|
|
ADVERTENTIE
De lente breekt aan, wat dacht van uw tuin geheel in Bamboe Design ?
Zithoek donker bamboe
Mooie zithoek van donker bamboe, afgewerkt met blanke rotan. De prijs is voor een driezits, twee… om verder te lezen klik op Doorgaan
|
|
ADVERTENTIE
De lente breekt aan, wat dacht van uw tuin geheel in Bamboe Design ?
Mooie zithoek van donker bamboe, afgewerkt met blanke rotan. De prijs is voor een driezits, twee… om verder te lezen klik op Doorgaan
De lente breekt aan, wat dacht van uw tuin geheel in Bamboe Design ?
Mooie zithoek van donker bamboe, afgewerkt met blanke rotan. De prijs is voor een driezits, twee 1-zits en salontafel. Afgewerkt met synthetisch rotan is de zithoek ook geschikt voor buiten.
Kussens van eerste kwaliteit meubelstof. Andere kleuren, stoffen of leer is mogelijk.
De prijs is exclusief bezorgen.
Voor bestellen en de kosten van bezorging bij u aan huis kunt u contact opnemen met Bamboe design, of ga naarhttps://bamboedesign.nl/
Bamboe eethoek voor buiten, inclusief vier stoelen. Het blad wordt afgewerkt met bamboe mat of met glad afgewerkt bamboe.
De prijs is exclusief bezorgen.
Voor bestellen en de kosten van bezorging bij u aan huis kunt u contact opnemen met Bamboe design. of ga naarhttps://bamboedesign.nl/
door Olof van Joolen
Het is nog maar de vraag of kan worden vastgesteld of de laatste resten die in het Indonesische Brondong werden opgegraven van op de Javazee gesneuvelde marinemensen zijn. Volgens het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is het zeer moeilijk dna-profielen van deze botten en schedels te verkrijgen.
Een ploeg van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL) bevindt zich op dit moment in het Indonesische Brondong. Defensie is terughoudend met mededelingen over wat het team doet en hoe de voortgang is. Richting nabestaanden die hopen dat ze resten van hun geliefden kunnen herbegraven zou de Koninklijke Marine de verwachtingen temperen.
Ingewikkeld
Daar doet defensie volgens dna-autoriteit Lex Meulenbroek van het NFI goed aan. Volgens hem is het een heel ingewikkeld karwei uit de resten voldoende materiaal te halen waarmee een dna-profiel kan worden opgesteld. De botten en schedels hebben dik zeventig jaar onder water gelegen en werden daarna weinig zachtzinnig behandeld en begraven. Daarbij gaat dna-materiaal verloren.
„Om het eventueel nog aanwezige dna uit het lichaamsmateriaal te halen zullen de meest geavanceerde methodes moeten worden ingezet”, legt Meulenbroek uit. „De kans op succes is beperkt. Hoe groot de kans daadwerkelijk is dat op basis van dna mensen zijn te identificeren is op voorhand niet te geven.”
De meest voor de hand liggende manier die er volgens Meulenbroek is om met DNA meer duidelijkheid te krijgen, is een vergelijk te maken met dna-profielen van eerstegraads familieleden. Dat staat alleen weer op gespannen voet met het feit dat veel opvarenden van de schepen jong en kinderloos waren. Of dat hun zonen en dochters inmiddels ook niet meer leven. Dat maakt een vergelijk met eerstelijns verwanten niet meer mogelijk.
Dna biedt ook mogelijkheden om vast te stellen uit welk deel van de wereld iemands familielijn komt. Daarmee zou het onderscheid tussen een West-Europeaan of Aziaat te maken zijn.
Het probleem daarvan is alleen weer dat je voor dat onderzoek relatief en veel goed dna-materiaal nodig hebt.
„De kans daarop is niet groot”, stelt de NFI-medewerker vast. Hij is in ons land al vijftien jaar betrokken bij de stormachtige ontwikkeling die dna-onderzoeken doormaken.
Watersnoodramp
„We hebben als NFI veel ervaring opgedaan met een vergelijkbaar project waarbij we de identiteit probeerden vast te stellen van onbekende slachtoffers van de Watersnoodramp. Ook daar liepen we tegen de grenzen van onze mogelijkheden aan omdat er weinig eerstelijns nabestaanden waren. Dna is helaas geen wondermiddel. Het zal een langdurig proces worden, waarbij, zo inschattend, het niet mogelijk zal zijn een groot deel van het aangetroffen lichaamsmateriaal te identificeren. Dit zal aan nabestaanden duidelijk moeten worden gemaakt.”
Zitting 1966 - 906 5 (R 583 ) Goedkeuring van de op 7 september 1966 te 's-Gravenhage ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake de tussen de beide landen nog bestaande financiële vraagstukken
MEMORIE VAN TOELICHTING Nr. 3
De Nederlands-Indonesische Overeenkomst van 7 september jl. staat aan het einde van een langjarige en bewogen periode, waarin een reeks incidenten en conflicten de wederzijdse betrekkingen heeft overschaduwd. Naar de bedoeling van beide partijen ruimt de overeenkomst de uit de periode overgebleven geschilpunten uit de weg. In die zin vormt zij de bewuste afsluiting van een tijdvak.
Hoewel bedoelde geschilpunten voornamelijk een financieel karakter droegen en de overeenkomst derhalve ook slechts financiële bepalingen inhoudt, dient de bereikte overeenstemming niet als een louter financieel-zakelijke transactie te worden beschouwd. Bij een evaluatie van de overeenkomst dient het politieke effect tevens in aanmerking te worden genomen. Deze financiële regeling heeft tevens de belemmeringen weggenomen die nog in de weg stonden aan het zowel bij het Koninkrijk als bij Indonesië bestaande streven, het proces van behoedzame toenadering dat sedert enige jaren bezig was zich te voltrekken, te voltooien. Dit vergelijk zal de basis kunnen vormen voor de door beide partijen gewenste normalisering der betrekkingen en nu het in de ter goedkeuring aangeboden overeenkomst vorm heeft gekregen, meent de Regering van het Koninkrijk te mogen verwachten, dat een voortschrijdende samenwerking op velerlei terrein niet zal uitblijven.
De Regering is er zich anderzijds van bewust, dat in materieel opzicht ons land een zeer zwaar offer heeft gebracht en dat de met Indonesië overeengekomen financiële regeling door de belanghebbenden met gemengde gevoelens zal zijn ontvangen. Enerzijds komt op vrij korte termijn een bedrag beschikbaar, waaruit -met een zekere prioriteit- die belanghebbenden, die geacht kunnen worden door de Indonesische maatregelen het zwaarst te zijn getroffen, t.w. de natuurlijke personen, een gedeeltelijke schadeloosstelling kan worden uitgekeerd, anderzijds is het bedrag tot betaling waarvan Indonesië zich heeft verplicht, slechts een fractie van de door de Staat en de belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen geleden verliezen.
In het licht van de betalingsonmacht van Indonesië en rekening houdend met het politieke en economisch belang, dat op dat moment in het bereiken van overeenstemming met de Indonesische regering was gelegen, heeft de Regering gemeend ondanks genoemde schaduwzijde, akkoord te moeten gaan met het overeengekomen bedrag.
Daarbij is overwogen dat, indien thans geen overeenstemming zou worden bereikt er niet op mocht worden gerekend, dat dit later wel mogelijk zou zijn laat staan, dat daarbij gunstiger voorwaarden zouden kunnen worden bedongen, zodat de belangen der claimanten met aanvaarding van het Indonesische aanbod het best gediend zouden zijn.
Een historisch overzicht van het ontstaan der problemen, die in de overeenkomst tot oplossing zijn gebracht, dient aan te vangen met de mededeling in 1956 van Indonesië, dat het zich niet langer gebonden achtte aan de ter Rondetafelconferentie gesloten overeenkomsten en het daarop gevolgde Besluit 9, de bij de soevereiniteitsoverdracht aanvaarde schulden aan Nederland en de Nederlandsche Bank en de schulden uit hoofde van Nederlands-Indische openbare obligatieleningen welke door de Nederlandse Staat zijn gegarandeerd, niet langer te erkennen en niet meer te zullen betalen. Voorts werd ingevolge een besluit van de Centrale Regering te Jakarta de leningsdienst van de autonome ressorten gestaakt.
Politieke ontwikkelingen waren in december 1957 en latere maanden aanleiding tot een reeks maatregelen van de Indonesische overheid, waardoor aan de Nederlandse economische activiteit in Indonesië over bijna de gehele linie een einde werd gemaakt. De betaling van pensioenen en wachtgelden aan gewezen ambtenaren van Nederlandse nationaliteit werd beëindigd. Voorts werd thans ook de nakoming opgeschort van betalingsverplichtingen tegenover Nederland, waarvan de rechtsgeldigheid overigens niet buiten twijfel werd gesteld.
De aanvankelijke onder beheerstelling van alle Nederlandse bedrijven werd later gevolgd door nationalisatie krachtens een op 31 december 1958 afgekondigde daartoe strekkende wet (nr. 86/1958). Ten gevolge van de afkondiging van de Indonesische Agrarische Basiswet, in werking getreden op 24 september 1960, verloren vele Nederlandse belanghebbenden de facto de beschikking over hun grond- en huizenbezit. Door sommige particuliere belanghebbenden ondernomen pogingen om rechtsherstel of schadevergoeding te verkrijgen of om verhaal te vinden op Indonesische eigendommen elders, hadden geen resultaat.
Bovenvermelde Indonesische maatregelen gaven aanleiding tot een reeks diplomatieke stappen, die echter zonder effect bleven. Uitvoeriger bijzonderheden over de bovenomschreven ontwikkelingen zijn opgenomen in de Jaarboeken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de betreffende periode.
Toen op 17 augustus 1960 de diplomatieke betrekkingen door Indonesië werden verbroken, kwam daarmede tevens een einde aan de mogelijkheid, langs rechtstreekse diplomatieke weg te trachten de aanspraken van belanghebbenden en van de Staat geldend te maken. Gaandeweg werd duidelijk, dat niet meer op teruggave van genationaliseerde bedrijven kon worden gerekend en dat de noodzaak onder ogen moest worden gezien om de oplossing te zoeken in een schadeloosstelling. Met het oog hierop werd door de eerste ondergetekende het Bureau Schadeclaims Indonesië ingesteld, dat begin 1963 een aanvang maakte met de uitvoering van zijn taak gegevens te verzamelen omtrent de omvang van de door Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen geleden schade.
Na de totstandkoming van de Overeenkomst van New York inzake West-Irian op 15 augustus 1962 werden de diplomatieke betrekkingen hersteld, hetgeen nieuwe initiatieven mogelijk maakte.
De gelegenheid hiertoe deed zich voor bij het bezoek, dat - na een eerder contact met de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland in New York in september 1963 - de Minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië van 1 tot
4 april 1964 aan Nederland bracht en waarbij onder meer werd afgesproken, dat ambtelijke delegaties van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië de tussen de beide Staten hangende financiële vraagstukken zouden bestuderen en ernaar zouden streven, tot een gezamenlijk voorstel aan de beide regeringen te komen, ten einde te geraken tot een oplossing van deze problemen.
Bij het daarop volgende bezoek van de eerste ondergetekende aan Indonesië van 24 juli tot 2 augustus 1964 werd besloten, dat het overleg over de hangende financiële vraagstukken zou worden voortgezet in een gemengde commissie, welke zich zou bezighouden met de voorbereiding van een definitieve regeling. Wederzijds zou zo spoedig mogelijk een einde worden gemaakt aan nog bestaande discriminaties op financieel-economisch gebied hetgeen onder meer inhield, dat de Nederlandse vorderingen niet zouden worden achtergesteld bij die van andere landen.
Als gevolg van de besprekingen stortte Indonesië in de loop van 1962 een bedrag van f 36 mln. op een geblokkeerde rekening van de Nederlandsche Bank N.V. bij de Indonesische Overzeese Bank N.V. te Amsterdam, als blijk van bereidheid bij te dragen tot de regeling der hangende financiële vraagstukken. Ter bevordering van de economische samenwerking werden van Nederlandse zijde voor 1962 export-kredietgaranties toegezegd voor de levering van Nederlandse kapitaalgoederen of diensten tot een waarde van ruim f 100 mln.
Ter uitvoering van de bovenvermelde afspraken voerden een Indonesische delegatie en een Nederlandse delegatie, handelende ten deze als een Gezamenlijke Commissie, te 's-Gravenhage van 9 tot 27 november 1964 besprekingen ter voor-bereiding van een door de Regeringen te sluiten overeenkomst. Deze besprekingen droegen voornamelijk een oriënterend karakter. Een concreet resultaat was de afspraak, dat het wederzijdse effectenbezit zoveel mogelijk van belemmeringen zou worden vrijgemaakt. De uitvoering hiervan werd overgelaten aan de beide centrale banken.
De besprekingen werden in de Gezamenlijke Commissie voortgezet in Indonesië van 25 augustus tot 11 september 1962. Daarbij bleek, dat het de Indonesische delegatie slechts dan mogelijk zou zijn, haar regering te adviseren om een betalingsverplichting aan Nederland te erkennen, indien deze gebaseerd zou zijn op de beginselen van rechtvaardigheid, menselijkheid en billijkheid, welke deel uitmaken van de Indonesische staatsideologie, de Pantjasila. Beide delegaties konden tot overeenstemming komen over het idee van vaststelling van een 'lump sum' ter finale afdoening van het geheel der problemen, zonder dat discussie hoefde te worden gevoerd over de afzonderlijke onderwerpen, waarover verschil van opvatting bestond. De Nederlandse delegatie verklaarde zich bereid, de hoogte van deze som te berekenen, uitgaande van het totaal der gelden na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, behalve aan de soevereine Republiek Indonesië ten goede gekomen, welk bedrag werd becijferd op f 1260 mln. Deze benaderingswijze, waarbij -met inachtneming van het Indonesische uitgangspunt- van Nederlandse kant rekening werd gehouden met de zeer zwakke financiële positie van Indonesië, doch geen afstand werd gedaan van gerechtvaardigde aanspraken, bleek voor beide partijen in beginsel aanvaardbaar.
Het uitgangspunt van betaling door Indonesië van een 'lump sum' werd door beide regeringen aanvaard. Van 2 tot 10 juni en op 18 en 19 juli 1966 verbleef een Indonesische Missie onder leiding van de Vice-Minister van Buitenlandse Zaken, Umarjadi Njotowijono, in Nederland. De missie verklaarde een tweeledige opdracht te hebben: enerzijds dezelfde taak als waartoe de missie ook andere landen bezocht, nl. het uiteenzetten van Indonesië's zeer moeilijke financiële en economische positie, op grond waarvan Indonesië medewerking vroeg tot uitstel van betaling van zijn lopende schuldverplichtingen en tot het verkrijgen van nieuwe financiële faciliteiten, anderzijds het voortzetten van de besprekingen over de speciale tussen Nederland en Indonesië nog openstaande financiële vraagstukken.
Een delegatie onder voorzitterschap van mr. N. S. Blom, buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur, voerde aan Nederlandse zijde de besprekingen over beide onderwerpen.
Met betrekking tot het laatstgenoemde onderwerp zetten de delegaties het overleg van de Gezamenlijke Commissie voort op grondslag van de eerder bereikte voorlopige resultaten. Regeling van dit punt werd urgent geacht, daar het uitblijven daarvan onvermijdelijk het internationaal overleg over een schuldenregeling en de rehabilitatie van de Indonesische economie zou compliceren.
