw-Guinea, misschien dat ze zich om die reden soepel opstelden ten opzichte van de Nederlanders”.
De stemming over de status van Nieuw-Guinea op 29 november pakte negatief uit voor Indonesië. Nieuw-Guinea bleef onder Nederland bestuur. De chaos was compleet toen ook nog een aanslag op Soekarno werd uitgevoerd. De geest was uit de fles.
Na de negatieve uitslag van de stemming in de VN over Nieuw-Guinea verloor de Indonesische regering de regie. Radicale nationalisten hadden de landelijke Nieuw-Guinea campagne aangegrepen voor hun eigen doeleinden. De vakbonden zweepten Indonesisch personeel op voor een 24-uurs staking en om de talloze Nederlandse bedrijven te bezetten. Toch leek op 3 december alles dusdanig rustig, dat Ruurd Koopmans gewoon aan het werk ging op het KPM - hoofdkantoor. Maar die rust duurde niet lang. Het imposante gebouw van de KPM in Jakarta, al lang hét toonbeeld van koloniale overheersing, bleek het eerste doelwit. Koopmans hoorde ineens een hoop lawaai en geschreeuw uit de directiekamer, één verdieping boven hem; "Het leek wel een roofoverval! Alarmerend, ik heb onmiddellijk al het kasgeld en de belangrijke documenten in de kluis gestopt, de kluis direct gesloten en de sleutel verstopt. Maar het waren geen roofovervallers, het waren leiders van de vakbond van het Indonesisch KPM personeel. Zij stonden bekend als notoire raddraaiers. Ze eisten de overgave van het bedrijf".
De Nederlandse chefs kregen te horen dat zij uit hun functie ontheven waren en dat zij hun taak moesten overdragen aan een personeelslid. Koopmans: "mijn 'opvolger' was één van mijn Indonesische ondergeschikten. Hij was duidelijk niet gecharmeerd zijn nieuwe functie, maar durfde niet te protesteren tegen de intimidaties van de actievoerders. Hij vroeg mij in vertrouwen of ik alstublieft gewoon met mijn werk wilde doorgaan en zijn functie al nominaal wilde zien".
Na de KPM volgden bezettingen van Geo Wehry, de Nationale Handelsbank, Lindeteves, de Escomptobank en Jacobson van den Berg. De directeur van dit laatste bedrijf werd samen met een medewerker gearresteerd wegens "minachting van de Indonesische vlag". Deze nationale vlag was na de bezetting op de daken van Nederlandse bedrijven geplaatst, maar de directeur van Jacobson van den Berg had het vlaggetouw doorgesneden en de vlag weer naar beneden gehaald.
De overname van de bedrijven verliep erg snel. Het Indonesisch kabinet en de legerleiding hadden dit niet op deze wijze gepland. Zij hadden duidelijk de controle verloren. Na een paar dagen bleek hoe ernstig de gevolgen waren van de bezetting van de KPM. Ineens viel driekwart van het totale scheepvaartverkeer stil. Het verdwijnen van praktisch alle scheepvaartverbindingen tussen de eilanden verlamde het hele land. De aanvoer van voedsel stokte en de prijs van rijst verdubbelde in enkele weken. Rijstvoorraden raakten op en op Java dreigde na enige tijd zelfs hongersnood.
Volgens econoom Kian Wie Thee durfde niemand in die verhitte politieke atmosfeer iets te zeggen. De ontwikkelingen liepen zo uit de hand dat generaal Nasution, chef-staf van het leger, de beslissing nam om Nederlandse bedrijven onder militair beheer te plaatsen. Tegen het leger durfden immers ook de linkse vakbonden niet in te gaan. De legerofficieren werden zo de nieuwe managers en deden hun intrede in de economie. Zij hadden geen enkele ervaring met het werk in hun nieuwe functie. De legerofficieren lieten zich de jaren daarna niet meer van hun economische troon stoten. Hier is de basis gelegd voor een "zwarte economie" die nooit meer helemaal is verdwenen.
"Op 5 december 1957 werd ik wakker en zag allemaal mannen met geweren op straat. Een vriendin van Shell zou bij mij koffie komen drinken, maar zij kwam niet. Zij had haar tafelzilver in een luier verstopt en was hals over kop verdwenen, weg uit Indonesië. Alle consulaten moesten dicht. We belden elkaar allemaal op en informeerden bij elkaar wat er aan de hand was", vertelt Constance Huydecoper.
Soekarno liet op deze Sinterklaasdag officieel een uitwijzingsbesluit uitgaan dat gold voor vrijwel alle Nederlanders. Zij moesten het land uit. Dat wierp een zwarte schaduw over de Sinterklaasviering. Het feest verliep vanwege alle spanningen die dag al heel anders dan voorgaande jaren. Zo was het al jaren de gewoonte dat de burgemeester van Jakarta de witgebaarde bisschop officieel ontving en een rondtocht maakte door de stad. Deze keer moest de bisschop verstek laten gaan. Het Sinterklaasfeest werd verboden. Het was immers een puur Hollands feest, waar ook nog eens de blanke Sinterklaas boven de zwarte knecht stond. Hendrik Bouwer werkte bij de Deli-Spoorweg-Maatschappij (DSM) en ondanks het officiële verbod op de Sinterklaasviering, lukte het hem toch in het geheim het feest bij DSM te organiseren.
Na Sinterklaas kwam de uittocht van veel Nederlanders op gang. Zij probeerden een plekje op één van de boten te bemachtigen en lieten vaak huis en haard achter. Niet iedereen vertok tegelijkertijd. Anneke Koopmans, wiens man bij de KPM werkte zegt: "Ik ben met mijn zoon vertrokken, net voor kerst in 1957. Net als alle andere vrouwen van het KPM personeel. Het was héél erg op die boot. We zaten allemaal onder het dek en moesten daar ook eten. Het was echt armoetroef op die boot".
Libert Hol vertelt dat zijn ouders pas besloten te vertrekken toen de ziekenhuizen geen Hollandse patiënten meer wilden opnemen. Hendrik Bouwer kreeg op 27 december te horen dat hij binnen 24 uur weg moest zijn uit Indonesië. En Lily Philippi stond op oudejaarsavond, 31 december 1957, met een klein mandje vol kleren te wachten op een bus, om te repatriëren. De bus bracht haar en anderen naar de haven van Surabaja, waar ze op de boot stapten.
Op één van de boten werkte Carla Meek als maatschappelijk werkster. Zij moest onderweg zoveel mogelijk informatie verzamelen over de achtergrond van de passagiers. Op basis van die gegevens maakte zij met haar team een onderverdeling van de repatrianten in groepen: "Als iemand bijvoorbeeld een bepaalde ziekte had, kon die persoon het best ingedeeld worden in een pension in de buurt van een ziekenhuis waar die ziekte behandeld kon worden".
De repatrianten kwamen in opvanghuizen terecht, verspreid over heel Nederland. Lily Philippi kwam met de boot aan in Singapore en vloog eind januari met het vliegtuig naar Nederland: "Het was hartje winter en ijskoud. Op schiphol moesten we trainingspakken aantrekken die ter plekke werden uitgedeeld. We hadden zelf niets bij ons. De volgende dag bracht een bus ons naar Zuid - Limburg. Dat wist ik natuurlijk niet, maar ik zag na uren rijden ineens steenkolenmijnen uit het busraampje. Ik vroeg waarom ik zo eindeloos ver weg gebracht werd, waarop de buschauffeur antwoordde: "maar meiske, ge benne toch rooms katholiek". Lily Philippi woonde van haar 15e tot haar 18e in het pension in Zuid Limburg.
In januari 1958 arriveerde Hendrik Bouwer ook in Nederland. Hij moest direct door naar een vakantieverblijf van DSM in Blaricum. Het kostte hem veel moeite om in Nederland werk te vinden:"Ik was te oud en ik telde gewoon niet mee".
