Jan de Keten's berichten (557)

Sorteer op

Iedereen migrant #5: Indische Nederlanders

Iedereen migrant #5: Indische Nederlander

Gemangeld tussen twee culturen

De ouders van Nina Anthonijsz.
De ouders van Nina Anthonijsz.  Er schuilt veel tragiek in de geschiedenis van Indische Nederlanders: gedwongen Indonesië te verlaten na de onafhankelijkheid maar nooit echt welkom in Nederland. “Ik hoorde eigenlijk nergens bij.”

Het boek van de Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indonesië kan nog lang niet dicht. Eind november was er nog ophef over gepland wetenschappelijk onderzoek naar het Nederlandse militaire optreden tussen 1945 en 1950 als reactie op het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid. En een maand eerder kreeg het boek Tempo Doeloe, een omhelzingvan Kester Freriks veel kritiek. Met Tempo Doeloe wil hij ‘eerherstel voor het Nederlands-Indië zoals het eens was’. Want door alle nadruk op het koloniale geweld is de in Jakarta geboren schrijver de herinnering aan ‘die mooie tijd’ afgenomen, vindt Freriks.

Identiteit is complex

“Kester Freriks moet eens over het hek van zijn Indische tuin heen kijken. Het Indonesische volk heeft ‘die mooie tijd’ heel anders beleefd”, zegt historica Lara Nuberg (28), die afgelopen maand regelmatig de degens kruiste met totok (in Indonesië geboren witte) Freriks. Ze deed dat op de radio, op debatpodia en op haar eigen blogGewoonEenIndischMeisje.

Nuberg: “Anderhalf jaar geleden maakte ik met mijn familie ter gelegenheid van mijn moeders zestigste verjaardag een reis door Indonesië. Het was voor mij de tweede keer dat ik de geboortegrond van mijn oma bezocht. Net als tijdens die eerste reis voelde ik direct een verbondenheid met het land. Ik herkende zoveel van mijn oma en haar zus. Na thuiskomst was ik ervan overtuigd dat ik hier meer mee moest gaan doen. Toen ben ik begonnen met het schrijven van een boek en ben ik ook met de blog gestart.”

De ouders van Nina Anthonijsz.
De ouders van Nina Anthonijsz.


Indische Nederlanders zijn het product van kolonialisme

Tweet dit

De identiteit van de Indische Nederlanders is volgens Nuberg een complexe zaak. Dat wordt beaamd door tweedegeneratie Indische Nina Anthonijsz (53), wier beide ouders Indisch waren. “Indische Nederlanders zijn het product van kolonialisme, omdat ze van oudsher geboren zijn uit – meestal – een Nederlandse vader en een Indonesische moeder. Ze zijn niet Nederlands maar ook niet Indonesisch. Mijn ouders hadden geen besef van koloniale onderdrukking, ze waren tieners in het koloniale tijdperk. Ze koesterden de herinnering aan een paradijselijke periode.” Hetzelfde geldt voor de oma van Nuberg. “Zij vond dat de Indonesiërs ‘haar land’ hadden afgepakt.”

Denken in rassenscheiding

Nuberg neemt dat haar oma niet kwalijk. “Dat was haar wereld. Ze vond het normaal dat het personeel voor de deur op een matje moest slapen in plaats van in een bed. En ze begreep er niets van dat Indonesiërs gewelddadig werden in de Bersiap-periode. Ik vraag me wel eens af of ze zich ooit echt realiseerde wat het betekent om Indisch te zijn.”

Lara_Oma_klein
Lara (links) en Lara’s oma.

“Mijn ouders keken op tegen witte Nederlanders”, zegt Nina Anthonijsz, “Vanuit hun kindertijd waren witte Nederlanders degenen die het voor het zeggen hadden. In Indonesië waren de echte rijke mensen altijd wit. Er bestonden daar geen arme witte mensen. Dat associeerden ze dus met ‘beter dan wij’ zijn.”

De Indische identiteit wrong al in de koloniale tijd, stelt Lara Nuberg, want de ‘Indo’s’ kwamen voort uit verre van gelijkwaardige relaties. “Dat werd me nooit verteld. Ik ontdekte het pas toen ik onderzoek ging doen.” In haar eigen familiegeschiedenis stuitte ze rond 1900 op het schrijnende verhaal van haar betovergrootmoeder. “Zij was een njai, een concubine – veel Nederlandse mannen leefden samen met een Indonesische, maar trouwden niet. Mijn betovergrootvader erkende de kinderen die ze samen kregen, maar stuurde haar vervolgens weg. Ze heeft haar kinderen nooit meer gezien. Hij nam toen een nieuwe vrouw tot njai. De kinderen kregen ingepeperd dat ze niet met ‘het volk’ om mochten gaan, en zeker niet met moslims. Het denken in rassenscheiding is Indische Nederlanders met de paplepel ingegoten.”

Niet opvallen

Dat verleden wordt nog wel eens weggemoffeld door Indische mensen, vertelt Nuberg. “‘In mijn familie kwam geen njai voor’, zeggen ze. ‘Weet je dat zeker? Ook verder terug in de familiegeschiedenis niet?’ reageer ik dan. Dit zet je eigen afkomst toch wel in een ander daglicht. Ik hoor Indische mensen nogal eens beweren: ‘ik heb niks met het slavernijverleden, Surinamers kruipen te makkelijk in een slachtofferrol’. Dan denk ik: duik eens dieper in je eigen familiegeschiedenis.”

Na 1945 werd gaandeweg duidelijk dat er voor de meeste Indische Nederlanders geen toekomst meer was in Indonesië. Op het uitroepen van de onafhankelijkheid door de latere president Soekarno volgde de gewelddadige Bersiap-periode. In 1949 werd Indonesië formeel onafhankelijk. Zo’n 350.000 Indische Nederlanders vertrokken naar Nederland, een land dat ze niet kenden. “In Nederland kregen mijn ouders het pas echt zwaar”, zegt Nina Anthonijsz. “Mijn vaders diploma’s werden hier niet erkend, hoewel ze op Nederlandse scholen waren behaald. Hij moest dus onderaan beginnen, en belandde op de salarisadministratie van de GVB. Hij was heel serieus en had een keihard arbeidsethos. Dat werd door Hollanders gezien als slijmen. Toen hij werd gepromoveerd tot hoofd van de salarisadministratie kwamen de scheldpartijen: ‘die bruine moet eruit’. Op z’n 52e werd hij afgekeurd vanwege hoge bloeddruk en hartproblemen.”

Lees verder…

Het boek "Rapport traktaat van Wassenaar" druk I is nu te bestellen,

10897346269?profile=original

kost € 50 exclusief verzendkosten, donaties boven € 50 ontvangen het boek kosteloos. Met de aanschaf van het boek (rapport) neemt U deel aan ACTW66. Dit houdt in dat collectief deelneemt aan de claimorganisatie ACT66 (actie comite traktaat Wassenaar 1966) .

ACTW66 die als claimorganistatie namens de deelnemers dwingt zo nodig via procedures om Nederlandse staat over te laten gaan tot uitbetaling dit conform het gesloten verdrag. De inzet (eisen) is het boek met titel "Uitbetalen op basis van traktaat van Wassenaar" 


Inschrijvingen via info@icm-online.nl.  Boek bestellen via bestel@ICM-online.nl

Lees verder…

Klus om een eiland bij Jakarta maken

onderdeel van Jakarta Baru Master Plan.

10897294494?profile=original10897281292?profile=originalKlus: eiland bij Jakarta maken

(bron Telegraaf)

De Nederlandse baggeraars Boskalis en Van Oord gaan samen een kunstmatig eiland aanleggen voor de kust van de Indonesische hoofdstad Jakarta. Daarmee is een bedrag gemoeid van €350 miljoen, dat gelijk over de twee partijen wordt verdeeld. Op het nieuw op te spuiten eiland van circa 160 hectare worden woningen en bedrijfspanden gebouwd. De aanleg vergt 20 miljoen kubieke meter zand, dat uit lokale wingebieden zal worden gehaald. In de dichtbevolkte regio rondom Jakarta is grote behoefte aan nieuw land om de bevolkingsgroei op te vangen. In Jakarta zelf wonen ruim tien miljoen mensen. In 2018 moet de klus gereed zijn.

ICM Redactie.

Dit is een onderdeel van het al omvattende Jakarta Baru Master Plan  van toenmalige burgemeester Jokowi van Jakarta dat al begon met de voorbereidingen in 2009. Ingenieursbureaus en investeerders uit Rotterdam ontwikkelde verder het totale plan dat in 2014 moest aanvangen en loopt tot 2023. Hiermee worden ruim 640.000 Fte' s (banen) geschapen alleen al in Indonesie. Het Jakarta Baru Master Pan omvat ruim 18 deelgebieden; 7 nieuwe elektrische centrales, metro, duurzame vuilverwerkingen, watermanagement, nieuwe haven, nieuw vliegveld, perphique, lange brug etc. etc,

Niet alleen de ontwikkelingen van het plan met die oplossingen, maar ook grote buitenlandse investeerders moesten voor de realisatie worden gevonden.

 

In dit traject hebben de Nederlandse ondernemingen veel hinder gehad door het neokoloniaal gedrag naar van politiek Den Haag tegen de republiek Indonesie. In tegenstelling tot de andere landen zoals Duitsland, Japan en China werden die partijen fors gesteund om de gunfactor allen verstevigen om die orders binnen te slepen. Angela Merkel was frequent in Jakarta, waar Nederlandse regering in alle rijstvelden ontbraken. Ook nadat de deze onderneming wanhopig een beroep deden op Mark Rutte. Een grote gemiste kans voor de Nederlandse economie, de krenten worden door de andere partijen als Japan, China en Duitsland uit de pap gehaald.

 

Die burgemeester van Jakarta met een populatie van 14 miljoen is nu president van de republiek Indonesië.

 

Zie presentatie Jakarta Baru Master Plan van Jokowi; http://youtu.be/hGtol65OeUg

Lees verder…

10897291880?profile=original10897256074?profile=originalRIE HOLTKAMP VOCHT TIEN JAAR GELEDEN SAMEN MET ECHTGENOOT VOOR LEVEN 

Ferry Holtkamp van het boek "Ik beken" van Elise Lengkeek die alle leden van de Eerste - en Tweede Kamer hebben  gehad, nu vandaag, 8 december volop in de belangstelling in de Telegraaf.

’Tsunami werd Ferry fataal’ 

Een mooie dag, die 26e december 2004 op tropisch Phuket, Thailand. Volop zon, amper wind. Overwinteraars Rie en Ferry Holtkamp besluiten het strand bij hun hotel te verruilen voor een ochtendje shoppen in naburig Patong.

„Even later stonden we daar op de bus te wachten om naar het winkelcentrum te gaan”, vertelt Rie (83). „Maar er gebeurde iets vreemds. De zee was verdwenen, plotseling wel een kilometer ver weg, het strand was ineens zo ontzettend groot!”

Haar man Ferry, gepensioneerd marechaussee en onderscheiden voor zijn verzet in de Tweede Wereldoorlog tegen de Japanse bezetter, herinnert zich opeens filmbeelden van vroeger. Op Nieuw-Guinea.

Rie: „Toen was het water ook plotsklaps spoorloos’, vertelde hij me. ‘Een tsunami’, brulde Ferry vervolgens. ‘Wegwezen!’ Andere toeristen kwamen vanaf dat grote, lege strand aanrennen. In blinde paniek, schreeuwend. En de zee kwam even snel terug als ze kort daarvoor was weggetrokken.”

Ferry, destijds 77, weet de net gearriveerde bus binnen te komen, Rie klampt zich vast aan een van de deuren. Zij heeft niet de kracht om aan de snelle golven en het zuigende water te ontkomen. Maar Ferry weet haar uiteindelijk naar binnen te trekken. Overal smeken toeristen en Thai om hulp. Het echtpaar kijkt machteloos toe hoe de tweede vloedgolf de zware bus als een luciferstokje omverwerpt.

„De armen van de dood strekten zich uit naar Ferry en mij, maar het was nog niet onze tijd”, vertelt Rie Holtkamp, bijna tien jaar later. „Toen de bus daar lag, tegen een lichtmast gekwakt, stroomde het water terug en sleurde alles mee. We klommen uit het wrak en strompelden voetje voor voetje naar een heuvel.”

Zonder schoenen, zonder tas, zonder bril. Alles was weg. De Nederlanders trapten in glas, stenen en stukken hout sloegen tegen hun benen. Even dreigde zelfs het einde voor Ferry Holtkamp, toen zijn enkels door plastic afval werden omwikkeld.

Rie: „Hij moest duiken om zich te bevrijden en kreeg smerig rioolwater binnen. Tot ons heupen stonden we in de prut. We bloedden als runderen, maar voelden helemaal niets.”

Pinautomaat

Het echtpaar waadt moeizaam naar hotel Le Meridien, de lobby is compleet verdwenen, net als de eerste paar verdiepingen. Rugzakken drijven rond, een pinautomaat dobbert voorbij. Op de vierde etage komen Rie en Ferry bij. Even later wordt Le Meridien ontruimd, na geruchten over een ‘derde vloedgolf’.

Uiteindelijk weten de twee landgenoten terug te keren naar hun Ocean Resort in naburig Karon. Daar realiseren Rie en Ferry zich dat ze alleen nog leven omdat ze die ochtend niet naar het strand bij hun hotel zijn gegaan.

„Want tussen de zee en het Ocean Resort ligt een soort binnenmeer”, aldus Rie. „Op de vlucht voor de tsunami hadden Ferry en ik die nooit kunnen oversteken. Dan hadden we op de slachtofferlijst van de uiteindelijk 230.000 doden gestaan.”

Na terugkeer in Nederland blijkt vooral Ferry Holtkamp de beelden van de tusnami niet te kunnen verwerken. De oud-marechaussee kampt toch al met de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Toen werd hij als kindsoldaat op Java door de wrede Japanse militaire politie Kempeitai gemarteld.

Daar komt Phuket 2004 nog eens bij. Nacht na nacht krijgt Ferry Holtkamp bezoek van spoken uit de oorlog én die gruwelijke natuurramp.

Rioolwater

„We zijn samen wel achttien keer in Thailand op vakantie geweest, maar na de tsunami is het er niet meer van gekomen”, vertelt Rie Holtkamp. „Zijn longen zaten vol rioolwater, hij heeft daar een enorme knauw gekregen.” In 2008 overlijdt Ferry Holtkamp aan de gevolgen van longemfyseem.

Kerstmis, tien jaar later. Rie is straks bij haar dochter, bij haar kleinkinderen, bij vrienden. Ze denkt, ze hóópt het dan te druk te hebben om terug te kijken.

De weduwe: „Ik weet gewoon dat die natuurramp Ferry zowel fysiek als mentaal over het randje heeft geduwd. Hij overleefde Japanse martelingen, maar capituleerde uiteindelijk voor de tsunami.”

Lees verder…

Door:  Hans Vervoort "Weg uit Indië "

10897293272?profile=originalWeg uit Indië     Door:  Hans Vervoort

Normaal  worden boeken alleen besproken in de daarvoor bestemde rubriek, dus ook in Just4kids. Toch meent de redactie er goed aan te doen om het boek van Hans Vervoort een apart plekje te geven. Het is namelijk het enige boek dat speciaal voor de jeugd een deel van de geschiedenis van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog vertelt. Daarmee neemt het een unieke plaats in in de geschied-schrijving over deze zwarte periode. Daarom het artikel hieronder.

Juniorredacteur Chinook de Deugd.

Elk jaar stuur ik een brief naar ca. 100 basisscholen en biedt ze een gratis exemplaar aan van mijn jeugdboek “Weg uit Indië”, mits ze bereid zijn het verhaal voor te lezen aan kinderen in de groepen 7 en 8. Ieder jaar opnieuw reageert 40 % daar positief op. Hun motivatie is dat er totaal geen lesmateriaal voorhanden is over de oorlog in de Oost. Bij navraag achteraf hoe het bevallen is, krijg ik steevast te horen dat de kinderen het heel spannend vonden en bijna ademloos luisterden. Temeer omdat de meesten nog niet eens gehoord hadden van Nederlands-Indië en dat het vroeger Nederlands gebied is geweest.

Opnieuw ben ik nu dus bezig met het schrijven van zo’n 100 adressen van scholen op enveloppen, verspreid over heel Nederland. Lastige klus, omdat ik niet meer gewend ben met de hand te schrijven. Hiermee lever ik dus een kleine bijdrage aan de strijd tegen de vergetelheid over onze koloniale geschiedenis.

Hoezeer dat nodig is, merkte ik weer toen ik enkele weken geleden keek naar het programma “Verborgen Verleden”, waarin Aaf Brandt Corstius op zoek ging naar haar voorouders. Een groot deel van haar familie had lange tijd in Nederlands-Indië doorgebracht, meende ze vagelijk te weten. Maar toen ze vernam dat haar overgrootmoeder in een Japans kamp had gezeten, moest ze toch even de hand voor de mond slaan. Nee toch? Waren er ooit concentratie-kampen in Indië? Net als hier in Europa? En hoe was het mogelijk dat zij daar niets van af wist? En hoe heette dat kamp dan? Banju Biru! De programma-leiding van de TV programma besloot dat er daar dan maar eens naar toe gegaan moest worden. Vervolgens zien we Aaf staan bij de ruïnes van wat ooit het interneringskamp Banjoebiroe was geweest. Dus hier had haar over-oma gevangen gezeten? Afijn, terug naar Holland dan maar weer.

Aaf Brandt Corstius is een goed opgeleide bijna 40-jarige vrouw en dochter van Hugo Brandt Corstius, die veel kennis met zich meedroeg en daar hopelijk toch ook wat van aan zijn kinderen meegaf. Toch? Bijvoorbeeld het oorlogslot van zijn oma. Bovendien had Aaf bij het horen van de naam Banju Biru ook even Wikipedia kunnen opzoeken om te weten te komen waar ze het over zou hebben. Toch? Ze had dan kunnen lezen dat “Veel vrouwen en kinderen die eerst in Kamp Malang of in vrouwenkampen bij Bandung en Soerabaja waren ondergebracht, per trein ca. 40 uur reizen verder naar Ambarawa werden overge-bracht en vandaar nog vijf kilometer in de hitte moesten lopen naar Banju Biru”. Velen verloren tijdens deze reis het leven door uitputting, dorst en ziektes.

Men zegt dat Kamp 10 (Banju Biru) een van de ergste Jappen- kampen is geweest, waar enkele duizenden vrouwen en kinderen zijn omgekomen. Over die vreselijke tocht van 40 uur en het leven in Banju Biru gaat mijn boek “Weg uit Indië”. Ik heb het geschreven omdat ik ontdekte dat er geen enkel Nederlands kinder- of jeugdboek bestaat dat gaat over de oorlog in Nederlands-Indië en de al even verschrikkelijke periode, de Bersiap, daarna.

Mijn boek is bedoeld voor alle leeftijden vanaf 10 jaar. Het verhaal gaat over Hans en Sonja, die wonen in het mooie zonnige Nederlands-Indië, als de oorlog uitbreekt. Holland is bezet door de Duitsers, horen ze van hun ouders, maar Indië zal zeker vrij blijven. Dat lag zo ver weg van Holland. Natuurlijk, het Japanse leger wil graag gebieden in Zuid-Oost Azië en dus ook Indië veroveren, maar iedereen wist  dat de Japanners niet konden schieten. Hun tanks waren van blik. Wat een schrik als de Jappen in 1941 Pearle Harbour aanvallen en in 1942 toch Indië binnenvallen.

Hans en Sonja komen met hun moeders in een concentratiekamp terecht, waar klappen vallen en elke dag een strijd is tegen honger en ziekte. Als na drie jaar Japan verslagen is, komen ze vrij en horen hoe moeilijk ook de mensen die niet in de kampen zaten, de zogenaamde “Buitenkampers” het hebben gehad. En dan begint een nieuw avontuur. De Hollanders zijn 300 jaar de baas geweest in Indië en de bevolking van Indië wil dat niet meer. Ze komen in opstand en er vallen opnieuw vele duizenden doden. Over loert het gevaar. Iedereen vlucht en ook Hans en Sonja moeten “Weg uit Indië”. Een gevaarlijke tocht begint. Zal het ze lukken om veilig naar Nederland te komen?

Het boek is in elke boekhandel te verkrijgen. Scholen kunnen het boek bestellen bij de uitgever:info@conserve.nl  U krijgt het boek dan binnen enkele dagen portvrij toegestuurd met een factuur. Wil je een gesigneerd exemplaar? Mail dan even naar de schrijver via het e-mailadres:brievenbus@hansvervoort.nl  U ontvangt dan een exemplaar gesigneerd met een opdracht en bijgesloten factuur. Het boek is ook als e-book verkrijgbaar en ook zowel geschreven en als e-book  in de Engelse taal.

In onze volgende editie hopen we een artikel te plaatsen over dit onderwerp, geschreven door iemand van de Stichting Gastdocenten WO II – Zuid-Oost Azië. De aanvraag hiervoor gaat deze week de deur uit.   Redactie.

Lees verder…

Door: Han Dehne : Nederlands-Indië

Door: Han Dehne : Nederlands-Indië 

 10897295075?profile=originalVrijmetselarij  in  Nederlands-Indië        Door:  Han  Dehne 

Vrijmetselarij is de oudste en grootste broederschapsorganisatie ter wereld. Er zijn wereldwijd ongeveer 6 miljoen leden. Vrijmetselaren omvatten elk volk, ras, sociaal en economisch niveau. Zij hebben allemaal gelijksoortige idealen en overtuigingen. Het overkoepelende voor al deze mensen is dat zij geloven in iets dat groter is dan henzelf. Ze houden vast aan bepaalde principes in dit leven, die helpen de grote vragen in het leven te beantwoorden en die uiteindelijk leiden naar een betere mensheid. De auteur dezes is nu ruim 26 jaar

aangesloten bij deze broederschap. Moderne vrijmetselarij vindt haar wortels in de vroege 18e eeuw en bewaard de tradities die het uit deze tijd geërfd heeft. Het zijn deze tradities die de vrijmetselarij een uniek gezelschap maken binnen de maatschappij. De vrijmetselarij biedt mannen van deze tijd een methode om te komen tot zingeving en ethische plaatsbepaling. De principes zijn die van tolerantie, gelijkheid, mededogen en eer. Vrijmetselaarstonen dit door tolerant te zijn voor andere opvattingen, zich te gedragen met vriendelijkheid en begrip en bijstand te verlenen binnen de gemeenschap. Vrijmetselarij erkent de geweldige rijkheid van alle culturele overtuigingen en sluit op voorhand geen enkel individu uit op basis van geloof of politieke overtuiging. Hoewel het van een vrijmetselaar gevraagd wordt om te geloven in een overkoepelend ordenend principe, is het geloof van de vrijmetselaar een persoonlijke zaak.