Het resultaat van het overleg werd neergelegd in een aan beide regeringen aangeboden gemeenschappelijk voorstel, waarvan een ontwerpovereenkomst was gehecht. Echter werd de beslissing over de grootte van de 'lump sum' en de betalingsmodaliteiten aan de regeringen voorbehouden.
Van 5 tot 7 september 1966 werden te 's-Gravenhage door een Indonesische regeringsdelegatie onder leiding van Sultan Hamengku Buwono IX, Presidium Minister voor Economie en Financiën, besprekingen gevoerd om tot een definitieve regeling te komen. Als resultaat daarvan kwam op 7 september 1966 de onderwerpelijke overeenkomst tot stand.
III. Inhoud der Overeenkomst
Bij de overeenkomst verplicht de Republiek Indonesië zich tot betaling van een bedrag van f 600 mln. ter finale afdoening van het geheel der financiële aanspraken, die vallen binnen de omschrijving van Artikel 1.
De overeenkomst strekt tot afdoening van alle ingevolge politieke gebeurtenissen ontstane financiële aanspraken van de Staat der Nederlanden en van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op de Republiek Indonesië en haar staatsburgers, waarbij over en weer van een specificatie daarvan wordt afgezien.
De verdeling onder belanghebbenden van de door Indonesië te verrichten betalingen is voorbehouden aan de Koninkrijksregering. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is in voorbereiding.
Het ligt in het voornemen daarbij de Staat en de particuliere deelgerechtigden op dezelfde voet te laten delen met dien verstande, dat een zekere voorrang wordt toegekend aan die groepen claimanten, die geacht kunnen worden door de Indonesische maatregelen het zwaarst te zijn getroffen, t.w. de natuurlijke personen.
Ter toelichting op een aantal afzonderlijke bepalingen dienen het volgende:
Artikel 1, lid 1,
omschrijft de financiële aanspraken waarop de overeenkomst betrekking heeft. Hieronder vallen alle thans en in de toekomst opeisbare aanspraken van de Staat der Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen, die berusten op verdragsverplichtingen of voortvloeien uit wettelijke of administratieve maatregelen, in Indonesië getroffen vóór 15 augustus 1962, zijnde de datum waarop door de overeenkomst van New York een einde kwam aan het politieke geschil. Hiervan verdienen afzonderlijke vermelding de aanspraken die voortvloeien uit de reeds vermelde nationalisatiewet van 1958 en de Agrarische Basiswet van 1960; voorts vorderingen uit hoofde van openbare obligatieleningen van Indonesische autonome ressorten. De belanghebbenden bij deze aanspraken zullen, evenals de Staat, bij de hierboven genoemde in voorbereiding zijnde wet in aanmerking worden gebracht, voor een aandeel in de ter beschikking komende gelden.
Ten slotte zij aangetekend, dat uit Artikel 1, lid 1, voortvloeit, dat aanspraken van particulieren op het voormalige Gouvernement van Nederlandsch-Indië (Indonesië) niet meer tegenover de Republiek Indonesië kunnen worden geldend gemaakt.
Artikel 1, lid 3.
Ingevolge artikel XXII, lid 3, van de Overeenkomst van New York werd een gemengde Nederlands-Indonesische Commissie ingesteld teneinde te bestuderen welke concessie- en eigendomsrechten van Nederlanders in West-Irian konden worden gehandhaafd.
Deze commissie stelde vast, dat genoemde rechten niet onverenigbaar waren met de belangen van de bevolking van dit gebiedsdeel en derhalve dienden te worden gehandhaafd, doch zij constateerde tevens, dat de uitoefening daarvan door Nederlanders in de gegeven omstandigheden in feite onmogelijk was. Zij adviseerde beide regeringen het zoeken van een regeling 4) voor de daardoor ontstane schade op te dragen aan de gezamenlijke commissie voor de hangende financiële problemen. Conform het voorstel van laatstgenoemde commissie is besloten dit probleem tot afdoening te brengen in het kader van de onderwerpelijke overeenkomst. Het bedrag, dat hiermede is gemoeid kon nog niet nauwkeurig worden vastgesteld, doch zal naar schatting f 10 mln. niet te boven gaan. Het ligt in het voornemen de belanghebbenden een uitkering te geven uit de ter beschikking komende gelden, op dezelfde voet als aan degenen die uit anderen hoofde deelgerechtigd zijn.
Artikel 2
dient om te voorkomen, dat één der partijen aanspraken als erkend zal aanmerken die voor de andere partij onaanvaardbaar zijn, of omgekeerd er zich op zal beroepen bepaalde aanspraken niet erkend te hebben, waarvan de betwisting voor de andere partij onaanvaardbaar is.
Artikel 3 en 4
Als bovenvermeld, kan het bedrag ad f 600 mln. niet worden geacht de adequate vergoeding te zijn voor de materiële verliezen van de Staat en andere belang-hebbenden. Betwijfeld kan worden dat het uitgangspunt, dat de Nederlandse vorderingen niet zouden worden achtergesteld bij die van andere landen, volledig is gehandhaafd. Aanvankelijk werd aan Indonesië opgegeven, dat deze vorderingen totaal circa f 4.400 mln. bedroegen. De berekening met inachtneming van de tijdens de besprekingen in Djakarta in augustus/september 1962 overeengekomen benaderingswijze leverde een uitkomst op van f 1.260 mln., derhalve een reductie tot circa een vierde. Met het oog op de acute Indonesische betalingsmoeilijkheden, die inmiddels aan de dag waren getreden, heeft de Regering vervolgens vóór de aanvang van de besprekingen in september jl. met de Indonesische regeringsdelegatie in contacten met Indonesië te kennen gegeven, dat Nederland enige verdere reductie van dit bedrag niet bij voorbaat zou afwijzen. Daarbij stond de Regering echter geen halvering voor ogen en evenmin een zo lange afbetalingstermijn als thans overeengekomen. De reeds vermelde overwegingen hebben de Regering uiteindelijk doen besluiten over deze bezwaren heen te stappen. Vermeld zij voorts, dat afzonderlijk is overeengekomen, dat het in het tweede lid van Artikel 3 genoemde bedrag van f 36 mln. ter beschikking zal worden gesteld in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste op 31 december 1966 en de tweede op 31 december 1967.
Artikel 5, lid 1,
bewerkt dat, vooruitlopend op de volledige nakoming, reeds met ingang van de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst en zolang deze wordt nageleefd de partijen en derzelver staatsburgers zijn gevrijwaard tegen iedere gerechtelijke actie ter verzeker- ring van de nakoming van verplichtingen, waarvan de afdoening is geregeld bij de overeenkomst.
De voorliggende overeenkomst belichaamt, ondanks de bedenkingen waartoe zij aanleiding geeft, het gunstigste financiële resultaat, dat in de huidige en voor de naaste toekomst voorzienbare situatie redelijkerwijs bereikbaar moet worden geacht. De Regering vertrouwt, dat de totstandkoming van de overeenkomst de grondslag zal blijken te zijn, waarop tussen Nederland en Indonesië een nieuwe en positieve verstandhouding kan worden gebouwd. Zij acht goede reden aanwezig voor de verwachting, dat de nog altijd bestaande banden op velerlei gebied nauwer zullen worden aangehaald en zullen leiden tot toenemend hartelijke en vriendschappelijke
relaties tussen Indonesië en het Koninkrijk. In dit perspectief zou Nederland dan gelegenheid vinden zowel zijn vanouds bestaande speciale deskundigheid als zijn nieuw verworven technische en industriële capaciteiten ten dienste te stellen van Indonesië, dat daaruit bij zijn ontwikkeling aanzienlijke voordelen zal kunnen trekken.
In het belang van de goede wederzijdse betrekkingen moge de Regering daarom de overeenkomst bij de Staten-Generaal ter goedkeuring aanbevelen.
De Minister van Buitenlandse Zaken, LUNS.
De Minister van Financiën, J. ZJJLSTRA.
2018 starten wij met Fase II Traktaat van Wassenaar volgens planning. Te beginnen op Pasar Malam Rijswijk, en vervolgens o.a. Zwolle, Ahoy, Nieuwegein, Zeist, Emmeloord, Steenwijk, Dordrecht, Assen Leek .....Blijf ons volgen op de pasars in het land.
Fase I hebben wij achter de rug. Wij hebben een draagvlak - steun- . Ruim 15.000 hebben hun handtekening gezet. Wij hebben dus van de 50.000 - 60.000, 15.000 bereikt. Nog 45.000 dus te gaan. Met verschillende partijen is onderzoek gestart, recent wederom hebben zich jonge historisie verbonden aan de universiteiten zich gemeld, met nieuwe feiten o.a. uit rapporten van de CIA. Steeds duidelijker worden de bedoelingen van Kabinetten Drees. Niet haar Indische onderdanen hadden die prioriteiten (primaire rechten van de mens), maar de Nederlandse Economie voor de heropbouw met geld uit de republiek. Ruim 4,6 miljard betaalde president Soekarno voor de overname van de Nederlandse Indische bezittingen van particulieren en bedrijven in d periode 1947- 1959. Met als afronding 689 miljoen (Verdrag traktaat van wassenaar) dat werd geratifeert door beide regeringen ( Halbe Zijlstra heeft in 2009 onderzoek gedaan). In deze fase zijn alle leden van de Kamer & Kabinet geinformeerd. Niet onbelangrijk persoonlijk de president van Indonesie.
De resultaten zijn in het rapport traktaat van Wassenaar vervat, en in boekvorm uitgebracht door uitgever Calbona ISBN 978 - 94- 92575 - 18 -10. Druk II van het boek kan U inzien bij ICM Stands staan bij de hoofd ingang . In 3 e druk komen de laatste feiten. |
2018 starten wij met Fase II Traktaat van Wassenaar volgens planning. Te beginnen op Pasar Malam Rijswijk, en vervolgens o.a. Zwolle, Ahoy, Nieuwegein, Zeist, Emmeloord, Steenwijk, Dordrecht, Assen Leek .....Blijf ons volgen op de pasars in het land.
Fase I hebben wij achter de rug. Wij hebben een draagvlak - steun- . Ruim 15.000 hebben hun handtekening gezet. Wij hebben dus van de 50.000 - 60.000, 15.000 bereikt. Nog 45.000 dus te gaan. Met verschillende partijen is onderzoek gestart, recent wederom hebben zich jonge historisie verbonden aan de universiteiten zich gemeld, met nieuwe feiten o.a. uit rapporten van de CIA. Steeds duidelijker worden de bedoelingen van Kabinetten Drees. Niet haar Indische onderdanen hadden die prioriteiten (primaire rechten van de mens), maar de Nederlandse Economie voor de heropbouw met geld uit de republiek. Ruim 4,6 miljard betaalde president Soekarno voor de overname van de Nederlandse Indische bezittingen van particulieren en bedrijven in d periode 1947- 1959. Met als afronding 689 miljoen (Verdrag traktaat van wassenaar) dat werd geratifeert door beide regeringen ( Halbe Zijlstra heeft in 2009 onderzoek gedaan). In deze fase zijn alle leden van de Kamer & Kabinet geinformeerd. Niet onbelangrijk persoonlijk de president van Indonesie.
De resultaten zijn in het rapport traktaat van Wassenaar vervat, en in boekvorm uitgebracht door uitgever Calbona ISBN 978 - 94- 92575 - 18 -10. Druk II van het boek kan U inzien bij ICM Stands staan bij de hoofd ingang . In 3 e druk komen de laatste feiten. |
Zitting 1966 - 906 5 (R 583 ) Goedkeuring van de op 7 september 1966 te 's-Gravenhage ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake de tussen de beide landen nog bestaande financiële vraagstukken
MEMORIE VAN TOELICHTING Nr. 3
De Nederlands-Indonesische Overeenkomst van 7 september jl. staat aan het einde van een langjarige en bewogen periode, waarin een reeks incidenten en conflicten de wederzijdse betrekkingen heeft overschaduwd. Naar de bedoeling van beide partijen ruimt de overeenkomst de uit de periode overgebleven geschilpunten uit de weg. In die zin vormt zij de bewuste afsluiting van een tijdvak.
Hoewel bedoelde geschilpunten voornamelijk een financieel karakter droegen en de overeenkomst derhalve ook slechts financiële bepalingen inhoudt, dient de bereikte overeenstemming niet als een louter financieel-zakelijke transactie te worden beschouwd. Bij een evaluatie van de overeenkomst dient het politieke effect tevens in aanmerking te worden genomen. Deze financiële regeling heeft tevens de belemmeringen weggenomen die nog in de weg stonden aan het zowel bij het Koninkrijk als bij Indonesië bestaande streven, het proces van behoedzame toenadering dat sedert enige jaren bezig was zich te voltrekken, te voltooien. Dit vergelijk zal de basis kunnen vormen voor de door beide partijen gewenste normalisering der betrekkingen en nu het in de ter goedkeuring aangeboden overeenkomst vorm heeft gekregen, meent de Regering van het Koninkrijk te mogen verwachten, dat een voortschrijdende samenwerking op velerlei terrein niet zal uitblijven.
De Regering is er zich anderzijds van bewust, dat in materieel opzicht ons land een zeer zwaar offer heeft gebracht en dat de met Indonesië overeengekomen financiële regeling door de belanghebbenden met gemengde gevoelens zal zijn ontvangen. Enerzijds komt op vrij korte termijn een bedrag beschikbaar, waaruit -met een zekere prioriteit- die belanghebbenden, die geacht kunnen worden door de Indonesische maatregelen het zwaarst te zijn getroffen, t.w. de natuurlijke personen, een gedeeltelijke schadeloosstelling kan worden uitgekeerd, anderzijds is het bedrag tot betaling waarvan Indonesië zich heeft verplicht, slechts een fractie van de door de Staat en de belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen geleden verliezen.
In het licht van de betalingsonmacht van Indonesië en rekening houdend met het politieke en economisch belang, dat op dat moment in het bereiken van overeenstemming met de Indonesische regering was gelegen, heeft de Regering gemeend ondanks genoemde schaduwzijde, akkoord te moeten gaan met het overeengekomen bedrag.
Daarbij is overwogen dat, indien thans geen overeenstemming zou worden bereikt er niet op mocht worden gerekend, dat dit later wel mogelijk zou zijn laat staan, dat daarbij gunstiger voorwaarden zouden kunnen worden bedongen, zodat de belangen der claimanten met aanvaarding van het Indonesische aanbod het best gediend zouden zijn.
Een historisch overzicht van het ontstaan der problemen, die in de overeenkomst tot oplossing zijn gebracht, dient aan te vangen met de mededeling in 1956 van Indonesië, dat het zich niet langer gebonden achtte aan de ter Rondetafelconferentie gesloten overeenkomsten en het daarop gevolgde Besluit 9, de bij de soevereiniteitsoverdracht aanvaarde schulden aan Nederland en de Nederlandsche Bank en de schulden uit hoofde van Nederlands-Indische openbare obligatieleningen welke door de Nederlandse Staat zijn gegarandeerd, niet langer te erkennen en niet meer te zullen betalen. Voorts werd ingevolge een besluit van de Centrale Regering te Jakarta de leningsdienst van de autonome ressorten gestaakt.
Politieke ontwikkelingen waren in december 1957 en latere maanden aanleiding tot een reeks maatregelen van de Indonesische overheid, waardoor aan de Nederlandse economische activiteit in Indonesië over bijna de gehele linie een einde werd gemaakt. De betaling van pensioenen en wachtgelden aan gewezen ambtenaren van Nederlandse nationaliteit werd beëindigd. Voorts werd thans ook de nakoming opgeschort van betalingsverplichtingen tegenover Nederland, waarvan de rechtsgeldigheid overigens niet buiten twijfel werd gesteld.