Na veel inspanning en met doorzettingsvermogen lukte het zowel Lily Philippi als Hendrik Bouwer om in Nederland werk te vinden. Dat was de basis voor een nieuw leven in een nieuw Land. Om de herinnering aan hun eigen land en cultuur levend te houden, bezoeken ze nu nog regelmatig de zogenaamde "Masoek Sadja", de Indische inloopdagen, waar ze met vele lotgenoten in een toch enigszins weemoedige sfeer Indonesische hapjes eten en bingo spelen.
Tekst en research: Mirjam Gulmans
Samenstelling en regie: Gerda Jansen Hendriks
ICM 14.12.16
Begrotingstekort nog nimmer zo laag! Is dat zo Jeroen ?
Hoe zit het met het Nederlands Indisch geld waar de Nederlandse Staat op zit, volgens je oud collega Gerrit Zalm.
Wie is Jeroen Dijsselbloem?
21-01-2013, 22:08
AANGEPAST OP 22-01-2013, 07:49
Zijn naam circuleerde al enige tijd en hij was de enige kandidaat, maar sinds vanavond is het officieel: Jeroen Dijsselbloem is de nieuwe voorzitter van de eurogroep. Hij is nog geen drie maanden minister van Financiën en nu al de man die de invloedrijke vergadering van al zijn Europese collega's in de eurozone gaat leiden.
Om je te schamen Jeroen, dat je die 16 miljard Indisch geld onder het tapijt veegt!
Creatief boekhouden Jeroen heet dit. Dit hebben je voorgangers al eerder bedacht. Het feit waarop de ondernemingen bij zo'n daad onder onder curatele door de FIOD worden gesteld. Zonder enige schroom durf je met zo'n begroting naar buiten toe te komen. Te bedenken dat de multinationals voor gingen. Was het ook niet zo met de invoering van de Euro dat oud – collega Gerrit Zalm ook alles onder het tapijt veegde en om mooie toverde om maar prachtige cijfers om tot de Eurozone toe te kunnen treden. De 400.000 werklozen werden maar snel arbeidsongeschikt verklaard, dat Ruud Lubbers constateerde dat half Nederland ziek was, en vervolgens alle staatseigendommen in de etalage werden gezet om te cashen. Dit alleen al enkel en vanwege "het beste jongetje van de klas" om met het vingertje richting Griekenland te wijzen.
Waarom leest men dit niet in de media en de omroepen die door deze zelfde Overheid worden gesubsidieerd, of omgekocht!
Over vrijheid van meningsuiting gesproken, 70 jaar wordt er gezwegen over het Indisch koloniaal verleden, echter het verleden wordt nu ingehaald door het heden. Van alle kanten vliegen de claims richting de Nederlandse Staat! Zelf een president van de Republiek van Indonesië wordt persoonlijk geinformeerd over de misstoesanden hier waar een hele bevolkingsgroep (Indische Gemeenschap) als tweederangburger wordt behandeld. Vanuit Nederland en vanuit de republiek Indonesia. Wordt wakker Jeroen en kom uit je dromen; een land met voedselbanken, een slechte ouderenzorg, en een land dat zijn oude schulden tot op heden nog niet heeft ingelost aan de NIG (Nederlandse Indische Gemeenschap).
Was het niet ook je oud collega Gerrit Zalm die toen al rapporteerde dat de Nederlandse Staat op het Indisch geld zit?
en ......nog werd er geen actie ondernomen door de regeringen, lees hier het Kabinet. Conclusie : de Nederlandse regering en Kabinet waren toen al goed omtrent de Indische tegoeden geïnformeerd.
Mark Rutte hoezo schulden moet je niet vooruitschuiven? Wat ben je dan nu aan doen met die meevallers?
Nota bene is dit Indisch geld niet van de Nederlandse Staat, laat staan van de belastingbetaler. Via de geratificeerde verdragen had de Nederlandse Staat de plicht om het aan de Nederlandse Indische Gemeenschap (NIG) uit te betalen. Bahhhhh schandelijk!
Met het creatief boekhouden Jeroen, wetende dat de openstaande Indisch post van 16 miljard nog ingelost moet worden.
Staat deze post nu ook op de begroting ook als schuld aangemerkt? Zo niet, zit dit nu niet tegen de frauduleuze grenzen aan, moet deze begroting dan niet worden afgekeurd en eerst deze Indische post op de begroting worden gezet? Zoals het een schone boekhouding betaamt, en vergeet niet de Nederlandse Staat moet het goede voorbeeld geven, toch ?
Volgens de werkelijke feiten heeft de Nederlandse Staat ruim 16 miljard schuld aan de bevolkingsgroep de Nederlandse Indische Gemeenschap(NIG). Hier de afzonderlijke posten die nu 71 - en 51 jaren openstaan die op de begroting van de Nederlandse Staat als schuld dienen te worden aangemerkt, afkomstig uit gelden van :
Een snelle calculatie leert het dat om ruim 16 miljard gaat dat aan 60.000 - 70.000 gedupeerden nog uitbetaald dient te worden. Uw collega’s van VWS en Buitenlandse Zaken zijn tot in detail op de hoogte dat deze schuld er ligt.
Ruim 16 jaar hebben alle Indische organisaties inclusief het Indisch Platform het Kabinet hierover geïnformeerd.
Nog sterker, de Tweede Kamer Commissie VWS heeft onlangs nog uw collega Martin van Rijn uitvoerig hierover geïnformeerd, dit leidde tot indienen van drie moties, en nota bene ook nog van uw oud-collega's die uit de PvdA zijn gestapt. Hoe kunt u als een blind paard, deze feiten en cijfers negeren die onder een wet en verdragen vallen om ten uitvoer gebracht te worden tot uitbetaling, zodat in uw begroting nu nog een gat zit van 16 miljard. U kunt er op rekenen dat hier nog niet het laatste woord over is gevallen.
ICM als media heeft persoonlijk de president van de republiek Indonesië Jokowido op 22 april jl. geïnformeerd dat Uw kabinet het Traktaat van Wassenaar niet heeft uitbetaald aan NIG. In het verlengde hiervan werd de minister Bert Koenders geïnformeerd, naast Halbe Zijlstra en Kamerleden dat deze zaak op de rol staat.
Wij zijn ICM, de Indisch Internetkrant, het is onze plicht om fraude, mistoestanden etc.... tot de bodem uit te zoeken en dit in de media te publiceren naast de partijen te informeren!
Waarvan Akte,
3D foto van de nu lege rustplaats van de Exeter (Foto The Guardian)
Twee Nederlandse scheepswrak-ken, die voor de kust van Java tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Slag in de Javazee in 1942 tot zinken zijn gebracht, zijn geheel verdwenen. Een derde scheepswrak is voor een groot deel verdwenen. Het gaat om de
Archieffoto van Hr.Mr. Kortenaer (foto ANP)
Marineschepen Hr.Ms. De Ruyter, de Hr.Ms. Java en de Hr.Ms. Kortenaer. Dit is door het Ministerie van Defensie gemeld. Een en ander kwam aan het licht toen het Karel Doormanfonds de wrakken wilde laten filmen in verband met de 75e herdenking van de Slag in de Javazee.
Een internationaal team van duikers ontdekte de vermissing van de schepen. Alledrie de Marineschepen vergingen tijdens de Slag in de Javazee op 27 februari 1942, waarbij 915 Nederlandse en 219 Indonesische marinemannen om het leven kwamen, waaronder de Schout-Bij-Nacht Karel Doorman. De toedracht naar het verdwijnen lijkt duidelijk, maar onderzoek zal het bewijs ervoor moeten leveren.