De eerste vrijmetselaarsloge werd in 1762 in Batavia opgericht onder de naam "La Choicie"door Jacobus Cornelis Mattheus Radermacher. Maar na zijn vertrek in 1767 uit Indië hield deze loge weer op te bestaan. Een paar jaar later werd deze loge echter weer opnieuw opgericht en door de sterke groei van Batavia ontstond al snel een tweede loge aldaar in 1770, onder de naam "La Vertueuse”. Een derde loge volgende al snel en deze loge "La Fidèle Sincérité" werd al snel bezocht door lager  en middenkader van de VOC en landeigenaren. Deze loge kwam bijeen in de Heerenlogement aan de Moorsegracht van Batavia. De andere loges kwamen bijeen ten huize van één der leden.

Aan het eind van de 18e eeuw verdween de noodzaak tot geheimhouding, aangezien ook de hoogste ambtenaren van de VOC leden zijn. Op 18 januari 1786 werd openbaar de hoeksteen gelegd voor een logegebouw in Batavia door de loge "La Vertueuse" die hiervoor 12.000 gulden had verzameld door het uitgeven van aandelen.

De inwijding van de Javaanse kunstschilder Raden Sarief Bastman Saleh en de inwijding van Abdul Rachman een achterkleinkind van de Sultan van Pontianak op Borneo in de loge "De Vriendschap" in Soerabaja in 1836 en 1844 gelden als beginpunten van de acceptatie van Indische autochtonen in de loges. De eerste Chinees die toegelaten werd was de suikerproducent The Boen Keh. Zijn aanvraag tot het lidmaatschap werd eerst in 1857 aangenomen.

In 1859 werd opgemerkt dat      de Javaanse bevolking de logegebouwen "Gedung Setan" noemden, oftewel "Het huis van Satan", De vrijmetselaars in die tijd legden deze titel uit als een verbastering van "Sint Jan" of "Rumah pengsitan (huis van meditatie). Vanaf 1870 was de vrijmetselarij in Indië wijd verspreidt over het land. Diverse loges werden opgericht en in kleinere dorpen en steden ontstaan vrijmetselaarskringen met fluctuerende lidmaatschappen

De loges opereerden vrijwel autonoom en hadden weinig contact met elkaar. In de loop der jaren werd werden onder het gezag van het Grootoosten der Nederlanden zo'n 35 loges gesticht, met name op Java en Sumatra.

10897294689?profile=originalTijdens de Tweede Wereldoorlog maakte ook de vrijmetselarij in Indië een zware periode door. Zij slaagden er soms in om in het geheim bijeen te komen, zelfs in de Japanse interneringskampen. Het herstel echter na de oorlog was van korte duur. Eigenlijk wordt op 3 maart 1950 bij een bezoek van Soekarno aan een loge duidelijk dat hij allemaal negatieve  berichten had gekregen en sprak weer over Rumah Setan. Hierna werden tot aan 1954 nog  vier loges opgericht maar de vrijmetselarij werd  al snel gezien als een subversieve organisatie. Dat werd nog sterker nadat in 1957 als gevolg van het Nederlands-Indonesisch conflict over Nederlands Nieuw Guinea er de oorzaak van werd dat alle Nederlandse ondernemingen onder staatstoezicht werden gesteld en genationaliseerd. Er vond toen een ware exodus plaats van de Nederlanders uit Indonesië. De loges liepen leeg. Ook de Indonesische leden van de loges hielden het voor gezien toen bleek dat zij door hun lidmaatschap werden gezien als pro-Nederlands.  Op 23 juni 1960 staakte de laatste loge haar werkzaamheden, Op 27 februari 1961 vaardigt een bevel van de Generale Staf uit waarin staat dat vrijmetselarij haar basis heeft buiten Indonesië en niet overeenstemt met de nationale identiteit. Daarmee kwam na 2 eeuwen de maçonnieke arbeid  van de vrijmetselarij in Indonesië aan het eind. Hoewel er sinds 2000 een versoepeling van het verbod op een aantal levens-overtuigingen in Indonesië  geldt, is het tot op heden onduidelijk of ook de vrijmetselarij hiertoe behoort. 

10897294873?profile=originalToen ik ruim 26 jaar geleden tot de Orde der Vrijmetselaren toetrad wist ik alleen een aantal basale zaken die ik had gelezen in een aantal boeken die over deze Orde gingen. Ook heb ik toen een voorlichtingsavond bijgewoond waar iemand toen van alles vertelde. En hoe summier ik ook op de hoogte hiervan was, heb ik toch het besluit genomen om te vragen lid te mogen worden. Ik bedacht mij toen dat je soms in je leven wel meer een stap maakt die, min of meer, in het duister    is gehuld en ondanks die vele onduidelijkheden en onzekerheden heb ik toch die stap gemaakt. Eigenlijk meer op intuïtieve gronden of andere niet rationele gronden.

De vrijmetselarij is, en dat moet ik als eerste kwijt is geen religie. In absolute zin bestaat de vrijmetselarij niet. Er is geen collectieve leeropvatting zoals   die bij de religie bestaat. Vrijmetselarij is een zinnebeeldige methode die kan leiden tot een individuele levenshouding. Wat is het dan verder wel of niet? Het is een inwijdingsgenootschap, een broederschap van vrij denkende mensen die niet gehinderd worden door welke vorm van dogmatiek dan ook. Voor mij persoonlijk betekent het een confrontatie met jezelf, met je diepste zelf; niet zwevend, maar gewoon met je beide benen op de grond.

10897296065?profile=originalVrijmetselarij betekent voor mij een terugkeer naar het wezenlijke van het menselijk bestaan, de eenheid tussen je verstand en je gevoel, tussen je medemens en jezelf. Maar dat betekent niet dat wij daardoor een stelletje wereldvreemde kerels zijn. Neen, wij zijn gewoon mensen die een totaler of completer mens willen worden. Wij zijn ook geen club van er jezelf bij aansluiten om er enig maatschappelijk gewin te vinden. Wij zijn ook geen elitaire club van wereldverbeteraars. Neen, wij zijn gewoon een club van mannen die dankzij de grote vertrouwelijkheid en vriendschap een broederschap vormen die uit eerbied en respect voor de persoonlijkheid van de ander zekere omgangsvormen in acht nemen.

Voor ons is ieder individu van evenveel waarde. Je kan eigenlijk zeggen dat de vrijmetselarij een levensstijl is waarbij een ieder naar eigen inzichten de waarheid zoekt en zijn best doet een beter mens te worden om daarmee voor zijn omgeving een beter mens te zijn. Om het in een redelijk korte zin samen te vatten is de vrijmetselarij een eigentijdse stroming, geworteld in een eeuwenlange traditie, waarin vrijmetselaren permanent bouwen aan zichzelf om daardoor bewuster keuzes in het leven te kunnen maken, onafhankelijk, vrij van dogma's en los van politieke of religieuze overwegingen. Vrijmetselarij is een bewust kiezen voor een leven onder een soort vergrootglas. Tegelijk aanvaard je daarmee de plicht om met alle mogelijke mensen schouder aan schouder in een broederketen te staan.

10897295880?profile=originalLoge “Ster in het Oosten”, Batavia

Vrijmetselarij is voor mij een accentuering van het niet beïnvloedbare verschil waardoor de ene mens nu eenmaal anders voorkomt dan de andere. De verscheidenheid maakt eenheid mogelijk. En die inspirerende verscheidenheid van verschillen is het palet van het leven op aarde, zonder weet te hebben van schakering kun je geen vrijwilliger van deze aarde omspannende eenheid zijn. Wij noemen dat palet "broederschap". Vrijmetselarij is op deze manier een soort leerschool, mede omdat het een voortdurend appèl doet op zelfwerkzaamheid om een beter mens te worden met een eigen verantwoordelijkheid voor relaties en de eigen positie.

  10897295898?profile=original   Het symbool van de vrijmetselarij verwerkt in tuinaanleg bij een loge Boven: luchtfoto; onder: tekening

Maar alleen al dit gegeven maakt het boeiend om met elkaar regelmatig van gedachten te wisselen. We kennen een manier van omgaan met elkaar waarbij een ieder tot zijn recht kan komen. zo hij dat wil. Niemand zal hem in de rede vallen als hij iets wil zeggen of meedelen. Een ieder blijft in zijn waarde omdat wij gewend zijn om hooguit onze mening naast die van de ander te zetten zonder te proberen de ander te overtuigen of een mening op te dringen. Immers respect voor de ander staat boven aan ons lijstje. 

U begrijpt dat wij naast het regelmatig met elkaar van gedachten wisselen over allerlei onderwerpen, wij ook nog op een andere manier arbeiden. Dat doen wij op bepaalde avonden met behulp van een soort mythisch spel, een rituaal noemen wij dat. Op zo'n avond zijn wij wat 10897296095?profile=originaldeftiger gekleed en voeren met elkaar een rite op. Deze ritualen hebben wij met elkaar afgesproken en voeren wij uit zoals alle broeders in Nederland dat eenvormig doen. Wij gebruiken daarbij allerlei symbolen tegen een mythische achtergrond met bepaalde voorwerpen.

Hoe dat gaat vertel ik niet, want dat is nou juist de clou. Bij een inwijding als lid of zo moet dat nou juist worden ervaren als een soort verjaardagsgeschenk. Men moet blindelings vertrouwen op  de medebroeders die deze symbolische handelingen samen mee uitvoeren. En als er al iets geheim is in die vrijmetselarij dan is het dat. Voor het overige zijn er geen echte geheimen, niets engs, niets controversieel. Wij zijn een normale vereniging met een normale bestuurlijke samenstelling die geheel binnen de wet van het land functioneert. We hebben statuten en een huishoudelijk reglement.

U heeft kunnen lezen dat wij streven naar een geestelijke groei, maar wij spreken niet over de richting waarin die groei zich zou moeten ontwikkelen. Die keuze ligt geheel bij de vrijmetselaar zelf. Er zijn immers even zoveel meningen als er vrijmetselaren zijn, maar de kracht ligt - volgens mij - juist in de vrijheid van waarheidsvinding en de daaruit voortvloeiende verdraagzaamheid. Een gangbare uitdrukking bij ons is "op u komt het aan" en dat betekent dus primair een eigen werkzaamheid om datgene te bereiken dat u wilt. Voor mij betekent dat een beter mens worden in deze maatschappij. Niets meer en niets minder. Als ik dit allemaal samenvat dan kan ik zeggen dat vrijmetselarij een ethisch systeem is die zich bedient van symbolen en ritualen. Nou is dat ook al niet bijzonder want in het dagelijks leven zijn wij allang gewend aan het werken met symbolen. Denk maar aan de trouwring als uiterlijke vorm van de diepe verbondenheid met een ander. Je kan ook denken aan een anker of het kruis. Ook degenen onder u die een kerk bezoeken ondergaan allerlei ritualen.

10897296476?profile=originalHet doel van ons systeem is dat je met behulp daarvan jezelf tot een beter mens kan vormen en dan beter in de zin van completer mens, harmonieuzer en even-wichtiger ontwikkeld. Zoals al eerder aangegeven: door onze manier van denken en werken zijn wij wars van dogma's. Immers dogma’s belemmeren altijd je geestelijke groei. Als iemand zegt "dat is zo" dan zeggen wij; "nou dat kan wel zo zijn maar ik onderzoek dat liever zelf" en soms betekent dat, dat je ergens grote vraagtekens bij stelt. In dictatoriale staten en onder streng religieuze regimes is vrijmetselarij altijd bestreden omdat het haar leden aanspoort zelfstandig naar waarheid te zoeken en dat is dus in dit soort staten niet welgevallig. Het streven van vrijmetselaren naar vrijheid heeft in gesloten maatschappijen vaak een krachtige impuls gegeven aan democratisering.

______________________

Lees verder…

Door: Humphrey de la Croix - Nederlands-Indië en de Eerste Wereldoorlog 

10897297688?profile=originalNederlands-Indië en de Eerste Wereldoorlog Door:  Humphrey de la Croix

Precies 100 jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog, die ook z’n invloed had op Nederland en haar kolonie Nederlands-Indië. De redactie is daarom gaan zoeken op het internet naar een artikel dat de situatie destijds goed weergaf en daarmee aantoonde dat ook Nederlands-Indië op tal van manieren getroffen werd door wat toen nog werd genoemd “De Grote Oorlog”. Het hierna volgende artikel van de hand van historicus Humphrey de la Croix paste goed in dit kader en werd uitgekozen om in NICC Magazine te plaatsen.  (De redactie)

De Grote Oorlog was een wereldomvattende gebeurtenis die aan neutrale landen als Nederland niet kon voorbijgaan. Door de strategische ligging aan de Noordzee en de rol in de wereldhandel (overslag naar Duitsland, België) raakte ons land de belangen van de belangrijkste oorlogvoerende landen. In die internationale handel speelde de kolonie Nederlands-Indië een zeer belangrijke rol vanwege het bezit van olie, kolen, metalen, agrarische producten en andere grondstoffen. Het Europese conflict was door de betrokkenheid van de grote koloniale mogendheden Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland onvermijdelijk een wereldoorlog geworden. Deze landen grensden zowel in als buiten Europa aan het koninkrijk.

Was de keuze voor neutraliteit passend in een Nederlandse pacifistische gedachte? Vast wel en niet geheel symbolisch kan het in 1913 voltooide Vredespaleis in Den Haag daar een bevestiging van zijn. Real-politiek gezien was het vooral een verstandig standpunt van een klein Europees land dat geen militaire middelen had om buitenlandse machts-politiek te voeren. Het bezit van de grote kolonie Indië deed daar niets aan af. Misschien waren het bezit en onderhoud van de geografisch grote kolonie eerder een dusdanig grote last om te onderhouden dat Nederland ook niet tegelijk een sterke koloniale mogendheid kon zijn. Spoedig zou blijken dat Indië ook niet te verdedigen kon zijn tegen buitenlandse agressors.

Mobilisatie van de Nederlandse krijgsmacht

Ook als neutrale mogendheid zag Nederland zich met de dreigende oorlog in zicht genoodzaakt op 30 juli 1914 de algehele mobilisatie af te kondigen. Die neutraliteit moest verdedigd kunnen worden. 
De sterkte van het Nederlandse landleger bedroeg in 1914 ruim 200.000 man, wat vergeleken met Duitsland (2.147.000 man) en de Britten en Fransen samen (2.282.000 man) amper militair kon afschrikken. Ter zee was de Koninklijke Marine vergeleken met de Duitse, Britse en Franse in omvang en vuurkracht een kleine zeemacht en niet berekend op het aangaan van een gewapend treffen met die sterke vloten.

De gevolgen voor de economie

Economisch was de mobilisatie een zware last voor ons land. Een deel van het productieproces verminderde of lag stil omdat mannen waren opgeroepen. In augustus 1914 hadden de Britten een handelsblokkade ingesteld en controleerden het scheepsverkeer naar Nederland op verboden verklaarde goederen, zogenoemde “contrabande”. Hieronder vielen onder andere graan, suiker, diverse voedingsmiddelen, leer, schoenen en katoen. Dit soort zaken kon bedoeld zijn voor de vijandige legers. De Britse marine hield schepen aan en dwong ze naar Engelse havens te varen voor controle. De lading kon bestemd zijn voor Duitsland en Oostenrijk of er vandaan komen.

De oorlog dreigde voor Nederland desastreuze gevolgen te hebben zoals grote schaarste, massale werkloosheid en verzwakking van de militaire kracht. De jaren 1917 en 1918 zouden de zwaarste periode worden. Voedselschaarste zorgde voor een strikt rantsoeneringsbeleid en ook de kwaliteit van voedsel verminderde ook. Uit die tijd dateren termen als eenheidsworst en standaard-schoenen, die uitdrukking gaven aan de ontstane noodzaak tot soberheid. Hoewel er geen hongersnood dreigde gingen er geruchten rond over het bestaan van katten- en hondenslagers.

Kwetsbare neutraliteit

Zich bewust van de beperkte militaire kracht om die neutraliteit af te dwingen wanneer die bedreigd zou worden, was de Nederlandse regering er helemaal niet zo gerust op dat Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, en in Azië Japan de Nederlandse positie zouden respecteren. Het verloop van de oorlog zou zo maar vanwege strategische redenen Nederland actief en ongevraagd  in de oorlogs-handelingen zélf kunnen betrekken. Onzekerheid heerste gedurende de hele oorlogsperiode. Was het echt ondenkbaar dat Duitsland van ons land, zoals in hun opmars in augustus 1914, ook een kortste weg en dit geval naar  de Noordzeehavens zou maken? En was van de Britten echt niet te verwachten dat ze de doorvoer-havens naar Duitsland, Vlissingen en Rotterdam, ongemoeid zouden laten? Nederland was en bleef de zwakke schakel in de Britse zeeblokkade en daarmee een potentieel doelwit. De Nederlandse neutraliteit werd zwaar op de proef gesteld tijdens de oorlog. Schendingen van het grondgebied waren niet bepaald zeldzaam.  De Britse vliegtuigen bombardeerden in de nacht van 29 op 30 april 1917 Duitse stellingen aan de Belgische kust in en rond Zeebrugge. en Oostende.                       

 

Rotterdam, 1917. De voedsel-schaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog. Eerste centrale keuken (gaarkeuken) in Nederland, De kok en het personeel bij de kookketels en pannen. Foto: Nationaal Archief / Spaarnestad.

Om aan het vijandelijk afweer-geschut te ontkomen vlogen ze over Zeeuws-Vlaanderen en ook  boven Zierikzee waar om niet duidelijke reden een bom werd afgeworpen. Een Duitse schending van het Nederlandse luchtruim boven Schouwen-Duiveland en Goeree-Overvlakkee vond plaats op 18 augustus 1917. Er was toen een luchtgevecht met Engelsen en vervolgens vielen er twee Duitse bommen op Nederlandse bodem.
In beide gevallen was  er geen echte “spierballenreactie” van Nederlandse zijde. De regering wilde Engelsen noch Duitsers voor het hoofd stoten. De Nederlandse zwakte op het politieke en        het militaire wereldtoneel werd daarmee alleen maar benadrukt.

Nederlands-Indië in 1914 een opkomende inheemse nationalistische beweging

De oprichting van de Sarekat Islam in 1912 als eerste Indonesische politieke partij zou het begin betekenen van de laatste fase van de koloniale relatie tussen het moederland en de volken van de archipel. Het ontstaan van een nieuwe zelfbewuste, intellectuele elite was het resultaat van de toegang tot Westers onderwijs en de daarin gepropageerde waarden als vrijheid, zelfbeschikking en gelijkheid van alle volken, en van ideeën als democratie en socialisme. Een Ethische Politiek gericht op ontwikkeling van de inheemse onderdanen van de kolonie, had dus als effect dat kritiek op de koloniale band wortel had geschoten. Het Nederlands-Indische Gouvernement onder leiding van de gouverneur-generaal bekeek de ontwikkelingen met het nodige wantrouwen.  Heel Indië was op dat moment na de lange Atjeh-oorlog nog maar drie decennia onder Nederlandse controle gebracht. Recenter, in 1908 had Bali na een opstand zich onderworpen. En nu werd de interne stabiliteit alweer danig uitgedaagd door het ontwakend inheems nationalisme. De in 1912 opgerichte eerste Indonesische politieke beweging Sarekat Islam verlangde voor de bevolking van Indië dezelfde rechten als de Nederlanders in Europa en in de kolonie. Gaandeweg de volgende jaren werd de Sarekat Islam alleen maar radicaler en linkser in haar eisen. De in 1913 actief geworden Indische Partij van Ernest Douwes Dekker (‘DD’) kende al van meet af aan geen terughoudendheid om te verklaren dat Indië uiteindelijk los moest komen van Nederland. DD’s streven was dat het toekomstige land van de ‘Indiërs’ door dezen zélf moest worden bestuurd. De Indo-Europeanen  zouden daarin als groep voortkomend uit twee werelden maar met de intellectuele, bestuurlijke en organisatorische bagage van de moderne Westerling, een voor-trekkersrol moeten spelen. Wat het koloniaal bestuur extra zorgen baarde was dat de Indische Partij marxistische elementen omarmde.
Naast de Sarekat Islam kwamen in de periode 1910-1920 andere politieke, politiek getinte (vakbonden) en politiek-religieuze organisaties opzetten. Toen de oorlog uitbrak was deze ingezette binnenlandse ontwikkeling de grootste zorg van het Indische bestuur. Vanaf augustus 1914 zou echter de wereldoorlog de agenda van het Indische Gouvernement gaan beheersen. Begrijpelijk gezien de grotere en fundamentele vragen die inmiddels waren gerezen: waren Nederland en zijn kolonie in gevaar en hoe zou het Koninkrijk door die oorlog komen? De grote onzekere, nabije factor was het toen nog verre Japan. Het eerste Aziatische land dat in de moderne tijd de grote Europese mogendheid Rusland in 1905 had verslagen.

Japan als nieuwe machtsfactor

Het effect van de door Japan gewonnen oorlog tegen Rusland was het besef dat een in de regel als minder ontwikkeld beschouwd Aziatisch volk een Westers land kon verslaan. In Nederlands-Indië speculeerden allerlei politici, journalisten, ondernemers en intellectuelen over wat de Japanners zouden willen doen met het toegenomen politieke prestige en hun militaire kracht. Het was duidelijk dat het land van de rijzende zon tot aanzienlijk meer in staat was dan zelfverdediging. Gezien de vrij recentelijke ontwikkeling als een feitelijk Westers gemodelleerde moderne industriestaat, leek het land nog maar aan het begin te staan van een verdere vergroting van zijn macht.
In Indië was er een enorme scepsis ontstaan over alles wat Japans was. Immigranten uit Japan werden met argusogen bekeken en vaak verdacht van spionage. De komst van steeds meer Japanners werd gezien als een voorbereiding op overname van de kolonie. En deze bespiegelingen vonden niet alleen plaats in de kranten. Ook in het landsbestuur speculeerden politici en ambtenaren over de werkelijke Japanse intenties. 