De aanvankelijke onder beheerstelling van alle Nederlandse bedrijven werd later gevolgd door nationalisatie krachtens een op 31 december 1958 afgekondigde daartoe strekkende wet (nr. 86/1958). Ten gevolge van de afkondiging van de Indonesische Agrarische Basiswet, in werking getreden op 24 september 1960, verloren vele Nederlandse belanghebbenden de facto de beschikking over hun grond- en huizenbezit. Door sommige particuliere belanghebbenden ondernomen pogingen om rechtsherstel of schadevergoeding te verkrijgen of om verhaal te vinden op Indonesische eigendommen elders, hadden geen resultaat.
Bovenvermelde Indonesische maatregelen gaven aanleiding tot een reeks diplomatieke stappen, die echter zonder effect bleven. Uitvoeriger bijzonderheden over de bovenomschreven ontwikkelingen zijn opgenomen in de Jaarboeken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de betreffende periode.
Toen op 17 augustus 1960 de diplomatieke betrekkingen door Indonesië werden verbroken, kwam daarmede tevens een einde aan de mogelijkheid, langs rechtstreekse diplomatieke weg te trachten de aanspraken van belanghebbenden en van de Staat geldend te maken. Gaandeweg werd duidelijk, dat niet meer op teruggave van genationaliseerde bedrijven kon worden gerekend en dat de noodzaak onder ogen moest worden gezien om de oplossing te zoeken in een schadeloosstelling. Met het oog hierop werd door de eerste ondergetekende het Bureau Schadeclaims Indonesië ingesteld, dat begin 1963 een aanvang maakte met de uitvoering van zijn taak gegevens te verzamelen omtrent de omvang van de door Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen geleden schade.
Na de totstandkoming van de Overeenkomst van New York inzake West-Irian op 15 augustus 1962 werden de diplomatieke betrekkingen hersteld, hetgeen nieuwe initiatieven mogelijk maakte.
De gelegenheid hiertoe deed zich voor bij het bezoek, dat - na een eerder contact met de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland in New York in september 1963 - de Minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië van 1 tot
4 april 1964 aan Nederland bracht en waarbij onder meer werd afgesproken, dat ambtelijke delegaties van het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië de tussen de beide Staten hangende financiële vraagstukken zouden bestuderen en ernaar zouden streven, tot een gezamenlijk voorstel aan de beide regeringen te komen, ten einde te geraken tot een oplossing van deze problemen.
Bij het daarop volgende bezoek van de eerste ondergetekende aan Indonesië van 24 juli tot 2 augustus 1964 werd besloten, dat het overleg over de hangende financiële vraagstukken zou worden voortgezet in een gemengde commissie, welke zich zou bezighouden met de voorbereiding van een definitieve regeling. Wederzijds zou zo spoedig mogelijk een einde worden gemaakt aan nog bestaande discriminaties op financieel-economisch gebied hetgeen onder meer inhield, dat de Nederlandse vorderingen niet zouden worden achtergesteld bij die van andere landen.
Als gevolg van de besprekingen stortte Indonesië in de loop van 1962 een bedrag van f 36 mln. op een geblokkeerde rekening van de Nederlandsche Bank N.V. bij de Indonesische Overzeese Bank N.V. te Amsterdam, als blijk van bereidheid bij te dragen tot de regeling der hangende financiële vraagstukken. Ter bevordering van de economische samenwerking werden van Nederlandse zijde voor 1962 export-kredietgaranties toegezegd voor de levering van Nederlandse kapitaalgoederen of diensten tot een waarde van ruim f 100 mln.
Ter uitvoering van de bovenvermelde afspraken voerden een Indonesische delegatie en een Nederlandse delegatie, handelende ten deze als een Gezamenlijke Commissie, te 's-Gravenhage van 9 tot 27 november 1964 besprekingen ter voor-bereiding van een door de Regeringen te sluiten overeenkomst. Deze besprekingen droegen voornamelijk een oriënterend karakter. Een concreet resultaat was de afspraak, dat het wederzijdse effectenbezit zoveel mogelijk van belemmeringen zou worden vrijgemaakt. De uitvoering hiervan werd overgelaten aan de beide centrale banken.
De besprekingen werden in de Gezamenlijke Commissie voortgezet in Indonesië van 25 augustus tot 11 september 1962. Daarbij bleek, dat het de Indonesische delegatie slechts dan mogelijk zou zijn, haar regering te adviseren om een betalingsverplichting aan Nederland te erkennen, indien deze gebaseerd zou zijn op de beginselen van rechtvaardigheid, menselijkheid en billijkheid, welke deel uitmaken van de Indonesische staatsideologie, de Pantjasila. Beide delegaties konden tot overeenstemming komen over het idee van vaststelling van een 'lump sum' ter finale afdoening van het geheel der problemen, zonder dat discussie hoefde te worden gevoerd over de afzonderlijke onderwerpen, waarover verschil van opvatting bestond. De Nederlandse delegatie verklaarde zich bereid, de hoogte van deze som te berekenen, uitgaande van het totaal der gelden na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, behalve aan de soevereine Republiek Indonesië ten goede gekomen, welk bedrag werd becijferd op f 1260 mln. Deze benaderingswijze, waarbij -met inachtneming van het Indonesische uitgangspunt- van Nederlandse kant rekening werd gehouden met de zeer zwakke financiële positie van Indonesië, doch geen afstand werd gedaan van gerechtvaardigde aanspraken, bleek voor beide partijen in beginsel aanvaardbaar.
Het uitgangspunt van betaling door Indonesië van een 'lump sum' werd door beide regeringen aanvaard. Van 2 tot 10 juni en op 18 en 19 juli 1966 verbleef een Indonesische Missie onder leiding van de Vice-Minister van Buitenlandse Zaken, Umarjadi Njotowijono, in Nederland. De missie verklaarde een tweeledige opdracht te hebben: enerzijds dezelfde taak als waartoe de missie ook andere landen bezocht, nl. het uiteenzetten van Indonesië's zeer moeilijke financiële en economische positie, op grond waarvan Indonesië medewerking vroeg tot uitstel van betaling van zijn lopende schuldverplichtingen en tot het verkrijgen van nieuwe financiële faciliteiten, anderzijds het voortzetten van de besprekingen over de speciale tussen Nederland en Indonesië nog openstaande financiële vraagstukken.
Een delegatie onder voorzitterschap van mr. N. S. Blom, buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur, voerde aan Nederlandse zijde de besprekingen over beide onderwerpen.
Met betrekking tot het laatstgenoemde onderwerp zetten de delegaties het overleg van de Gezamenlijke Commissie voort op grondslag van de eerder bereikte voorlopige resultaten. Regeling van dit punt werd urgent geacht, daar het uitblijven daarvan onvermijdelijk het internationaal overleg over een schuldenregeling en de rehabilitatie van de Indonesische economie zou compliceren.
Het resultaat van het overleg werd neergelegd in een aan beide regeringen aangeboden gemeenschappelijk voorstel, waarvan een ontwerpovereenkomst was gehecht. Echter werd de beslissing over de grootte van de 'lump sum' en de betalingsmodaliteiten aan de regeringen voorbehouden.
Van 5 tot 7 september 1966 werden te 's-Gravenhage door een Indonesische regeringsdelegatie onder leiding van Sultan Hamengku Buwono IX, Presidium Minister voor Economie en Financiën, besprekingen gevoerd om tot een definitieve regeling te komen. Als resultaat daarvan kwam op 7 september 1966 de onderwerpelijke overeenkomst tot stand.
III. Inhoud der Overeenkomst
Bij de overeenkomst verplicht de Republiek Indonesië zich tot betaling van een bedrag van f 600 mln. ter finale afdoening van het geheel der financiële aanspraken, die vallen binnen de omschrijving van Artikel 1.
De overeenkomst strekt tot afdoening van alle ingevolge politieke gebeurtenissen ontstane financiële aanspraken van de Staat der Nederlanden en van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op de Republiek Indonesië en haar staatsburgers, waarbij over en weer van een specificatie daarvan wordt afgezien.
De verdeling onder belanghebbenden van de door Indonesië te verrichten betalingen is voorbehouden aan de Koninkrijksregering. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is in voorbereiding.
Het ligt in het voornemen daarbij de Staat en de particuliere deelgerechtigden op dezelfde voet te laten delen met dien verstande, dat een zekere voorrang wordt toegekend aan die groepen claimanten, die geacht kunnen worden door de Indonesische maatregelen het zwaarst te zijn getroffen, t.w. de natuurlijke personen.
Ter toelichting op een aantal afzonderlijke bepalingen dienen het volgende:
Artikel 1, lid 1,
omschrijft de financiële aanspraken waarop de overeenkomst betrekking heeft. Hieronder vallen alle thans en in de toekomst opeisbare aanspraken van de Staat der Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen, die berusten op verdragsverplichtingen of voortvloeien uit wettelijke of administratieve maatregelen, in Indonesië getroffen vóór 15 augustus 1962, zijnde de datum waarop door de overeenkomst van New York een einde kwam aan het politieke geschil. Hiervan verdienen afzonderlijke vermelding de aanspraken die voortvloeien uit de reeds vermelde nationalisatiewet van 1958 en de Agrarische Basiswet van 1960; voorts vorderingen uit hoofde van openbare obligatieleningen van Indonesische autonome ressorten. De belanghebbenden bij deze aanspraken zullen, evenals de Staat, bij de hierboven genoemde in voorbereiding zijnde wet in aanmerking worden gebracht, voor een aandeel in de ter beschikking komende gelden.
Ten slotte zij aangetekend, dat uit Artikel 1, lid 1, voortvloeit, dat aanspraken van particulieren op het voormalige Gouvernement van Nederlandsch-Indië (Indonesië) niet meer tegenover de Republiek Indonesië kunnen worden geldend gemaakt.
Artikel 1, lid 3.
Ingevolge artikel XXII, lid 3, van de Overeenkomst van New York werd een gemengde Nederlands-Indonesische Commissie ingesteld teneinde te bestuderen welke concessie- en eigendomsrechten van Nederlanders in West-Irian konden worden gehandhaafd.
Deze commissie stelde vast, dat genoemde rechten niet onverenigbaar waren met de belangen van de bevolking van dit gebiedsdeel en derhalve dienden te worden gehandhaafd, doch zij constateerde tevens, dat de uitoefening daarvan door Nederlanders in de gegeven omstandigheden in feite onmogelijk was. Zij adviseerde beide regeringen het zoeken van een regeling 4) voor de daardoor ontstane schade op te dragen aan de gezamenlijke commissie voor de hangende financiële problemen. Conform het voorstel van laatstgenoemde commissie is besloten dit probleem tot afdoening te brengen in het kader van de onderwerpelijke overeenkomst. Het bedrag, dat hiermede is gemoeid kon nog niet nauwkeurig worden vastgesteld, doch zal naar schatting f 10 mln. niet te boven gaan. Het ligt in het voornemen de belanghebbenden een uitkering te geven uit de ter beschikking komende gelden, op dezelfde voet als aan degenen die uit anderen hoofde deelgerechtigd zijn.
Artikel 2
dient om te voorkomen, dat één der partijen aanspraken als erkend zal aanmerken die voor de andere partij onaanvaardbaar zijn, of omgekeerd er zich op zal beroepen bepaalde aanspraken niet erkend te hebben, waarvan de betwisting voor de andere partij onaanvaardbaar is.
Artikel 3 en 4
Als bovenvermeld, kan het bedrag ad f 600 mln. niet worden geacht de adequate vergoeding te zijn voor de materiële verliezen van de Staat en andere belang-hebbenden. Betwijfeld kan worden dat het uitgangspunt, dat de Nederlandse vorderingen niet zouden worden achtergesteld bij die van andere landen, volledig is gehandhaafd. Aanvankelijk werd aan Indonesië opgegeven, dat deze vorderingen totaal circa f 4.400 mln. bedroegen. De berekening met inachtneming van de tijdens de besprekingen in Djakarta in augustus/september 1962 overeengekomen benaderingswijze leverde een uitkomst op van f 1.260 mln., derhalve een reductie tot circa een vierde. Met het oog op de acute Indonesische betalingsmoeilijkheden, die inmiddels aan de dag waren getreden, heeft de Regering vervolgens vóór de aanvang van de besprekingen in september jl. met de Indonesische regeringsdelegatie in contacten met Indonesië te kennen gegeven, dat Nederland enige verdere reductie van dit bedrag niet bij voorbaat zou afwijzen. Daarbij stond de Regering echter geen halvering voor ogen en evenmin een zo lange afbetalingstermijn als thans overeengekomen. De reeds vermelde overwegingen hebben de Regering uiteindelijk doen besluiten over deze bezwaren heen te stappen. Vermeld zij voorts, dat afzonderlijk is overeengekomen, dat het in het tweede lid van Artikel 3 genoemde bedrag van f 36 mln. ter beschikking zal worden gesteld in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste op 31 december 1966 en de tweede op 31 december 1967.
Artikel 5, lid 1,
bewerkt dat, vooruitlopend op de volledige nakoming, reeds met ingang van de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst en zolang deze wordt nageleefd de partijen en derzelver staatsburgers zijn gevrijwaard tegen iedere gerechtelijke actie ter verzeker- ring van de nakoming van verplichtingen, waarvan de afdoening is geregeld bij de overeenkomst.
De voorliggende overeenkomst belichaamt, ondanks de bedenkingen waartoe zij aanleiding geeft, het gunstigste financiële resultaat, dat in de huidige en voor de naaste toekomst voorzienbare situatie redelijkerwijs bereikbaar moet worden geacht. De Regering vertrouwt, dat de totstandkoming van de overeenkomst de grondslag zal blijken te zijn, waarop tussen Nederland en Indonesië een nieuwe en positieve verstandhouding kan worden gebouwd. Zij acht goede reden aanwezig voor de verwachting, dat de nog altijd bestaande banden op velerlei gebied nauwer zullen worden aangehaald en zullen leiden tot toenemend hartelijke en vriendschappelijke
relaties tussen Indonesië en het Koninkrijk. In dit perspectief zou Nederland dan gelegenheid vinden zowel zijn vanouds bestaande speciale deskundigheid als zijn nieuw verworven technische en industriële capaciteiten ten dienste te stellen van Indonesië, dat daaruit bij zijn ontwikkeling aanzienlijke voordelen zal kunnen trekken.
In het belang van de goede wederzijdse betrekkingen moge de Regering daarom de overeenkomst bij de Staten-Generaal ter goedkeuring aanbevelen.
De Minister van Buitenlandse Zaken, LUNS.
De Minister van Financiën, J. ZJJLSTRA.
De ontmoeting tussen de gelauwerde acteur en Ilse Evelijn Veere vindt plaats op Schiphol. Ze is na de oorlog in Amerika gaan wonen. „Ik haal haar op met een grote bos bloemen. Ze komt hier om haar zus in Groningen te bezoeken. Toeval bestaat niet. Ze had net als mijn partner Ben en ik haar reis al gepland, en komt een dag aan nadat Ben en ik even terug zijn uit Frankrijk. En ze heeft net als ik ook een boek geschreven over haar ervaringen in het jappenkamp: End the silence . Daar is ze al een paar keer mee op de Amerikaanse televisie geweest.”
In zijn Franse huis in de Loirestreek, waar hij met Ben Swibben – zijn levenspartner sinds 1977 – permanent woont, is Willem opgetogen. „Het is toch ongelooflijk; we hebben elkaar zeventig jaar niet gezien! Ongeveer hetzelfde meegemaakt en dat van ons af geschreven. Het komt allemaal door een fan, inmiddels eigenlijk meer een vriend, die een website over mij heeft opgezet. Mark de Vries las mijn boek Met bonzend hart , kwam de naam van Ilse tegen en, nieuwsgierig geworden, googelde toen haar naam.