Slag in de Javazee, 27 februari ‘42
Waarschijnlijk hebben schroot-handelaren de wrakken in stukken geknipt en naar Madura gebracht. Al sinds enkele jaren zouden op deze manier scheepswrakken die
voor de kust van Java lagen zijn “opgeruimd”. Dit is in strijd met het internationale zeerecht, dat stelt dat gezonken oorlogsschepen worden beschouwd als oorlogsgraf en daarmee als onderzees cultureel erfgoed.
75e herdenking
Omdat dergelijke oorlogsgraven in vrijwel alle gevallen tevens nog stoffelijke resten bevatten van de omgekomen Marinemensen moet dit voor de nabestaanden zeer schokkend zijn. Wij brengen hierbij in herinnering dat wij jaarlijks een bericht publiceren betreffende de herdenkingsreis naar de Javazee door de V.O.N. (Vereniging van Overlevenden en Nabestaanden van de Slag in de Javazee). Met de 75e herdenking van de Slag in de Javazee aanstaande zullen zij – zeker in deze omstandigheden – alle sterkte nodig hebben die maar denkbaar is.
Archieffoto van HMS Exeter (foto The Guardian)
Het ministerie van Defensie deelt ten overvloede nogmaals mede, dat oorlogsschepen oorlogsgraven zijn en de laatste rustplaatsen van omgekomen militairen zijn. Het ernstige vergrijp grafschennis is hier dus zeker van toepassing. De nog in leven zijnde Marinemensen van de Slag in de Javazee zijn persoonlijk door het Karel Doormanfonds op de hoogte gebracht. Ook de nabestaanden zijn er middels een brief van in kennis gesteld.
Teller staat nu op zeven
Niet alleen drie Nederlandse oorlogswrakken zijn weg. Naar nu blijkt zijn ook drie Britse scheeps-wrakken en een Amerikaanse onderzeeër verdwenen. Onbekend is of het hierbij zal blijven. Waarschijnlijk zullen ook andere landen die in dit zeegebied hun oorlogswrakken hebben liggen gaan controleren of ze er nog liggen. We hebben het vermoeden dat het aantal nog wel zal stijgen. Op de plek waar ze lagen zijn nu grote kuilen en gaten gevonden, aldus de Britse krant The Guardian (https://www.theguardian.com/world/2016/nov/16/british-second-world-war-ships-illegal-scavenging-java-sea).
De Britse oorlogsgraven die verdwenen zijn betreffen de HMS Exeter, HMS Encounter en HMS Electra. Op het moment dat de verdwijning van de Nederlandse scheepswrakken ontdekt was, wist het Ministerie van Defensie ook van de Britse schepen, maar men hield dit stil om de Britse autoriteiten in de gelegenheid te stellen de nabestaanden van hun
Een van de scheepssloperijen op het eiland Madura, waar de opgeknipte wrakken waarschijnlijk zijn beland.
omgekomenen in kennis te stellen. Toen dit was gebeurd, verscheen het artikel in The Guardian. Het wrak van de Amerikaanse onder-zeeër die verdwenen is, is vrijwel zeker de USS Perch.
Tijdens zijn bezoek aan Indonesië heeft Premier Rutte van gedachten gewisseld met President Joko Widodo, die heeft toegezegd alle medewerking te geven aan een intensief onderzoek naar de verdwenen schepen. Rutte noemt de verdwijning van de oorlogs-graven “Buitengewoon ernstig en diep ingrijpend voor de nabestaanden. Indonesië ziet het belang van dit dossier zeer en wil graag met Nederland samen-werken”.
In een extra perscommuniqué verklaren de Ministers Hennis-Plasschaert (Defensie) en Bussemaker (OCW) dat de uitdaging voor de bescherming van oorlogsgraven ter zee bijzonder groot is. Helaas echter is het onmogelijk om alle locaties fysiek te beschermen tegen roof en schennis. Met het oog op het bewustzijn is samenwerking met de betrokken staten onder wiens vlag de schepen voeren, maar ook van de locaties waar de wrakken zich bevinden, noodzakelijk. Gepoogd moet worden om zoveel mogelijk te handhaven en op te treden tegen overtreders.
editie december 19.12.2016
__________________________
Atjeh door een transkoloniale bril (2)
Reactie op het artikel in het novembernummer Door: Nico Vink
Bron: NICC - Magazine editie december 19.12.2016
Elke maand kijk ik met interesse uit naar het Nieuwe NICC Magazine. Ook in het recente novembernummer stonden mijns inziens weer verschillende aardige, interessante en belangwekkende artikelen. Onder andere de uitgebreide boekbespreking van Esther Wils “Atjeh door een transkoloniale bril” van Anton Stolwijks boek “Atjeh”.
Hoe mooi ik Anton Stolwijks journalistieke en vooral anek-dotische verhaal ook vind, echte geschiedschrijving met lichtende diepgang zoals buitengewoon hoogleraar Remco Raben het bedoelt, vind ik het echter niet. Daarom mijn kritische reactie op de boekbespreking van Esther Wils, die ik wil samenvatten onder de titel: “Het boek Atjeh, waarom het niet een trans-koloniaal boek is”. Hierna mijn reactie.
In NICC Magazine van november 2016 besprak Esther Wils het mooie journalistieke boek van Anton Stolwijk “Atjeh”. Op wel acht verschillende plaatsen in haar recensie trekt ze hele positieve tussenconclusies. Alles tesamen werken deze conclusies als één grote juichkreet. Verheugd noemt zij Stolwijks boek een “zeer gunstig voorbeeld”van de door professor Remco Raben bepleite ‘transkoloniale geschiedschrijving’. Boek en recensie gaven mij aanleiding om beide robuust van repliek te dienen.
De eerste kritische kanttekening. De opiniërende diepgang, de onderbouwing van conclusies en beweringen en de betekenissen achter en onder de feiten en feitjes verdienen beduidend meer aandacht. Een enkel voorbeeld. De ondertitel van het boek luidt:
Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. Hoe weet de schrijver zo boud dat die strijd de bloedigste was, hoe heeft hij dat gemeten. Of is het reclametaal: “Wasmiddel XYZ wast het witst”. Stolwijk memoreert een bijeen-komst in de geschiedenisclub in Banda Aceh. Als hij daar vertelt dat de Atjeh-oorlog in Nederland grotendeels vergeten lijkt te zijn, reageert een meisje uit de zaal met “Vergeten? Dat noem ik nou eens imperialistische arrogantie. Eerst een land zonder reden binnenvallen en het verbolgens vergeten”. Hoe reageerde Stolwijk daar op, toen en in zijn boek? Stolwijk zwijgt. Nergens gaat hij de centrale vraag rondom het “vergeten” te lijf. Moet je wat tegen dat ‘vergeten’ doen en zo ja, hoe dan; en kan dat, werkt dat? In september 2009 zei Blokker iets dergelijks in een artikel in NRC.
“De herinnering aan de Atjeh oorlog lijkt te zijn vergeten en dat is maar goed ook, want van die oorlog kun je toch niets meer leren”. Schreef Blokker toen. Ook Blokker vergat toen zijn boude bewering(en) te onderbouwen. Ook liet hij het probleem het probleem en droeg geen oplossing aan. Ik heb toen, in 2009-2010, op Blokkers relaas gereageerd met het grote tegenartikel “Wie één klein Atjeh’s jongetje redt, redt heel Atjeh”. Mijn artikel verscheen toen ook in Indonesië, in Warta Kota/Jakarta, Kompas/Medan en Serambi/Banda Aceh, onder de Indonesische titel: “Siapa Yang Menyelamatkan Anak Kecil Aceh Berarti Menyelamatkan Seluru Aceh”.
In Stolwijks boek komen enkele klokkenluidende ex-insiders van de Atjeh-oorlog aan het woord, zoals “Wekker” in de Haagse krant “De Avondpost”. Dat leidde wel tot grote opwinding in de Tweede Kamer, maar na eindeloze beschuldigingen en weerwoorden werd het uiteindelijk “weggemas-seerd”. De “slagers keurden hun eigen vlees”. Het systeem bleef onaangetast en de schuldigen bleven onschuldig. Ook het boek Atjeh blijft zichzelf afstandelijk verdekt opstellen.