10897298081?profile=original1915 KNIL. Troepen op mars, links een Japanse veldkeuken getrokkendoor kleine inlandse paarden.

Foto: Spaarnestad Photo.

De wens om een grote marine te hebben

Hoe sterk dat vooroorlogse wantrouwen tegenover Japan leefde, bleek al uit de discussies in Den Haag en Batavia over de wenselijkheid de vloot te versterken. Een Vlootcommissie was van mening dat de zeestrijdmacht niet minder dan negen slagschepen (de grootste oorlogsschepen in die tijd) nodig had om het Koninkrijk te verdedigen én om een serieuze offensieve afschrikkingsmacht te zijn. Door de open ligging van de archipel was Indië in zijn geheel moeilijk te verdedigen door het handvol (ongeschikte) schepen van de Gouvernementsmarine en het eskader van de Koninklijke Marine. Daarbij beschikten de potentiële aanvallers over zwaar materieel als dat slagschepen, slagkruisers en onderzeeboten. Schepen die Nederland niet eens had. 
In de discussies over de te volgen strategie passeerden verschillende scenario’s. Vaak kwam daarin de vraag naar voren of de nadruk moest liggen op “alleen” de verdediging van het hoofdeiland Java. Of waren de Buitengewesten ook net zo belangrijk? Een antwoord op deze laatste vraag kwam vanzelf gezien de groter wordende rol van olie, kolen en metalen in de moderne economie en oorlogvoering. Juist deze grondstoffen waren overvloedig te vinden in Sumatra en Celebes (Sulawesi).
Gouverneur-generaal Idenburg (van 1911 tot 1916) vond dat Indië over een grote vloot van vijf slagschepen moest beschikken om een vijand te kunnen afschrikken door de zekerheid dat een aanval op Nederlands territorium tot aanzienlijke schade aan de eigen vloot en strategische sterkte zou leiden.
Naar goed Nederlandse traditie werd de discussie uiteindelijk gedomineerd door het kosten-aspect. De ambitie van een sterke vloot die een aanval van de grote mogendheden kon voorkomen en afslaan, plus ook nog aanvallend kon opereren, was echter niet betaalbaar. Praktisch was er een ander probleem om op te lossen: het gebrek aan (geschoold) personeel en met name in de lagere rangen. Waar moest dat vandaan komen? Door de gestegen welvaart was een baan in de krijgsmacht (als een soort laatste heenkomen) niet meer zo nodig. Mannen konden genoeg aantrekkelijker en beter betaalde banen vinden.

De besluitvorming over de te bouwen slagschepen is niet tot stand gekomen in de oorlogsperiode. Door de oorlog zou de bouw van de schepen toch niet hebben kunnen doorgaan omdat die in een van de oorlogvoerende landen zou moeten gebeuren. De beslissing over de vlootversterking is pas in 1923 genomen: het voorstel werd met een krappe meerderheid in de Tweede Kamer weggestemd, 51 stemmen tegen en 49 vóór.

 
Het  Nederlands-Indisch Leger

De nadruk op versterking van de vloot zorgde bij het leger voor een tegengeluid. Uit vrees voor uitblijven van de gewenste versterkingen wees de legerleiding op de noodzaak om te kunnen optreden tegen eventuele binnenlandse massaopstanden om de Nederlandse hegemonie niet te verliezen. Een sterk argument gezien het besef bij het landsbestuur dat de Nederlanders numeriek verre de mindere waren van de Indonesiërs. En recentelijk  bleek uit de opkomende nationale bewegingen een  roep om zelfstandigheid en inspraak. Het Gouvernement was extra beducht voor het ontstaan van geweld-dadige opstanden als gevolg van radicale oproepen zoals de Indische Partij.

Door de internationale politiek was het Gouvernement gedwongen na te denken over de toekomst van het koloniale leger. Totdat de internationale spanningen zo hoog waren opgelopen, hoefde  het koloniaal bestuur zich helemaal niet bezig te houden met de strategische rol van de Indische strijdmacht. De koloniale krijgsmacht  was na de onder-werping van de laatste verzets-haarden Atjeh en Bali een politioneel leger geworden, gericht op het handhaven van orde en rust. Tactische en strategisch was het niet toegerust op een treffen met een modern aanvalsleger dat geavanceerde wapens bezat en getraind op nieuwe strijdwijzen. De opbouw van een dergelijk leger zou  meerdere jaren kosten. Materieel moest opnieuw worden ontworpen en gefabriceerd en de vraag was of Nederland de technologie al in huis had. Om zelf slagschepen te bouwen in ieder geval niet. De Britten, Engelsen en Duitsers hadden die wél. Daar kwam nog bij dat het in Nederland zélf ontbrak aan expertise in moderne oorlogsvoering.

Het leger in Nederland was bovendien in het algemeen niet goed genoeg getraind vanwege allerlei procedurele en praktische belemmeringen zoals niet meewerkende bezitters van land en onwelwillende gemeente-besturen. Het moet gezegd dat het Nederlandse leger niet eens ouderwets was of niet echt geïnteresseerd in innovaties, maar er was gewoonweg te weinig van alles: manschappen, materieel en actuele strategieën en tactieken.

10897298471?profile=originalEerste Wereldoorlog. Mobilisatie vrijwilligers Nederlands Indië. Na erkenning door de regering worden de blanke en inlandse vrijwilligers van kleding en wapens voorzien door het gouvernement  en gaan ze daarmee oefenen. Groepsfoto tijdens een velddienst-oefening op Buitenzorg (bij Batavia), Java, Ned. Indië (het huidige Indonesië), 1915.  Foto: Spaarnestad Photo

Bij het uitbreken van de oorlog had van de Nederlandse strijd-macht alleen het KNIL recente gevechtservaring. Echter, de kracht van het KNIL was gelegen in de eenheden die in Atjeh hadden gevochten. In vaak moeilijke fysische omstandigheden had het koloniale leger als een van de eerste Westerse krijgsmachten een contra-guerillaoorlog gevoerd met kleine gevechtseenheden, vergelijkbaar met hedendaagse special forces (toen: het Korps Marechaussee te voet). Deze ervaring was echter niet zinvol voor een treffen met een geregeld modernen  deels gemechaniseerd invasieleger.
Toch was de top van defensie hard aan het nadenken over een moderne krijgsmacht. Ten eerste over de vorming van een groter leger en vervolgens over nieuw aan te schaffen wapens. In de discussies kwam ook de oprichting van het toen nieuwe luchtwapen (zeppelins en vliegtuigen) aan de orde. Vanaf 1916 was die ook realiteit.

Leger en marine bij het uitbreken van de oorlog

De bevelhebbers schout-bij-nacht F. Pinke en luitenant-generaal Michielsen hielden rekening met betrokken raken in oorlogs-handelingen. Engeland  en Frankrijk  waren potentiële bedreigingen voor Indië, Duitsland in mindere mate (ook al zou de handel last krijgen van zogeheten Duitse raiders in de Indische Oceaan en zeeën rond het Maleisisch schiereiland). Maar geen van de oorlogvoerende landen bezat een grote strijdmacht ter plekke voor een invasie van de archipel. Japan zou het grootste en meest reële gevaar vormen, maar daarvan gingen beide militairen niet uit. Uit voorzorg besloot schout-bij-nacht Pinke het marine-eskader niet in Soerabaja (Tandjoeng Perak) te houden maar naar Tandjong Priok, de haven van Batavia te sturen. Hij was van mening dat in het westen van de archipel issues rond de neutraliteit zich het meest zouden kunnen voordoen omdat daar de invloedssferen van Engeland, Frankrijk en Duitsland lagen. Het beschermen van de neutraliteit zou het best geëffectueerd kunnen worden vanuit  Batavia als uitvalsbasis. Toen de oorlog echt een feit was geworden besloot Pinke zijn schepen naar de veiliger haven van Banten in West-Java te sturen. Het is de vraag of met deze beslissing uit voorzorg het pal staan voor bescherming van de neutraliteit was gediend. Het wekt toch de indruk van weglopen. Tegelijkertijd was het reëel omdat het kwetsbare Nederland geen partij was voor de Geallieerden of Centralen, mochten deze staten al hun oog hebben laten vallen op ons Nederlands-Indië.

Het Gouvernement is bij het uitbreken van de oorlog in Europa niet overgegaan tot mobilisatie van het koloniale leger. Reden was om Japan niet voor het hoofd te stoten door de indruk te wekken dat land als een potentiële agressor te zien. Wél heeft het opperbevel verordend dat voor-bereidingen werden getroffen voorafgaand aan een daad-werkelijke mobilisatie. Het betrof onder andere magazijnen aanvullen, scenario’s uitwerken voor het overnemen van civiele taken door militairen en ook de voorbereiding van terughalen en plaatsen van troepen die nog in de Buitengewesten waren gelegerd. Ten slotte werden draaiboeken geoefend voor verplaatsing van het centrale bestuursapparaat van Batavia naar andere plaatsen meer in het binnenland van Java.
Bevelhebber Michielsen kampte intussen met een onderbezetting van zijn leger met ruim 3000 Europese mannen en meer dan 1700 inheems personeel. Daarbij kwam dat er geen financiële middelen waren om te werven en extra personeel te betalen. Eerder al werden KNIL-militairen met verlof in Nederland aangespoord zich daar aan te sluiten bij het leger.
Het tekort aan manschappen leidde tot suggesties vanuit de Indonesische groeperingen en van nationalistische voorlieden, om dienstplicht te overwegen of een inheemse militie in het leven te roepen. Op het volkenrijke Java (destijds meer dan 30 miljoen inwoners) kon genoeg personeel worden gerekruteerd. Echter het Gouvernement verwierp het idee van gewapende Indonesiërs met het oog op de numerieke minderheid van de Europese machthebbers.

De oorlog en het leven van alledag in Indië
De onrust kende een bijna hysterisch moment in de eerste oorlogsdagen.  Door geruchten verspreid in de kranten Java Bode, Preanger Bode en De Locomotief dachten velen dat er 15 Japanse schepen lagen in de Wijnkoops-baai in het zuiden van West-Java. Uit onderzoek op last van de resident van Soekaboemi bleek er totaal geen sprake van zo’n Japanse aanwezigheid.

 

Bataviaasch Nieuwsblad 10 maart 1917

Dat er een gevoel van oorlog heerste uitte zich in de eerste dagen door het massaal hamsteren van eten en andere eerste levensbehoeften. Ingeblikt voedsel was snel uitverkocht of slechts tegen hoge prijzen te koop. Toen het besef was doorgedrongen dat de kolonie niet direct in gevaar was, ebde de paniek snel weg. De mensen stelden in ieder geval wel niet-direct noodzakelijke aankopen uit; een normale reactie in tijden van onzekerheid.
De aankoop door het leger van grote voorraden rijst, bloem, suiker, koffie en ingeblikt voedsel had echter gevolgen voor de burgerbevolking. Het zorgde voor schaarste en prijsstijgingen. Vooral de armere sociale groepen als de lagere Europese klassen en de inheemse bevolking werden getroffen.
Geruchten en aperte onwaarheden veroorzaakten ook nog eens een sfeer van onrust en soms paniek. Verhalen over niet meer kunnen beschikken over banktegoeden en over het niet meer op krediet te kunnen kopen in winkels en bij leveranciers, verergerden de onrust onder velen. Echter, ook dit ebde weg toen bleek dat kopen op de pof gewoon weer aan de orde van de dag was. Dat de prijzen voor voedsel hoog bleven leidde tot zorg bij ondernemers en bestuurders. Het onbetaalbaar geworden basisvoedsel zoals rijst raakte het dagelijks leven van de Indonesiërs direct. Kwalitatief zou hun voedingssituatie in de loop van de oorlog er op achteruit gaan. De vrees voor sociale onrust was reëel en inmiddels was er een opkomend nationaal bewustzijn dat latente ontevredenheid onder de bevolking zou kunnen mobiliseren.

Een emotioneel effect had het nieuws dat koningin Wilhelmina de oprichting van het Nederlands Koninklijk Nationaal Hulp Comité had uitgeroepen. Hiermee konden hulpgoederen en geld worden verzameld voor landgenoten die door de gevolgen van de oorlog inkomen dreigden te verliezen. De vrees was dat het stilvallen van de wereldhandel voor grote werk-loosheid zou zorgen. Ook werden door de zeeoorlog families van elkaar gescheiden waardoor de kostwinners uit Indië geen geld meer konden betalen aan hun gezinnen als gevolg van het stoppen van internationaal betalingsverkeer. De verbonden-heid met de mensen in Nederland uitte zich in de oprichting van comité’s die geld inzamelden voor arme Nederlanders, voor mensen met verlof die niet naar Indië terug konden en voor Belgische vluchtelingen in Nederland. De oorlog was voor de mensen direct voelbaar door de gevolgen van de Engelse handelsblokkade met inbegrip van het censureren en blokkeren van het overzeese post-telegraaf en betalings-verkeer.   De Britten controleerden en  censureerden brieven en telegrammen. Betalingen werden gecontroleerd of ze niet ten gunste waren van de vijand. 
Het meest voelbaar voor de mensen in de kolonie was dat contacten wegvielen en er onzekerheid ontstond over het welbevinden van familie en vrienden. De angst dat Duitsland Nederland zou aanvallen en bezetten was groot. Dat zou de kolonie direct raken omdat de strijdende mogendheden dan de strategische positie van Indië anders konden gaan zien. Een inval van Indië was dan niet meer zo heel fictief. De stemming onder de Nederlandse bevolking van Indië raakte dan ook bedrukt en de mensen pasten zich aan door een stemmigheid te creëren. Zo vond men het niet meer gepast te gaan feesten. De mensen bepleitten een ingetogen viering van Koninginnedag op 31 augustus, dus zonder uitbundige activiteiten als dans en muziek.

De economische gevolgen van de oorlog

De jaren 1914 en 1915 kwam de kolonie nog redelijk goed door ook al was de handel met West-Europa ongeveer komen stil te vallen en  had dat voor werkloosheid en meer armoede gezorgd onder de bevolking. De handel met de oorlogvoerende landen kelderde enorm. Indië kom zijn suiker, copra, olie, katoen en andere producten niet meer kwijt in Europa. De Engelse en Franse vloot hadden de wateren in het Verre Oosten net zo goed onder controle als in Europa. Door de zeeblokkade kreeg Indië ook te maken met schaarste aan machines, medische apparatuur, hoogwaardige technische producten en aan metalen. De zeeoorlog en blokkades, de contrabande op veel goederen, het tekort aan vracht capaciteit omdat wereldwijd schepen voor de oorlogsvoering waren ingezet, zorgden voor een stagnatie in de import en export. Nederlands-Indië kon de genoemde goederen niet meer uit Europa halen en andersom konden de producten van de archipel het land niet meer verlaten. Voor handelsnatie Nederland was dit een enorme klap.

Lees dit krantenartikel op: http://kranten.delpher.nl/nl/view/index?image=ddd%3A010367235%3Ampe...

Een omslag begon zich te aan te dienen omdat de kolonie moest zoeken naar alternatieve handels-contacten. Voorheen bestaande argwaan ten opzichte van Japanse producten maakte plaats voor interesse en openstelling. De Verenigde Staten kwamen in beeld als afzetmarkt voor tabak en als leverancier    van metalen en hoog waardige technische producten. Naarmate de oorlog voortduurde wijzigde de economische oriëntatie van Indië van Europa richting Japan, de Pacific en Amerika. Toch compenseerde deze trend niet geheel het wegvallen van de Nederlandse en andere Westerse markten als gevolg van de zeeblokkade. De vrije val van de export zorgde naast het verlies van markten grote werkloosheid.

De effecten van de voort durende oorlog werden het meest voelbaar in de jaren 1917 en 1918. De deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog had positie van Nederland verzwakt. De nieuwkomer op het strijdtoneel streefde naar een zo hard mogelijk treffen van Duitsland zodat de strijd niet langer dan nodig zou duren. Als gevolg van het blokkeren van handel aan landen die aan Duitsland grensden, viel er nog een handelsactiviteit weg. Handel met de Geallieerden was nog wel toegestaan. De situatie was gewoonweg dat Nederland op het wereldtoneel politiek machteloos was gemaakt omdat de Geallieerden alles dicteerden.  De Duitsers op hun beurt gingen daardoor steeds meer twijfelen aan de Nederlandse neutraliteit.  

Ons land hield zijn hart vast voor een lot dat België al in 1914 was beschoren.
De gevolgen van de oorlog waren in Nederland zélf groter dan in de kolonie. Voedsel werd erg duur en samen met andere eerste levensbehoeften kwamen ze op de bon. De kolonie kon door de oorlog producten als suiker, rijst, copra, tapioca, thee, kapok en peper niet meer kwijt. Hierdoor werden bedrijven én de inheemse arbeidskrachten en hun gezinnen flink getroffen.  Ook hier schoten de prijzen van voedsel de hoogte in.
Het einde van de oorlog in 1918 zou niet zondermeer een herstel betekenen van de vooroorlogse economische groei en stabiliteit. De jaren twintig zouden sociale onrust kennen als gevolg van bezuinigingen op lonen en een groei van de socialistische en communistische beweging. Nadat het Gouvernement deze hadden onderdrukt volgde de Grote Depressie van 1929 die pas tegen 1938 zou eindigen, gevolgd door het begin van het einde van Indië in 1942.

De oorlog: Indië op eigen benen?

Door zeeblokkades, de inzakkende handel en verminderd post- en telegraafverkeer verminderde het contact tussen moederland en kolonie dusdanig dat deze laatste gedwongen zag zelfstandig ingrijpende beslissingen te nemen. Wachten op toestemming van ‘Den Haag’ kon te lang duren waardoor op te lossen problemen alleen maar groter konden worden. Banken, bedrijven en Gouvernement konden geen maandenlange of jaren durende wetgevingsprocedures afwachten wanneer er meteen iets moest gebeuren. De Javaasche Bank moest bijvoorbeeld de nodige extra kredieten verschaffen aan suikerproducenten om door de stil gevallen export, voorraadvorming te kunnen financieren. Probleem was dat van bedrijven  hoofd-kantoren in Nederland zaten en vaak als enige majeure beslissingen mochten nemen. Daarbij kwam ook nog het argument dat de verschaffers van kapitaal óók in Nederland of andere Westerse landen zaten. Dus “wie betaalt, bepaalt”.

Maar dit beginsel was niet      meer werkbaar wanneer de communicatielijnen niet meer functioneerden, waardoor de “filiaalhouder”  in Indië zijn maatregelen niet kon voorleggen noch daarop antwoord kon krijgen.

De verwijdering tussen het moederland en de kolonie zorgde voor een heroriëntatie van de beide economieën. Beide onderdelen van het koninkrijk werden minder van hun onderlinge handel afhankelijk. Nederland richtte zich op nieuwe markten in Europa en Nederlands-Indië intensiveerde de betrekkingen met Japan, andere Aziatische landen en de Verenigde Staten. Naast een ontwakend inheems nationaal bewustzijn begonnen ook de bedrijven en de bestuurders autonomie, maar dan economisch gezien, aan de orde te stellen.   De onverdedigbaarheid van de kolonie door het moederland had het besef dat meer autonomie en daardoor slagkracht gewenst was, alleen maar versterkt.

Lees dit krantenartikel op: http://kranten.delpher.nl/nl/view/index?image=ddd%3A010555244%3Ampe...

De Grote Oorlog had niet alleen de dominante positie van de twee grote koloniale mogendheden Groot-Brittannië en Frankrijk aangetast, maar zeker ook het aanzien van Nederland als een koloniale macht.

Indo-Europeanen en de Grote Oorlog

Detailstudies over de Indo-Europeanen in de oorlogsperiode zijn nog niet verricht. Het is in meer algemene lijnen dat over hen informatie te vinden is. Tóch is er op basis van verricht onderzoek een beeld weer te geven van de geschiedenis van Indo’s  in relatie tot de oorlogs-situatie.
In de jaren van 1910 tot 1920 zien we in de kolonie de veranderingen voorkomen die het lot van de Nederlandse over-heersing zouden gaan bepalen. En vanzelf daarmee ook van de Indo’s als onderdeel van de Europese bovenklasse. De belangrijkste ontwikkeling was het ontstaan van een Indonesisch bewustzijn over de ongelijke machts- en welvaartsverdeling in en als gevolg van de koloniale overheersing. Toegang tot het Europees onderwijs en banen die voorheen waren voorbehouden aan Europeanen, werden meer en meer bezet door geschoolde Indonesiërs. Deze trend was deels het gevolg van de Ethische Politiek waarmee het Gouvernement erkende dat slechte woon- en werkomstandigheden, uitbuiting en onderbetaling hadden geleid tot een verarming van de inheemse bevolking. Zeker ook ter voorkoming van sociale onrust heeft het koloniaal bestuur maatregelen getroffen om de zogeheten ‘mindere welvaart’ van de bevolking te bestrijden. Daarnaast was er ook de missie om de bevolking ‘op te heffen’, in het Nederlands van toen betekende dat ontwikkelen van de Indonesiërs tot goede onderdanen, goed Europees opgeleid personeel en opgevoed naar Westerse waarden en normen.

Dat sociale beleid ging echter voorbij aan de Indo-Europeanen die door het bestuur niet tot de doelgroep van de welvaartspolitiek behoorden. Hoewel  zij gemiddeld een hogere welvaart hadden dan Indonesiërs, was er onder hen een aanzienlijk deel dat tot de lagere welvaartsgroepen behoorde. Een groot effect van de Ethische Politiek was dat Westers geschoolde Indonesiërs de Indo-Europeanen gingen beconcurreren en ook wel verdringen op de arbeidsmarkt. Ze waren niet alleen even goed gekwalificeerd maar ook veel goedkoper.
Onder de Indo’s begon een gevoel van achterstelling toe te nemen. Hoewel nooit openlijk massaal geuit vanuit de groep, voelden veel van hen dat veel blanke, “echte”, Nederlanders hen niet als gelijkwaardig zagen. De Indo werd in media en in besloten kringen vaak indirect en direct bespot en smalend bekeken. Dat kwam vaak juist doordat Indo’s als vanzelf zich de Westerse manieren en leefwijze maakten om zichzelf te bewijzen. Tegelijkertijd zorgde deze oriëntatie op de Europese leefwereld voor een verwijdering van hun Indonesische wortels.