Foto : De Indische Jeugdvriedin gevonden In Amerika
( De 79-jarige Willem Nijholt staat aan de vooravond van een van de ontroerendste ontmoetingen van zijn leven. En we
l met het meisje met de witte strik. Ilse Evelijn Veere woonde in dezelfde straat in Soemenep op het eiland Madoera als hij, vlak voor zowel zij met haar gezin als híj met zijn moeder, broer en zus naar een jappenkamp werd getransporteerd. „Wij werden opgehaald en zij ook. Ik was acht jaar. Ik heb nooit geweten waar mijn jeugdvriendinnetje terecht is gekomen, of wat er van haar geworden is. En nu ga ik haar weer zien!” )
Foto : Een piepjonge Willem met op de achtergrond zijn vader. Willem: „Ik was bepaald niet de stoere jongen op wie mijn vader als KNIL-militair had gehoopt.” OMSLAGFOTO ’MET BONZEND HART’
Foto : Ilse Evelijn Veere-Smit zoals zij er tegenwoordig uitziet. In 1954 trouwde ze in Amsterdam met Jan Smit, vandaar haar achternaam. FOTO: MICHAEL STADLER
Dochter
„Zo kwam hij erachter dat Ilse nog leeft! In Washington, Amerika! Waar zij met haar naaste familie niet lang na de oorlog terecht is gekomen. Hij heeft de contacten gelegd en enfin, van het een kwam het ander. Ik heb haar een lange brief geschreven, haar dochter gesproken… En nu gaan we elkaar dus binnenkort ontmoeten.”
Willem vertelt: „De laatste jaren voor Japan in oorlog kwam met Nederland, dus ook met Indonesië, woonde ons gezin op het eiland Madoera in de hoofdstad Soemenep. In die paar jaar hadden wij in onze straat omgang met de familie Evelijn Veere. Het oudste dochtertje, Ilse, werd een speelkameraadje
van me en omdat ik geen voetbaljongen was maar meer met meisjes speelde, raakten Ilse en ik echt bevriend. Zij was iets ouder dan ik, kon heel goed bikkelen en heeft mij dat geleerd. We zaten dan op het platje voor hun huis. Ook kwam ze veel bij ons, vooral op het voorerf, waar wij grote Tjimahi-bomen hadden, met van die heel lange dennennaalden, soms wel twintig cm lang. Ik kon de segmentjes van die naalden lostrekken en dan deed ik er jasmijn aan vast en dan kon je die naald ook weer sluiten. En zo vlocht ik bloemenkransjes voor haar en mijn moeder, die meestal op ons voorplatje aan de ratelende naaimachine zat.”
De vriendelijke acteur knijpt mijmerend zijn ogen samen: „Ik was bepaald niet de stoere jongen op wie mijn vader als KNIL-militair had gehoopt. Ilse en ik kregen de lapjes stof die mijn moeder niet meer gebruikte en maakten daarvan dan poppenkleertjes. Het waren zonnige dagen, ik weet ook nog dat ik met haar op een of ander Oranjefeest een klompendansje deed.”
In de brieven aan Hella S. Haasse die zijn boek Met bonzend hart (2011) opleverden, schrijft Willem al: Ik heb me nooit door mijn vader geaccepteerd gevoeld. Ik was als tweede kind de teleurstelling. Ik was niet het meisje op wie hij en mijn moeder, nadat mijn broer Jan was geboren als stamhouder, zo hadden gerekend. Toen ik als jongentje dan toch een meisjesachtig kind bleek, heb ik in die ogen van hem vaak irritatie en zelfs afkeer gevoeld als ik met mijn aankleedpoppen speelde of met mijn buurmeisje hinkelde of bikkelde. Nee, dan Jantje, die voetbalde en katjongde (kattekwaad uithalen) met zijn vriendjes. Die kwam altijd onder de schrammen en builen thuis van hun gezamenlijke strooptochten en zat even later gemandied (gewassen) en gejodiumd weer stoer onder pleister en verband wilde verhalen te vertellen als
pa weer thuis was. En ik? Ik zat liever de hele middag naast maatje (zijn moeder, red.) en de naaimachine met Ilse Evelijn Veere. Mijn buurmeisje en vriendinnetje, een mollig Indisch meisje met een zwart Louise Brooks kapsel en altijd boven op haar hoofd een witte strik . Willem lacht: „Ik heb haar na zeventig jaar weer gevonden, hoe uniek is dat!” Hij herinnert zich: „Ik weet nog dat mijn moeder altijd, als ik was gevallen en me pijn had gedaan, zei ’kom maar jongen, ik leg er een koekje op. Het gaat wel over voor je een meisje bent geworden’. Een keer heb ik toen uitgeroepen: ’Maar ik wil graag een meisje zijn!’ De blik in de ogen van mijn vader… Ik krimp er nog steeds van in elkaar. Ach… mijn vader was in die tijd vlak voor Japan ook in oorlog kwam met Nederland, behoorlijk gefrustreerd. Madoera was strategisch heel belangrijk en tegen een Japanse invasie vanuit zee was er weinig te verdedigen. Het eiland had maar één tank. Al die stress van patrouilles, oefeningen en strategiebepalingen… Het voelde voor hem nutteloos, hopeloos en uitzichtloos. Moet je je voorstellen dat je dan na zo’n tweedaagse, overbodig te beschouwen veldtocht ook nog gepest wordt door je toch al niet favoriete zoontje van acht, dat nuffig modepopjes zit te knippen. Hij was als een kind zo blij toen mijn zusje Ria werd geboren.”
Willem zucht: „We hebben het uiteindelijk allemaal overleefd. Mijn vader de Birmaspoorlijn en mijn moeder op het nippertje de kampen. Zij heeft helaas nooit mogen zien dat ik succes kreeg als acteur. Ze zag het nooit zitten. Dan riep ik: ’Ik word ontdekt’ en dan zij zei: ’Ja kind, langs de weg op een slof en een schoen.’ Mijn vader deed alsof het hem niet interesseerde, maar na zijn dood kreeg ik een hele kist met
knipsels over al mijn successen. Was hij toch stiekem trots op me geweest.”
Willem Nijholt gaat verder terug in de tijd: „Ilse en ik hadden een heerlijke jeugd, totdat de Japanners binnenvielen en wij hun legers door de straten van Soemenep zagen trekken. Op fietsjes reden ze. Wij moesten er eerst om lachen. Niet wetend wat ons allemaal te wachten stond. Mijn vader werd meteen (als militair) opgepakt en weggevoerd en niet lang daarna werden successievelijk ook alle Nederlandse en Nederlands-Indische gezinnen uit hun huizen gehaald. We kregen een kwartier om koffers te pakken en húp, ging het in open vrachtwagens, vrouwen en kinderen opeengepakt.”
Hitte en stof
„Van de oostkant van Madoera naar de westkant, een dagreis lang in hitte en stof. Vervolgens met de ferry naar Soerabaja en vandaar naar Malang naar het kamp. De details laat ik achterwege. Met familie Evelijn Veere is dat ook gebeurd, maar zij werden op een andere dag van huis en have gejaagd en op vrachtwagens gesmeten. Wij zijn elkaar zo maar ineens kwijtgeraakt. Ilse en ik hebben elkaar nooit meer gezien en wisten ook niet van elkaar in welk kamp wij terechtgekomen waren.”
Peinst: „Ik heb wel altijd aan haar moeten denken, vroeg me vaak af wat er met haar gebeurd zou zijn. Met mijn vriendinnetje met haar mooie naam en grote witte strik in het haar. Nu weet ik het. Het staat allemaal in haar boek End the silence . Ilse was een heldin van twaalf jaar. Ilses moeder heeft het kamp niet overleefd, en Ilse heeft, als oudste van de kinderen, na de dood van haar moeder, in het kamp gezorgd dat haar zusje en broertjes – de jongste was
zelfs nog een baby – te eten kregen en beschermd werden. Om de jap niet te irriteren en de baby te laten stoppen met huilen liet ze het kindje de hele dag aan haar vinger sabbelen, en ondertussen lette ze op de rest.”
„In dezelfde tijd dat mijn boek uitkwam, verscheen ook háár boek met kampervaringen. Nou ja, dan geloof ik niet meer in toeval, maar in dat de kracht in het heelal alles bestiert. Ook omdat ik van de dochter van Ilse een mail kreeg, waarin ze me vertelde dat Ilse naar Nederland komt. Om familie in Groningen op te komen zoeken. En laten Ben en ik toen ook al tickets hebben geboekt voor een dag ervoor om naar Nederland te gaan voor twee weken. Ilse en ik. Los van elkaar. Ja, het heeft zo moeten zijn! De tijd heeft in het tapijt van ons beider bestaan onze levensdraden elkaar weer laten kruisen. Bizar en mooi.”
In Met bonzend hart beschrijft Willem zelf ook de verschrikkingen in het jappenkamp. Hoe ze werden uitgehongerd, hoe zijn jongste zusje overdekt met zweren in de ziekenboeg terechtkwam en hoe zijn oudere broer naar het jongenskamp werd afgevoerd terwijl zijn moeder, omdat ze protesteerde en aan de vrachtwagen ging hangen, door de jap werd afgeranseld met stokken en geweerkolven.
Hoe kijkt Willem intussen aan tegen zijn eigen geschiedenis? Hij zegt: „Ik kan nog steeds niet tegen jappen. Alleen laat ik dat niet zo merken. Nou ja, één keer. Ik was op weg naar Frankrijk even gestopt bij een wegrestaurant om me op te frissen. Korte tijd nadat wij binnenliepen, dwarrelde er ook een hele bus Japanners binnen. Het was sterker dan ikzelf; ’kiotské’ schreeuwde ik. Dat betekent in het Japans ’in de houding’. Er viel een doodse stilte. En toen riep ik keihard ’kerè’ (buigen) en toen ’norè’ (opstaan). Buigen en weer opstaan voor het gezag moesten we in het jappenkamp zo’n dertig keer per dag doen. Het
gekke was, het luchtte me helemaal niet op. Ik voelde er helemaal niks bij. Ik geneerde mij zelfs voor mijn gedrag. ’Nijholt wat doe je nou?’ dacht ik en vluchtte weg.”
Het is even stil in het huis aan de Loire. Dan besluit hij: „Dit is het ongelofelijke verhaal van hoe twee vroegere speelmakkertjes, door oorlog en ellende gescheiden, na zeventig jaar door Het Lot weer voor even worden verenigd. Ik wil met Ilse zo graag de gelukkige tijd van vóór de kampen terugvinden.”
Met dank aan Wilma Naninga van Prive.
67 jaren hebben bepaalde groeperingen die zich wisten te nestelen in de Tweede Kamer om steevast die blokkades op te leggen als het om de banden en zaken met Indonesië te maken hebben.
Nederland en Indonesië komen nu tot de inzichten dat ze elkaar hard nodig hebben in deze turbulente dynamische 24 uur economie. Nederland verkeert in ernstige resessie ooit in de geschiedenis dat zelf het spaarvarken naar de slagt gaat. In 2001 grapten de Spaanse en Franse media nog dat het Nederandse spaarvarkentje naar de slachtbank zullen brengen, zie nu anno 2013. De spaarpot van de babybomers wordt omgedraaid, en leeggeplunderd om hun fouten te camoufleren. Terwijl er vele economische mogelijkheden liggen in de groeiende economie van de republiek Indonesia.
Indonesië weer om kennis, innovatie, management en ervaringen waar Nederland weer beschikt op het terrein met betrekking tot Infrastructuur, milieu, watermanagement en industrie om Indonesie op een hoger niveau te positioneren (te moderniseren).
Bij de viering van de onafhankelijkheid van de residentie in Wassenaar met de Indonesische ambassadeur Marsudi lonkt Rutte en zei dat hij „een beetje jaloers” was op de economische groei die de Indonesische economie doormaakt. Met geplande handelsmissie in november is de eerste keer sinds 2006 dat een Nederlandse premier Indonesië bezoekt. „Dus het werd tijd ook.” Ook de Indonesische ambassadeur Marsudi geeft weer voor de zoveelste keer een handreiking door te zeggen dat “excuses niet nodig zijn”.
De actuele stand nu is dat er een brug naar elkaar toe te worden geslagen met wederzijdse respect met ongekende economische mogelijkheden voor Nederland; hopende dat NU weer niet de schaduwen van Kok en Pronk beiden PvdA’-ers weer ertussen gaan zitten, want wij hebben Samsom nog die als PvdA’er roet in het eten kan gaan gooien.
Desondanks de koele banden wordt er ruim 3 miljard euro verdiend uit deze naar schijnt koele betrekkingen. Die niet in verhouding staan bijvoorbeeld tot dat steeds meer Indonesische producten in de schappen van de grote supermarkten zijn te vinden. In te tegenstelling tot de Nederlandse producten die in Indonesie schaar zijn. Naast de supermarkten zijn in vele steden wel een Indonesisch restaurants te vinden. Wat denken van in de Hollandse keukens. Kortom de Indonesische keuken heeft zijn plek verworven in de Nederlandse samenleving in deze 65 jaren.
Op het gebied van grote evenementen spelen de pasar malams een heel belangrijke grote rol. Die door heel Nederland nu worden gegeven die zijn oorsprong vond in Batavia – Het Jakarta van nu – waar het hele Indonesisch palet wordt uitgedragen; dans, muziek, eten, drinken, cultuur en de Indonesiche artikelen. Den Haag met het Mailieveld kent twee pasar malams, Rotterdam, Utrecht, Apeldoorn, Arnhem, Den Helder, Alkmaar, en Assen om maar te noemen van de ruim 70 pasar malams in het land, die het hele jaar doorgaan. Drie miljard gaat dus om in de Indonesische – Nederlandse economie betrekkingen. Van uit Nederland zijn incidentele organisaties kleinschalig bezig met projecten in Indonesie, die via de media die aandacht krijgen. Nederland is geen velden te bekennen in Indonesie als het direct impact moet hebben op de burgers due Indonesie in Nederland heeft geinvesteerd om de Indonesische cultuur hier te introduceren dat maatschappelijk door de Nederlandse samenleving is geaccepteerd.
Hoe staat met maatschappelijke acceptatie van Indonesie bij politiek DenHaag?
Niet best, die loopt straatlengtes achter op het Nederlands volk mag de conlcusies zijn; De politiek werkt blokkerend en als een stoorzender in de media wordt er met gif gestrooid als de republiek Indonesia weer in beeld komt. Voorbeelden ten over. Politiek mag een voorbeeld nemen aan de initiatieven die in samenleving organisch zijn gegroeid. Ergo zelfs het ondernemingsklimaat leidt hier onder.
De vele koloniale gebouwen bijvoorbeeld ; in Jakarta, in Bandoeng en Soerabaja zonder andere plaatsen te kort te doen spreken boekdelen over de gezamenlijke geschiedenis.