In de bibliografie van drie hoofd-stukken in het boek komt, weliswaar magertjes, een andere ex-insider, Zentgraaff (en zijn boek “Atjeh” uit 1936). In Stolwijks passages over het in 1904 uitgemoorde Atjehse berg-dorp Koeto Reh, staat geschreven “...in het plaatsje Kuta Reh, waar niet minder dan 313 mannen, 189 vrouwen en 59 kinderen werden vermoord, staat een erezuil”. Wel een erg magere statistische samenvatting. Een bijbehorende foto van dat uitgemoorde dorp krijgt van Stolwijk het onderschrift “Het dorp Kuta Reh na de verovering door overste Van Daalen, 1904”. Hoe eufemistisch kan het woord “verovering” zijn. Helaas wordt niet vermeld dat er ook één overlevende in dat dorp was. Op die foto zie je aan de voeten van een gebruinde KNIL-soldaat één klein Atjeh’s jongetje zitten, terwijl commandant Van Daalen “zegevierend” op de om-heining zijn “overwinningsroes” beleeft. Als je ‘Wekker’ en ‘Zentgraaff’ echter leest, voel je een ongelooflijk, onbeschrijfelijk, gruwelijk, onmenselijk beeld langs je heen gaan. Eén grote aanklacht. Maar een Minister-President met een Atjehse militaire vooropleiding in de rimboe, ministers van Koloniën en
van Financiën op Haags pluche, landvoogden in comfortabel Batavia en Buitenzorg, bevel-voerende staven in het zo veilige Koetaradja, commandanten (en de gevechtstroepen) in de gek-makende echte rimboe, die oneervol uit KNIL-dienst werden ontslagen maar prompt daarop gouverneur van Atjeh werden of zelfs Gouverneur-generaal in Batavia/Buitenzorg. En nog veel meer. Al diegenen die aan een gerechte straf ontkwamen en “helden van ons Koninkrijk en van onze Indische kolonie” werden, wat zou ik daar “transkoloniaal” graag over gelezen hebben.
Bij Stolwijk komen, zo schrijft de recensent, zowel de Atjeh-kolonialen van toen (op papier) als eigentijdse Atjehers aan het woord. En dat de enige grote groep die geen gezicht krijgt de tienduizenden dwangarbeiders en inheemse KNIL-militairen zijn, waarvoor geldt – zoals Raben het aanduidt – dat het “overtuigend tegenarchief” ontbreekt. Maar Stolwijk en recensent zien dan wel de grote groep van de zwijgende koloniale meerderheid over het hoofd.
Interessant is ook de vraag of en hoe de heterogene samenstelling van het “vreemdelingenlegioen” van het KNIL de vechtcultuur van de gevechtseenheden van het KNIL in Atjeh (mee)bepaalde. En dan heb ik het niet alleen over de grote meerderheid aan Ambonezen, Menadonezen en Javanen in de lagere rangen, maar ook over de talrijke niet-Hollandse Europese officieren, de Belgische, Duitse en Zwitserse naast de Nederlandse officieren.
Eén voorbeeld geeft wellicht een goed beeld. Op een bepaald moment in het begin van de 1900’s liep het bereikte pacificatie resultaat in Atjeh groot gevaar. En Zentgraaff schrijft: “....de commandant moest iemand zijn die ongenadig hard was. Die com-mandant eiste en kreeg vrijwel onbeperkte volmacht. De orde in de bergstreek moest gestreng en ten koste van wat ook hersteld worden. Dus werd de Zwitser Christoffel aangewezen als de commandant. Christoffel mocht zijn eigen gevechtseenheid samenstellen. Daarop ging hij naar de belangrijke garnizoens-stad Tjimahi bij Bandoeng, waar veel marechaussees waren die ervaring hadden. En die zo lang-zamerhand schoon genoeg hadden van al die malle en onbenullige appèls en theorielessen en die terugverlangden naar de rimboe. In Tjimahi werden de beste brigadecommandanten uitgezocht die zo blij waren als God in Frankrijk dat ze weer “naar buiten konden”. Christoffel gaf ze “bloedvingers” op de kraag en een rode zakdoek voor om de hals, want zij waren bloediger dan de gewone marechaussees.
Christoffels troep van een paar honderd man kreeg de troetel-naam: “colonne matjan” (tijger colonne). Grotendeels samenge-steld uit “boedjangs” (vrijgezellen) die niet om de haverklap naar huis verlangden. Met als taak: om de situaties tot elke prijs en met uiterste hardheid meester worden”
Het lijkt mij duidelijk. Waren veel van die niet-Hollandse officieren in het KNIL zo “plus royaliste que le roi”? Ook daarover bij Stolwijk en de recensent geen woord.
Ook anderen zoals klokkenluiders krijgen in “Atjeh” niet de aandacht die ze wel verdienen. Kritische militaire ex-insiders zoals bijv. “Wekker” en Zentgraaff staan wel in de bibliografie, maar komen in het verhaal feitelijk niet aan bod (Zentgraaff) of krijgen van de schrijver niet de vereiste en betekenisvolle doorvragen (zoals “Wekker”).
In de bibliografie mis ik enkele relevante publicaties die in een ‘transkoloniale geschiedschrijving’ over de Atjeh-oorlog niet mogen ontbreken. Dat zijn Menke de Groot met Borel’s “Onze vestiging in Atjeh, Drogredenen zijn geen waarheid” uit 2009, want daar straat een verantwoording in van de samensteller Menke de Groot die in de uitgave van 1878 ontbreekt. En Gret Surbeks boek (de Zwitserse vrouw van de Zwitserse arts die de jaren 1920 tot 1945 in Indië doorbracht) “Im Herzen waren wir Indonesier, Eine Bernerin in den kolonien Sumatra und Java” uit 2007. En het zeer belangrijke Atjehse boek “Perang Kolonial Belanda di Aceh” (The Dutch colonial war in Atjeh) uit 1990, uitgegeven door Pusat Dokumentasi dan Informasi Aceh.
Tenslotte noem ik het door mij geschreven boek “SIEDJAH, wie één klein meisje of jongetje in Indië redt....” dat 2 september jl. uitkwam en dat kort in NICC Magazine van september jl. werd besproken. Dit laatste boek was weliswaar niet tijdig beschikbaar voor Stolwijk, maar wel voor de recensent. “SIEDJAH’ gaat over het leven van een jonge Hollandse onderwijzeres in de jaren 1924 tot 1946. Zij leerde in die jaren het Indië van Ambon, Java en Atjeh goed kennen. Het één na laatste lange hoofdstuk in “SIEDJAH” GAAT OVER Atjeh zoals ‘SIEDJAH’ het beleefde. Zij had Indisch en Atjehs wijs naar het leven om haar heen leren kijken. Ook haar bevindingen zijn van belang voor een beter transkoloniaal begrijpen van Atjeh en de Atjeh-oorlog. Al deze boeken gingen ongemerkt langs Stolwijk en de recensent heen. Mede daardoor is het “Atjeh” van Stolwijk beduidend minder “transkoloniaal” dan de recensent stelt.
Overall heeft de recensie van Esther Wils van het boek “Atjeh” van Anton Stolwijk mij bedroefd en bezorgd gemaakt. Bedroefd omdat de recensent Sutomo, de Javaanse leider van de “Bersiap” in Surabaya na 1945 “oorlogs-misdadiger” noemt en alle Hollandse commandanten van KL en KNIL die kwalificatie bij haar onderzoek ontlopen. En daarbij zet Wils de Nederlandse onderzoeks-journalist over Indonesië’s onaf-hankelijkheidsoorlog en fotograag Marjolein van Pagee, poserend met Sutomo, onverdiend hard en veroordelend weg. En bezorgd ben ik over de kennelijk nog steeds voortdurende traumatische vooroordelen die zelfs nu nog, 71 jaar na dato, aan de recensent zijn blijven hangen. Ik ben blij dat Rémy Limpach zijn Zwitserse dissartie van 2015 en aansluitende Hollandse handelseditie van eind september jl. beduidend chiquer “De brandende dorpen van Generaal Spoor” heeft genoemd.