Deze ongemakkelijke en tragische positie werkte door in sociaal-economisch opzicht. Voor de meeste ontwikkelde Indo’s was er uiteindelijk een ‘glazen plafond’ dat hen buiten de Nederlandse elite hield. Ze waren uiteindelijk niet gelijkwaardig aan de totoks. Voor topfuncties werden meestal geschikte kandidaten uit Nederland gehaald. Een ander effect hiervan was een scherper etnisch bewustzijn. Omdat de kolonie voor langere vestiging aantrekkelijker was geworden (meer voorzieningen, meer comfort) kwamen de nieuwkomers uit Europa met hun vrouwen en kinderen. Dit zorgde voor een groter aandeel van blanken die zich onderscheidender opstelden tegenover niet-blanken inclusief Indo’s. Het blanke superioriteits-gevoel als gevolg van de successen van wetenschap, industrialisatie  en gerealiseerde hogere welvaart, versterkte alleen maar een raciaal bewustzijn, waarmee Indo’s anders dan voorheen ook te maken konden krijgen.
Indo’s onderaan de sociale ladder  zagen zich constant bedreigd met terugvallen naar hun Indonesische wortels. Concreet te belanden in de ‘kampong’ of Indonesische woonwijk, metafoor voor de verpaupering in zowel materieel als cultureel opzicht. Onder de blanke Europeanen of totoks was er geen algemeen idee dat Indo’s systematisch werden achter-gesteld of dat er officieel racisme was. In de Sumatra Post van 26 oktober 1917 werd dat nog eens onderstreept.

Er waren ook tegengeluiden, zo blijkt uit De Tijd van 4 september 1917. Passages uit het artikel geven ook wel weer aan dat in Europese kringen (naar de geest van die tijd) de Indo’s werden gezien als een bevolkingsgroep die aan de onderkant van de samenleving was gesitueerd.

10897298491?profile=originalEen eerbetoon door Australische  veteranen aan de vele miljoenen gesneuvelde paarden en ezels (9-11-2014).

Pleidooi voor een sociaal-economische geschiedenis van de Indo’s

Is na te gaan welke gevolgen de oorlog heeft gehad op de sociaal-economische situatie van Indo-Europeanen? Het antwoord op deze vraag houdt in een onderzoek over een langere periode. Bijvoorbeeld lopend van 1900 tot 1930 en dan is de periode 1914-1918 een kort-durende fase in een langer lopend onderzoek naar trends en patronen in de welvaarts-ontwikkeling van de Indo’s als sociale groep. Sociaal-economisch historisch onderzoek gaat minder over incidentele feiten dan over trends en patronen in loon-ontwikkeling, werkgelegenheid, economische sectoren, de sociale mobiliteit, onderwijskansen en deelname aan cultuur, sport en verenigingsleven. Belangrijke bronnen zijn daarbij de officiële welvaartsonderzoeken, lonen en prijzen, sterfte- en, geboorte-cijfers, gegevens over verhuis- en migratiebewegingen.
Dat de Grote Oorlog van invloed is geweest op de algehele welvaart van alle bevolkingsgroepen in Nederlands-Indië staat vast. Echter, in welke mate de Indo’s binnen de Europese bevolking in meer of mindere mate  zijn getroffen, is niet bekend.

Indonesisch politiek bewustzijn en loyaliteit aan Nederland

De Grote Oorlog versterkte in Indië de aanhankelijkheid aan het moederland en koningshuis. Ook de nieuwe sociaal en politiek zelfbewuste Indonesiërs betoonden hun loyaliteit. De periode laat een opkomend Indo-bewustzijn zien, zich uitend in het ontstaan van een politieke beweging de Indische Partij en een belangen-vereniging Indo-Europees Verbond

De Indo-emancipatiebeweging was een feit, vaak ook aangemerkt als een einde van indolentie.
De Indische Partij trok veel Indo’s aan in 1913 maar de beweging was door haar radicale ideeën te vroeg verschenen.  Doorslag-gevend waren het verbod op de partij en verbanning van de politieke leiders Ernest Douwes Dekker, Soewardi Soerjaningrat en Tjipto Mangoenkoesoemo, waardoor ze op een dood spoor terechtkwam. Bij nader inzien hadden de Indo’s behoefte aan concrete  en directe  belangen-behartiging nodig. Het ging hun om grotere toegang tot Europees onderwijs op alle niveaus, goede en betaalbare gezondheidszorg en natuurlijk banen waardoor ze welvaart konden bereiken die bij hen als Europeanen hoorde. De doelstellingen van het Indo-Europees Verbond speelden hier wél op in én politiek was ze meer gericht op de consensus en samenwerking met het bestuur.  
Gaandeweg richting 1920 uitten de Indonesische bewegingen zich meer expliciet voor een toekomstige zelfstandigheid. Het moederland zou daarin nog wel voorkomen maar hoe? In de jaren tot 1927 werd duidelijk dat door leiders als Soekarno, niets minder dan een onafhankelijk Indonesië het streven was.

Het Gouvernement zou de Indonesische nationalistische bewegingen effectief elimineren totdat de Japanners de kolonie zouden bezetten.

Samenvattend

De Grote Oorlog viel in een periode waarin Nederlands-Indië zich midden in sociale en politieke veranderingsprocessen bevond. Door grotere toegang tot het onderwijs kregen Indo’s en Indonesiërs kansen op beter werk en sociale stijging. Educatie vormde ook een nieuwe sociaal en politiek bewuste klasse van Indonesiërs die voor het eerst hardop begonnen te spreken over zelfstandigheid en onafhankelijk-heid. De eerste politieke bewegingen als Sarekat Islam, Indische Partij en vakbonden deden hun intrede. Het Indische Gouvernement was als altijd alert op sociale onrust en onderdrukte waar nodig al te radicale geluiden. De Indische Partij ondervond dat aan den lijve in 1913 en leidde tot haar beëindiging. De oorlog zorgde voor het verminderen van directe invloed van ‘Den Haag’   op de kolonie. De Engelse zee-   en handelsblokkade, de agressie van de Duitse oorlogsschepen   (de zogeheten Raiders en het onderzeebootwapen) en ook de algehele Geallieerde controle op zee tot in het Verre Oosten, maakten dat Nederland de belangen van Nederlands-Indië niet effectief en direct kon verdedigen. Hoewel in 1914 en 1915 de Indische economie nog redelijk goed presteerde, dreigden exportproducten hun markten in het Westen te verliezen. Zo verloor het belangrijke koloniale product suiker de Britse markt omdat Cuba een nieuwe leverancier was geworden.

10897298684?profile=originalDrs. Humphrey de la Croix

De oorlog noodzaakte Indië om economisch zelfstandiger te worden. Nieuwe markten en wederzijdse handelsvoordelen werden gevonden in de grote Amerikaanse markt en (in mindere mate) in Japan. Voor Nederlands-Indië was de Pacific het nieuwe oriëntatiepunt aan het worden. De Grote Oorlog, en eerder de Japans-Russische oorlog, vormen het bredere kader waarin de Nederlands-Indië past. Japan maakte Aziaten duidelijk dat de Westerlingen niet onoverwinnelijk waren. De jaren ’1914-1918′ lieten de kwetsbaarheden van het Westen zien, mede door het extra beroep op onderdanen en de grondstoffen uit de koloniën.     De Indonesiërs merkten dat Nederland hen niet had kunnen beschermen tegen een aanval van Britten, Engelsen en meer tot de verbeelding sprekend: Japanners. Tot aan het begin van  de volgende wereldoorlog in Indië en het eind van de Nederlandse overheersing volgden slechts nog 23 jaren.

Drs Humphrey de la Croix

Geboren in 1957 in Modjokerto, studeerde hij geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Zijn specialisme is de sociaal-economische geschiedenis van het Nederlands kolonialisme. Hij heeft meegewerkt aan publicaties als: “Indië herinnerd en beschouwd, sociale geschiedenis van een kolonie 1930-1957” en “Gelders Blauw, het Indische leven in de provincie (2007).Daarnaast is hij recensent voor het “Tijdschrift voor Geschiedenis” en geeft hij tal van lezingen op het gebied van de geschiedenis van de Nederlandse koloniën. Tevens is hij hoofd-redacteur van de website www.indischhistorisch.nl, over de geschiedenis van de Indische Nederlanders. Verder is hij mede-oprichter en bestuurslid van de Stichting Arisan Indonesia.

Literatuur:
Kees van Dijk, The Netherlands Indies and the Great War, 1914-1918. Leiden KITLV 2008.
Paul Moeyes, Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918. De Arbeiderspers. Amsterdam 2011.
Paul van der Veur, The lion and the gadfly. KITLV, Leiden.

 

Song of Remembrance to those who perished in The Great War 1914-1918, zie: pagina 23.

Lees verder…

Door:  Rita Kopetzky - Bersiap periode

10897288689?profile=original

Bersiap periode   Door:  Rita Kopetzky

Voor alle lezers die nog niet helemaal op de hoogte zijn van alle geschiedkundige feiten en verhalen, in dit artikel even een opfrissertje.

De Japanners, noch de Britten waagden zich aan enige vorm van gezagshandhaving, tenzij ze van hogerhand daartoe de opdracht kregen. De Pemuda’s, jonge Indonesiërs, waren op straat de baas. De Japanse kampcomman-danten moesten wel de kampen bewaken tegen de explosie van geweld van de Pemuda’s. Deze jongelui waren tijdens de oorlogsjaren door de Japanners opgehitst tegen de Nederlanders.

10897289260?profile=originalDe Pemuda’s waren jonge rebellen, die niet behoorden tot het Indonesische leger. Zij waren bijzonder fanatiek en gingen aggressief en vaak zeer wreed te werk. De ergste uitbarsting van geweld vond plaats in het najaar van 1945. De Japanse eenheden in Soerabaja hebben er na de capitulatie alles aan gedaan om het de geallieerden zo moeilijk mkogelijk te maken. Japanse wapenarsenalen werden open-gesteld voor Indonesische strijd-groepen, terwijl de Indonesische jongeren die door hen eerder waren opgehitst tegen de Nederlanders, nu aangespoord werden om wraakacties te beginnen. Echter ook de ca 400 Chinezen in Soerabaja werden het slachtoffer van deze acties. En tenminste 600 Nederlanders vonden op vaak afschuwlijke wijze de dood.

In totaal zouden ook ca. 12.000 Indonesiërs worden gedood in de strijd om Soerabaja, die nog zou volgen. In die strijd kwamen ook zeker 429 Brits-Indische militairen de dood. Het 16e leger van Japan stelde zijn wapendepots open voor de Indonesiërs en  selecteerde een duizendtal officieren en onder-officieren om een regulier leger in Indonesië op te zetten.

Nationalistische Pemuda’s vormden tot de tanden gewapende groepen met samoeraizwaarden (van de Jappen gepikt of gekregen), klewangs, indrukwekkend lange politiesabels (waar ze meestal als eerste naar grepen) en Hun uitrusting werd gecompleteerd door één of twee pistolen in holsters, een bajonet en een zonnebril. Vaak ook hadden ze vlijmscherp geslepen bamboe-speren bij zich. Enkelen hadden zelfs patroonbanden weten te bemachtigen, die ze kruislings over de borst droegen. Ze reden rond in vrachtwagens die ze van de Jappen hadden geconfisceerd. Trots en vol vuur schreeuwden zij uit alle macht om vrijheid en revolutie: “Merdeka – merdeka”.

10897288898?profile=originalBuiten de kampen werd het erg gevaarlijk; als ze je te pakken kregen, werd je onherroepelijk “getjingtjangt” (in mootjes gehakt) Een zekere Soetomo, die de drijvende kracht was achter deze haarcampagnes tegen alles wat Nederlands was, trok zich niets aan van Soekarno en Hatta, die lieger op een constructieve manier en met steun van de Verenigde Naties de vrijheid van hun land wilden bevechten. Het optreden van de extremistische groepen leidde ertoe dat Soekarno en Hatta zich genoodzaakt voelden om totaal onvoorbereid de onafhankelijkheid uit te roepen op 17 augustis 1945.

Hiermee brak de Bersiap periode aan. Commandant Whitmarsh-Knight, die op dat moment aan het hoofd stond van de 5e Indian Division, getuigde over ene Jack Boer, reserve kapitein bij het KNIL over zijn daadkracht en zijn strategisch inzicht. Er zaten 2348 Nederlanders opgesloten in de Werfstraatgevangenis in Soerabaja en die stonden op het punt om door de extremisten te worden vermoord. Er stonden voor de uitgehongerde gevangenen tonnen met vergiftigde rijst klaar. Als ze die gegeten zouden hebben had niemand het overleefd en daarna zou de gevangenis met vaten benzine in brand worden gestoken, waarbij ieder die er zich bevond, dood of nog levend, verbrand zou worden.

10897288689?profile=originalOp 10 november 1945 vond een spectaculaire bevrijding plaats, waarbij Jack Boer en 10  Gurkha’s de Nederlanders hebbemn bevrijd. Na het uitschakelen van de wachten, werd met een tank de muur doorboord, waardoor de gevangenen konden vluchten. Degenen die nog in hun cellen zaten, werden bevrijd door de celdeursloten kapot te schieten. Buiten stond een vrachtwagen klaar om de in veiligheid te brengen. Bij deze actie verloor slechts één Gurkha het leven.    De bloedbaden van de Simpang-club en het Goebeng-transport vormden een blinde vlek in de Indonesische onafhankelijkheids-geschiedenis, zo beschrijft Inez Hollander. Zij geeft een aanval weer    op    een    transport    van vrouwen en kinderen. De bronnen in Indonesië over de revolutie in Soerabaja noemen het bloedige lot van het Goebeng-transport niet eens. Na de agressie van een zwaar beproefd volk, kwam men tot bezinning. Men sprak er liever niet meer over. Inez Hollander is zo’n beetje de enige die het in haar boek “Verstilde stemmen en verzwegen levens” beschrijft. Er is een massagraf van dit transport in Soerabaja. De juiste aantallen van Indonesiërs die in de slag om Soerabaja het leven lieten, zijn niet bekend, maar het zullen er duizenden zijn geweest.

Soekarno

In 1927 Richtte Soekarno de Partai Nasional \indonesia (RNI) op. Deze partij streefde naar de onafhankelijkheid van Indinesië. In 1929 werd hij door de Nederlanders gearresteerd en in de Soekamiskin gevangenis gezet. Hij kreeg strafverkorting en werd op 31 december 1931 vrijgelaten. Zijn reis naar huis werd een ware triomftocht. In augustus 1933 werd Soekarno weer gearresteerd en verbannen naar Flores. Vanwege zijn gezondheid werd hij in februari 1938 overgeplaatst naar Benkoelen in Zuid-Sumatra. Die tocht bracht weer massa’s mensen op de been. Toen de oorlog met Japan uitbrak, in 1942, kwam hij weer vrij. Men dacht dat Soekarno en Hatta gemanipuleerd waren door de Japanners, maar eigenlijk was het juist Soekarno die een heel sluw spel speelde met de Japanners. Hij heeft de Japanse autoriteiten geholpen, soms ten koste van zijn eigen volk, door zijn mensen als dwangarbeiders uit te leveren; deze werden door de misleidemde campagnes geronseld Hij gebruikte de Japanners om zijn doelen te verwezenlijken. Door de onvoorwaardelijke capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 was er een gezagsvacuum ontstaan, wat de Britten weigerden om op te vullen. Hierdoor werd Soekarno door zijn eigen achterban gedwongen om op 17 augustus de Republik Indonesia uit te roepen. Na de oorlog werd Soekarno (niet democratisch) gekozen om te regeren over alle eilanden die door onder andere de Nederlanders bij elkaar gebracht waren, maar die daarvoor nooit één rijk vormden. De Molukkers, Timorezen, Papua’s en Medanezen, aan wie door Koningin Wilhelmina onafhanke-lijkheid was beloofd, vonden het verschrikkelijk dat Soekarno met geweld over hen ging regeren. Veel Molukkers kregen via de rechter een verblijfsvergunning in Nederland.

10897289497?profile=originalBritse hulp

Door de verwarring rond de Japanse capitulatie was een snelle overname van de macht dpoor geallieerden van het nog door Japan bezette Nederlands-Indië onmogelijk. Het inschepen van Maharata-, Gurkha- en Sikh-troepen vanuit Brits Indië (India) geschiedde pas in o0ktober 1945. In deze twee verloren maanden had de terugkeer van de krijgs-gevangenen naar hun familie en vooroorlogse standplaatsen moeten plaatsvinden. De leiding van het Britse leger bewapende de Japanse soldaten opnieuw met bajonetten en geweren (zonder kogels) voor de verdediging van de kampen. Hierdoor werden de Japanners gedwongen de bajonetten, die zij voorheen op ons hadden gericht, nu op de Pemuda’s te richten.

De duistere rol die de Japanners in de naoorlogse politiek gespeeld hebben is nooit helemaal duidelijk geworden. Zij hadden immers de tijd gekregen al het belastende materiaal over hun wandaden te vernietigen. Dit heeft dan ook de berechting van van veel Japanners wegens oorlogsmisdaden ernstig bemoeilijkt. De Britten hebben zich aanvankelijk geconcentreerd op de bevrijding van de krijgs-gevangenen en de ontwapening van de Japanners. Het herstel van het gezag zoals dat voor de oorlog was, behoorde niet tot hun taak. Ook met de Indonesische onaf-hankelijkheidsstrijd bemoeiden ze zich niet. Daardoor werden de eerste vijf bataljons van de Nederlandse oorlogsvrijwilligers maandenlang in Malakka in quarantaine gehouden, terwijl de Pemuda’s de Nederlandse burgers aan het afslachten waren.

Twee politionele acties waren nodig om Nederland militair tot overwinnaar te maken, maar de Nederlanders verspeelden op politiek terrein alle sympathie van de internationale gemeenschap en was hierdoor feitelijk de grote verliezer. De Nederlandse politiek was en bleef de enige schuldige aan het zinloos geweld en niet de Indische Nederlanders of de vanuit Nederland gezonden soldaten, die thans veteraan zijn.

Lees verder…

Internationale Top 50 Allertijden

Indoweb Internationale Top 50 Allertijden

10897301658?profile=original

Tussen Kerst en Oud en Nieuw is Nederland in de ban van lijstjes. De 10 beste en slechtste dingen van 2014 en natuurlijk op Radio 2 de Top 2000 Allertijden. Maar wat zijn nu de grootste Indische hits allertijden. Indoweb zette 50 Indo-evergreens voor je op een rij. Wat is jou Indo-hit allertijden?

1. Tielman Brothers – Little Bird
2. Blue Diamonds – Ramona
3. Anneke Grönloh – Brandend zand
4. Ernst Jansz – Een eerste klein verraad
5. Andy Tielman & Tjendol Sunrise – Rock little baby of mine
6. The Crazy Rockers – Mamma-Pappa Twist
7. Anneke Grönloh – Nina bobo
8. Yopie Latul – Poco poco
9. Rudi van Dalm – Begawan solo
10. Dinand Woesthoff – Dreamer (Gussie’s song)

11. The Young Sisters & The Black Dynamites – Let’s have a party
12. Boudewijn de Groot – Verdronken vlinder
13. Van Halen – Jump
14. Liesbeth List – Pastorale
15. Blaudzun – Promises of no man’s land
16. Wieteke van Dort – Arm Den Haag
17. Eddy Chatelin – Down by the riverside
18. Royal Hawaiian Minstrels – Mooi Hawaii
19. The Hot Jumpers – I’ll never let you cross my mind
20. Kane – No surrender

21. Ricky Risolles – Poco poco style
22. Michelle Branch – Everywhere
23. Massada – Sajang é
24. Armand van Helden – You don’t know me
25. Lois Lane – It’s the first time
26. Jiggy Djé – Ik heb je
27. The Eastern Aces – The Way I Treat You
28. Jamai – Step right up
29. Blue Diamonds – That’ll be the day
30. Tielman Brothers – Rock little baby of mine

31. Jack Jersey – Papa was a poor man
32. Tjendol Sunrise – Rays of morning sun
33. Wieteke van Dort – Klappermelk met suiker
34. Blaudzun – Flame on my head
35. The Partysquad – Rampeneren
36. Ernst Jansz – De ballade van Nina Bobo
37. Tielman Brothers – Java guitars
38. Kane – Rain down on me
39. Liesbeth List – Te veel te vaak
40. The Desmounts – Midnight blue

41. George Baker – Little green bag
42. Sandra Reemer – The party’s over
43. Lois Lane – Tonight
44. Justine Pelmelay – Blijf zoals je bent
45. Sjors van der Panne – In het zicht van de haven
46. Jack Jersey – In the still of the night
47. Justine & Marlon – Waarom huil je toch Nona Manis
48. Original Talkatives – Squeeze Louise
49. Boudewijn de Groot – Testament
50. Dewi Pechler & Jamai – When you walk in the room

Lees verder…

ICM Project & Events, organiseert seminar  naar het boek "Overleven door het denken in projectstrategieen.  Het boek is ook afzonderlijk te bestellen kosten  49,95 Euro via schwab@icm-online.nl 

10897402857?profile=original

Seminars "Overleven door te denken in projectstrategieën".

Ferry Schwab, emeritus, werkzaam geweest als Senior Management Consultant ( DGA van Fastware & Advisering) met als opdrachtgevers het Bankwezen, en Overheid.  Voor de periode 1993 - 1999 uitsluitend Multinationals in de Benelux, wil graag zijn belevenissen en ervaringen met U delen, en zette deze om in het boek met de titel "Overleven door denken te denken in projectstrategieën". Met het projectdenkend geeft Ferry Schwab vele projecten overleeft en succesvol afgesloten. Het boek is een herdruk die in 1997 is uitgebracht, toen uitsluitend voor bedrijven.  Druk II is juist bedoeld voor iedereen van hoog tot laag in de organisatie, en deze begint juist in de thuis situatie voor evenwichtige balans tussen werk en privé.

U kunt zich nu inschrijven voor  de seminardagen februari aanstaande. U ontvangt een bevestiging op uw inschrijving, mocht de inschrijvingen vol zijn dan wordt automatisch naar het volgende seminar gepland.

De seminars worden gehouden bij Van der Valk te Harderwijk zie  voor parkeren en  routebeschrijving www.harderwijkvandervalk.nl

10897403054?profile=original

Inschrijving bedraagt € 69 (Excl. BTW) en is inclusief het boek "overleven door te denken in projectstrategieën" met ISBN 978-94-92954-36-7 ter waarde van € 62,75. Het boek bevat methodieken die U in vele situaties (praktijkgevallen)  als naslagwerk kan gebruiken op in uw werksituatie  of bij U thuis.