De vergeten groep achterblijvers van het voormalige Indie, niet onbelangrijk wat door velen worden vergeten is de Indo’s die niet naar Nederland gerepatrieerd konden worden. Deze Indo Europeanen werden geweigerd, terwijl zij wel voor he Koninkelijk Huis tegen de Jappen vochten. Redenen waren o.a. de slechte communicatie of waren de benodigde documenten kwijt geraakt door die oorlog. In Nederland is deze populatie rond het ander half miljoen met alle generaties mee geteld. In Indonesië is het dubbele. Onlangs heeft Jan Slagter van Omroep Max nog die aandacht gevestigd op de “vergeten groep Indo’s” met verschillende TV uitzendingen. Op ICM verscheen het persbericht: "Persbericht - Indo's in Indonesië? Hoe zit dat"
De vraag die je moet stellen waarom ook niet zustergemeentes met Indonesië dan is alles structureel in 1 keer opgelost zoals wij die kennen met andere landen. Een concept/model dat zich heeft bewezen in die 100 jaren dat op het gebied van cultuur / economie duurzaam werkt naar Win Win situatie. Vreemd genoeg dat Nederlandse Gemeentes met die andere landen die geen gezamenlijke geschiedenis en geen draagvlak hebben in de huidige samenleving toch een zustergemeente vormen (hiervoor budgetten voor vrij worden gemaakt). Gemeentes worden jaarlijks geconfronteerd bij de aanvragen van een vergunning voor een groot evenement als een pasar Malam in ruim 100 gemeentes waar ruim 10.000 bezoekers op afkomen m.u.v Den Haag waar 100.000 op afkomen.
De media staat bol hiervan. Mede door de recessie komen budgetaire vele zaken op straat te liggen.
Rotterdam zou een zustergemeente met Jakarta kunnen vormen.
Informele bronnen wisten te melden dat er op Gemeente nivo al contacten lagen uit het grijze verleden. Omdat Jakarta een haven heeft van betekenis en Rotterdam tot de 1 van grootste havens behoren. Soerabaja met gemeentezuster Den Haag of Bandoeng met zustergemeente Apeldoorn om maar als voorbeeld te noemen.
Nederlandse gemeentes kunnen bijvoorbeeld de laatste technieken en methodieken die zijn toegepast voor Nederlandse stedelijke ontwikkelingen voor; de infrastructuur, bouw, milieu, energie en watermanagement weer her aanwenden voor de zustergemeentes in Indonesië. Voorbeeld de werkzaamheden aan de Metro in Amsterdam kunnen zo weer worden voortgezet in Jakarta (zie Jakarta Baru master plan). Nederland weer kan bijvoorbeeld methodieken overnemen hoe Indonesië terrorisme en corruptie bestrijdt. Daarnaast kan Nederland veel leren hoe Indonesië als grootste Islam land met duizenden verschillende culturen in zo’n islamitische multiculturele samenleving de democratisering boven de islamitisering weet te besturen en te bewerkstelligen met als eerste Islamland een vrouwelijke president. De dochter van oud – president Soekarno, waar diverse geloven broederlijk naast elkaar leven zestig jaren lang.
Dat deze bewegingen van zustergemeentes met Indonesie informeel op de achtergrond lopen zijn niet onbekend. Zo had Gemeente Rotterdam met Jakarta al informele contacten met betrekking tot stedelijke ontwikkelingen. Rotterdam is groten deels door de Tweede Oorlog verwoest en herbouwd tot 1 van de modernste steden in Europa met metro, nieuwste gebouwen, infrastructuur, bruggen en haven met grote opslag.
Jakarta moet ook herbouwd worden, en Jakarta heeft Rotterdam als voorbeeld. Ontwikkelingshulp zou meer via gemeentes ingezet moeten worden via zustergemeentes om de Indonesische Nederlandse betrekkingen verder te intensiveren om dit concept te ondersteunen om tot een constructieve structurele oplossing te komen.
Het voorbeeld dat het werkt is Jakarta/Rotterdam. Het Jakarta Baru Masterplan werd in handen gegeven aan een Ingenieurs Groep die Rotterdam hebben herbouwd. Deze hebben het ontwerpplan uitgewerkt zie onderstaande presentatie op YouTube. Diverse Nederlandse ondernemingen zijn vanaf 2009 bezig geweest, en hebben veel last gehad van de handelswijze van Politiek Den Haag. De gemiste orders zijn hierdoor aanzienlijk geweest; Dit jaar zijn ontelbare keren koppen in de media verschenen o.a. dat De Tweede Kamer Timmermans onder vuur nam na zijn bezoek aan Jakarta, bij niemand ontgaat dit!
YouTube Rotterdam verpakt het in MasterPlan Jakarta baru, http://youtu.be/hGtol65OeUg
Editor/redacteur
Ferry Schwab sr.
Door: ANP/Novum
Het gaat om excuses voor specifieke gevallen van standrechtelijke executies. Er is geen sprake van algemene excuses voor de politionele acties en dus geen breuk met het Nederlandse beleid tot dusver, zei Rutte.
De excuses worden op 12 september aangeboden in het Erasmushuis in Jakarta door de Nederlandse ambassadeur in dat land.
De zogenoemde tien weduwen van Zuid-Sulawesi zijn daarbij in ieder geval aanwezig. Hun mannen werden in 1947 door Nederlandse militairen op Zuid-Celebes doodgeschoten.
Begin augustus werd bekend dat de weduwen ieder 20.000 euro schadevergoeding krijgen omdat hun mannen destijds standrechtelijk zijn geëxecuteerd door Nederlandse militairen. Eerder betaalde Nederland hetzelfde bedrag aan weduwen van het bloedbad van Rawagedeh op Java.
Voor de rol van Nederland tijdens de onafhankelijkheidsstrijd geldt de spijtbetuiging uit 2005, zei Rutte. Toenmalig minster van Buitenlandse Zaken Ben Bot (CDA) zei toen tijdens een bezoek aan Indonesië dat Nederland 'aan de verkeerde kant van de geschiedenis' stond met de pogingen om de onafhankelijkheid van Indonesië met geweld te voorkomen.
Rutte bezoekt Indonesië in november, maar hij wilde niet wachten tot die tijd met de excuses vanwege de executies. Het is van belang dat dit zo snel mogelijk gebeurt en de ambassadeur is daarvoor de aangewezen persoon, aldus de premier.
Minister Frans Timmermans van Buitenlandse Zaken zei eerder al dat hij er geen enkele moeite mee heeft om persoonlijk namens Nederland excuses aan te bieden voor de oorlogsmisdrijven. Hij zegde toen al toe dat ook aan de ministerraad voor te leggen. Volgens Rutte is nu afgesproken gelijke gevallen op dezelfde manier te behandelen.
|
|
|
|
|
|
Je hoort in deze tijd regelmatig praten over "wij zijn gerepat". Dat zijn dan luitjes die enige tijd in een ander land hebben gewoond en gewerkt en dan weer terugkeren naar het land waar zij geboren en opgegroeid zijn. "Gerepat"wil eigenlijk zeggen "gerepatrieerd". En dat betekent letterlijk de terugkeer in Patria, in het vaderland Nederland.
Voor de Indische Nederlanders was het echter een totaal andere situatie. Voor de meesten was Nederland weliswaar officieel hun vaderland maar de meesten waren daar nog nooit geweest. Waren er niet geboren en zijn er niet opgegroeid. Dat vaderland kenden ze alleen uit verhalen, plaatjes en boeken, maar vooral door het onderwijs op school met de daarbij behorende schoolplaten.
In de jaren na de tweede wereldoorlog en de capitulatie van Japan werd de repatriering van ruim 279.000 personen vanuit Nederlands Indie veroorzaakt door het verlies aan werk, een zeer vijandige sfeer en slechter wordende economische omstandigheden. Deze groep van zogenaamden repatrianten bestond uit zowel blanke Nederlanders (totoks) als mensen van gemengde afkomst of Indo's. Die terugkeer of vertrek naar Patria is niet iets wat mensen zomaar is overkomen, maar........een groot deel van de Indo's wilde eigenlijk niet gaan. Zij hadden de overtuiging in Indonesie gewoon thuis te horen. Maar helaas werd het hen erg moeilijk gemaakt en de onzekerheden waren te groot. Velen moesten daarom afscheid nemen van vrienden, buren en zelfs achterblijvende familie. Het uitroepen van de Republiek Indonesia en de snelle desintegratie van de Nederlandse aanwezigheid kwam erg abrupt en snel. Na de oorlog was de Europese gemeenschap verrast door de houding van de Indonesiers en Soekarno wordt wel als een kwade geest bestempeld omdat hij een eind maakte aan hun zekerheden, leidend tot een vernederend en pijnlijk vertrek naar Nederland.
De lieden die in 1949 en 1950 hadden geopteerd voor de Indonesische nationaliteit, maar er later spijt van kregen wilden ook alsnog het Nederlanderschap. Zij konden op dat moment alleen maar rekenen op een min of meer onwelwillende Nederlandse overheid. Die zagen de bui al hangen met een massale toeloop naar Nederland dat toch al een woningtekort had en nog druk bezig was met de eigen wederopbouw door onder andere een sober economisch beleid. Toen het echter duidelijk werd dat men deze landgenoten niet in de steek kon laten werd massaal het alsnog toegang krijgen tot het Nederlanderschap gegund.
Na de repatriering volgde de inburgering of liever de assimilatie zoals men toen zei in Nederland. De Nederlandse overheid was er op gericht de Indo's te kneden tot model-Nederlanders die afstand hadden gedaan van hun Indische eigenheid. Wat een verwaande doelsteling was dat. De achtergrond van die Nederlandse manier van denken wordt gevormd door de overtuiging dat het behoud van hun eigenheid alleen maar zou leiden tot problemen op het werk, school en in de wijken waar men uiteindelijk kwam te wonen.
MISSCHIEN MEER NOG DAN DE PERIKELEN ROND DE OVERTOCHT, WAS HET DE OPVANG IN NEDERLAND DIE MENIG INDO ALS EEN PIJNLIJKE EN GENANTE HERINNERING HEEFT ERVAREN.
In het bijzonder de financiele opvang leidde tot zeer emotionele reacties. De leningen voor de overtocht en de inrichting vcan de nieuw te betrekken woning (het zogenaamde meubelvoorschot) werden ervaren als een weinig genereus gebaar en als een soort opvang die duidelijk met tegenzin gepaard ging.
DE GASTVRIJHEID WAS VER TE ZOEKEN EN DAARNAAST WAS ER DE KWESTIE VAN DE NOOIT NABETAALDE SALARISSEN VAN AMBTENAREN EN MILITAIREN VOOR DE PERIODE VAN DE JAPANSE BEZETTING. DIT SMEULT NU AAN HET EIND VAN HET JAAR 2012 NOG STEEDS DOOR ALS EEN VEENBRAND.
Eén van de mensen die dit alles aan den lijkve heeft ondervonden omschreef het een en ander als volgt:
"Het begin van ons bestaan in Nederland na onze repatriering was niet bepaald om over naar huis te schrijven. Eerst in de contractpensions, waar je bijna straatarm begon, en in den beginne 4 gulden per week kreeg van DMZ (Dienst Maatschappelijke Zorg) om je vervoerskosten te kunnen betalen en postzegels te kopen voor het frankeren van brieven bij het solliciteren naar werk. Had je werk, dan werd je daar ook niet veel wijzer van omdat je het grootste deel van je inkomen moest afdragen aan DMZ om de gemaakte pensionkosten (voorlopig althan) gedeeltelijk terug te betalen. Had je bovendien nog een bay, dan moest die maar eten wat de pot schafte in het contractpension en anders moest je die babyvoeding zelf kopen van het weinige geld dat je overhield".
Als met al is de repatriering voor de meeste Indo's gevolgd door een goede inpassing in de Nederlandse samenleving. Dat is vooral te danken aan hun eigen inzet en hun kracht. Indo's hebben net als de Nederlanders gebouwd aan de grote naoorlogse welvaart en hebben daar volop in gedeeld. Als eindconclusie kan ik dan ook alleen neerschrijven dat de Nederlandse overheid deze rol van de Indo snel is vergeten en het nog steeds nalaat om de al lang slepende Indische kwestie voor eens en altijd op te lossen.
DE INDO'S KUNNNE TROTS ZIJN OP HETGEEN ZIJ HEBBEN GEPRESTEERD, EEN IEDER BINNEN ZIJN EIGEN MOGELIJKHEDEN EN HET PAST DE NEDERLANDSE OVERHEID, EN MET NAME DE POLITIEKE LEIDERS, OM RECHT TE DOEN DAAR WAAR ONRECHT NOG STEEDS GESCHIED.
Han Dehne (PAKHAN)
Indonesië in de top 3 van de meeste Internetgebruikers op Facebook
Nog niet zo lang geleden stond het Internet in Indonesië van Internetcafes met zeer trage verbindingen. Dankzij de gebalanceerde groei van de economie veranderde dit beeld. Inmiddels is Jakarta uitgegroeid tot Twitterhoofdstad in de wereld. Niet vreemd op zich dat de aanbieders als Multiply en NING ook hier hun toevlucht zoeken. Zo heeft aanbieder Multipy hier in Jakarta zijn hoofdkwartier gestationeerd. De NING-netwerk aanbieder van zakelijke netwerken richt zijn pijlen nu ook op Indonesië. Hier ligt de groei – en keymarket van het Internet met een potentieel van 240 miljoen die Indonesië als populatie kent.
Er is geen stad waar zoveel wordt getwittert als Jakarta. Dit kwam uit een onderzoek naar gebruik van sociaal media. Van de miljarden Twitter berichten is 2% afkomstig van Jakarta. Hiermee laat Jakarta de Twitter steden London en Tokio ver achter zich. Bandoeng staat op de zesde plaats.
Ook Facebook is Indonesië toonaangevend. Blijkt uit een recent rapport van het Amerikaans marktonderzoekbureau Sociaalbakers dat het aantal profielen Facebook zo snel groeit dan in Indonesië. Deze groei oversteeg sneller het aantal profielen van de grootmachten in VS, Turkije en India.
Social media – pioniers,
Net als landen in Spanje o.a. waren in Indonesië het internetcafé bij uitstek om verbonden te zijn met deze digitale wereld met haar media. Vervolgens via chatprogramma’s en email in contact te komen met vrienden die je anders nimmer zou tegen komen. Dit medium sloeg bruggen naar andere steden, regio’s en landen. Reden was ook dat de Indonesiërs deze gelegenheden opzochten omdat thuis geen computer en internetverbinding tot hun beschikking hadden. Zo doende tegen betaling van relatief lage kosten legden ze contacten op een goedkope manier, en bespaarden op o.a. telefoon en brieven.
Indonesië was een van de eerste landen die social media massaal omarmde. In 2002 lanceerde een Amerikaanse programmeur Jonathan Adams de website Friendster.com (dus 2 jaar voordat Facebook en Hyves het levenslicht zagen) duurde het niet lang voordat deze website het meest en druk bezochte website van Indonesië werd. Tot 2008 zaten meer Indonesiër op Friendster dan Facebook. Rond 2008 brak Facebook wereldwijd pas door, en tegelijkertijd verdween de populariteit van Friendster. De snelle populariteit van Frindster.com laat zien dat in Indonesië dat de jonge internetters bovenop de social media zitten. Hoewel Friendster.com in populariteit wat heeft ingeboet, Facebooken en twitteren Indonesiërs van onder de veertig jaar er ook lustig op los.
Met de lancering van de smartpones met toegang tot snel mobiel netwerk, zorgt dat mensen minder naar Internetcafes gaan.
Ontwikkelingen.
De Indonesische regering ziet inmiddels in dat goede toegang tot internet met een goede computereducatie onontbeerlijk zijn om de economische groei die het land momenteel doormaakt een vervolg aan te geven. In het Indonesisch economisch master plan 2013 – 2027 is hiermee rekening gehouden. Daarom wordt er in Jakarta een glasvezelnetwerk aangelegd en hebben de belangrijke zakenwijken gratis WIFI (draadloos Internet). Op dit moment is het staatsbedrijf Telkom bezig met het uitrollen van een draadloos internet op honderdduizend scholen verspreid over heel Indonesië. Ook Bali wat het hele eiland dekt.