Met de beste wensen voor deze feestmaand en het komende nieuwe jaar en met de hartelijke groeten. Nico Vink.
ICM 13.12.16
Ik hoor weer ergens bij Door: Jessica Anthonio Een jaar na het interview voor Armando Ello’s “TwijfelIndo”
Bron: NICC-Magazine editie december 19.12.2016
Ik ben nu ruim een jaar verder, een jaar na het interview met Armando. Het boek ‘Twijfelindo’ is gelanceerd en alle verhalen zijn gedocumenteerd.
Ieder kon zijn visie geven op de term ‘TwijfelIndo’.
Een persoonlijk verhaal met een soms confronterende foto. De uiterlijke kenmerken van het Indisch zijn vervagen door steeds verdere vermenging van bloed.
Voor mij persoonlijk was het een begin van een zoektocht. Een zoektocht waarin het Indische deel van mijn bloed centraal stond. Een blik naar binnen en een confrontatie met taboes.
Ik mocht jullie door middel van blogs openlijk meenemen in bepaalde persoonlijke bevindingen en vragen. Daarnaast vond ik ook herkenning bij de andere ‘Twijfelindo’s’.
Een stukje herkenning wat ik hoopte door te geven door het schrijven van die blogs. In reactie daarop heb ik veel mooie contacten opgedaan, zelfs een familie erbij gekregen waarvan ik niet wist dat ik die had. Nieuwe
ambities werden aangewakkerd om de Indische culturele erfenis door te geven en te delen. Door het initiatief van Armando en zijn boek, en ook de kans van Leroy van IBL om mij mee te nemen in zijn missie om onze erfenis door te geven, is een heel nieuw deel van mij tot leven gekomen. Een deel dat ik voorzichtig tot uiting durfde te brengen.
Waarom ik mij een ‘Twijfelindo’ voelde
Mijn Indische afkomst, die lag bij opa en oma thuis. Twee zorgzame lieve mensen die het beste voorhadden met iedereen. Alles kon en alles mocht, en met mijn neven en nichten was het elk weekend een samenzijn vol lekker Indisch eten heel veel plezier. Ik kan daar nog steeds met nostalgisch verlangen aan terug denken.
Ook waren er veel ooms en tantes aanwezig, maar sommige van hen lieten mij twijfelen aan mijn eigen Indische identiteit.
Ik was een kind van een Hollandse moeder en een Indische vader en tja, nogal licht uitgevallen.
Ik herinner me kwetsende opmerkingen naar mijn moeder en mij ‘Ach je bent maar een ‘Belanda’ bedoeld als belediging, althans zo kwam dat over.
Door die opmerkingen en een gevoel ‘niet helemaal geaccep-teerd te worden’ begon ik te twijfelen aan mijn eigen identiteit.
Waar hoorde ik nu bij? Was ik Indisch, ook al werd ik vaak bestempeld als Belanda, of was ik Hollands?
Ik besloot voor mijzelf om maar vooral mens te zijn.
Trots op mijn roots dat ben ik altijd wel gebleven, maar ergens door de opmerkingen uit mijn
jeugd, durfde ik mijzelf niet als zodanig te profileren. Bang om niet Indisch genoeg te zijn.
Wat het boek ‘Twijfelindo’ mij heeft gebracht
Door dit nieuwe begrip dat Armando heeft gecreëerd, paste ik ergens bij. Noem het een hokje dat ik jarenlang miste, een stempel dat een stukje van mij definieert. Ik ben veel meer op zoek gegaan en te weten gekomen over mijn Indisch verleden.
Boek ‘TwijfelIndo’, bestellen via de LINK aan het eind van dit artikel.
Helaas was het ‘Indisch zwijgen’ op mijn grootouders zeker van toepassing en zijn ze niet meer hier om een kijkje in hun verleden te bieden. Toch ben ik heel veel te weten gekomen over hún Nederlands-Indië doormiddel van verhalen van vele familieleden.
Met verbazing en ontzettend veel respect heb ik geluisterd naar wat zij te vertellen hadden en kan ik mijn familiegeschiedenis nu beter plaatsen.
Ik heb in mijn zoektocht familie-leden ontdekt en in mijn hart gesloten, maar helaas ook familie-leden verloren.
Taboes openbaren is jezelf op glad ijs begeven
Door bepaalde heel persoonlijke ervaringen te openbaren, een eigen mening te uiten, hebben sommige familieleden besloten mij buiten te sluiten. Maar dat is niet erg. Het is zoals het is. Sudah
Het belang van dit boek
Naar mijn inziens is het boek belangrijk omdat vele Indische jongeren zich wél Indisch voelen en belang hechten aan onze cultuur maar doordat zij de uiterlijke kenmerken missen, zich-zelf continue moeten verant-woorden.
We hoeven niet in procenten uit te drukken hoe Indisch wij zijn. Waarom we blond, rood of bruin haar hebben. Waarom onze huid verbrandt in de zon en waarom we in de winter zoveel licht geven.
Indisch zijn is een gevoel en een ieder die zich daarmee verbonden voelt omdat zij de cultuur hebben meegekregen door overdracht, is een Indo. Punt.
De achternaam Anthonio stamt nog uit de tijd dat de Portugezen in Indonesië zaten. Mijn vader is 63 en Indo van de tweede generatie en mijn moeder was Nederlandse. Ze is niet ouder dan 49 geworden. Dat maakt mij een Indo van de derde generatie.
Mijn Indische Opa is geboren in Soerakarta en mijn Oma in Semarang. Beide hebben zij de oorlogstijd en de Bersiap tijd meegemaakt. Mijn Oma in een vrouwenkamp en mijn Opa in een jappenkamp. Na de oorlog zijn zij vertrokken naar Nieuw Guinea, maar voelden zich in 1954 genoodzaakt om de overtocht naar Nederland te maken op het schip de Sibayak. Veel over het verleden in Nederlands Indië heb ik niet meegekregen van mijn groot-ouders. Het Indisch zwijgen is van kracht gebleven tot beider heengaan.
Blog: http://hoezoindo.nl/
Tiffany van Soest: Bali is mijn geheime wapen Door: Sabina de Rozario
Bron: NICC-Magazine editie december 19.12.2016
In het blog “Door blauwe ogen” lazen we over deze vechtlustige dame, een Amerikaanse met Nederlands Indische roots wonend in Bali. Onlangs stond zij weer in de ring. Dit keer in Duitsland, waar zij opnieuw haar titel met succes verdedigde. Lees hier over het geheime wapen van Tiffany van Soest.
Als een professioneel martial arts beoefenaar naar het Indonesische eiland Bali verhuisd om daar te trainen, lijkt dat op het eerste gezicht niet logisch. Maar kansen voor haar carrière, de perfecte golven en de eilandmentaliteit maken de keuze voor de Amerikaanse Tiffany van Soest
(27) makkelijk: “Bali is voor mij het paradijs.”
Een paar maanden geleden kiest Tiffany voor Bali als haar thuisbasis en voelt zich als een vis in het water. Ze is, als regerend wereldkampioen, elke dag zeer intensief met Muay Thai bezig (trainen en training geven). In
haar vrije tijd pakt ze graag een paar golven op haar surfboard.
Ik ontmoet haar bij haar favoriete restaurantje waar vooral niet-Indonesisch eten op de kaart staat. Of ze niet van Indonesisch eten houdt? “Zeker wel, ik ben zelfs opgegroeid met sambal! Mijn opa is geboren in Semarang, in het voormalige Nederlands-Indië.”