Voor uw inschrijving schwab@icm-online.nl  voor gedetailleerd informatie info@icm-online.nl


Het boek is ook afzonderlijk te bestellen kosten  49,95 Euro via schwab@icm-online.nl 

Wordt georganiseerd door ICM Project & Events

Lees verder…

PERSBERICHT  15 december, muzikale opening in kerstsfeer van het Openluchtpodium Doorn

10897403471?profile=original10897403301?profile=original10897403079?profile=original

  

Op zaterdag 15 december wordt het Openluchtpodium Doorn op het terrein van het Revius Lyceum Doorn officieel geopend met een muzikaal evenement in kerstsfeer: het Santa-Kerstevent.

 

Het programma van dit Santa-Kerstevent duurt van 16.00 uur tot ongeveer 21.00 uur en bestaat uit een kleine intieme Kerstmarkt met glühwein, hapjes, leuke kerstartikelen èn een aantrekkelijk sfeervol muzikaal programma.


Om 18.00 uur wordt het openlucht podium officieel geopend door de wethouder en oud-directeur van het Revius Lyceum.

 

. Het bekende combo Wout Nijland & Friends ( met saxofonist Harry Jekel) zal een prachtig Kerstrepertoire verzorgen.

. Daarnaast treedt ook het 45 koppige zangkoor Forevergreens uit Amersfoort belangeloos op. ‘Forevergreens’ is een initiatief van de Amersfoortse toetsenist, arrangeur en dirigent Paul Brandsma en bestaat uit mensen, jong en oud, die 2-wekelijks op woensdagavond met plezier ‘songs van alle tijden’ zingen, echte evergreens. Op 15 december is het repertoire toegespitst op Kerst.

. Een compacte delegatie van zes blazers van Harmonie Manderen uit Maarn/Maarsbergen zal dit evenement aan blazen. Ook zij treden belangeloos op.

 

Ook kinderen zullen zich op dit evenement kunnen vermaken.

 

Standhouders die mee willen doen kunnen zich nog melden. 

 

Dit evenement is een spontaan initiatief van de op te richten ‘Stichting Openluchtpodium Doorn’. Recent is door de ‘Stichting Muziekkoepel Doorn’ het openluchtpodium speciaal voor de Doornse bevolking gebouwd op het terrein van het Revius Lyceum, dat alle medewerking aan dit evenement heeft toegezegd.

 

Facebook: Openluchtpodium Doorn

 

Meer info: 06-50663884 (Richard Limpens), 06-51472977 (Wout Nijland)

 

Lees verder…

10897406689?profile=originalBuitenkampers vormen een grote, maar vergeten groep die tijdens de oorlog en Bersiapperiode in Nederlands-Indië zwaar heeft geleden. Over ’het erge’ praten ze alleen in eigen kring.

Bronvermelding : TROUW.

Indo’s, de gemengd Indonesisch-Europese burgers van Nederlands-Indië, waren tot op het bot loyaal aan Nederland. De Japanse bezetters verwachtten dat de mensen van gemengd bloed wel voor hun Aziatische kant zouden kiezen, maar dat pakte totaal anders uit.

Voor Lucy Bussemaker-de Neve was het al Nederland wat de klok sloeg in Indië. Zoals de meeste Indo-Europese vrouwen bleef ze zich tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië westers kleden. „Dat was de tragiek van haar eigen opvoeding. Mijn moeder was zo pro-Nederland dat ze weigerde om zich te ’verlagen’ door Indonesische kleding te dragen”, vertelt Herman Bussemaker (74). Hij maakte als ’buitenkamp-kind’ de Japanse bezetting en daarna de gewelddadige Bersiapperiode (1945-1946) mee. Zo’n 200.000 Indische Nederlanders hebben de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië buiten de jappenkampen doorgebracht, onder vaak moeilijke omstandigheden.

De groep is groter dan de 120.000 Nederlanders die in de kampen geïnterneerd waren, maar nog steeds relatief onbekend. Dat is volgens historicus Bussemaker te wijten aan het ontbreken van een Indo-schrijfcultuur en aan het moeten ’overleven’ in het naoorlogse Nederland. Welbeschouwd is het cynisch dat uitgerekend de meest loyale dienaren zo’n hoge prijs hebben moeten betalen voor hun trouw aan Nederland. Bussemaker: „Eén op de zes Indische Nederlanders heeft de bezetting en de Bersiaptijd niet overleefd. Dat realiseert men zich in Nederland niet.”

Vanaf het begin van de Japanse bezetting in maart 1942 verzetten Indo’s zich tegen maatregelen om de Nederlandse invloed op met name Java uit te bannen. Op het bezit van de Nederlandse vlag of een portret van koningin Wilhelmina stonden op zijn minst stokslagen en in het uiterste geval onthoofding; maar dat weerhield veel Indische Nederlanders er niet van om zo’n vlag of portret te koesteren. Door geen salaris en pensioenen meer uit te betalen en KNIL-militairen krijgsgevangen te maken, raakten de buitenkampers geïsoleerd en vogelvrij. „Indische families kropen bij elkaar. Voor hun bescherming waren ze aangewezen op ouderen en jongeren. Jongens werden de straat op gestuurd om aan geld te komen. Ze verwilderden, sommigen werden zelfs crimineel”, schetst Bussemaker de ’steeds vijandiger leefomgeving’.

Herman Bussemakers vader keerde niet terug uit krijgsgevangenschap. Hij kwam in september 1944 om toen het troepenschip Junyo Maru werd getorpedeerd. Met zijn moeder, oma en twee broers leefde Bussemaker in de citroen- en sinaasappelplantage van de familie op Oost-Java. Door te kiezen voor het behoud van de plantage had zijn pro-Nederlandse moeder haar Indische afkomst zwaarder laten wegen. Alleen Indo’s mochten immers buiten de kampen leven. „Dat moet voor mijn moeder een verschrikkelijke stap zijn geweest. Pas later heb ik me gerealiseerd dat die keuze haar innerlijk verscheurd moet hebben.”

Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 brak zeker voor Indische Nederlanders een nog moeilijker tijd aan, die van de Bersiap. Jonge Indonesische vrijheidsstrijders, opgeleid door Japanse militairen, verklaarden de oorlog aan het kolonialisme. Indische Nederlanders moesten het ontgelden, omdat ze te boek stonden als pro-Nederlands en in eerste instantie zonder bescherming tussen de inlandse bevolking woonden. De meeste slachtoffers onder Indo’s zijn tijdens de Bersiap-periode gevallen. Bussemaker: „Mijn vijandbeeld en dat van vele anderen bestond niet uit Japanners, maar uit Indonesiërs. Voor hen zijn we uiteindelijk naar Nederland gevlucht.”

Zo’n 50.000 Indo’s werden na de Japanse capitulatie deels voor hun eigen veiligheid alsnog gearresteerd en in kampen geïnterneerd. Het eten was er karig en slecht. „Rijst met een waterige soep. Met een katapult schoten we op mussen en als er een kat of hond door het kamp liep, verdween die meestal in de pan. Mijn moeder maakte sambal van slakken. We vonden het nog lekker ook.”

De familie Bussemaker verbleef in vier verschillende kampen tot ze pas anderhalf jaar later, in maart 1947, vrij kwam. Twee jaar later besloot moeder Bussemaker dat haar drie zoons in het op onafhankelijkheid afstevenende Indonesië geen toekomst hadden. Ze keerden niet van verlof in Nederland terug.

Voor veel Indische Nederlanders is het ’de meest bittere frustratie dat ze in Nederland als tweederangs burgers zijn behandeld’ in het land dat ze tegen zo’n hoge prijs altijd trouw waren gebleven, zegt Herman Bussemaker, die ook voorzitter is van het Indisch Platform, het overlegorgaan van Indische organisaties in Nederland. Ambtenaren en militairen kregen geen salaris of pensioen over de jaren die ze gevangen hebben gezeten; Indische Nederlanders zijn uitgezonderd van de afspraken tussen Nederland en Indonesië over vergoeding voor de geleden oorlogsschade. „Maar mijn moeder is nooit bitter of gefrustreerd geweest”, vertelt Bussemaker. „Ze zei altijd: ’Jongens, we hebben het hier toch goed’. En ze heeft geweigerd om ooit nog een voet op Indonesische bodem te zetten.”

581?appId=e9b4e2a1869038ffcaf318a6d1463b0b&quality=0.8

Na de Japanse capitulatie patrouilleren militairen door de straten van Batavia (1945). (FOTO COLLECTIE NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE)

581?appId=e9b4e2a1869038ffcaf318a6d1463b0b&quality=0.8
Historicus Bussemaker maakte in Nederlands-Indië de bezetting en de na-oorlogse -periode mee: ¿Mijn vijandbeeld bestond niet uit Japanners, maar uit Indonesiërs.¿ (FOTO MAARTJE GEELS)

DEEL DIT ARTIKEL


Lees verder…
Zwarte Sinterklaas Niet uitpakken maar inpakken. Voor de Nederlanders in Indonesië was 1957 het jaar van Zwarte Sinterklaas, 6 december 2007

Andere Tijden 6 december 2007 Zwarte Sinterklaas onderling belang

Op 5 december kwam de mededeling dat ze voorgoed het land moesten verlaten. Het was de climax van de anti-Nederlandse stemming die al maanden heerste in de voormalige kolonie. En daar gingen ze... richting een voor velen onbekend vaderland. 


Terwijl iedereen in Nederland op Sinterklaasavond in 1957 vrolijk pepernoten at en cadeautjes uitpakte, was de Sinterklaasviering in Indonesië omgeven door een zwarte rand. Alsof het een Sinterklaassurprise betrof, hoorden de 50.000 Nederlanders op 5 december dat ze Indonesië moesten verlaten. Van een echt ontspannen feestje was toen geen sprake meer. Lange tijd waren er al spanningen in Indonesië en de haat tegen de Nederlanders was hoog opgelopen. Toch had niemand van de Nederlandse gemeenschap erop gerekend dat ze echt weg zouden moeten. Maar de Indonesische regering pikte het niet meer. Nog altijd gedroegen de Nederlanders zich alsof het land van hun was, terwijl Indonesië al sinds 1949 onafhankelijk was. Bovendien viel Nieuw-Guinea nog onder Nederlands bestuur, geheel tegen de zin van de Indonesische regering in.

Twee pijnlijke zaken, die in december 1957 tot uitbarsting kwamen. Al weken scandeerden de nationalisten tijdens massademonstraties leuzen als "Weg met de Belanda" en "Ilias Belanda linjap dari Irian Barat"; Hollandse ratten, verdwijn uit Nieuw-Guinea. Daarbij flink aangevoerd door nationalistische toespraken van Soekarno. Het hek was van de dam toen de Verenigde Naties (VN) op 29 november 1957 besloot dat Nieuw-Guinea toch onder Nederlands bestuur bleef. De Indonesiërs gingen over tot bezetting van de Nederlandse bedrijven. Duizenden Nederlanders moesten de maanden daarna uit Indonesië vertrekken.

Ruurd Koopmans en zijn vrouw

Nederlandse bedrijven de baas

Als militair kwam de Nederlander Ruurd Koopmans in 1946 in Indonesië terecht. Lang duurde zijn militaire loopbaan in Indonesië niet, na de eerste politionele actie werd hij gedemobiliseerd. Hij besloot in 1948 bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) in Jakarta te gaan werken. Koopmans: “Ik wilde heel graag in Indonesië blijven. Ik zal er geen doekjes om winden, ik wilde daar carrière maken. Natuurlijk wilde ik ook goed doen voor het land, maar de broodwinning stond voorop. Het was een opbouwperiode, die eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog en het was niet makkelijk". Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 bleven de Nederlanders zich nog altijd gedragen alsof ze de baas waren in het land. Ze behielden vaak hun koloniale bezit en de oneerlijke economische verhoudingen bleven vrijwel gelijk. Heel verrassend was dat niet, want zo was het officieel vastgelegd bij de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag in 1949. De Nederlandse bedrijven hadden daar bedongen dat zij in het onafhankelijke Indonesië ongelimiteerd zaken konden blijven doen. Dat was opgetekend in de Financieel Economische Overeenkomst. De Nederlandse bedrijven konden gebruik maken van allerlei voordelige regelingen, zodat de winst optimaal was. De Indonesische regering was politiek dan wel onafhankelijk, maar economisch volstrekt niet. Dat ging wrikken. Die economische afhankelijkheid was pijnlijk zichtbaar bij de scheepvaartverbindingen tussen de talrijke eilanden van de archipel. Dat was praktisch het monopolie van de KPM. Indonesië zou graag de KPM in handen krijgen. Dat zou een uitstekende basis kunnen vormen voor de Indonesische handel. Maar dat bleef een droom. Daar was geen geld voor.

Voor de Indonesische regering was het wel haalbaar om op microniveau maatregelen door te voeren om de economische macht van de Nederlanders in te perken. Pragmatische politici begonnen daarom begin jaren vijftig met de zogenaamde "indonesianisasie". Die politiek was erop gericht om zoveel mogelijk economisch bezit in handen van Nederlanders, geleidelijk over te hevelen naar de Indonesische bevolking. Ook het Indonesisch personeel moest op hogere posities komen. Nederlandse bedrijven met een sleutelpositie, zoals de spoorwegen, elektriciteit - en gasbedrijven kregen als eerste met deze maatregelen te maken. Indonesiërs richtten een eigen handelsvereniging op om het monopolie van de "Big Five", de vijf belangrijkste Nederlandse handelshuizen, te breken. Ook reserveerde de regering importvergunningen exclusief voor eigen Indonesische importeurs, ten nadele van de Nederlandse ondernemers. Later volgde de regel dat 70 % van het personeel in Nederlandse bedrijven Indonesisch moest zijn. Maar het ging moeizaam. De Nederlanders stonden niet te springen om Indonesisch personeel op hogere functies of in het management te plaatsen. De scheiding tussen de Nederlandse gemeenschap en de Indonesische bevolking bleef groot. De Nederlanders leefden geïsoleerd van de Indonesische bevolking. Constance Huydecoper, echtgenote van de eerste secretaris van de Nederlandse vertegenwoordiging in Jakarta, herinnert zich dat het haar bij aankomst in 1957 opviel, dat er in het centrum van die immens grote gebouwen stonden van Nederlandse bedrijven: "Het enige Indonesische dat je op het grote centrale plein zag, waren de Indonesische bedienden die daar rondfietsten om ons, de Nederlanders, te bedienen".

Om Nederlandse bedrijven te dwingen meer Indonesiërs op hogere functies te plaatsen, beperkte de regering het afgeven van werkvergunningen aan Nederlanders. Dit ontmoedigingsbeleid moest er op lange termijn toe leiden dat Indonesiërs de bedrijven helemaal zouden overnemen. Voor de radicale nationalisten ging dat "op de lange termijn denken" veel te langzaam. Zij wilden de "koloniale economie" per direct omzetten in een nationale economie. En Nieuw-Guinea moest Indonesisch worden. Hun radicale opstelling versterkte de nationale gevoelens en de anti-Nederlandse stemming. Eind 1957, in aanloop naar de stemming in de VN over de status van Nieuw-Guinea, liepen de spanningen hoog op.

“Jaag de Nederlandse honden weg”

"Serahkan Irian Barat" (Laat West Irian los) en "Usirl andjin belanda dari R.I." (Jaag de Nederlandse honden weg uit de Republiek Indonesië); overal in Indonesië stonden deze leuzen op de muren gekalkt. De sfeer werd in deze laatste maanden van 1957 steeds grimmiger. De twee strijdpunten waren Nieuw-Guinea en economische zelfstandigheid. Men wilde af van het juk van de "koloniale" Nederlanders. De Indonesische regering stelde zich gematigder op dan de nationalisten, maar ging wel akkoord met de start van een landelijke Nieuw-Guinea campagne. De coördinatie kwam in handen van het “West Irian bevrijdingscomité”, geleid door de minister van Voorlichting, Subidjo. Dit bevrijdingscomité streefde naar het verbreken van de diplomatieke betrekkingen en nationalisatie van de Nederlandse bezittingen. Op 28 oktober 1957 startte de Nieuw-Guinea-campagne. Een joelende en schreeuwende mensenmassa stroomde toe op het plein voor het gebouw van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging. Constance Huydecoper zag het vanaf het "platje" op het dak, waar ze altijd met haar man koffie dronk: "Ze verbrandden een stropop en schreeuwden dat de Hollanders, Belanda, dood moesten. Wij waren in hun ogen echt vijandige en ellendige figuren. De Hollanders kregen ook al geen invitaties meer om op nationale feestdagen te komen op het paleis van Soekarno. Wij waren niet meer welkom".

De demonstranten trokken brullend door de straten. Op gebouwen van Nederlandse bedrijven en auto's van Nederlanders schreven ze anti-Nederlandse teksten en woningen van Nederlanders werden geplunderd. De schrik zat er goed in, maar na een aantal dagen nam het leven zijn gewone loop. Nederlandse ondernemers waren op hun hoede en drongen er bij de Nederlandse regering op aan zich soepeler op te stellen met betrekking tot Nieuw-Guinea. Zij zagen de bui al hangen. De nationalisten hadden immers aangegeven dat ze alle bedrijven zouden bezetten, als de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Luns weigerde over de status van Nieuw-Guinea te onderhandelen. Om de druk op te voeren bezetten nationalisten op 10 november 1957 "De Djakartaclub" en de Nederlandse jachtclub in Tandjong Priok, de haven van Jakarta. Beide instituties golden voor Indonesiërs als dé symbolen van het Nederlands kolonialisme. Nederlanders kwamen in die clubs regelmatig bij elkaar om te eten en elkaar te ontmoeten. Constance Huydecoper kwam daar ook wel eens, maar ze zag er nooit een Indonesiër; alleen maar blanken.

Massademonstraties, spontane werkonderbrekingen en stiptheidsacties van het Indonesisch personeel volgden elkaar in rap tempo op. Propagandistische radio-uitzendingen stonden in het teken van anti-Nederlandse stemmingmakerij. In Jakarta, Bandung, Surabaja en Malang mochten Nederlanders niet meer in restaurants en bioscopen komen. In winkels negeerde het personeel de Nederlanders en bij benzinepompen mochten ze niet meer tanken. Op straat gold voor hen een parkeerverbod, en parkeerde men toch, dan werden de banden lek gestoken. Constance Huydecoper: "De sfeer was niet goed, wij hadden een speciale nachtwaker die waakte over de banden van onze auto, dat ze niet lek geprikt zouden worden door anti-Nederlandse oproerkraaiers”.

Met de bus had ook geen zin, omdat Nederlanders geen gebruik mochten maken van het openbaar vervoer. De sfeer was zeer broeierig. Libert Hol, wiens vader bij de gasfabriek OGEM werkte, vertelt dat vrijheidsstrijders in de wijk waar hij woonde Nederlandse fietsers dwongen te stoppen en geld eisten in het kader van de vrijheidsstrijd voor Nieuw-Guinea. “Het was duidelijk voelbaar dat alles wat blank was, fout was", zegt Hol. Constance Huydecoper merkte dat andere buitenlanders contacten met Nederlanders uit de weg gingen: "De Amerikanen spraken niet meer met ons, noch de Fransen, de Belgen, noem maar op. In het geheim hadden we contacten met de Australiërs. Er was drie weken geen water omdat de leidingen kapot waren, wellicht sabotage, gelukkig mochten we bij de Australiërs onze emmers vullen. De Australiërs beschikten over het oostelijke deel van Nieuw-Guinea, misschien dat ze zich om die reden soepel opstelden ten opzichte van de Nederlanders”.

De stemming over de status van Nieuw-Guinea op 29 november pakte negatief uit voor Indonesië. Nieuw-Guinea bleef onder Nederland bestuur. De chaos was compleet toen ook nog een aanslag op Soekarno werd uitgevoerd. De geest was uit de fles.

38213859

Militaire Managers

Na de negatieve uitslag van de stemming in de VN over Nieuw-Guinea verloor de Indonesische regering de regie. Radicale nationalisten hadden de landelijke Nieuw-Guinea campagne aangegrepen voor hun eigen doeleinden. De vakbonden zweepten Indonesisch personeel op voor een 24-uurs staking en om de talloze Nederlandse bedrijven te bezetten. Toch leek op 3 december alles dusdanig rustig, dat Ruurd Koopmans gewoon aan het werk ging op het KPM - hoofdkantoor. Maar die rust duurde niet lang. Het imposante gebouw van de KPM in Jakarta, al lang hét toonbeeld van koloniale overheersing, bleek het eerste doelwit. Koopmans hoorde ineens een hoop lawaai en geschreeuw uit de directiekamer, één verdieping boven hem; "Het leek wel een roofoverval! Alarmerend, ik heb onmiddellijk al het kasgeld en de belangrijke documenten in de kluis gestopt, de kluis direct gesloten en de sleutel verstopt. Maar het waren geen roofovervallers, het waren leiders van de vakbond van het Indonesisch KPM personeel. Zij stonden bekend als notoire raddraaiers. Ze eisten de overgave van het bedrijf".

De Nederlandse chefs kregen te horen dat zij uit hun functie ontheven waren en dat zij hun taak moesten overdragen aan een personeelslid. Koopmans: "mijn 'opvolger' was één van mijn Indonesische ondergeschikten. Hij was duidelijk niet gecharmeerd zijn nieuwe functie, maar durfde niet te protesteren tegen de intimidaties van de actievoerders. Hij vroeg mij in vertrouwen of ik alstublieft gewoon met mijn werk wilde doorgaan en zijn functie al nominaal wilde zien".
Na de KPM volgden bezettingen van Geo Wehry, de Nationale Handelsbank, Lindeteves, de Escomptobank en Jacobson van den Berg. De directeur van dit laatste bedrijf werd samen met een medewerker gearresteerd wegens "minachting van de Indonesische vlag". Deze nationale vlag was na de bezetting op de daken van Nederlandse bedrijven geplaatst, maar de directeur van Jacobson van den Berg had het vlaggetouw doorgesneden en de vlag weer naar beneden gehaald.