Optelsom van gunstige economische vooruitzichten -zie Indonesisch Economisch masterplan 2014-2027 - en de snelle verbeteringen van de internetinfrastructuur zorgen ervoor dat Indonesië in een korte tijd uitgroeit tot 1 van de social media hotspots in de wereld. Nu heeft iedereen toegang tot het Internet, zonder de beschikking over een eigen internetaansluiting.
Is slechts kwestie van tijd dat heel Indonesië op 3G-Internet zit.
Met een korte plechtigheid in Brondong hebben nabestaanden de slag in de Javazee herdacht. Op de begraafplaats van de Indonesische kustplaats zagen ze hoe een begin is gemaakt met het veiligstellen van stoffelijke resten.
door Olof van Joolen
Die waren er begraven door de mensen die delen van de illegaal geborgen scheepswrakken in kleinere stukken sneden. Dat gebeurde vlakbij de haven van Brondong. Tijdens de werkzaamheden vonden arbeiders botten en schedels.
Ceremonie
De Vereniging van Nastaanden en Overlevenden Slag in de Javazee (VNO) organiseert jaarlijks een ceremonie om stil te staan bij de zeeslag van 27 februari 1942. Traditioneel is er een samenkomst op het ereveld Kembang Kuning in Surabaya, waarna een krans in zee wordt gegooid op de plek waar tot twee jaar terug het wrak van Hr.Ms. De Ruijter lag.
Nadat het nieuws over de graven in Brondong bekend was geworden, besloot organisator Joop Nahuijsen de zee dit jaar te laten voor wat hij is en naar Brondong te gaan. Zowel op de begraafplaats als vanaf de plek aan de Javazee waar de inmiddels verdwenen sloperij stond, strooide hij met zijn dochter Merel bloemen.
„Het was heel aangrijpend voor mijn vader. Op de begraafplaats had hij toch het idee dat de stoffelijke resten van zijn vader misschien daar lagen”, vertelt ze. Haar opa was telegrafist op Hr.Ms. De Ruijter. Het vlaggenschip waarop schout-bij-nacht Karel Doorman voer en waar hij zijn beroemd geworden order ’Ik val aan, volg mij’ gaf. Woorden die wellicht door opa Nahuijsen de ether in werden gestuurd.
„Vooral ons bezoek aan de begraafplaats was indrukwekkend”, vervolgt Merel. „Ook al weten we nog niet zeker of het echt de stoffelijke resten van de Nederlanders zijn die er liggen. De sfeer, ook op Kembang Kuning, is vooral dat iedereen afwacht wat er uit het onderzoek komt.”
Tijdens de ceremonie was duidelijk dat er zoals vorige week door Indonesië werd beloofd, een begin is gemaakt met het veiligstellen van resten. Drie stukken van de begraafplaats zijn afgezet met geel afzetlint. De politie was volgens Merel met veel manschappen aanwezig om de begraafplaats in de gaten te houden. De agenten vertelden dat ze op iemand wachtten die vanuit Surabaya onderweg zou zijn voor assistentie.
Indonesië rijk aan bronnen in de bodem, en een economie met een organisch groei die langs een natuurlijk weg verloopt tot hoog in de bomen. Met jaarlijkse groei tussen de 12 % tot 16 %, kunnen menige landen in de Eurozone jaloers op zijn, die met een steeds verdere krimp worden geconfronteerd. Met liefst een verschil van 15 %, en het verschil zal alleen verder toenemen. Nog lang is de rek er niet ut wat de Indonesische economische groei betreft. Sterker Indonesië staat voor een volgende ongekende turbulente dynamische fase. Bronnen melden dat de republiek aan de vooravond staat van Giga ontwikkeling dat begint in 2014 tot 2030, waar vele landen al te graag willen investeren als private investeren.
McKinsey Global Institute (MGI) kwam met een rapport uit met de titel “De archipel Economie: ontketenen het potentieel van Indonesië”.
Het onderzoek van McKinsey globale Instituut (MGI), richt zich op het terrein economie en bedrijfswetenschappen. Is een onderdeel van McKinsey & bedrijf, opgericht in 1990 tot het ontwikkelen van een dieper begrip van de veranderende mondiale economie. Met als doel om leiders in de sociale, commerciële en openbare sectoren met de feiten en
inzichten waarop management en beleid van besluiten zich op kunnen baseren. MGI onderzoek combineert de disciplines van economie en management, met de analytische hulpmiddelen van de economie met de inzichten van de bedrijfsleiders. Hun micromacro methodologie onderzoekt de trends in de micro-economische sector om beter te begrijpen de globale macro-economische krachten op het gebied van zakelijke strategie en openbare orde. MGI beschikt diepgaande verslagen van al meer dan 20 landen en 30 industrieën.
Huidig onderzoek richtte zich op zes thema's:
productiviteit en groei, financiële markten, technologie en innovatie, verstedelijking, arbeidsmarkten en natuurlijke hulpbronnen. Recent onderzoek de afnemende rol van aandelen, vooruitgang op schuld heeft beoordeeld en productiviteit van de hulpbronnen, steden van de toekomst, de toekomst van werk in geavanceerde economieën, de economische impact van het Internet, en de rol van sociale technologie.
Het onderzoek kwam met de volgende conclusies:
Indonesië vandaag met een populatie van 240 miljoen. Een economie behoort tot de 16e-grootste in de wereld. Leden van de consumeren klasse 45 miljoen geschoolde werknemers. In de Indonesische economie hebben 55 miljoen kans op de markt van de consument diensten, landbouw en visserij, middelen, en onderwijs 0,5 biljoen dollar van de bevolking in steden 53% produceren 7 4% van het BBP.
In 2030 economie in de 7e-grootste wereld leden van de consumeren klasse 135 miljoen geschoolde werknemers benodigde 113 miljoen kans op de markt van de consument diensten, landbouw en visserij, middelen, en onderwijs.
Om tot de 2030 economie te komen werd het Indonesië economische Masterplan 2011-2025 ontwikkeld. Zeer innovatie ambieus plan dat door de architecten is bedacht waarin MGI – methodiek van McKinsey globale Instituut de basis vormt,
Het Masterplan of MP3EI is een eerste stap voor Indonesië om te versnellen en de economische ontwikkeling uit te breiden teneinde haar transformatie naar een ontwikkeld land tegen 2025. Dit zal gedaan worden door "alomvattende, rechtvaardige en gelijktijdige economische prominente groei". Om te bereiken dat moet de economische groei worden 7-8% per jaar. De particuliere sector zal een belangrijke rol bij de uitvoering van het Masterplan, investeringen, productie en distributie, in samenwerking met de regering die als de regelgever en ook als een facilitator en met versterkte coördinatie tussen de betrokken ministeries fungeren, zal en de regionale regering hebben.
Het Masterplan bestaat uit drie belangrijke elementen:
(a) de ontwikkeling van zes Indonesië economische gangen, door de oprichting van centra van ontwikkeling binnen elke corridor en ontwikkelende industriële clusters en speciale economische zone op basis van geavanceerde grondstoffen middelen;
(b) versterking van nationale connectiviteit, dat bestaat uit intra en interconnectiviteit van centra ontwikkeling, intra-eilanden (corridors) en internationale handel;
(c) de nationale wetenschap en technologie versnelling ter ondersteuning van de ontwikkeling van het hoofdprogramma.
Bij de uitvoering van de economische Corridors, economische ontwikkeling zal zich richten op de synergie van sectorale en regionale ontwikkeling te verhogen voordelen op nationaal niveau. De economische Corridors ook richten op de ontwikkeling van de infrastructuur die de samenwerking tussen de overheid en de particuliere sector zal benadrukken. De tenuitvoerlegging van de economische Corridors naar verwachting leiden tot versnelling en uitbreiding van economische groei, met de behoeften in de ontwikkeling van de infrastructuur voor fase één (2011-2014) wordt geschat op 150 miljard dollar. Als bemiddelaar zal de regering fiscale en financiële prikkels te geven, project garantie, bereiden verwante agentschappen, versterking van de toepasselijke wet- en regelgeving kader, en openbare dienstverlening als voorbereiding Project ontwikkeling faciliteit (PDF).
Wat is de relevantie?
Met het Masterplan stelt de overheid duidelijk dat een sterke positie niet alleen als de regelgever, maar ook als facilitator en functie als "katalysator voor groei". Met deze nieuwe aanpak van de regering is de tijd rijp voor de particuliere sector tot een diepere dialoog dan eerder gezien, om gezamenlijk werken aan de doelstellingen uiteengezet. Een van de belangrijkste mogelijkheden met het Masterplan is dat de regering zal wijzigen of verwijderen van regelgeving die een remmende werking van de uitvoering van de investeringen, en mogelijk ook degenen die meer handel belemmeren en soepeler goederenstroom. Deze "debottlenecking" proces is een belangrijke factor, omdat de regering zullen vereisen en verzoek de input van de particuliere sector voornamelijk identificeren maar ook oplossingen te vinden voor de problemen bij de hand. Het team van de werken van het Masterplan bestaat uit Echelon enkele ambtenaren, in sleutel ministeries zoals coördinatie van Ministerie van economische zaken (FLIPPO Perekonomian), EuroCham zal verdiepen de samenwerking/dialoog met FLIPPO Perekonomian voor de uitvoering van het masterplan, vooral met betrekking tot de "debottlenecking" van verordeningen om meer investeringen en soepeler stroom van goederen te vergemakkelijken.
Het Masterplan of MP3EI is een nieuwe aanpak die investeerders en aanbieders van oplossingen wereldwijd bereikt. Een nieuwe aanpak die Indonesië naar de volgende generatie 2030 brengt. Het brengt Indonesië naar een hoger platform wat betreft de infrastructuur, Industrie, Milieu, en sociaal / economisch terrein. Het biedt werk aan 600.000 arbeidsplaatsen tot 2030 maar bovenal vele landen die participeren in dit Masterplan. Een aanpak wat voor vele landen als model kan dienen.
ICM EDITOR
Ferry Schwab sr,
De vindingrijkheid van de inlander.
De Wonosobo Brug lijkt een inspiratiebron te zijn geweest voor de Erasmusbrug in Rotterdam
Het Tropenmuseum heeft een archief met honderdduizenden foto’s uit voormalig Nederlands-Indië. In die verzameling zijn een aantal treffende foto’s die getuigen van de vindingrijkheid van de toenmalige inlanders. Het betreft hier een tuibrug, die gemaakt is van bamboe, die verrassend veel lijkt op de Erasmusbrug in Rotterdam. In de tijden van weleer fotografeerden Nederlanders in Indië vooral zichzelf en hun personeel. Op toeristische tochtjes werd ook weleens de camera gepakt om een berg of een vallei op de gevoelige plaat vast te leggen., maar bijna altijd erg vaag, veraf en zonder details.
Dat er toch foto’s van het imposante landschap in het archief zitten, is te danken aan de spoorwegen, stations en vooral ook de bruggen. Ingenieurs lieten die vereeuwigen door vaak professionele fotografen voor hun documentatie en promotie. Een van de opvallendste bruggen is wel de bamboebrug over de Serajoe bij Wonosobo op Midden-Java. In totaal heeft het Tropenmuseum er zeven foto’s van in bezit, alle vanuit een ander standpunt genomen. Als er al zeven foto’s in het archief zitten, kun je er zeker van zijn dat er nog veel meer waren, maar veel fotomateriaal is in en direct na de oorlog verloren gegaan. De brug moet in zijn glorietijd al een imposant bouwwerk geweest zijn.
De Wonosobo Brug lijkt een inspiratiebron te zijn geweest voor de Erasmusbrug in Rotterdam
Blijft het punt: wat kan er allemaal overheen? Nauwelijks één voetganger. De fotograaf heeft iemand gevraagd om op de brug te poseren. Duidelijk is, dat als van de andere kant ook een voetganger komt, het passen en meten wordt om elkaar te passeren. Bamboe is enorm sterk, maar heeft veel te lijden van het Indonesische klimaat. Na vijf jaar is het verrot en moet de brug worden herbouwd, als hij al niet eerder verwoest is door de rivier die hij overspant. Het ene moment mag de Serajoe een vriendelijk kabbelend stroompje zijn, maar in het regenseizoen ontpopt het zich als een woest kolkende massa water. Het waterniveau stijgt dan boven het loopvlak van de brug en dan is het gauw gedaan.
Het eerste waar ik aan moest denken, was de Erasmusbrug in Rotterdam. Een tuibrug, net als die over de Serajoe. Het wegdek is aan hoge
peilers gehangen. Het enige verschil is dat de pijlers van de Erasmusbrug in het water staan en de bamboepijlers van de Wonosobo-brug staan op het land. Maar verder is het principe hetzelfde. Zouden de Nederlandse ingenieurs het concept voor de Erasmusbrug hebben afgekeken?
In een uitgave van het Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs afdeling Nederlands-Indië uit 1894, wordt de inventiviteit die ten grondslag lag aan het bouwen van zulke bruggen geroemd. “…..zeer interessante bouwwerken, geheel op initiatief der plaatselijke hoofden, die zonder enige kennis van techniek of voorlichting door de inlandse bevolking is uitgevoerd. Bouwwerken, waaraan wel eene grote hoeveelheid materialen en arbeidskrachten zijn besteed en die veel onderhoud vereisen, maar die toch getuigenis afleggen van de vindingrijkheid der inlander en vele jaren aan de behoeften van transport hebben voldaan”.
Hoelang de inlander over de bouw van een bemiddelde bamboebrug deed? Ongeveer twee weken. En de kosten? Driehonderd Nederlandse guldens….. .
ARCHITECTUUR IN INDONESIË.
Bandung Architect Albert Aalbers ( geb. Rotterdam 1897 – 1961)
De drie grootste architecten die op Java – Indonesië – hadden gewerkt, waren: Albert Aalbers, Charles Wolff Schumacher en Pont Mac Laine. Daar op het eiland Java hadden deze drie toparchitecten in die tijd hun talenten, ambities en dromen kunnen verwezenlijken (in Europa was het bijna onmogelijk). En in die absolute vrijheid en eindeloze ruimten die men maar kon bedenken, ook in de meest letterlijke betekenis, konden zij aan “hun wereld” vorm geven. Zij wilden en hadden alle mogelijkheden om een nieuwe wereld te scheppen en dat is hen ook ten dele gelukt. Vrijwel over heel het eiland Java voorzagen deze architecten in opdracht van het vroegere bestuur ondernemingen en particulieren van hun scheppingen. Het leek wel of ze met juwelen in de hand over het eiland hadden rondgestrooid.
Deze drie genoemde architecten worden vrijwel altijd in een adem genoemd wanneer het gaat om de architectuur in het voormalig Nederlands Indië. Het is terecht maar er waren ook andere zeer getalenteerden (ingenieuzen) die daar eveneens voor plaatselijke overheden werkten, van wie nauwelijks iemand de namen weet, zoals de architect Cosman Citroen die in Surabaya het raadhuis heeft neergezet. Een prachtige schepping, waarbij opvalt hoe rijk gedecoreerd het interieur is en de vormgeving die direct verwijst naar zijn achtergrond: de Amsterdamse School (Michel de Klerk). Het is ontegenzeggelijk een juweel van een gebouw. Maar aan hem wil ik in een volgend artikel wijden.
Het meest in het oog vallend gebouw is natuurlijk het ons zo bekende hotel Homann.