Indische opa
Haar Indische opa migreert begin jaren ’50 naar Nederland. In Den Haag ontmoet hij zijn aanstaande bruid en vertrekt samen met haar naar Amerika, waar in 1957 de eerste zoon wordt geboren, de vader van Tiffany.
Tiffany (1989) heeft tijdens haar jeugd een sterke band met haar opa. Helaas overlijdt hij als Tiffany 10 jaar oud is. Hij leert haar alles over Nederlands voetbal (en indirect over Nederland), samen kijken zij naar wedstrijden op tv van zijn geliefde Ajax. Betrokken als hij is, sponsort opa haar voetbalelftal. Oma maakt nasi goreng voor alle speelsters voor na de wedstrijd. “Mijn oma is beroemd om haar nasi goreng. Ondanks dat ze Nederlandse is, heeft ze zich de Indonesische keuken eigengemaakt. Haar babi ketjap is mijn favoriete gerecht.”
Bewust van gemengde afkomst
“Op 6-jarige leeftijd vertelden mijn ouders waar onze roots liggen. Opgewonden over het feit dat ik gemengd Pools en Oostenrijks van moederskant en Nederlands en Indonesisch van vaderskant ben, ging ik ermee aan de slag voor een schoolproject. Helaas wist ik niets over Indonesië destijds. Enkele jaren geleden ben ik gaan lezen over Nederlands-Indië, de Tweede Wereldoorlog en mijn afkomst.
“Ik ben één keer in Nederland geweest voor een gevecht. Mijn oma had ongeveer 20 familieleden gevraagd om naar mij te komen kijken. Door het ontmoeten van mijn Nederlandse familie ervaarde ik een soort terug-naar-m’n-roots-gevoel. Mijn oma leest nog elke dag de Nederlandse kranten en ook met haar heb ik een speciale band.
Door haar liefdevol bereide eten en omdat ik op haar lijk. In haar heldere blauwe ogen zie ik haar enorme kracht, haar mentaliteit van nooit opgeven, altijd blijven doorgaan. Dat heb ik van haar gekregen. Maar ik zie ook haar liefdevolle karakter, haar vrije geest, ze is zonder twijfel mijn grootste inspiratie”.
De Bali connectie
“Door het hebben van Indisch bloed voel ik me erg verbonden met de plek waar ik nu woon. Tijdens het voorbijrijden van een voetbalveld tussen de rijstvelden onlangs moest ik sterk denken aan mijn opa, die mij de liefde voor voetbal heeft bijgebracht. En nu ben ik hier voor mijn Muay Thai carrière. Het voetbalveld dat voor me lag, voelde als de schakel met waar ik nu sta in mijn leven.”
“Op Bali heerst rust, het is er makkelijker dan op andere plekken. Alles klopt hier voor mij, er staan grote dingen te gebeuren. Bali is mijn geheime wapen.”
ICM 21,12.16
Bron: NICC-Magazine editie december 19.12.2016
Indonesië stond lang bekend als een van de meest gematigde islamitische landen, maar dat lijkt voorbij te zijn. Morgen begint een rechtszaak tegen de gouverneur van de hoofdstad Jakarta, omdat hij de Koran zou hebben beledigd. De christelijke gouverneur Basuki Tjahaja Purnama zou dat hebben gedaan in een online-video, daarin citeert hij uit de Koran en dat is bij extremisten in het verkeerde keelgat geschoten.
Als de gouverneur schuldig wordt bevonden, kan hij voor vijf jaar de gevangenis in. Voor heel veel mensen is deze rechtszaak een teken dat het extremisme in Indonesië sterk in opkomst is. Zij wijzen op de toenemende macht van het militante Front van de Verdedigers van de Islam (de FPI).De rechtszaak tegen de christelijke gouverneur van de Indonesische hoofdstad Jakarta is volgens sommigen een teken van het oprukkende extremisme in Indonesië. Deze beweging begon ooit als een bende afpersers die opereerde op straat. Tijdens de studentenprotesten eind jaren 90 tegen het bewind van Soeharto werd de FPI door het leger bewapend om studenten in elkaar te slaan.
Stokken en fakkels
Inmiddels is dit kleine legertje uitgegroeid tot een beweging met 5 miljoen leden. Met geweld voeren zij de agenda uit van de pleitbezorgers van de politieke islam. Hun acties richten zich tegen minderheden als de sjiieten, christenen, homo's en trans-genders. Met stokken en fakkels vallen ze bars en nachtclubs aan, waar mensen zich schuldig zouden maken aan onzedig gedrag.
FPI-leden met afgepakte kratjes bier (Foto AFP)
Volgens critici heeft de vorige president meegewerkt aan de opkomst van de conservatieve islam. Yudhoyono, die van 2004 tot 2014 regeerde, is een aan-hanger van een conservatieve stroming binnen de islam. "In tien jaar tijd heeft hij een infra-structuur gecreëerd die minder-heden discrimineert en de islamitische fundamentalisten tevreden stelt", zegt Andreas Harsono van Human Rights Watch.
De strikte wetten op godslastering bestaan al tientallen jaren, maar tot Yudhuyono's aantreden kwam het maar acht keer tot een rechtszaak waarbij godslastering de aanklacht was. Onder zijn bestuur werden meer dan honderd mensen veroordeeld voor gods-lastering. In diezelfde tijd werden duizend kerken gesloten. En nu is dus, onder druk van massale demonstraties van de FPI, tot een rechtszaak tegen de gouverneur van Jakarta besloten.
Het zijn donkere tijden
In dit klimaat is het lastig laveren voor president Joko Widodo, die in 2014 aantrad. Hij is gematigder dan zijn voorganger. Misschien wil hij de FPI het liefste verbieden, maar de risico's zijn groot, zegt Harsono. "Als hij de FPI ont-mantelt zet hij zijn presidentschap op het spel. Het is de vraag of hij bereid is dat te doen of niet."
De vraag is ook wat de meerder-heid van de Indonesiërs die er nu het zwijgen toe doet, ervan vindt. Bij de laatste verkiezingen in 2014 stemde bijna 70 procent voor seculiere partijen. Maar Andreas Harsono van Human Rights Watch put uit die cijfers weinig hoop. "Het zijn donkere tijden. We weten niet hoelang dit zal duren. 10 jaar? 15 jaar? 20 jaar? We weten het niet."
(Bron: NOS)
ICM 21.12.16
NINES Spijkenisse
In onze editie van 10 september jl. stond abusievelijk vermeld dat NINES was opgeheven. NINES (Nazaten Indische Nederlanders en Sympathisanten) bestaat echter nog steeds en is nog volop actief voor de belangen van de Indische Gemeenschap.
Bron : Hoofdredacteur Groot Nissewaard 27/9-2019
NINES Spijkenisse is op 13 februari 1980 ontstaan als onderafdeling van NINES Den Haag. Deze laatste vereniging werd in 2004 opgeheven, nadat het opgegaan was in het Indisch Huis. NINES Spijkenisse nam de taken van NINES Den Haag over.
NINES Spijkenisse is betrokken bij het organiseren van diverse evenementen, waaronder de Indische avonden met optredens van beroemde artiesten en bands zoals Jack Jersey, het Indische Dorp, een onderdeel van het Dunya Festival en Pencak. Daarnaast participeert NINES in ICM projecten en onderhoudt het samen met KBRI diplomatieke betrekkingen. Zo was het voor ICM Editor Ferry Schwab Sr. mogelijk persoonlijk zijn verhaal te doen bij de president van de republiek Indonesië.
Door de opheffing van NINES Den Haag ging het webportaal NINES Online over in een Indische Internetkrant, ICM - Online. Deze is een project van ICM Project & Events en heeft als missie 'het in beeld brengen van de huidige Indisch gemeenschap, het beheren en overdragen van de pallet het Indische cultuur erfgoed aan de volgende generatie en de Nederlander, met een knipoog naar Tempo Doeloe. Wat belangrijk is voor de Indische gemeenschap is het signaal geven naar politiek Den Haag voor "de niet opgeloste Indische Zaken.'