De overname van de bedrijven verliep erg snel. Het Indonesisch kabinet en de legerleiding hadden dit niet op deze wijze gepland. Zij hadden duidelijk de controle verloren. Na een paar dagen bleek hoe ernstig de gevolgen waren van de bezetting van de KPM. Ineens viel driekwart van het totale scheepvaartverkeer stil. Het verdwijnen van praktisch alle scheepvaartverbindingen tussen de eilanden verlamde het hele land. De aanvoer van voedsel stokte en de prijs van rijst verdubbelde in enkele weken. Rijstvoorraden raakten op en op Java dreigde na enige tijd zelfs hongersnood.

Volgens econoom Kian Wie Thee durfde niemand in die verhitte politieke atmosfeer iets te zeggen. De ontwikkelingen liepen zo uit de hand dat generaal Nasution, chef-staf van het leger, de beslissing nam om Nederlandse bedrijven onder militair beheer te plaatsen. Tegen het leger durfden immers ook de linkse vakbonden niet in te gaan. De legerofficieren werden zo de nieuwe managers en deden hun intrede in de economie. Zij hadden geen enkele ervaring met het werk in hun nieuwe functie. De legerofficieren lieten zich de jaren daarna niet meer van hun economische troon stoten. Hier is de basis gelegd voor een "zwarte economie" die nooit meer helemaal is verdwenen.

Sinterklaas en de Nederlanders niet welkom

"Op 5 december 1957 werd ik wakker en zag allemaal mannen met geweren op straat. Een vriendin van Shell zou bij mij koffie komen drinken, maar zij kwam niet. Zij had haar tafelzilver in een luier verstopt en was hals over kop verdwenen, weg uit Indonesië. Alle consulaten moesten dicht. We belden elkaar allemaal op en informeerden bij elkaar wat er aan de hand was", vertelt Constance Huydecoper.

Soekarno liet op deze Sinterklaasdag officieel een uitwijzingsbesluit uitgaan dat gold voor vrijwel alle Nederlanders. Zij moesten het land uit. Dat wierp een zwarte schaduw over de Sinterklaasviering. Het feest verliep vanwege alle spanningen die dag al heel anders dan voorgaande jaren. Zo was het al jaren de gewoonte dat de burgemeester van Jakarta de witgebaarde bisschop officieel ontving en een rondtocht maakte door de stad. Deze keer moest de bisschop verstek laten gaan. Het Sinterklaasfeest werd verboden. Het was immers een puur Hollands feest, waar ook nog eens de blanke Sinterklaas boven de zwarte knecht stond. Hendrik Bouwer werkte bij de Deli-Spoorweg-Maatschappij (DSM) en ondanks het officiële verbod op de Sinterklaasviering, lukte het hem toch in het geheim het feest bij DSM te organiseren.

Na Sinterklaas kwam de uittocht van veel Nederlanders op gang. Zij probeerden een plekje op één van de boten te bemachtigen en lieten vaak huis en haard achter. Niet iedereen vertok tegelijkertijd. Anneke Koopmans, wiens man bij de KPM werkte zegt: "Ik ben met mijn zoon vertrokken, net voor kerst in 1957. Net als alle andere vrouwen van het KPM personeel. Het was héél erg op die boot. We zaten allemaal onder het dek en moesten daar ook eten. Het was echt armoetroef op die boot".

Libert Hol vertelt dat zijn ouders pas besloten te vertrekken toen de ziekenhuizen geen Hollandse patiënten meer wilden opnemen. Hendrik Bouwer kreeg op 27 december te horen dat hij binnen 24 uur weg moest zijn uit Indonesië. En Lily Philippi stond op oudejaarsavond, 31 december 1957, met een klein mandje vol kleren te wachten op een bus, om te repatriëren. De bus bracht haar en anderen naar de haven van Surabaja, waar ze op de boot stapten.

Op één van de boten werkte Carla Meek als maatschappelijk werkster. Zij moest onderweg zoveel mogelijk informatie verzamelen over de achtergrond van de passagiers. Op basis van die gegevens maakte zij met haar team een onderverdeling van de repatrianten in groepen: "Als iemand bijvoorbeeld een bepaalde ziekte had, kon die persoon het best ingedeeld worden in een pension in de buurt van een ziekenhuis waar die ziekte behandeld kon worden".

De repatrianten kwamen in opvanghuizen terecht, verspreid over heel Nederland. Lily Philippi kwam met de boot aan in Singapore en vloog eind januari met het vliegtuig naar Nederland: "Het was hartje winter en ijskoud. Op schiphol moesten we trainingspakken aantrekken die ter plekke werden uitgedeeld. We hadden zelf niets bij ons. De volgende dag bracht een bus ons naar Zuid - Limburg. Dat wist ik natuurlijk niet, maar ik zag na uren rijden ineens steenkolenmijnen uit het busraampje. Ik vroeg waarom ik zo eindeloos ver weg gebracht werd, waarop de buschauffeur antwoordde: "maar meiske, ge benne toch rooms katholiek". Lily Philippi woonde van haar 15e tot haar 18e in het pension in Zuid Limburg.

In januari 1958 arriveerde Hendrik Bouwer ook in Nederland. Hij moest direct door naar een vakantieverblijf van DSM in Blaricum. Het kostte hem veel moeite om in Nederland werk te vinden:"Ik was te oud en ik telde gewoon niet mee".

Na veel inspanning en met doorzettingsvermogen lukte het zowel Lily Philippi als Hendrik Bouwer om in Nederland werk te vinden. Dat was de basis voor een nieuw leven in een nieuw Land. Om de herinnering aan hun eigen land en cultuur levend te houden, bezoeken ze nu nog regelmatig de zogenaamde "Masoek Sadja", de Indische inloopdagen, waar ze met vele lotgenoten in een toch enigszins weemoedige sfeer Indonesische hapjes eten en bingo spelen.

Tekst en research: Mirjam Gulmans
Samenstelling en regie: Gerda Jansen Hendriks

Beeldmateriaal

Voor de uitzending is gebruikt gemaakt van de 8mm kleurenopnames van Krik Arriëns, de tweede secretaris van de Nederlandse vertegenwoordiging in Jakarta. Daarnaast zijn er beelden uit het NTS journaal, dat in die tijd nog om de dag een uitzending verzorgde. Ook is gebruik gemaakt van het Polygoonjournaals en radioverslagen. De Sinterklaasbeelden dateren van een onderwerp gemaakt door de Nederlands-Indische Regeringsvoorlichtingdienst. Het betreft een bezoek van de Sint aan de Nederlandse generaal Spoor in 1946. Tot slot zijn er beelden te zien uit een vooroorlogse film van de KPM. Behalve de 8mm film, wordt al dit materiaal beheerd door het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Lees verder…

10897405493?profile=originalICM /MSN de geschiedenis van een Indische digitale guerrilla

 

Ofwel beter bekend als NINES /ON LINE  “tussen haakjes ICM Online”.   Ferry Schwab Sr initiatiefnemer van de grootste Indische Sociaal Media op het Wereld Wijde Web ofwel de Indische Internet doet zijn verhaal. 

 

ICM Online heeft sinds 1999 een belangrijke rol gespeeld in de Indische Gemeenschap. Het begon met ‘Old School” kweken van awareness. Ruim een miljoen flyers gingen via Pasar malams over de toonbank bij de verschillende standhouders in die 14 jaar. Langzamerhand werd het een vertrouwd beeld op alle pasars en overige evenementen. Een project zonder enige steun van de Overheid. Dit vond plaats voor het Gebaar project dat later een onmisbare schakel bleek te zijn voor de verdere politieke emancipatie van de Indische Gemeenschap.

 

Content is de sleutel tot alle systemen, concepten en methodieken die goed verpakt moet zijn met een visie en inhoud. Deze zorgt uiteindelijke voor de sturing of hervormingen in de samenleving. Net als bij de politiek. Iedere burger die een goede “tevreden”  verpakt met visie en inhoud bereikt zijn doelen. 

 

In 1996 zocht MSN - Nederland een partner om MSN als sociaal media weg te zetten en om flink aan de weg te timmeren met mijn bedrijf Fastware & Advisering.  Al heel snel ontwikkelde ik naast een statische website de bekende www het “Online deel” waarop mensen direct konden reageren op geponeerde columns of stellingen ofwel dus sturende “content”. De dialoog via het Internet was met de Indische gemeenschap geboren.  Voor alle Indo’s ging een wereld open. Wel vergaten ze dat de hele wereld meekeek. Al heel snel spatte de emoties van bepaalde Indo – groeperingen op het scherm. De ouderen die zaten met trauma’s  uit de Tweede Oorlog, bersiap en de koele kille ontvangst.  De jongeren weer leefden in een andere wereld, waar ludiek MSN werd gebruikt voor de promotie van evenementen of door Facebookachtige content te plaatsen. De bekende  Follow me berichten. De anderen hielden ze puur bezig met herinneringen delen naar Tempo Dulu.  De andere weer met IndoRock. De Indische gemeenschap kon je dus  verder onder verdelen in groepen (segmenten). Door het vormen van fora  gericht op een specifiek thema (content) melden zich Indo’s  die zich voelden aangesproken door het thema. Op een aansprekende themanaam waar men vervolgens lid van werd.

 

 De naam ofwel content van een MSN – Groep werd bepalend. 

 

Namen zoals Indo Groep, Indo Forum, Indo4ever,  IIP Maillist, There’are Indo, Indo Entertainment, TV Indo, Nieuw Indisch, en Indo Web. Het was eigenlijk al een Facebook avant la lettre tot stand gekomen in 1996 in de vorm van het MSN. Centraal stond hier de “content” dus publicaties van hoge kwaliteit gericht op thema’s om zo gericht de doelgroepen te interesseren en te sturen. Niet voor 1 lezer maar gelijk voor duizenden gelijkgestemden. Zo ontstonden op het MSN vele diverse communities (groep in termen van Facebook) . NINES Online (ICM) was de rode draad voor alle die Indo Groepen. Ruim 99 waren er destijds vertegenwoordigd  op het MSN met een gemiddeld aantal leden van 400.

 

10897314458?profile=originalDoordat NINES Online (ICM) door de 26 organisaties aangesloten bij het IP als communicatie middel werd gebruikt ontstond de behoefte om dit concept verder uit te bouwen als krant.  Alle publicaties werden doorgezet op alle 99 MNS groepen, naast de andere ICM  kanalen. Hierdoor bouwde ICM een groot bereik op. Naast de tour op de ruim 60 pasar malams per jaar.

 

Het volgende probleem was om de geïnteresseerden blijvend vast te houden. Dankzij de technische structuur van deze MSN – groepen was dit mogelijk. Iedere bericht met content dat op het “prikbord” werd geponeerd ontvingen de aangesloten leden direct op hun e-mail, waarop deze weer konden reageren, zo hadden de webmasters hun handen vol om deze weer te beantwoorden, en ontstond de centrale moderator die de bedrijvigheid op de MSN -groepen aanjoeg. 

 

De groep die weer ontstaat uit het forum kan op publicaties reageren die het onderwerp weer verder polijsten tot een nog hoger niveau. Het bekende DELEN op het Facebook nu, is dus niet nieuw.

 

De “content” zoals uitgevers dit plegen te noemen is de “value “ dat je te koop aanbiedt en de kopers kaatsen die value weer terug in de vorm van Goede publicaties die hun weg vinden op het World Wide Internet en dus wereldwijde spreiding  Een illustratie hier van is het YouTube  verhaal dat een nieuw medium is geworden naast de televisie met zijn traditionele kijkerspubliek en een veel groter bereik heeft over de nationale  landsgrenzen.

 

Zo werd mijn methodiek succesvol implementeren gelanceerd op een statische website in combinatie met “Online gebeuren” dus het forum. Eerst werd de methodiek aan diverse uitgevers aangeboden, echter die waren nog niet zover (1996 ) om het via een forum die ondersteuning On Line te bieden. Als automatiseringsman van het eerste uur had ik deze voorsprong op iedereen. Je weet als designer dat je de wereld kunt veranderen. Op dit forum werden hoogstaande personen en belangrijke zakenlieden lid. Door het delen van duurzame content ontstaat een Business To Business Model On Line voor alle branches en doelgroepen (o.a. Indische Gemeenschap).  Tegelijkertijd toonde Alex van Groningen (www.balanced-scorecard.nl)  zijn belangstelling ook voor dit CONCEPT. Het Tweede Sociaal Media platform in het zakelijke verkeer was een feit in het topsegment van Nederland .

 

Hierna zijn door mij vele MSN – Groepen voor Nederlandse Verenigingen en Indische Verenigingen opgezet o.a. E-learning Groep waar cursisten die bij ons lessen volgende Online op de MSN-Groep Fastware _ Elearning  en delen met hun mede cursisten. Dit was uniek voor die tijd. Ook voor de Overwinteraars aan de Costa Blanca (Pensionades)  zijn complete MSN-Groepen opgezet en geïmplementeerd aan de Costa Blanca (o.a. Hallo Online). Zo konden opa en oma met het thuisfront contact blijven houden tijdens hun overwintering aan de warme Costa’s.  

 

In 1999 melden zich diverse Indische organisaties zich.   

 

Omdat de NINES organisatie door mijn bedrijf Fastware  & Advisering jaren werd gesponsord, was NINES als eerste aan de beurt. Naast dat NINES  voor mij interessant was. Namelijk NINES was lid van het Oude Indische Platform, en heeft later een zeer belangrijke rol gespeeld bij het tot stand komen van Het Gebaar. Er werd een project opgezet om een website in combinatie met MSN Community voor de 1000 leden van NINES. Later zijn de andere verenigingen op NINES/ICM erbij gekomen. Het bereik is nu gegroeid tot ruim 400.000 anno 2013.  

 

ICM ofwel Toegang tot de Indische Wereld. 

Aan deze missies ofwel content is nimmer getornd. 

Anno 2013 staan ze nog recht over eind!   

 

De content van ICM:    

ICM – de Indische Media- die beoogt om zoveel mogelijk de samenleving van de huidige Indische gemeenschap in beeld te brengen met een knipoog naar Tempo Dulu. Om deze CONTENT te realiseren heeft ICM een scope met gereedschappen om via persberichten, actualiteiten, nieuws, de agenda en het Indisch entertainment in beeld te brengen. Niet onbelangrijk om aan politiek Den Haag het signaal af te geven voor de behandeling van de Indische Gemeenschap over de afgelopen zestig jaren. Maar ook om een luisterend oor te leggen bij de Nederlandse media. Last but not least het overdragen van het Palet aan Indisch Cultuur erfgoed aan de volgende generaties Indische Nederlanders en Nederlanders.

 

Hoogtepunten die content van ICM vormden zijn divers geweest o.a.:

 

* De Pasar Malam ontwikkelingen werden door het ICM gestructureerd, en kwamen eindelijk in beeld door het opzetten van de Kalender. Het kent ruim 800.00 bezoekers.  

 

* De Boekrecensies; met de vele schrijvers die zich melden als ICM columnist.

 

* Indisch Entertainment met de vele beroemde artiesten; Wieteke, Ais, Blue Daimond Riem de Wolff, Any Tielman …..  

 

* De respondenten in het land.  

 

* Het Indisch Platform   

 

* Politiek  

 

10897318273?profile=originalEen hoogtepunt op ICM/NINES  Gebaar ontwikkelingen.  

 

De vele hoogtepunten uit de” Indische geschiedenis” op de wereld van ICM als Social Media  is toch Het Gebaar die de regering Kok deed voor de kille koele ontvangst in Holland in 2000. Dit tussenresultaat werd na eindeloze discussies met de Indische vertegenwoordigers, en in latere fase met de oude Indisch Platform bereikt. De vereniging NINES had beslissende rol bij de doorbraak van Het Gebaar, die als enige een professionele website had met een social media strategie Het MSN had toen al een fors bereik. 

 

Het Indisch Platform werd door oud-premier Lubbers geïnstalleerd als politiek Overlegorgaan met de regering om alle Indische belangen voor en namens de Indische Gemeenschap te behartigen. Na een lang- en moeizaam onderhandelingsproces werd bij monde van Kok een Gebaar gedaan namens de Nederlandse regering met het accent op die kille en koele ontvangst in Nederland. Dit resultaat komt op het conto van dr. Kloosterman lid van NINES. NINES was 1 van de aangesloten organisaties bij het IP. Met als enige een webportaal met een Online  Groep op MSN (NINES Online). Het bereikte resultaat dat op Internetmedia NINES Online en Blimbing bereikte; dat letterlijk door velen gezien werd dat de onderhandelaars namens de Indische Gemeenschap in het voortraject van destijds de Indische zaken hadden verkwanseld.

 

 Begrijpelijk, de betrokkenen hadden hier persoonlijke belangen bij, omdat De Overheid hun broodheer was. Al eerder werd men geconfronteerd met het debacle van het Indisch Gebouw in Scheveningen dat Els Borst schonk voor een symbolisch bedrag van 1 gulden. Daarop een subsidie van enkelen miljoenen guldens gaf om het gebouw te renoveren tot het Indisch moment. Helaas, dit gebouw bleef in de steigers en kwam nooit af. Later werd in de Javastraat alsnog een gebouw gehuurd voor het failliet gegaande Indisch Huis. Dat waren toch “Indische zaken “ die hoog scoorden bij de achterban en lezers op ICM Online, Blimbing en de vele Indische MSN Groepen o.a. IIP MAIL LIST van Rick van den Broecken. 

 

Zoals de kabinetten op een rij nu een ander uitleg plegen te geven aan dit Gebaar dat dit voor de fysieke – en materiële oorlogsschade bestemd was tegen finale kwijting. Vervolgens werd een onderzoek ingesteld door het NIOD, Die kwam met een geheel andere kijk dan de regering op de zaak. Dit is nu aan de orde.  

 

Bij de Indische Gemeenschap bij vele families destijds (2000-2001) werd het dagelijkse gesprek dat op de ICM Sociaal Media was te volgen met grote interesse bekeken. De berichtgevingen over de bekende Internet Indo groepen (99 stuks) rond de ontwikkelingen van Het Gebaar werden hooggespannen gevolgd.  

 

 Komen ze wel in aanmerking als gewone burger. Uiteindelijk werd die grenst duidelijk voor allen geboren voor augustus 1945, en de rest viel erbuiten. Al deze stemming makerij was dagelijkse kost op de MSN – Groepen van NINES, IP – Maillist, The Indo’s en vele andere groepen.  Niet te vergeten van Huib Deetman opwww.blimbing. nl als deze weer uit Den Haag kwam en op de valreep verslag deed.

De berichtgevingen liepen via www.blimbing.nl en veelvuldig via www.nines.nl ;  Deze bestond uit een website deel en On Line deel uit een MSN-Community  (In 2002 ging dit over in Het ICM van nu). Duidelijk was dat er een grote kloof was met de achterban: “ De Indische Gemeenschap”. NINES had niet meer dan 1000 leden, en de overige 7 aangesloten organisaties lagen ook op dat aantal zo niet minder. Toch besloot en sprak dit Indisch Netwerk vele zaken in naam van de Indische Gemeenschap terwijl het om nog geen 5000 man totaal ging. Bij vele Indo’s NU leeft dit ongenoegen en vinden dat hun naam wordt misbruikt.

 

De MSN – Communities legden de verbindingen met die andere wereld van de Indo’s. De emoties en kritiek liepen hoog op, mede omdat Boekholt alles binnenkamers hield. De IP- leden (besturen) mochten niets terugkoppelen naar hun leden.

 

Boekholt en consorten hadden duidelijk andere bedoelingen met 385 miljoen voor het Gebaar. Dankzij de MSN-Communities lekten vele zaken naar buiten, waarop op het hele MSN heftig aan toe ging. Dat lekken gebeurde dan ook richting de pers dat het oude IP andere plannen had met Het Gebaar namelijk dat dit collectief te houden gestort op 1 rekening, en van hier uit de verdeling zou plaatsvinden (hadden hele andere stoute plannen).    

 

Dit is uiteraard een waanzinnige gedachte  om 341.000 mensen te traceren, vervolgens te selecteren en ten slotte uit te keren.   Wat uiteindelijk door de Overheid zelf werd geregeld via Stichting Pelita met betrekking tot de persoonsgegevens. Alle ontbrekende data werden via Blimbing en NINES vergaard (Beide sites zijn private initiatieven).   

 

De individuele uitkering gebaseerd op Het Gebaar liepen niet vlekkeloos o.a. in de informatievoorziening wie wel en wie geen recht hebben. Dit vergrootte de verwarring o.a. op de MSN-groepen en bij Pelita die namens- en voor de overheid is ingesteld voor de Indische belangen en hier in faalde Via NINES, BLIMBING en MSN – Groepen werden de Indo’s bereikt waarbij velen uit het buitenland.  Begrijpelijk. Dankzij MSN waren de meesten aangesloten op 1 van de 99 Indo groepen of op meerdere.  

 

De aanvraag -formulieren waren cryptisch opgesteld zodat een gemiddelde burger er zo wie zo al niet uitkwam, dus hierdoor de uitbetaling via Het Gebaar misliep .Kennelijk ook de bedoeling van de bedenkers. Blimbing heeft specifiek hiervoor een flowchart ontwikkeld. Middels de flowchart werden velen op weg geholpen naast dat op de MSN-Groepen een soort Helpdeskachtige ondersteuning op gang kwam. Dit alles bleef buiten het zicht van het IP en Pelita, die hun koppen in zand staken. Die waren druk bezig met Projecten Collectieve Doelen hoe zij weer elkaar de bal toe konden spelen. Het ging om 35 miljoen waarvoor 124 projecten werden geselecteerd. Allemaal geflopt. Geen van de projecten had de kwalificering van duurzaamheid om Indische Cultuur erfgoed te bewaren en om door te geven zoals een Indische omroep (Tegelijk had je dan een Indisch omroep blad) en Indisch Media zoals ICM nu.  Dit zouden twee “contents’ kunnen zijn die de samenleving zou kunnen aansturen, beïnvloeden en hervormen. Het geld ging op aan feesten, keukens, en exposities. Zo kon zelfs Tong Tong Fair een graantje meepikken en kregen filmmakers eindelijk hun hobby betaald. De commissie die de projecten selecteerden moeten maar goed in de spiegel kijken, en duurzaam en innovatief komt kennelijk in hun woordenboek niet voor. Misschoen was het een gebrek aan toekomstvisie. 

 

Via het MSN Indo Groepen en andere sites zijn er wel 50.000 van deze flowcharts over de lijn gegaan. In tegenstelling tot de Joodse Gemeenschap die zo 45.000 op hun bankrekening ontvingen zonder een enig inspanning, werden hier de Indo’s het bos ingestuurd.