Officieel heette het gewoon HOMANN naar de familie Homann (de eigenaar toen was de familie Van Es) die eind 19e eeuw het oude hotel op dezelfde plaats had laten bouwen. Na voltooiing van dat hotel vond “men” het wellicht cosmopolitischer om een soort epitheton voor de naam Homann te zetten: SAVOY. Het werd sindsdien Savoy Homann (in navolging van Londen en Parijs – later in alle Europese hoofdsteden). Het vorige gebouw van Homann werd hiervoor gesloopt (zie foto).*
De architect van dit nieuwe hotel, gebouwd omstreeks 1940, was Albert Aalbers (1897–1961) geboren in Rotterdam. Hij en de twee andere groten uit de architectuurwereld: Wolff Schoemacher en Pont Maclaine, herschiepen de stad Bandung in een voor die tijd hypermoderne metropool. Het plein bijvoorbeeld dat “Alun Alun” heette tot op de dag van vandaag, werd in een vierkant geprojecteerd, waaraan drie zijden theaters werden gebouwd. Helaas kon wegens onbekende redenen de derde zijde niet worden verwezenlijkt. Het is waarschijnlijk dat aan één zijde de oude sociëteit Concordia er nog stond en er dus geen symmetrie in dezelfde stijl kon worden bereikt. Maar nu na 70 jaar zijn de theaters alsnog afgebroken!
Maar dit beroemde hotel werd in zijn tijd al geroemd om zijn vlotte gestroomlijnde stijl, als het ware “in einem Guss” tot stand gebracht. De jonge kunstbewegingen van het fin de siècle en begin van de 20e eeuw waren immers de kunstuitingen uit de jeugd van deze drie toparchitecten.
Die golf van kunstuitingen waar ze van de historische ornamentiek en het naturalisme werden bevrijd, interpreteerden ze eerder dan dat ze die zonder meer immiteerden en gaf aan de bouwkunst alle mogelijkheden om de nieuwe bouwtechnieken onconventioneel toe te passen. De in Duitsland begonnen nieuwe bouwstijl (Bauhaus/Gropius) vond al snel haar weg in heel West Europa. Met die wetenschap en kennis ging Albers naar Indië (Wolff Schoemakers en Pont Maclaine waren op Java geboren maar genoten hun opleiding in Nederland). En daar in Nederlands Indië, gestimuleerd met die kennis uit Europa, schiepen zij met élan hún dromen. Men zou kunnen zeggen dat zij de (nieuwe) idée in zekere zin “getransplanteerd” hadden naar de tropen.
En een ieder die Bandung vanaf de dertiger jaren nog goed kent, ziet dat er een stad is ontstaan (temidden van al het eeuwige groen) die in Europa werkelijk niet zou kunnen misstaan, afgezien dan van het eeuwige groen.
Albert Aalbers was, net als Wolff Schoemacher en Pont Maclaine beïnvloed door de nieuwe ontwikkelingen op technisch gebied (elementenbouw) en de bouw van moderne motorschepen (o.a. de Titanic) met hun vloeiende lijnen. Aalbers zag per slot zo’n schip ook als een drijvend hotel. In ieder geval waren de Europese architecten, sinds de nieuwe bouwordening in Europa (eindelijk) bevrijd van de bouwconventionaliteit en het historicisme en daarmee gingen voor hen alle deuren open.
Het markante van hotel Homann is de golvende T-vorm, een soort steven van moderne motorschepen zonder dat ook maar de geringste versiering en/of geleding aan het oppervlak van het gebouw is te ontdekken, die bijvoorbeeld aan de bouwwerken van Charles Wolff Schoemaker wel duidelijk was toegepast. Aalbers toepassing van de opvallende overkraging van betondelen over elke verdieping was een (tropische) stijlkenmerk geworden. Het is feitelijk geen versiering in enge zin. Integendeel deze ‘overkraging’ van de betonndelen is functioneel. De enige ‘versiering’ zo men wil omvat de voor Aalbers zo karakteristieke donkere betonbanden aan zijn gebouwen. Dit bereikte hij door aan de oppervlakte van het beton een soort blauw/ zwart/grijs/glas/steengruis toe te voegen. Het resultaat van het oppervlak wordt hierdoor ‘tweekleurig’. Bovendien was technische uitvoering in zijn tijd uiterst modern door de toepassing van de nieuwe elementenbouw waardoor hoogte én draagkracht konden worden gegarandeerd. Men kon wel zeggen dat het een gewaagde onderneming was. De verbouwing, jaren later hield in dat de voorzijde (hoofdingang(en)) op de begane grond en uit praktische overwegingen een deel van het interieur (het sanitaire gedeelte, de ontvangsthal- receptie werden nl. verplaatst) een verbouwing moest toestaan met als gevolg dat ongelukkigerwijs de typische entrée van haar oorspronkelijkheid is beroofd.
Aalbers was met zijn opvatting voor publieke ruimten (hij was een modernist par excellence) zijn tijd ver vooruit en zijn bouwstijl was zo populair dat “zijn stijl” zelfs tot de dag van vandaag in heel Zuid-Oost Azië wordt nagevolgd door regionale en locale architecten en niet slechts uit praktische overwegingen.
Zijn groot talent echter kan men nu nog in een andere schepping van zijn hand bewonderen: Het DENIS-gebouw, zijn meest prestigeus project. De éerste Nederlands Indische Spaarbank in Bandung aan de Bragaweg, dé populaire winkelstraat van deze stad. Het lijkt alsof Aalbers zijn ziel in dat gebouw had achtergelaten zo levendig oogt dit gebouw nog steeds en het is zijn functie (mutatis mutandis) niet kwijtgeraakt.
We zien hier, een uiterst modern kantoorgebouw dat gebouwd werd voor het doel waarvoor het is neergezet: functionaliteit en efficientie, met veel glas waardoor het licht vrij spel heeft in het hele gebouw met veel staal voor de strakke vormgeving binnen en buiten. Zijn standpunt was ook: de functie bepaalt de vorm en niet omgekeerd. Alhoewel recentelijk praktische verbouwingen/aanpassingen aan het gebouw zijn verricht, herkent men direct dat men hier met een kunstwerk van doen heeft van de hand van een van de briljanste Nederlandse architecten die in het voormalig Nederlands Indië heeft gewerkt.
Het is heel triest dat na de voltooiing van zijn kunstwerk, de 2e Wereldoorlog was losgebarsten en alle Nederlanders die in Indië woonden/leven en werkten, gedwongen werden om in de Jappenkampen in de meest onwaardige omstandigheden te leven.
“Vanuit het paradijs verdreven en in een hel gestort; van de ene dag op de ander, simpel omdat men in Indië GELUKKIG was…”
Na de 2e WO repatrieerde Aalbers en zette weer in zijn gebeoorteplaats Rotterdam voet aan wal en begon hij wederom zijn vak op te pakken met zijn vroegere vakpartner De Waal.
Die 2e WO had hem zwaar getraumatiseerd en fysiek zeer verzwakt, mentaal geknakt en intens verteerd waardoor de felle lichten van zijn groot talent werden gedoofd.
Door
ICM Columnist PJOTR X. SICCAMA
Voormalig DENIS gebouw aan de Bragaweg/Naripanweg.
Thans is de bank JABAR er gevestigd. (afkorting van Jawa Barat oftewel West Java).
DENIS GEBOUW aan de Bragaweg/Naripanweg de grootste winkelstraat in Bandung in 1939.
Foto Tropenmuseum collectie.
Aalbers had de Franse architect P.L. Jeannaret – bijgenaamd Le Corbusier – goed bestudeerd en volgde de Fransman op de voet wanneer het om de brise-Soleil methode ging. De methode waar grote betonranden functioneel uitsteken (overkragen) met de ramen daarachter, waardoor het (felle tropische) zonlicht in dit geval enigszins wordt getemperd en wat gekoelde lucht er doorheen kan stromen.
Een voorbeeld van een villabouw te Bandung aan de Dagoweg - door een particuliere opdrachtgever. (zijkant).
Albert Aalbers 1897/1961.
door: Harm Botje en Anne-Lot Hoek
Historici roepen op tot een onderzoek naar het Nederlandse geweld in Indonesië. Waarom is dat niet al lang gebeurd? “De kramp is eraf”, zegt directeur Gert Oostindie van het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal, Land en Volkenkunde (KITLV). Het veld ligt nu open, hè hè eindelijk…”, zegt hoofdonderzoeker Henk Schulte Nordholt. Het tweetal behoort tot de initiatiefnemers van de recente oproep in de Volkskrant om een onderzoek te doen naar het Nederlandse geweld in de gewraakte dekolonisatieperiode van Indonesië tussen 1945 en 1949. Vorig jaar nog kende de rechter de weduwen uit
het dorpje Rawagedeh een schade-vergoeding toe omdat daar in 1947 hun mannen, broers en zonen stand-rechtelijk werden vermoord. Onlangs diende advocate Liesbeth Zegveld, die de belangen van Rawagedeh vertegenwoordigt, opnieuw een claim in bij de overheid. Nu willen weduwen uit Zuid-Celebes (het tegenwoordige Sulawesi), waar eenheden van de beruchte Kapitein Raymond Westerling hebben huisgehouden, ook een schade-vergoeding.
Die opeenvolgende rechtszaken, maar ook de spijtbetuiging die Minister Bot in 2005 uitsprak – We stonden aan de'verkeerde kant van de geschiedenis – het creëert volgens Oostindie en zijn collega Schulte Nordholt een klimaat waarin een onderzoek mogelijk is. “Het is voor ons de grootste oorlog ooit gevoerd. Nooit eerder stuurden we zoveel roepen naar het front en nooit eerder waren er daarbij zoveel doden. Hoe kan het dat na 65 jaar nog steeds er geen gezaghebbende studie over is”. De twee onderzoekers is vooral benieuwd naar wat er feitelijk is gebeurd tijdens militaire operaties. Ongetwijfeld werden er mensen ondersteboven gehangen tijdens verhoren. Zeker is dat gevangenen tijdens patrouilles geëxecuteerd zijn
Maar hoe systematisch gebeurde dat en waarom onderdrukte Westerling de bevolking met zoveel buitensporig geweld. Hoe kan het dat hij daarna jarenlang ongestoord in Nederland heeft kunnen wonen. De onderzoekers ontzien ook zichzelf niet, want het blijft natuurlijk vreemd dat het KITLV, het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie) en het NIMH (Nederlands Instituut voor Militaire Historie) niet al veel eerder initiatieven hebben genomen. Ook dat zal tijdens het nieuwe onderzoek aan de orde moeten komen. Zegt de generatie van nu: “Het is vanzelfsprekend om hiermee aan de slag te gaan”, waar onze voorgangers zeiden: “Bemoei je er niet mee; dat is voor de politiek”.
Maar wie kantenknipsels en rapporten uit de jaren veertig tot nu doorploegt (en dat zijn grote stapels…!) valt het meteen op dat áls de politiek zich al uitsprak over de gewelddadige dekolonisatie, het altijd in reactie was op incidenten. Nooit is er in Nederland door een regering uit eigener beweging een groot, alomvattend onderzoek opgezet, zoals bijvoorbeeld de parlementaire enquête naar de regeringsverantwoordelijkheid in de Tweede Wereldoorlog. In de jaren zestig speelde de affaire rond Joop Hueting die op de televisie vertelde over de moordpartijen waar hij bij betrokken was. En in de jaren tachtig was er de kwestie Loe de Jong, die in zijn deel over Nederlands-Indië heeft beweerd dat er oorlogsmisdaden zijn gepleegd, welke bewoordingen hij later toch weer veranderde in “excessen”. Bovendien in de jaren negentig de komst van deserteur Poncke Princen naar Nederland, de discussies rond het staatsbezoek van onze Koningin aan Indonesië en de RTL-documentaire over Rawagedeh die daaraan voorafging. Steeds weer kwamen de spoken uit het verleden terug. En dat met voor eens en altijd
afgelopen zijn, vinden de historici die oproepen tot een nieuw onderzoek.
Klokkenluider
Het zijn overigens niet de historici die als eerste de aanzet hebben gegeven tot de hernieuwde belangstelling naar de misstanden in Nederlands-Indië. Volgens historica Stef Scagliola, die voor haar promotie de verwerking van de dekolonisatie uitgebreid heeft onderzocht, zijn er steeds compromisloze figuren nodig die de zaak in beweging brengen. Historici kunnen niet zonder klokkenluiders, provocateurs. De afgelopen jaren werd deze rol met verve vertolkt door de cementarbeider Jeffry Pondaag uit het Noord-Hollandse Heemskerk. Hij kwam in de zestiger jaren uit Indonesië naar Nederland met zijn Nederlandse moeder. Hij ergert zich al jaren aan wat hij de “arrogante houding van Nederland” noemt.
Inschepen van Nederlandse soldaten. Foto: Hugo Wilmar
Waarom heet de Coentunnel nog steeds Coentunnel en waarom staan er op de zijkant van de Gouden Koets nog steeds afbeeldingen van Javanen? Dat steekt hem als Indonesiër, want hij vindt dat een verheerlijking van het koloniale verleden. Waarom worden de Duitse oorlogsmisdadigers tot in
lengte van jaren vervolgd en kon de Kapitein Raymond Westerling tot zijn dood toe van een rustig leven genieten.
“Ik begrijp niet hoe een land dat mensenrechten zo belangrijk vindt, zich zo kan gedragen”, zegt hij. Jarenlang leurde Pondaag met de kwestie Rawagedeh, zonder enig resultaat. Tot 1995; toen maakte RTL-4 in de aanloop naar het staatsbezoek van Koningin Beatrix aan Indonesië een reportage over de vergeten massamoord. Daarna ging het balletje langzaam rollen. In het parlement maakte onder andere de Socialistische Partij zich hard voor de zaak. En zo kreeg Pondaag de Nederlandse staat op de knieën: de regering betuigde spijt en de rechter dwong de overheid tot het betalen van een schadeloosstelling. Bij het KITLV in Leiden menen ze dat Pondaag inderdaad een grote rol heeft gespeeld. “Hij is een wonderlijk figuur, maar was wel de katalysator”, aldus Henk Schulte Nordholt.
Onderduiken met vrouw en kind
Pondaag staat in een traditie. Psycholoog Joop Hueting gaf in de Volkskrant een interview,waarin hij zonder terughoudendheid vertelde over oorlogsmisdaden die werden gepleegd door hemzelf en anderen. Hij beschreef hoe de korporaal van zijn eenheid, die kort daarvoor in een hinderlaag was gelopen, een hutje in ging en een familie afmaakte. En hoe Indonesiërs met de blote billen op de gloeiend hete pantserwagens werden gezet zodat ze brandwonden opliepen. Je reinste sadisme. En ook vertelde hij hoe krijgsgevangenen die tot last waren, tijdens het “pissen in de kali” van achteren werden doodgeschoten. “Wij waren vakkundige killers”, zei Hueting en stelde nadrukkelijk vast dat
het geen incidenten waren, maar dat het ‘gewoon in het systeem van het leger paste’.
Ondanks de gruwelijke details kreeg zijn verhaal maar weinig aandacht. Totdat de redactie van VARA’s actualiteitenrubriek Achter het Nieuws besloot om Hueting te interviewen. Toen brak de hel los…! Het was voor de allereerste keer dat een televisie-uitzending bij miljoenen kijkers zoveel emoties losmaakte. Hueting werd bedreigd en moest met zijn vrouw en kind onderduiken in een hotel op de Veluwe, berichtte de Telegraaf in 1969. Vele veteranen reageerden woedend op de aantijgingen. Voormalig minister-president Willem Drees deed de zaak af als “oud nieuws”, omdat de Tweede Kamer in 1949 een voorstel voor een nader onderzoek had verworpen. Ook vroeg Drees zich af waarom Hueting zich niet veel eerder met zijn verhaal bij de autoriteiten had gemeld. Hypocriet als je bedenkt dat de regeringen in de jaren veertig en vijftig duvelsgoed wisten wat er speelde. In 1954 was er immers een onderzoek afgerond door de juristen Van Rij en Stam naar oorlogsmisdaden die op Zuid-Celebes waren begaan. De regering waarvan Drees toen premier was, besloot om Kapitein Raymond Westerling en zijn mannen vrijuit te laten gaan en het rapport niet openbaar te maken.