NINES voorzitter Rob Andreas nam o.a. deel aan de projecten Backpay/KNIL en ACTW-66 (Verdrag Traktaat van Wassenaar). Backpay/KNIL was een project van NICC samen met ICM/Nines , waarbij ruim 10.000 handtekeningen werden opgehaald die werden overgedragen aan het Indisch Platform met het mandaat Erkenning, excuses en compensatie. Eerst compensatie voor de Oorlogsslachtoffers, dan pas Backpay / Knil. De Rijksoverheid betaalde tenslotte € 25.000 aan 1100 Knillers.
Project ACTW - 66 (traktaat Wassenaar) werd op aangeven van ICM abonnees opgestart in 2015. NINES heeft een belangrijke rol gespeeld in de vormgeving van dit project. In 2017 is aan de hand van diverse onderzoeken en WOB verzoeken het "Rapport uitbetalen Traktaat van Wassenaar" verschenen. Het verdrag houdt in alle burgers (Nederlanders, Indische, Joodse, en Molukse mensen) die in de periode 1947-1966 verbleven in het voormalige Indie resp. in de republiek Indonesië recht hebben op een schade vergoeding. De campagne die van 2015 van start is gegaan, heeft als doel alle 60.000 gedupeerden te informeren over het bestaan van het traktaat, zodat ze alsnog hun claim kunnen indienen. Uitgesloten zijn de ambtenaren/ KNIL in dienst van de Indische Nederlandse regering. In 1966 werd het bedrag van 689 miljoen genoemd; nu gaat het om ruim negen miljard dat toekomt aan 0.000 /60.000 gedupeerden. De petitie die is opgesteld om op basis van het Traktaat van Wassenaar tot uitbetaling te komen, is inmiddels al door 15.548 mensen ondertekend.
Het verdrag Traktaat van Wassenaar is in 1966 ondertekend door de regeringen van Nederland en Indonesië. Het doel van de overeenkomst was dat de Indonesische regering aan Nederland het bedrag van 689 miljoen gulden zou betalen ter genoegdoening aan de Nederlandse staatsburgers, die huis, have en goed in Indonesië moesten achterlaten ten tijde van de repatriëring tussen 1947 en 1962. De Nederlandse regering heeft dit echter nooit aan de rechthebbenden uitbetaald. Het Traktaat is ondergebracht in de claim stichting ACTW66. Als u meent recht te hebben, schrijf u dan in als deelnemer via www.Icm-online.nl zodat ook namens u het proces wordt gevoerd. U kunt de stichting ook financieel steunen door een bedrag te storten op NL41 RABO 03977255 07 ten name van F. Schwab / ICM Online onder vermelding van donatieACTW 66. Vragen over de inhoud van deze petitie kunt u richten aan Ferry Schwab, Wouterskampen 68, 3849 BC Hierden, Of mail naar Schwab@kabelfoon.nl. Updates over het project vindt u op www.icm-online.nl.
De regering heeft terecht gehandeld door de openbaarmaking van documenten over de zogenoemde 'Indische kwestie' te weigeren. Die uitspraak heeft de Raad van State gedaan tijdens het hoger beroep.
Het verzoek om de documenten openbaar te maken kwam van de Stichting Indisch Platform. Die vroeg om de informatie omdat de Nederlandse Staat nog achterstallige loonbetalingen en schadevergoedingen zou moeten voldoen. Die gelden zou de Nederlandse overheid in de ogen van de stichting moeten betalen aan ambtenaren, militairen en inwoners van Nederlands-Indië die slachtoffer waren van de Japanse bezetting in de Tweede Wereldoorlog van het toenmalige Nederlands-Indië.
De stichting is door de Raad van State voor een klein deel wel in het gelijk gesteld. Enkele documenten moeten door de ministers van Algemene Zaken (Mark Rutte) en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Martin van Rijn) wel ter beschikking worden gesteld, blijkt uit de uitspraak.
| Datum van uitspraak: | woensdag 28 december 2016 |
| Tegen: | de minister van Algemene Zaken |
| Proceduresoort: | Hoger beroep |
| Rechtsgebied: | Algemene kamer - Hoger Beroep - Wet openbaarheid van bestuur |
| ECLI: | ECLI:NL:RVS:2016:3478 |
201507930/1/A3.
Datum uitspraak: 28 december 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting Stichting Indisch Platform, gevestigd te Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 september 2015 in zaken nrs. 13/9040 en 13/10437 in het geding tussen:
de stichting
en
1. de minister van Algemene Zaken,
2. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2013 heeft de minister van Algemene Zaken (hierna: minister van AZ) het verzoek van de stichting tot openbaarmaking van een aantal documenten met betrekking tot de zogenoemde "Indische kwestie" afgewezen en in twee documenten persoonsgegevens onleesbaar gemaakt.
Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: minister van VWS) het verzoek van de stichting tot openbaarmaking van een aantal documenten met betrekking tot de zogenoemde "Indische kwestie" afgewezen en van een aantal documenten de gegevens onleesbaar gemaakt.
Bij besluit van 3 oktober 2013 heeft de minister van AZ het door de stichting tegen het besluit van 13 maart 2013 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de motivering aangepast. De overige bezwaren heeft hij ongegrond verklaard.
Bij besluit van 13 december 2013 heeft de minister van VWS het tegen het besluit van 26 maart 2013 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, één document alsnog openbaar gemaakt, in één document de onleesbare stukken aangepast en de motivering aangepast. De overige bezwaren heeft hij ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2015 heeft de rechtbank het door de stichting tegen het besluit van 3 oktober 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard. In dezelfde uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 december 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten onder bepaling dat de uitspraak voor het besluit in de plaats treedt. De uitspraak van 9 september 2015 is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
De minister van AZ en de minister van VWS hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De stichting heeft de toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door P. van Vliet en bijgestaan door mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, de minister van AZ, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en de minister van VWS, vertegenwoordigd door mr. J.W.T. Berg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De stichting stelt hoger beroep in vanwege de weigering van de minister van AZ en de minister van VWS tot openbaarmaking van documenten of delen daarvan die zien op de zogenoemde Indische kwestie. Deze kwestie betreft aanspraak jegens Staat der Nederlanden op achterstallig loon en schadevergoeding voor ambtenaren, militairen en inwoners van Nederlands-Indië die slachtoffer waren van de Japanse bezetting in de Tweede Wereldoorlog van het toenmalig Nederlands-Indië en de wijze waarop de Staat der Nederlanden met aanspraken is omgegaan.
De stichting heeft met een beroep op de Wet openbaarheid bestuur (hierna: Wob) bij de minister van AZ en de minister van VWS verzocht om documenten die betrekking hebben op de Indische kwestie openbaar te maken.
De stichting komt in hoger beroep omdat de rechtbank de weigering van de minister van AZ om 23 documenten openbaar te maken in stand heeft gelaten en omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de weigering van de minister van VWS om documenten, danwel delen van documenten, openbaar te maken in stand heeft gelaten.
Geheimhouding
2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, kennis genomen van de niet openbaar gemaakte documenten of delen van documenten.
Weging maatschappelijk belang onderwerp bij openbaarmaking
3. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van een "te goeder trouw"-toepassing van de Wob gewicht had moeten worden toegekend aan het belang dat met de openbaarmaking van de gevraagde stukken gediend wordt. De stichting meent dat de zwaarte van het belang bij openbaarmaking van invloed dient te zijn op de afweging tussen het belang van de overheid of overheidsdienaren bij geheimhouding enerzijds en het belang van de transparantiedoelstelling van de Wob anderzijds. De belangen van de overheid en overheidsdienaren zullen eerder moeten wijken als het belang van de openbaarmaking groter is, aldus de stichting. De stichting betoogt dat het belang bij het openbaar maken van de documenten over de Indische kwestie in dit geval dusdanig zwaar weegt, dat het belang dat gediend wordt met het niet openbaar maken van deze stukken daarvoor moet wijken.