 

10897402491?profile=originalICM verbindt Indische thema’s aan de Indische Gemeenschap, bindt op die manier de Indische Gemeenschap en zet hun issues op de Nederlandse kaart.  

 

Dit was 1 van de missies van ICM om de huidige Indische Samenleving in kaart te brengen via alle mogelijke  instrumenten die het Internet biedt. Dit begint vanaf het moment dat het lijntje van de PC of andere systeem via het modem het netwerk op gaat de “World Wide Web “ en zo weer de huiskamers binnenkomt.   Tussen tijd vergaarde  ICM alle e-mails op de pasars en mails die via Indische organisaties beschikbaar werden gesteld omdat deze niet over een eigen website beschikten.  

 

Via de bekende e-mail verzending  ICM Breaking News wordt dagelijks ingebroken bij de leden van de Tweede Kamer en Nederlandse redacties om het Indisch geluid voortdurend ten gehore te brengen. De ICM breaking News werden gevuld met persberichten, columns, artikelen , de actualiteiten en belangrijke feiten.  ICM Breaking News legde zo die verbindingen.   

 

Tweede tool waren zijn de webistes van ICM Online met multichannelling  en links naar Multiply, MSN, NING, FACEBOOK, HYVES, EN Twitter.   

 

Die continue stroom  ofwel “content”  zorgde voor ICM informatievoorziening, veranderingen en acceptatie in de samenleving.  Het wordt immers dagelijks beleefd!  Hierdoor groeide alleen maar het bereik van ICM als medium. Daarnaast verzorgde het medium ICM die verbindingen met Indische organisaties. 

 

Voorbeeld is de wereld van de pasar malams die in 2003 als evenementen op de agenda van ICM werd opgenomen. Nog nooit in de geschiedenis was bekend hoeveel pasars er waren, waar, en wanneer.   

 

ICM was hier de sturende factor / coördinator die de jaarkalender invoerde waarop alle partijen hun pasars uiteindelijk gingen afstemmen via www.icm-online.nl. Zodat er op 1 datum niet ook nog een andere pasar werd georganiseerd. Nu anno 2013 loopt alles gladjes en anderen hebben in de voetsporen van het ICM andere websites opgezet zoals o.a. www.Tjampoer.nl die van 2001 tot 2005 op ICM een afzonderlijk onderdeel vormde.

 

 ICM hoogtepunt: de Stille Tocht anno maart 2013

 

Uit de selectie op ICM archief verschenen publicaties met de meeste kijkcijfers. Dit zijn de Indische Ontwikkelingen rond de Indische Perkara’s en waaruit actie voorkwam. Bijvoorbeeld IP Manifestatie op het Plein in oktober 2009, toen de NIOD rapporten werden aangeboden. De stemming over de Indische motie in juni 2012 die met twee stemmen verschil werd verworpen. 

 

De stille Tocht bij de aanbieding van de Indische Petitie waar 10.000 handtekeningen zijn verzameld via de Indische media en waarop 450 man op het plein kwamen om de petitie kracht bij te zetten. Eigenaar van de petitie is Hans Vogelsang van N.I.C.C.

 

De opzet van ICM sociaal media op Politiek Den Haag hebben invloed, daarnaast worden alle partijen gekend in deze problematiek via ICM Breaking News en alle bijhorende sociaal media zoals Facebook, Hyves en Twitter.   

 

Sociaal Media zorgt dat drempels bij politiek Den Haag worden weggehaald. Belangrijk weer is dat CONTENT op nivo, timing en kwaliteit wordt aangeboden. Hierop was de benadering van ICM gestoeld. 

 

Zonder Internet, zonder ICM en zonder Sociaal Media was het IP blijven steken zoals het oude IP in 2001; er was toen geen dagelijkse “content” dat via een media op de leden van de Tweede Kamer als voeding werd afgevuurd zoals nu. Hierdoor is het bewustzijn gekomen van de Indische perkara. 

Lees verder…

10897405261?profile=original Marcel Vodegel in antwoord op uw reactie op Facebook ICM, Indische Internetkrant.

DE INDISCH OORLOGSLACHTOFFERS ZIJN RUIMSCHOOTS GECOMPENSEERD MET WUV + WUBO, NIET DE ANDERE GROEPERINGEN BINNEN DE INDISCH GEMEENSCHAP


Marcel, ik heb het over de mensen die de oorlog hebben meegemaakt, en niet de generatie erna, en het beeld dat jij schets klopt, maar veel Indo's zijn hier in Nederland ambtenaar geworden onder andere. Ik doel dus op doelgroep oorlogslachtoffers waar het Indisch Platform steeds over heeft, die hebben WUV - uitkering, die de WUBO uitkering wel 8 keren overstijgt. Wubo zit je vanaf 250 - tot 400 in de maand. Ik weet van de Wubo recentelijk vele Indo's via een advocaat hebben aangevraagd. En ...... ik wist al in 2007 dat Ros staatsec. VWS met voorstel kwam om alle voorzieningen af te schaffen en de subsidies, het wetsvoorstel is in de Tweede Kamer unaniem aangenomen, desondanks zijn er advocaten die nog steeds aanvragen, dus nieuwe aanvragen, deze Indo's die niet op hoogte zijn of de kranten niet lezen, zijn dus slachtoffer van geworden, betaalden tussen de 400 euro tot 750 euro. Ik heb betreffende advocaat op matje geroepen, hoe dit kan ..... Voorts is dus bizar dat het Indisch Platform niets heeft ondernomen toen de staatssecretaris met voorstel de Tweede Kamer in ging. Het Indisch PLatform die zogenaamd o.a. uw belangen moet behartigen, zijn maar met 1 ding bezig die oorlog met achterstallige salarissen en knil. Deze groep heeft alles gehad als compensatie een WUV + Wubo, en dan nog zeuren over de 4 jaren salaris die in de oorlog niet is uitbetaald.


Ik heb een ruwe berekening gemaakt dat een WUV -er per jaar 30.000 ontving met levensverwachting van minimaal 18 jaar, heeft deze oorlogslachtoffer ruim een half miljoen gehad.  Voorts heeft de WUV de rechten vergelijkbaar als een pensioen, dus bij overlijden gaat 70% door naar de Weduwe. Moet wel aantekenen dat uiteraard een korting van toepassing op de AOW van 35%, omdat je dan boven de norm komt van het verzekerde inkomen. Ik denk dat Indisch Platform een keer goed zijn huiswerk moet maken. Ben zeer benieuwd wie de WUV heeft aangespannen, vast niet organisaties uit het Indisch PLatform.

Dus IP WAS dus alleen met de oorlogslachtoffers, en niet voor U. Met dank aan dit IP die selectief discrimineert, en zo alle andere Indische vraagstukken bleven liggen zoals o.a. de oudje in de republiek nu, de AOR en niet te vergeten het Traktaat van Wassenaa. Ik hoop dat alle Indo's het antwoord op uw reactie lezen, en wellicht zij het al wisten omdat hun ouders een WUV en mogelijk een WUBO uitkering hebben / hadden.

Note

ICM heeft steekproefgewijs 70 gevallen onderzocht !

Uitkering vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv)

U kunt financiële ondersteuning krijgen als u in de Tweede Wereldoorlog in Europa of Azië bent vervolgd. Dit kan met de uitkering vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Ook nabestaanden van vervolgden kunnen ondersteuning krijgen.

Maandelijkse uitkering

De maandelijkse uitkering garandeert een individueel vastgesteld inkomen. Dit gegarandeerde inkomen is afhankelijk van uw persoonlijke omstandigheden. Uw overige inkomsten (bijvoorbeeld AOW en particulier pensioen) worden door de uitkering aangevuld als die lager zijn dan het gegarandeerde inkomen.

De uitkering is geen vergoeding voor gemiste kansen of verloren bezittingen en is geen smartengeld voor ondergaan leed.

zie verder https://www.svb.nl/int/nl/wuv/wuv_voor_vervolgingsslachtoffers/welke_financiele_ondersteuning/#vtma1

Note Red.

Het gegarandeerde inkomen is gelijk aan modaal of zelfs anderhalf  keer modaal.

Lees verder…

Veteranen alsnog geëerd met medailles

Veteranen alsnog geëerd met medailles

"U bent alle 3 geboren in voormalig Nederlands-Indië. U heeft de verschrikkingen van de Japanse bezetting meegemaakt. En u heeft gevochten voor het rood-wit-blauw. U heeft ons land en koningshuis gediend. Uw vaderland. Maar uiteindelijk moest u afscheid nemen van uw moederland, Nederlands-Indië. Om hier in Nederland een nieuw leven op te bouwen."

Minister Ank Bijleveld-Schouten sprak deze waarderende woorden vanmiddag tegen de voormalige militairen Lapré, Schultz en Achthoven. Ze reikte aan Lapré en Schultz het Ereteken voor Orde en Vrede uit en aan Achthoven het Nieuw-Guinea Herinneringskruis uit. Dat gebeurde in het in het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en museum Bronbeek in Arnhem.

"U heeft mooie herinneringen aan die tijd in Nederland-Indië", zei Bijleveld. "Maar ook heel pijnlijke. Daarom vind ik het mooi dat we hier vandaag even bij stil kunnen staan. Want de gebeurtenissen van toen zullen nooit voltooid verleden tijd worden. Niet voor u. Maar ook niet voor ons land. Uiteraard is er discussie mogelijk over onze inzet in die jaren. Maar de veteranen die zich hebben ingezet in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea, verdienen onze waardering. U verdient onze waardering!"

Veteraan Achthoven

Achthoven

Veteraan Achthoven zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp en maakte na de oorlog de Bersiap-periode mee. In 1951 verhuisde hij naar Nederland en ging bij de Koninklijke Marine werken. Hij werkte zich op van matroos tot adjudant-onderofficier van de Elektrotechnische Dienst. In de periode 1960-1961 was hij op uitzending in Nieuw-Guinea. "Ik begreep van uw familie dat u niet veel over deze periode heeft verteld. Maar we weten uit de geschiedenisboekjes dat er in die tijd het nodige is gebeurd. En ik vind het van grote waarde om af en toe die gebeurtenissen weer in herinnering te brengen. Om van te leren. En om waardering uit te spreken voor de veteranen die zich hier hebben ingezet."

Veteraan Lapré

Lapré

Veteraan Lapré werd na de Japanse capitulatie door Indonesische nationalisten gevangen genomen en door Britse militairen bevrijd. Hij meldde zich aan als vrijwilliger en werd in 1946 vrachtwagenchauffeur bij de Aan- en Afvoertroepen. "Als chauffeur liep u grote risico’s", aldus Bijleveld. "De vijand plaatste bijvoorbeeld landmijnen op de route of groef diepe kuilen in de wegen. U heeft het meegemaakt dat zo’n landmijn net op tijd ontdekt werd. Vooral ‘s nachts was er extra spanning. Dan moest u - slechts met gedempt licht - stapvoets en slalommend de route volgen. Gelukkig heeft u het er zelf goed vanaf gebracht." Lapré droeg zijn ereteken op aan zijn beide broers, die in Indonesië sneuvelden.

Veteraan Schultz

Schultz

Veteraan Schultz tenslotte maakte als 18-jarige vrijwilliger de Tweede Politionele Actie mee. Eenmaal terug in Nederland gaf hij zich op als vrijwilliger voor het  Nederlands Detachement Verenigde Naties. "Daarvoor heeft u wel de nodige onderscheidingen ontvangen, maar voor uw periode in voormalig Nederlands-Indië nog niet", zei Bijleveld. "Ik vind het belangrijk om die onderscheiding alsnog uit te reiken! Datgene wat u heeft meegemaakt was niet niks. U heeft het uw verdere leven meegedragen."

Lees verder…

10897405093?profile=originalToespraak minister Bijleveld op vrijdag 30 november 2018 te Bronbeek, Arnhem

Dames en heren,
Familie van de decorandi,
Geachte meneer Achthoven, meneer Lapré en meneer Schultz.Ik vind het een eer om u te ontmoeten en u te onderscheiden voor uw inzet in voormalig Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea.

Uw verhalen zijn stuk voor stuk uniek…
…maar u deelt ook enkele overeenkomsten.
U bent alle drie geboren in voormalig Nederlands-Indië.
U heeft de verschrikkingen van de Japanse bezetting meegemaakt.
En u heeft gevochten voor het Rood-Wit-Blauw.
U heeft ons land en koningshuis gediend.
Uw vaderland.
Maar uiteindelijk moest u afscheid nemen van uw moederland, Nederlands-Indië.  
Om hier in Nederland een nieuw leven op te bouwen.
Dat was niet altijd even gemakkelijk
In die tijd was er maar weinig aandacht voor uw verhaal.
Maar datgene wat u heeft meegemaakt heeft diepe sporen achterlaten.
U heeft mooie herinneringen aan die tijd.
Maar ook heel pijnlijke.

Daarom vind ik het mooi dat we hier vandaag even bij stil kunnen staan.  
Want de gebeurtenissen van toen zullen nooit voltooid verleden tijd worden.
Niet voor u.
Maar ook niet voor ons land.
Uiteraard is er discussie mogelijk over onze inzet in die jaren.
Maar de veteranen die zich hebben ingezet in Nederlands-Indië en Nieuw Guinea, verdienen onze waardering.
U verdient onze waardering!
Dames en heren, graag alvast een groot applaus!
 

Voordat ik de decorandi individueel ga toespreken, wil ik eerst Roel Rijks bedanken.
Roel, met het Comité Ereschuld Onderscheidingen zet jij je in om onderscheidingen te regelen voor veteranen die deze eerder niet hebben gehad.
Zoals de onderscheidingen die ik vandaag mag uitreiken.
Dit betekent enorm veel voor deze veteranen en hun familieleden.
En daar steek je ontzettend veel vrije tijd in.
Ik heb daar grote waardering voor!
Ga zo door!

Beste meneer Achthoven,

U bent de jongste van het stel.
Geboren op 23 juli 1935 in de binnenlanden van Borneo.
Dus nog maar 83 jaar oud…
U kende aanvankelijk een onbezorgde jeugd...
…maar de oorlog in Zuidoost Azië trok uiteindelijk diepe groeven in uw gezin en in uw leven.
Uw vader diende bij het KNIL…
…en moest als krijgsgevangene dwangarbeid verrichten aan de beruchte Birma-spoorlijn.
U kwam met u moeder en uw broers in een Jappenkamp terecht…
…en maakte na de oorlog de Bersiap-periode mee.

In 1951 verhuisde u naar Nederland.
En net als uw vader en grootvader, ging u in militaire dienst.
Bij de Marine.
U was technisch aangelegd en ging aan de slag als elektromonteur.
In de avonduren volgde u een opleiding om u verder te bekwamen.
Uiteindelijk bent u opklommen van matroos tot adjudant onderofficier.
Dat is een prestatie van formaat!
In dienst van de Marine heeft u vele lange reizen gemaakt.
Uw vrouw en dochters moest u vaak voor lange tijd missen.
Maar u was altijd intens betrokken bij uw gezin.
U was een trouw schrijver.
Uw thuisfront keek daarom altijd uit naar de blauwe luchtpostenveloppen.
En bij thuiskomst ook naar de bruine plunjezak.
Want daar kwam niet alleen vuile was uit, maar ook diverse, met zorg uitgekozen cadeautjes voor het gezin.
In dienst van de Marine bent u uitgezonden naar Nieuw Guinea.
Anderhalf jaar lang.
Dat was in 1960 en 1961.
Ik begreep van uw familie dat u niet veel over deze periode heeft verteld.
Maar we weten uit de geschiedenisboekjes dat er in die tijd het nodige is gebeurd.
En ik vind het van grote waarde om af en toe die gebeurtenissen weer in herinnering te brengen.
Om van te leren.
En om waardering uit te spreken voor de veteranen die zich hier hebben ingezet.

Meneer Achthoven, daarom overhandig ik u nu heel graag het Nieuw-Guinea Herinneringskruis.


Beste meneer Lapré,

U bent op 13 juni 1926 geboren te Semarang in voormalig Nederlands-Indië.
Tijdens de oorlog werd uw vader gevangen gezet.
Uw moeder bleef alleen achter met de kinderen.
Om het gezin te onderhouden moest zij stiekem handel drijven.
En u werd als jonge tiener de ‘man’ in het gezin.

Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 werd het steeds onrustiger in Semarang.
Op een dag werd u zonder reden opgepakt door Indonesische nationalisten…
…en in de gevangenis gezet.  
Het leven daar was onzeker.
U heeft zelfs een aantal keren de dood in de ogen gekeken.
Uiteindelijk werd u door de Britten bevrijd.

Vlak voor de 1e Politionele Actie besloot u zich vrijwillig aan te melden bij het leger.
U was toen 20 jaar oud.
U was daartoe niet verplicht, want uw twee oudere broers zaten al bij het KNIL.
Na een opleiding van enkele maanden…
…werd u in 1946 aangesteld als vrachtwagenchauffeur bij de Aan- en Afvoer Troepen van de Tijgerbrigade.
U moest van alles vervoeren: militairen, voedsel, goederen en soms een groot veldkanon.
Als chauffeur liep u grote risico’s.
De vijand plaatste bijvoorbeeld landmijnen op de route of groef diepe kuilen in de wegen.
U heeft het meegemaakt dat zo’n landmijn net op tijd ontdekt werd. 
Vooral ‘s nachts was er extra spanning.
Dan moest u - slechts met gedempt licht - stapvoets en slalommend de route volgen.
Onderweg heeft u van beide kanten de nodige gevallenen gezien. 
Gelukkig heeft u het er zelf goed vanaf gebracht.

In juni 1951 kwam u met uw familie aan in Amsterdam.
Alleen zonder uw broers Etienne en Willy.
Zij brachten als KNIL-militairen het hoogste offer in deze jaren van strijd tegen de Republiek Indonesië.
Beide broers waren verloofd en zouden binnen enkele weken gaan trouwen.
Ik begreep dat u het ‘Ereteken voor Orde en Vrede’ aan hen wilt opdragen.
En ik vind dat ook zeer terecht.
Want ook hun verhalen, hun inzet, mogen we niet vergeten.

Meneer Lapré, heel graag reik ik u nu graag het ‘Ereteken voor Orde en Vrede’ uit.

Beste meneer Schultz,

U bent op 8 juni 1930 geboren te Makassar in voormalig Nederlands-Indië.
Van uw dochter Tiny begreep ik dat u het nodige heeft meegemaakt.
U heeft uw kinderjaren in een jongensinternaat doorgebracht.
U heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in een jappenkamp gezeten.
En in 1948 ging u als vrijwilliger bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) aan de slag.
Nog maar 18 jaar oud!
U maakte onder meer de tweede politionele actie mee.
Uiteindelijk kwam u in Nederland terecht.
U heeft toen nog een tijd in de Emmamijn gewerkt, maar ik begreep dat dit niks voor u was.
Vervolgens bent u naar Korea gegaan…
…waar u heeft meegevochten met het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN).
Daar heeft u wel de nodige onderscheidingen voor ontvangen…
…maar voor uw periode in voormalig Nederlands-Indië nog niet.
En ik vind het belangrijk om die onderscheiding alsnog uit te reiken!

Datgene wat u heeft meegemaakt was niet niks.
U heeft het uw verdere leven meegedragen.
Ik begreep ook van uw dochter dat u het moeilijk vindt om erover te praten.
Maar dit is een manier om ‘de cirkel rond te maken’.
Om daar toch nog even bij stil te staan.
Ik begreep ook dat u – toen u hoorde dat ik de medaille zou uitreiken – reageerde met de woorden: ‘Ik pas niet meer in mijn uniform’…
Maar ik verzeker u dat dit ook niet nodig is.
Meneer Schultz, vanwege uw inzet in voormalig Nederlands-Indië, speld ik u nu heel graag het ‘Ereteken voor Orde en Vrede’ op.

Lees verder…

Niet alles veranderde in goud…, maar in een bloedbad aldus Hans Goedkoop!

Toen oud-premier Jan Peter Balkenende drie jaar geleden opperde dat Nederland weer terug moet naar de VOC-mentaliteit van aanpakken, doorpakken en oogsten, ging bij Hans Goedkoop een lampje branden.

 

De presentator van Andere Tijden vroeg zich af of De Gouden Eeuw , waarin de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) floreerde, wel zo’n voorbeeldperiode is geweest. Zijn overpeinzing leidde uiteindelijk tot het megaproject De Gouden Eeuw (NTR/ VPRO) dat vandaag van start gaat.

„Ik had nooit gedacht dat de publieke omroep in deze tijden van krapte het zou aandurven om zo’n dure serie te maken. Toen we groen licht kregen voor dertien afleveringen sprongen we een gat in de lucht”, verklapt Goedkoop, die met zijn team bijna twee jaar aan zijn geesteskind gewerkt heeft.

„Ik ben historicus, maar het project was voor mij een ware ontdekkingsreis door de tijd. De 17e eeuw was een zinderende tijd, met Nederland zeventig jaar lang als middelpunt van de wereld. Handel, kunst en wetenschap kwamen tot grote bloei, waarbij de VOC fungeerde als economische motor”, aldus Goedkoop.

Hij merkte dat in het buitenland nog altijd vol bewondering wordt gesproken over de Hollandse Gouden Eeuw, maar hij ontdekte ook de boze keerzijde. „De VOC was een staat in de staat en heerste met ijzeren vuist”, zegt Goedkoop, die in Indonesië op zoek ging naar de erfenis van Jan Pieterszoon Coen, de grondlegger van de VOC. „Hij was een formidabel organisator, maar om zijn doelen te bereiken voerde hij in de Oost een waar schrikbewind”, vertelt Goedkoop, die op de eilandengroep Banda, dertien generaties na het bloedbad, een nazaat sprak van een van de slachtoffers.

Maar natuurlijk overheerst in de tv-serie de grote bloeiperiode met alle grote namen van die tijd, zoals Michiel de Ruyter, Rembrandt van Rijn, Joost van den Vondel en John van Oldenbarnevelt. Goedkoop: „De dynamiek spatte er vanaf, de Amsterdamse grachtengordel werd aangelegd, de VOC ontwikkelde zich tot de eerste multinational ter wereld en de welvaart steeg tot ongekende hoogte. We proberen ook een link te leggen tussen verleden en heden via thema’s als de verstedelijking, immigratie, globalisering en de beurs."