Een inhaaloperatie
Het koloniaal verleden werd steeds opnieuw weggestopt. Televisiemaker Ad van Liempt, die zich al jaren verdiept in het Indische verleden en van wie onlangs het boek “Nederland valt aan” is heruitgegeven, vindt dat niet vreemd. “Niemand vindt het leuk om stil te staan bij zijn nederlagen”. Maar volgens van Liempt spelen er ook andere zaken die voor een moeilijke omgang zorgden. “We zaten
met een veteranenprobleem. Die mensen zijn hier een beetje als ‘losers’ ontvangen nadat we Nederlands-Indië waren krijtgeraakt. Zij voelen zich in de kou gezet. Bovendien verkeerden we door de weigering van Nederland om Nieuw-Guinea als kolonie op te geven in een soort ‘koude oorlog’ met Indonesië.
Daardoor waren we bang dat openheid van zaken onze internationale belangen zouden schaden”. Van Liempt noemt het eeuwig zonde dat het in 1969 na de affaire Hueting nooit tot een groot onderzoek of een parlementaire enquête is gekomen, ondanks het aandringen van de toenmalige oppositieleider Joop den Uyl. “Zo’n onderzoek had in die jaren veel commotie gegeven, maar de wond was wel schoongebrand. Je had vrijwel alle hoofdrolspelers en ooggetuigen kunnen horen die toen nog leefden. De feiten waren toen boven tafel gekomen, waardoor het onderzoek waar nu om gevraagd wordt niet meer dan een inhaaloperatie dreigt te worden met grote handicaps, omdat er nog maar weinig overlevenden zijn.
Na de uitlatingen van Hueting in 1969 kwam er dus geen groot onderzoek. Wel gaf de Centrum-Rechtse regering van premier Piet de Jong onder druk van de commotie die was ontstaan, de opdracht tot een snelle inventarisatie in de archieven van alle mogelijke excessen die zouden zijn gepleegd. Het woord ‘oorlogsmisdaden’ weigerde hij in zijn mond te nemen. De jonge
historicus Cees Fasseur verrichtte in drie maanden tijd in grote haast zijn sisyfusarbeid en verzamelde 110 oorlogsmisdaden, maar wist toen al dat zijn werk bij lange na niet volledig was. Dat bleek wel toen historica Stef Scagliola de concepttekst en de definitieve tekst met elkaar vergeleek voor haar in 2002 verschenen proefschrift ‘Last van de oorlog’.
Volgens De Jong was er ondanks de onvolledigheid geen probleem, want er was toch een voldoende indruk van de aard en de omvang van de excessen. “Ja, er hebben zich misstanden voorgedaan, iets wat de regering zeer betreurt. Maar, de krijgsmacht als geheel heeft zich in Indonesië correct gedragen en er was ook provocatie van Indonesische kant. Van een systematische wreedheid was geen sprake”. En daarmee ging het deksel op de doofpot.
Bijzondere krijgsraden
De historici die nu oproepen tot een hernieuwd onderzoek willen dat deksel er weer af hebben. “Daarvoor moet je de archieven raadplegen. Er zijn heel veel zaken die nooit zijn vervolgd, omdat de toenmalige hoogste militair in Nederlands-Indië, generaal Simon Spoor, het moreel van de troepen niet omlaag wilde halen en de jongens niet onderuit wilde halen. Als je al dat materiaal eens goed analyseert, zou het me niets verbazen als daar een geheel nieuw beeld uit naar voren komt.
In dit verband is er één boek dat van grote waarde zal zijn voor het komende onderzoek.: “Ontsporing van geweld” van de sociologen Jacques van Doorn en Wim Hendrix uit 1970. De laatste van de twee zag met eigen ogen hoe oorlogsmisdaden werden gepleegd. Zij spraken in het geheim af dat ze de ervaringen vast zouden leggen voor latere wetenschappelijke
publicatie. Jarenlang bleef het materiaal in een lade liggen. Pas na de affaire Hueting kwamen ze met hun boek. Het was een rechtstreekse aanval op de bevindingen van premier De Jong. Volgens de schrijvers was er wel degelijk sprake van een systeem van contraterreur dat van bovenaf was opgelegd. Indonesische infiltranten werden berecht door bijzondere krijgsraden en er was sprake van een wijdvertakt en hard politioneel regime. Speciale troepen hadden het vergaande mandaat gekregen om “eigenmachtig op te treden”. Al deze maatregelen waren volgens de twee auteurs genomen omdat het niet mogelijk was met “normale middelen de guerrilla te bestrijden”. En door wie was deze strategie ontworpen? Volgens Van Doorn en Hendrix was dit op het hoogste niveau gebeurd en werd de gewone militair met de uitvoering belast. Het zijn prikkelende conclusies die in dit boek getrokken worden, maar ze kunnen als bewijs alleen hun eigen ervaringen opvoeren. Tot nu toe zijn er geen stukken opgedoken die deze these staven.
Ontsporing van geweld werd in 1970 doodgezwegen, ondanks de vergaande conclusies. Historica Scagliola sprak voor haar promotie-onderzoek uitgebreid met Van Doorn en kreeg zijn aantekeningen over de nasleep van het boek voor haar reconstructie. In een brief aan de toenmalige columniste van Vrij Nederland, Renate Rubinstein beklaagde Van Doorn zich dat het werk zo weinig aandacht kreeg: “Niemand was onder de indruk, hoewel voor het eerst een systematische analyse en niet-smakelijke incidenten werden aangeboden”. Van Doorn overleed in 2008 en de inmiddels 86 jarige Hendrix noemde onlangs in een interview in Dagblad Trouw een nieuw onderzoek “geweldig nieuws
Loe de Jong
Hoe gevoelig de publicatie van het boek lag, bleek uit alle autorisaties en toestemmingen die onderzoeker Willem IJzereef van de ministers moest krijgen omdat hij tot dan toe verboden dossiers had mogen inzien. IJzereef publiceerde in 1984 een boek over de Zuid-Celebes affaire. Het is zelfs langs Ruud Lubbers geweest, die er ook zijn handtekening onder moest zetten.
Eind 1987 was Loe de Jong toen hij in het deel 11a van “Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” de gebeurtenissen in Nederlands-Indië beschreef. Hij meldde daarin over oorlogsmisdaden in plaats van excessen en vergeleek het optreden van de Nederlanders met dat van de Duitsers. Een van zijn meelezers, een oud-officier van het KNIL was hierover zo verontwaardigd, dat hij de tekst doorspeelde aan de Telegraaf, die het opnam voor de veteranen en een campagne startte. Evenals eerder Hueting kreeg ook De Jong alles en iedereen over zich heen. Uiteindelijk gaf hij toe dat hij de paragrafen “te veel vanuit emoties” te hebben geschreven. Oorlogsmisdaden werden weer excessen en De Jong bood zijn excuses aan voor de “vele onevenwichtigheden”. En opnieuw waren de lobby van oud-Indië-militairen en de gevestigde machten binnen het overheidsapparaat erin geslaagd om een nader onderzoek te voorkomen. Toch vindt Scagliola dat De Jong de historicus is die tenminste het meeste lef heeft getoond. Zelf is zij
we expliciet in haar werk: “Ik heb het wel degelijk over oorlogsmisdaden”.
Het archief van Bandung
Over de gewelddadige dekolonisatie is ondanks de passieve houding van \de overheid door individuele onderzoekers al veel geschreven. Wat zou een nieuw onderzoek nu nog kunnen opleveren? De onderzoekers willen niet alleen in de Nederlandse archieven antwoorden vinden, maar ook in Indonesië, zegt Gert Oostindie. Maar om een voetbalwedstrijd te begrijpen, moet je wel naar beide elftallen kijken. Tot nu toe is er weinig bekend over de Indonesische kant van het verhaal. Dit komt omdat heel veel Indonesische archieven zijn verdwenen of ontoegankelijk zijn. Veel ooggetuigen zijn nooit verhoord en nu oud of reeds overleden. Een extra complicatie is, dat net als in Nederland niet iedereen zit te wachten op een nieuw onderzoek. In Indonesiër is er lang een staatsideologie geweest, een mythe dat het hele volk schouder aan schouder streed tegen de Nederlanders. En terwijl er in werkelijkheid heel veel onderlinge strijd was en tal van verschillende groepen elkaar te lijf gingen. Bovendien had het Indonesische leger het monopoly op de geschiedschrijving Het was hún revolutie, maar aan die gedachtegang begint nu een einde te komen, zegt Henk Schulte Nordholt. Net als wij, zijn het allemaal mensen van na de dekolonisatie. Hij en zijn initiatiefnemers hebben al contact gehad met Indonesische historici van de Universitas Gadjah Mada in Yogjakarta, die eveneens een studie willen maken over de Indonesische revolutie. Het is niet meer slechts onze eigen, zelf beleefde geschiedenis.
De Amerikaanse hoogleraar Zuid-Aziatische Studies, William Frederick in Ohio juicht het initiatief voor een nieuw onderzoek toe. Hij is echter wat sceptischer dan de initiatiefnemers. Hij is onder andere de auteur van hert gezaghebbende werk: “Visions and Heat – The making of the Indonesian Revolution”. Op dit moment is hij bezig met onderzoek naar geweld tijdens de revolutie, met inbegrip van de Bersiap periode. Juist naar deze periode willen de Nederlanders ook meer onderzoek doen. Frederick ziet in Indonesië wel enige beweging onder historici om te komen tot een “meluruskan sejarah”, het rechtzetten van de geschiedenis, maar de strijd om de onafhankelijkheid maakt daar nog geen deel van uit, laat hij per mail weten. Het is nog steeds een gevoelig onderwerp, waar tegelijk ook weinig interesse voor bestaat. Het is dan ook niet te verwachten dat jonge Indonesische historici hier serieus mee aan de slag zullen gaan.
De komende tijd zal blijken of de onderzoekers in Indonesië hier de ruimte voor krijgen. Een goede graadmeter: het archief van het leger in Bandung. Daar ligt een schat aan materiaal, maar buitenlandse bezoekers zijn er niet welkom. In Nederland, maar ook in Indonesië bestaat vrees dat door diepgaand onderzoek onrust zal ontstaan. De gebeurtenissen van 60 tot 70 jaar geleden zijn nog steeds een hot item. De aanstichter van de zaak Rawagedeh Jeffry Pondaag is blij met een mogelijk nieuw onderzoek. Maar hij heeft ook kritische kanttekeningen: “Het moet niet weer een ‘Nederlands onderonsje’ worden. De leiding van het onderzoek zou niet in Nederlandse handen moeten komen”, zegt hij. “Ik hoop dat er een internationaal onderzoek komt. Anders ben je een slager die zijn eigen vlees keurt…”
Maar of er een nieuw historisch onderzoek komt, is nog onzeker. De linkerkant van de Tweede Kamer van SP tot d66 is vóór, maar het CDA liet bij monde van de vertrekkende Henk Jan Ormel weten, niet meteen warm te lopen. De VVD heeft nog niet gereageerd. Bij het KITLV raken ze daardoor niet in mineur. Het vergt tijd en bovendien is het nu zomerreces. “We denken dat de politiek wel in beweging komt”, zegt Henk Schulte Nordholt, “rond de Indië-herdenking op 15 augustus kloppen we wel weer aan de deur.
Overgenomen met toestemming. Bron: Vrij Nederland 12 juni 2012. Met dank.
Toen eind 1949 de Nederlandse bevolkingsomvang de ‘gevaarlijke grens’ van bijna 10 miljoen inwoners had bereikt vond de regering, onder leiding van PVDA-premier Willem Drees, dat de tijd was aangebroken dat men beter kon gaan emigreren want “Nederland werd te vol”. Begin 1950 merkte Drees op dat “een deel van ons volk het moet aandurven zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan eigen land”.
(Kli
kken om te vergroten.)
Ook koningin Juliana wees er in 1950 in de troonrede op: “De sterke bevolkingsgroei en de beperktheid van de beschikbare grond blijven een krachtd
adige bevordering der emigratie eisen”.
De overheid maakte het dan ook gemakkelijk door voor de emigranten vaak de overtocht te betalen plus enkele honderden guldens zakgeld mee te geven. Met deze ‘oprotpremie’ emigreerden alleen al in de jaren ’50 meer dan een half miljoen Nederlanders naar Zuid-Afrika, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Toen tijdens het bezoek van koningin Juliana aan Prescott (Canada) in april 1952 een journalist haar vroeg of de emigratie naar Canada zou worden voortgezet, werd dit door haar beaamd “omdat dit noodzakelijk was om het hoofd te bieden aan de overbevolking”.
Maar vanwege de agressieve politiek van de regering-Drees in verband met de kwestie Nieuw-Guinea kreeg het ‘overbevolkte Nederland’ vanaf medio jaren ’50 er nog eens ruim 300.000 mensen uit Indonesië bij toen iedereen met de Nederlandse nationaliteit (waaronder ondergetekende) het land moest verlaten.
Aangezien de Nederlandse regering, met de PVDA voorop, deze repatrianten liever zag gaan dan komen, werd er besloten om ze te laten emigreren naar Brazilië. De bedoeling was om ze daar ergens onder te brengen in een gebied langs de Amazone. “Want daar is een klimaat dat deze mensen eigen is”, aldus de toenmalige regeringscommissaris B.W. Haveman (PVDA) in de media.
Uiteindelijk is van dit plan niets terechtgekomen.
Mede doordat de werkgevers in de jaren ’60 en ’70 behoefte hadden aan goedkope arbeidskrachten uit voornamelijk Marokko en Turkije begon de bevolking nogmaals sterk te groeien. Er werden in genoemde landen zelfs wervingskantoren geopend om de mensen, en later hun gezinnen, naar Nederland te halen.
Nadat in 1973 de grens van 13 miljoen inwoners was overschreden, gingen in politiek Den Haag weer alle alarmbellen rinkelen. In een brief d.d. 15 mei 1973 schreef minister-president Joop den Uyl dat de overbevolking een groot probleem vormde “voor de verbetering of zelfs het handhaven van de kwaliteit van het leefmilieu”. De overheid diende dan ook een actieve bevolkingspolitiek te voeren, zoals verantwoorde gezinsplanning, aldus de brief. Alleen werd er in de praktijk niets aan bevolkingspolitiek gedaan en ging de massa-immigratie gestaag door.
Toen Nederland in 1979 uiteindelijk circa 14 miljoen inwoners telde, herhaalde de koningin in haar troonrede nogmaals dat Nederland vol was. Ja, zelfs ten dele overvol, maar er werd niet meer opgeroepen om te gaan emigreren. Ook werd het woord ‘bevolkingspolitiek’ niet meer genoemd.
Op 21 maart 2016 om 11:40 uur overschreed Nederland het aantal van 17 miljoen geregistreerde (!) inwoners en werd daarmee het dichtstbevolkte land van Europa met ruim 500 inwoners per vierkante kilometer, waarvan de Randstad ruim 1270 inwoners per vierkante kilometer telt. Koplopers zijn hier Amsterdam en Den Haag. Daar wonen respectievelijk ruim 5000 en 6300 inwoners per vierkante kilometer.