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4132) vooronderstelt de Wob het belang van openbaarmaking voor een goede en democratische besluitvorming als een op zichzelf staand belang en is het gewicht van dit belang niet afhankelijk van het onderwerp waarop de documenten betrekking hebben.
Het betoog van de stichting dat de documenten betrekking hebben op een zodanig belangrijk onderwerp dat de ministers bij het toepassen van de afwijzingsgronden aan het belang van openbaarheid een groter gewicht hadden moeten toekennen, faalt.
Weigeringsgrond artikel 11, eerste lid, van de Wob
4. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte de weigering tot openbaarmaking van de ministers op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft gehonoreerd, althans onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom deze weigering in stand kan blijven. De stichting betoogt dat uitzonderingen op de hoofdregel dat stukken openbaar worden gemaakt restrictief moeten worden toegepast.
De stichting betoogt dat het haar enkel te doen is om de feiten die ten grondslag liggen aan de beslissingen. Door de openbaarmaking te weigeren op de grondslag dat feiten en persoonlijke beleidsopvattingen zodanig verweven zijn dat de feiten niet afzonderlijk verstrekt kunnen worden, is het voor haar onmogelijk om na te gaan of onjuiste feiten aan de besluitvorming ten grondslag liggen. De stichting betoogt dat als feiten en persoonlijke beleidsopvattingen zodanig verweven zijn als de ministers stellen, het bevoegd gezag die verwevenheid er uit moet halen en de feiten openbaar moet maken.
4.1. Artikel 11, eerste lid, van de Wob luidt:
"In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen."
4.2. Dat de stukken, waarvan openbaarmaking wordt verzocht, opgesteld zijn ten behoeve van intern beraad, wordt niet betwist.
De onder verwijzing naar artikel 11, eerste lid, van de Wob weggelakte passages en de niet verstrekte documenten betreffen adviezen, voorstellen, interpretaties van procedures en conclusies. Deze zijn aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen van de opsteller.
De Afdeling kan, na kennisneming van de niet openbaar gemaakte documenten of passages in documenten, tot geen ander oordeel komen dan dat de rechtbank bij haar beslissing recht heeft gedaan aan de aard van de documenten en zo inzichtelijk mogelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van een zodanige verwevenheid van relevante feiten en persoonlijke beleidsopvattingen, dat een zinnige scheiding niet mogelijk is.
De Wob verplicht het bestuursorgaan niet tot het opstellen van nieuwe stukken waarin van de persoonlijke beleidsopvattingen ontvlochten feiten worden gepresenteerd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de ministers niet gehouden waren daartoe over te gaan.
Verstrekken persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm
5. De stichting betoogt dat nu artikel 11, tweede lid, van de Wob de mogelijkheid biedt om informatie over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm te verstrekken, dat dan ook zonder meer dient te gebeuren.
Of al dan niet wordt overgegaan tot het verstrekken van informatie in een niet tot personen herleidbare vorm kan niet afhankelijk worden gemaakt van het aantal betrokken personen, aldus de stichting. Door dit wel te doen wordt volgens haar deze mogelijkheid van verstrekking ondermijnd.
Het is volgens de stichting daarnaast in strijd met het transparantiebeginsel en de democratische besluitvorming om het aan het bevoegd gezag over te laten of gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om informatie te verstrekken in een niet tot personen herleidbare vorm en deze keuze slechts aan een onredelijkheidstoets te onderwerpen. Dat geldt temeer ingeval de betrokken personen aangeven geen bezwaar te hebben, aldus de stichting.
5.1. Artikel 11, tweede lid, van de Wob luidt:
"Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt."
5.2. De minister van VWS en de minister van AZ hebben toegelicht dat ambtenaren en bewindspersonen de vrijheid dienen te hebben ongehinderd hun bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding of -uitvoering, en daarover te studeren, te brainstormen, anderszins te overleggen, en nota's te schrijven zonder rekening te hoeven houden met de mogelijkheid dat deze openbaar gemaakt worden.
De ministers betogen dat het bij de afweging of de informatie wordt verstrekt niet van doorslaggevend belang is of de informatie tot een specifieke persoon herleidbaar is en of deze persoon bezwaar heeft tegen het openbaar maken. De afweging is of sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting die in alle vrijheid binnen intern beraad is gemaakt en of openbaarmaking kan leiden tot aantasting van de benodigde vrijheid om persoonlijke beleidsopvattingen te uiten in dergelijke nota’s en overleggen, aldus de minister van AZ en de minister van VWS. De minister van VWS heeft er ter zitting op gewezen dat hij grote delen van de stukken wel openbaar heeft gemaakt en dat de delen die weggelakt zijn slechts beperkte delen van de verstrekte stukken betreffen.
5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN8855) is, anders dan appellante kennelijk betoogt, artikel 11, eerste lid, van de Wob imperatief gesteld en dient derhalve, voorzover er sprake is van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, in beginsel geen informatie te worden verstrekt over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Daaraan doet niet af dat ingevolge het tweede lid van dit artikel aan de minister, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, een discretionaire bevoegdheid is toegekend om informatie te verstrekken over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot de persoon herleidbare vorm of, in het geval degene die deze opvattingen heeft geuit zich erachter heeft gesteld, in tot de persoon herleidbare vorm.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0116), is de beslissing om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken aan het bestuursorgaan. Indien het op basis van zijn discretionaire bevoegdheid, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, besluit om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken, mag het dit slechts in tot personen herleidbare vorm doen indien de betrokkene daarmee heeft ingestemd. Dat neemt evenwel niet weg dat het bestuursorgaan, dat verantwoordelijk is voor de betrokken bestuursvoering, bevoegd is om, los van de bereidheid van betrokkenen om in te stemmen met openbaarmaking, de informatie niet te verschaffen (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 38).
5.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI6049), kan de kring van de betrokkenen een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of een geanonimiseerde versie van de persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt.
Dat het in dit geval om een beperkte en aanwijsbare groep ambtenaren en bestuurders gaat, is niet bestreden. De stichting heeft zelf aangegeven dat haar bekend is welke personen betrokken zijn.
In dit geval kan, gezien de aard en de inhoud van de documenten, niet worden geoordeeld dat de ministers teneinde de vrijheid van bewindspersonen en ambtenaren te behouden om ongehinderd hun bijdrage te leveren aan intern beraad, niet in redelijkheid hebben mogen afzien van gebruikmaking van de in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid. Niet is gebleken dat een goede en democratische bestuursvoering met openbaarmaking is gediend. Voor de minister van AZ geldt daarnaast dat de in de tweede volzin van artikel 11, tweede lid, van de Wob bedoelde instemming door één van de opstellers van de notities niet is gegeven. Nu geanonimiseerde verstrekking niet mogelijk was, heeft de rechtbank ook daarom met juistheid overwogen dat de ministers hun bevoegdheid ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wob buiten toepassing mochten laten.
Weigeringsgronden artikel 10 van de Wob
6. De stichting herhaalt voorts de gronden die bij de rechtbank zijn gericht tegen de weigeringsgronden uit artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob, nu de rechtbank daar niet aan toe is gekomen omdat de weigering ook steeds op artikel 11, eerste lid, van de Wob is gebaseerd en deze grondslag de weigering volgens de rechtbank zelfstandig kan dragen.
6.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de weigering zelfstandig kan worden gedragen door artikel 11, eerste lid, van de Wob. De Afdeling komt derhalve evenmin toe aan beoordeling van de weigering op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.
w.g. Slump w.g. Rietberg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2016
725.
ICM 29.12.16