NED. 2, 20.25 UUR
Lees verder…

NIOD -  Oorlogsstatistieken

10897288872?profile=originalNIOD -  Oorlogsstatistieken  

 

Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft jarenlang gegevens verzameld met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog en Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Ten behoeve van later onderzoek en om het grote publiek enig inzicht te geven in de belangrijkheid van de gebeurtenissen, werden de cijfers op een rij gezet. Eerst op papier en later op de website van het NIOD. Om deze gegevens meer bekendheid te geven, publiceerde Java Post – zij het in enigszins aangepaste vorm – het gehele overzicht. Opdat we niet vergeten.

Krijgsgevangenen

De cijfers met betrekking tot de krijgsgevangenen werden in 1978 gepubliceerd door majoor drs. H.L. Zwitzer. Op basis van de in de archieven van de Koninklijke Marine en van het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL) aanwezige gegevens kwam hij tot de conclusie dat van de Europese militairen in Nederlands-Indië in totaal een 42.233 in krijgs-gevangenschap zijn geraakt: 3.847 van de Koninklijke Marine, 36.869 van het KNIL, en 1.517 behorende tot de KNIL hulpkorpsen. Van deze 42.233 mannen zijn 8.200 omgekomen (19,4%). Marine 648 (16,8%), en KNIL en hulpkorpsen: 7.552 (19,6%).

 

10897288882?profile=originalMevrouw B. Hartwig-Hoogeveen op de Europese begraafplaats Kembang Kuning te Soerabaja, waar de, op 20 februari 1942 te Balikpapan door het Japanse leger omgebrachte, kapitein H. W. Hartwig van het KNIL, in 1972 ten tweede male werd herbegraven. (KITLV)

Het sterftecijfer van de krijgs-gevangenen van alle geallieerde nationaliteiten in de Pacific-oorlog samen lag op 27%. Het Amerikaanse was 34%, het Australische 33% en het Britse 32%. Wat het algemene sterftecijfer verlaagde was het lage percentage onder de Nederlanders: minder dan 20%. (Gavan Daws, ‘Gevangenen van de Japanners; Krijgsgevangenen in de Pacific gedurende de Tweede Wereldoorlog’, Baarn 1996, p. 409.)  

 

Burgergeïnterneerden

Gegevens over de aantallen geïnterneerde burgers in Indië zijn zeer onvolledig omdat bijna alle Japanse stukken die op de internering betrekking hebben, alsook veel kamparchieven verloren zijn gegaan. Van het totaal aantal geïnterneerden kan daarom alleen een schatting worden gegeven. In de loop van de oorlog hebben de Japanners aan het Internationale Rode Kruis doorgegeven dat er ongeveer 98.000 geïnterneerden waren. De Nederlandse regering heeft na de oorlog gesteld dat er circa 110.000 geïnterneerden zijn geweest. Dr. D. van Velden heeft in haar proefschrift ‘De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog’ (Groningen 1963) het beschikbare cijfermateriaal bij elkaar gebracht. Op basis van dit materiaal geeft L. de Jong in ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel 11b, p. 348 en 359, de volgende cijfers: Java 80.000, Sumatra 12.000, Grote Oost 3.900, Borneo 500. In totaal zijn dat 96.400 geïnterneerden.

De door Van Velden verzamelde gegevens zijn hoogstwaarschijnlijk niet volledig, vandaar dat De Jong het verstandig achtte ervan uit te gaan dat er circa 100.000 geïnterneerden zijn geweest (p. 754). H.L. Zwitzer komt in zijn boek ‘Mannen van 10 jaar en ouder’ (Franeker 1995) op basis van het aantal naoorlogse claims van ex-geïnterneerden op een Japanse uitkering tot eenzelfde schatting. Het aantal van 100.000 Nederlandse burgergeïnterneerden lijkt daarmee de meest betrouwbare schatting te zijn.

Over het aantal omgekomen Europese burgergeïnterneerden bestaat minder overeenstemming. De schattingen variëren tussen de 10.580 en 16.800 slachtoffers. Van Velden meldt in haar proefschrift (p. 368) dat het Nederlandse Rode Kruis het aantal doden op 13% schatte (dat zou een aantal van 13.000 doden betekenen). H.L. Zwitzer komt tot een getal van 10.580 omgekomenen door dit aantal van 13.000 doden te corrigeren met het vooroorlogse sterftecijfer (H.L. Zwitzer, Mannen van 10 jaar en ouder, p. 83).

Op basis van het cijfermateriaal van D. van Velden komt L. de Jong tot een aantal van 13.120 sterfgevallen. De Jong vermeldt tevens dat de Japanners in de loop van de oorlog aan het Internationale Rode Kruis een dodental van 16.800 opgaven (16,8%). De Jong sluit zich hierbij aan door te kiezen voor een sterftecijfer van één op zes (11b, p. 753-754).

(Indo)Europese buitenkampers

Hoeveel niet-geïnterneerde (Indo) Europeanen er in totaal van de honger en andere ontberingen zijn omgekomen is niet bekend. Schattingen van het aantal (Indo) Europeanen dat uiteindelijk buiten de kampen is gebleven lopen sterk uiteen van 120.000 tot 200.000. Historicus Hans Meijer heeft zeer recent het aantal ‘buitenkampers’ op circa 125.000 geraamd (‘In Indië geworteld’, Amsterdam 2004, p. 226).

10897289483?profile=originalKamp Tjideng op Java.

Als gevolg van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië stierven waarschijnlijk meer dan 21.000 ‘Europeanen’ (8.200 krijgsgevangenen en ongeveer 13.000 burgergeïnterneerden. Daar komt nog bij een onbekend  aantal ‘buitenkampers’). Vóór de oorlog telde de Europese gemeenschap in Indië circa 290.000 personen, van wie circa 260.000 de Nederlandse nationaliteit hadden. Dit zou een Europees sterftepercentage van meer dan 7% betekenen.

Inlanders

De Jong vermeldt dat van de 50 miljoen Javanen en Madoerezen er tijdens de Japanse bezetting circa 2,5 miljoen zijn gestorven; dit betekent een sterftepercentage van 5% (11b, p. 572). De Indonesische regering schatte het totale dodental begin jaren 1950 op 4 miljoen (S. Sato, ‘War’, p. 155).

Hoeveel Indonesiërs gedurende de Japanse bezetting als romusha’s (werksoldaten) moesten zwoegen, is niet precies bekend. Volgens bewaard gebleven Japanse statistieken was het aantal romusha’s op Java in november 1944 circa 2.6 miljoen, waarvan bijna één miljoen op tijdelijke basis. Daar deze tijdelijke krachten op een gegeven moment door anderen moesten worden afgelost, lag het totale aantal ingezette Javaanse werksoldaten tijdens de Japanse bezetting vermoedelijk nog veel hoger dan 2,6 miljoen. De Japanse historicus Shigeru Sato berekende dat, indien men aanneemt dat in de twintig maanden tussen januari 1944 en augustus 1945 (de periode van de meest intensieve werving van romusha’s) elke tijdelijke ‘werksoldaat’ gemiddeld ongeveer twee maanden werd ingezet, het totale aantal tijdelijk gemobiliseerde romusha’s op Java de 10 miljoen benadert. Telt men daar de permanente romusha’s (circa 1,6 miljoen) bij op, dan komt het totale aantal ingezette Javaanse romusha’s in de buurt van de totale ‘mobiliseerbare’ arbeidsmacht op Java, die door het Japanse leger op 12,5 miljoen mensen werd geschat (Shigeru Sato, ‘War, nationalism and peasants; Java under the Japanese occupation 1942-1945’, St Leonards 1994, pp. 157-158).

Het aantal Romusha’s dat overleed als gevolg van de ontberingen is evenmin exact vast te stellen. De Japanners voerden een zeer gebrekkige administratie en verbrandden verscheidene van die administraties na de capitulatie. Een gangbare schatting is dat van de circa 300.000 Javaanse romusha’s die overzee werden getransporteerd, er slechts  ongeveer 77.000 overleefden, een sterftepercentage van 74,3% (Henk Hovinga, ‘Einde van een vergeten drama’, p. 74). Het door Hovinga genoemde aantal van 77.000 overlevenden betrof echter alleen de Javanen die in de opvangkampen van het Nederlandsch Bureau voor Documentatie en Repatriëring van Indonesiërs (Neboduri) zaten, terwijl nog onbekende aantallen koelies rondzwierven, zich ter plekke vestigden, of op eigen gelegenheid naar Java probeerden terug te keren. Op basis van enkele verspreide gegevens schat Remco Raben het sterftecijfer in  Javaanse koeliegemeenschappen in de Buitengewesten op tegen de 50%, “en aan de ‘spoorwegen des doods’ een stuk hoger” (Remco Raben, ‘Arbeid voor Groot-Azië’, pp. 102-103). Shigeru Sato neemt hier opnieuw een afwijkend standpunt in: hij schat het aantal overzee gestuurde romusha’s dat overleefde op circa 135.000 personen (‘War, nationalism and peasants’, p. 160).

Volgens De Jong zou van de overzee gestuurde Balinezen circa 85% zijn overleden. De Jong vermeldt voorts dat van de circa 100.000 romusha’s die zich in november 1944 aan de spoorlijn en kolenmijnen van de residentie Bantam op de westpunt van Java bevonden, ten tijde van de Japanse capitulatie nog maar circa 10.000 aanwezig waren (11b, pp. 532-533). Dat zou betekenen dat in Bantam wellicht 90.000 Javanen zijn omgekomen. Verdere gegevens over aantallen op Java omgekomen romusha’s ontbreken. Hetzelfde geldt voor gegevens over de overleden lokale koelies op Borneo, Celebes, Sumatra en Nieuw-Guinea die aan het werk werden gezet op hun eigen eiland. Hovinga acht het daarom waarschijnlijk dat er in totaal aanzienlijk meer dan 300.000 Indonesiërs in Romusha-dienst zijn omgekomen.

Andere nationaliteiten

Behalve Inlanders hebben de Japanners ook op grote schaal Chinezen, Maleiers en Tamils geronseld in Singapore en Maleisië. De meeste van deze mensen moesten werken aan de Birma-Siam spoorweg, samen met eveneens geronselde Birmezen en Thais. In totaal hebben er waarschijnlijk 190.000 uit de Britse koloniale gebieden afkomstige romusha’s aan de spoorlijn gewerkt. Veel rapporten en getuigenverklaringen duiden op een sterfte van 80% onder deze dwangarbeiders. Dat zou 152.000 doden betekenen. Samen met de omgekomen Indonesische romusha’s komt het totale dodental in Zuidoost-Azië volgens Hovinga dan op circa 450.000 (Henk Hovinga, ‘Einde van een vergeten drama’, pp. 136-137.) De Jong vermeldt dat van de circa 4.000 na de Japanse capitulatie in Thailand aangetroffen romusha’s de overlevenden waren van groepen die tezamen op zijn minst 10.000 Javanen hadden geteld (11b, p. 535).

 

10897290059?profile=originalGroep gewapende Heiho’s (hulp-soldaten in dienst van de Japanners)

Heiho’s

“Hoeveel heiho’s (hulpsoldaten) er in totaal geweest zijn, is niet bekend – de laatste opperbevelhebber van het Japanse Zestiende Leger […] luitenant-generaal Josioetsji Nagano, verklaarde kort na Japans capitulatie dat er in augustus ’45 op Java nog bijna 25.000 en op Timor nog ca. 2.500 waren en dat van Java enkele tienduizenden heiho’s naar elders waren verplaatst, ‘op eigen verzoek’, beweerde hij, van wie ca. 15.000 nog in leven zouden zijn.” (De Jong, 11b, p. 958)
Voorts: “Van Witsens schatting is dat van de ca. 15.000 ex-KNIL-militairen die op Java Heiho geworden zijn, ongeveer de helft is omgekomen. Hoevelen van de tienduizenden anderen die Heiho werden, er het leven bij hebben ingeschoten, is niet bekend.” (De Jong, 11b, p. 960)
Op basis van de in De Jong genoemde cijfers zou het aantal heiho’s op circa 60.000 man geschat kunnen worden.

Dwangprostituees

Bart van Poelgeest schatte het aantal Europese vrouwen dat in Japanse bordelen in Nederlands-Indië werd tewerkgesteld op tussen de 200 à 300. Bij ongeveer 65 vrouwen staat hierbij vast dat van gedwongen prostitutie sprake was (‘Gedwongen prostitutie tijdens de Japanse bezetting’, in: Wim Willems en Jaap de Moor, red., ‘Het einde van Indië’, Den Haag 1995, pp. 186-187). Van Poelgeest geeft geen schatting van het aantal Indonesische dwangprostituees. Volgens George Hicks spreken de meest betrouwbare schattingen van het totale aantal ‘troostvrouwen’ van 80.000 Koreaanse vrouwen en waarschijnlijk zo’n 20.000 vrouwen met de Japanse of de Taiwanese nationaliteit of afkomstig uit de door Japan bezette gebieden (‘Japanse legerprostitutie 1932-1945: een overzicht’, in: N.D.J. Barnouw e.a., red., ‘Vijfde jaarboek van  het Rijksinstituut voor Oorlogs-documentatie’, Zutphen 1994,    p. 19). In 1995 kwam de Japanse Fumiko Kawada na onderzoek op een aantal van 22.234 slachtoffers van seksueel geweld in Nederlands-Indië, een getal dat ook maîtresses en verkrachtingen behelsde. Het Indonesische tijdschrift Tempo noemde in 1992 het getal 60.000, zonder daar een bron bij te vermeldden. (Cijfers geciteerd door Brigitte Ars, ‘Troostmeisjes’, Amsterdam 2000, pagina 145).

                                             George Hicks heeft berekend dat de verhouding tussen het aantal Japanse troepen en het aantal ‘troostmeisjes’ op ongeveer 50:1 gesteld kan worden (‘The Comfort Women’, London 1995, p. XIX). Ten tijde van de Japanse capitulatie bevonden zich in Indië ongeveer 300.000 Japanners (Elly Touwen-Bouwsma en Petra Groen, red., ‘Tussen Banzai en Bersiap’, Den Haag 1996, p. 95). In dat geval zouden er in Indië circa 6.000 dwangprostituees zijn geweest. Dat cijfer is goed in overeenstemming te brengen met het bovengenoemd aantal van 20.000 dwangprostituees met de Japanse of de Taiwanese nationaliteit of afkomstig uit de door Japan bezette gebieden.

Gesneuvelde geallieerde militairen

Het totale aantal tijdens de strijd gesneuvelde geallieerde militairen in Azië en de Pacific bedraagt circa 156.000 man.

Dit aantal komt tot stand door het optellen van de volgende cijfers: Verenigde Staten circa 90.000; Australië 45.843; Groot-Brittannië en Commonwealth tenminste 17.200; Nederland 2.654; Nieuw-Zeeland tenminste 134. Niet meegeteld zijn de onder de Amerikaanse legereenheden gesneuvelde Filippijnse militairen, de ongeveer 1,4 miljoen Chinese gesneuvelden en de circa 12.000 in augustus 1945 omgekomen leden van de Sovjetstrijdkrachten.

Hiroshima en Nagasaki

Het grote probleem bij het schatten van het aantal slachtoffers/doden van de atoombommen is dat niemand exact weet hoeveel burgers en militairen zich op het moment van de kernexplosies in Hiroshima en Nagasaki bevonden. De cijfers in deel 11b van het ‘Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van L. de Jong – te weten 64.000 doden en 72.000 gewonden in Hiroshima en 39.000 doden en 25.000 gewonden in Nagasaki – zijn zeer waarschijnlijk gebaseerd op de resultaten van diverse Amerikaanse en Japanse onderzoeksrapporten uit de tweede helft van de jaren 1940 en de jaren 1950. Deze resultaten werden sindsdien in veel gezaghebbende boeken aangehaald Deze cijfers zouden echter wel eens te laag kunnen zijn. In 1950 werd in Japan voor het eerst een telling gepubliceerd van het aantal overlevenden van de kernbom-explosies.

10897290468?profile=originalHiroshima: totale verwoesting

Toen men vervolgens het aantal overlevenden van het geschatte aantal aanwezigen tijdens de atoombombardementen aftrok, kwam men tot de conclusie dat tot 1950 in Hiroshima 200.000 mensen en in Nagasaki 140.000 mensen waren overleden. Daar veel overlevenden zich in 1950 echter nog niet als zodanig bekend durfden te maken, viel deze berekening veel te hoog uit. In 1976 rapporteerden de twee getroffen Japanse steden aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties dat ten gevolge van de atoombommen tot het eind van 1945 in Hiroshima 130.000 à 150.000 doden en in Nagasaki 60.000 à 80.000 doden te betreuren waren geweest. De Amerikaanse militair historicus Richard Frank kwam in 1999 tot de volgende voorzichtige conclusie: “The actual total of deaths due to the atomic bombs will never be known. The best approximation is that the number is huge and falls between 100.000 and 200.000.” (Richard B. Frank, ‘Downfall; The end of the Imperial Japanese Empire’, New York 1999, pagina 287).

Ook over het aantal mensen dat in latere jaren aan de gevolgen van de kernexplosies is overleden bestaat grote onzekerheid. Als gevolg van de lange termijneffecten van de atoom-bommen is het sterftecijfer onder diegenen die de explosies hebben overleefd duidelijk hoger dan    het landelijk gemiddelde, maar hieromtrent zijn geen betrouwbare cijfers beschikbaar. In Hiroshima en Nagasaki worden dodenlijsten van overleden ‘hibakusha’ (slachtoffers van de atoombom) bijgehouden. Een ‘hibakusha’ is iemand die zich tijdens, of vlak na de explosies binnen een straal van twee kilometer van de epicentra van de atoombommen bevond.

In augustus 1994 telde de lijst van Hiroshima 186.940 doden en de lijst van Nagasaki 102.275 overledenen. In augustus 2000 stonden op de dodenlijst van Hiroshima al meer dan 217.000 namen. Wanneer een ‘hibakusha’ overlijdt wordt hij of zij automatisch op de dodenlijst gezet, ongeacht de oorzaak van overlijden. Het is dus niet zeker of alle gestorvenen op deze lijsten ook inderdaad aan de gevolgen van de atoombommen zijn overleden.

Niettemin kan volgens de Amerikaanse historicus John Dower het totaal van “immediate and longer-term deaths caused by the bombing of the two cities” geschat worden op “as high as triple the familiar early estimates – in the neighborhood, that is, of three hundred thousand or more individuals” (Michael J. Hogan, ed., ‘Hiroshima in history and memory’, Cambridge 1996, p. 125).

Nederlandse Bersiapslachtoffers

Eind 1947 werd door de Nederlandse autoriteiten het totaal aantal slachtoffers van de bersiap op 3.500 geschat; of daarbij de slachtoffers onder de Ambonezen zijn meegeteld is niet duidelijk. Volgens De Jong is deze schatting vermoedelijk te laag geweest: vermoorden werden alleen aangemeld als zij relaties hadden die dat konden doen, maar talrijke Indisch-Nederlandse mannen en vrouwen die met Indonesiërs gehuwd waren, leefden geïsoleerd in de binnenlanden. Eind 1948 waren er in heel Indië nog circa 2.500 Europeanen zoek – dat cijfer sloot evenwel ook personen in die in de Japanse bezettingstijd spoorloos waren verdwenen. (L. de Jong, ‘Koninkrijk der Nederlanden’, deel 12, pp. 744-745.)

Nederlandse militaire verliezen tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd

De gemiddelde sterkte van de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië in de jaren 1946-1949: Koninklijke Landmacht 70.000; KNIL 40.000; Mariniersbrigade 5.000 Benadrukt moet worden dat het hier de gemiddelde sterkte van de in Indië aanwezige landstrijdkrachten in de jaren 1946-1949 betreft. Het totaal aantal militairen dat op enig moment tijdens deze periode in Indië heeft gediend moet dus aanzienlijk hoger hebben gelegen. De verliescijfers zijn als volgt onder te verdelen (resp. verliezen aan gesneuvelde en door ziekte en ongeval overleden militairen):
KL: 1602 – 907; KNIL: 722 – 1098; Mariniersbrigade: 155 – 101. Totaal: 2479 – 2106. Totaal: 4585. (Bron: D.C.L. Schoonoord, ‘De Mariniersbrigade 1943-1949; Wording en inzet in Indonesië’,  Amsterdam 1988, p. 315)
Kolonel bd. J.W. de Leeuw komt tot de volgende totaalcijfers voor de periode tussen 15 augustus 1945 en 1 januari 1963 (dus inclusief het conflict om Nieuw-Guinea in 1962): Gevechts-verliezen (inbegrepen vermoord): 3281, niet-gevechtsverliezen (ziektes, ongevallen, executies etc.): 2134; doodsoorzaak onbekend: 762. Totaal: 6177.

10897288872?profile=originalNederlandse militaire ereveld Kembang Koening Soerabaja

Bij deze cijfers zijn ook omgekomen politiemensen, Rode Kruispersoneel etc. meegeteld. Tenslotte zijn ook mensen opgenomen die niet in Indië zijn aangekomen. Zij behoorden echter reeds tot een uit te zenden eenheid en zijn daarom ook door De Leeuw meegenomen. De Leeuw benadrukt dat deze cijfers nog aan verandering onderhevig zijn. (Bron: zgn. Roermond-database van De Leeuw.)                                          Tijdens de Eerste Politionele Actie zijn 169 Nederlandse militairen omgekomen, tijdens de Tweede sneuvelden 113 (L. de Jong, ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’, deel 12, p. 972).

Indonesische verliezen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd

In Indonesië wordt gesteld dat de Republikeinse strijdkrachten in de jaren 1945-1949 in totaal circa 100.000 man hebben verloren. Nederlandse militaire historici houden dat voor een betrouwbaar cijfer. Het revolutionaire geweld tegen de burgerbevolking op Java heeft bovendien naar schatting aan enkele tienduizenden Indonesiërs het leven gekost. Ook als gevolg van de door de PKI geïnitieerde Madioen-opstand zijn vermoedelijk enkele tienduizenden slachtoffers gevallen. Op Sumatra zijn alleen al in de periode voorafgaand aan de Eerste Politionele Oorlog zo’n 7.000 Karo-Bataks om het leven gekomen (De Jong, ‘Koninkrijk’, deel 12, p. 865 en 1014).

Bron: Het bovenstaand overzicht is tevens te raadplegen via         de website van het NIOD:http://www.niod.knaw.nl/nl/vraag-en-antwoord/japanse-bezetting-paci...

Lees verder…