Jan de Keten's berichten (382)

Sorteer op

Herdenking slachtoffers Nederlands-Indië op de Pasar Malam in Dordrecht 

Afbeelding bij nieuwsitem 'Herdenking slachtoffers Nederlands-Indië op de Pasar Malam in Dordrecht'Foto's: Wim van de Pol

15aug

Herdenking slachtoffers Nederlands-Indië op de Pasar Malam in Dordrecht

DORDRECHT - Vandaag herdenkt Nederland de slachtoffers van de Japanse bezetting in voormalig Nederlands-Indië. Bij talrijke overheidsgebouwen hangt de vlag halfstok. De Nationale herdenking van de oorlogsslachtoffers in Nederlands-Indië valt gelijk met de Pasar Malam in Dordrecht. Daarom is daar op woensdagmiddag om 13.00 uur stilgestaan bij de slachtoffers. Locoburgemeester Maarten Burggraaff hield een toespraak namens de gemeente. Hier een fotoverslag.

Lees verder…

De dekolonisatie van Nederlands-Indië

10897308292?profile=originalDe dekolonisatie van Nederlands-Indië        Door: Gert Oostindie

Tijdens de dekolonisatieoorlog met Indonesië trad Nederland soms uiterst gewelddadig op. Nog steeds is niet duidelijk of sprake was van excessen of van routineus geweld. Toch wordt een uitgebreid onderzoek nog altijd tegen-gehouden.

In juli 1949, in de nadagen van de dekolonisatieoorlog in Indonesië, liep een Nederlandse patrouille onder leiding van marinier Leen Teeken in een hinderlaag bij het Oost-Javaanse dorp Prambon Wetan. Vier militairen, onder wie Teeken zelf, en een Chinese spion werden gedood. Zes anderen werden gevangengenomen.

Nederland dacht dat die ook dood waren, maar twee maanden later doken zij weer op en werden ze geruild met Indonesische vrijheidsstrijders.

Het verhaal van de patrouille-Teeken was in Nederland al langer bekend. Onlangs berichtte NRC Handelsblad op basis van onderzoek van de Nederlandse fotografe Marjolein van Pagee echter dat dit onvolledig was. Daags nadat de patrouille in de hinderlaag was gelopen overvielen Nederlandse mariniers het dorp. Door hun vergeldingsactie werden zo’n zestig Javaanse burgers gedood en vijftig huizen in brand gestoken. Dat is althans wat Van Pagee opmaakte uit een bewaard gebleven schrift van de dorps-schrijver.

Is ook dat tweede verhaal, de vergeldingsactie, waar? Dat is op basis van een enkel krantenartikel uiteraard niet vast te stellen. Ondenkbaar is het echter beslist niet. Naarmate er meer onderzoek wordt gedaan naar het optreden van het Nederlandse leger tijdens deze vuile dekolonisatieoorlog duiken er meer gevallen op, die wij nu kwalificeren als oorlogs-misdaden. En zeer vaak ging het, zo blijkt uit onderzoek, inderdaad om represailles voor gesneuvelde makkers.
In dat stramien passen de vergeldingsacties voor de patrouille-Teeken naadloos. Al in 1992 suggereerde veteraan Wim Hornman dat hier keihard was opgetreden: ‘Ze walsten door de dorpen en de dessa’s heen. Ze verhoorden gevangenen. Ze verdroegen geen tegenstand.’
Maar daarmee is de bredere vraag, of het Nederlandse leger zich schuldig maakte aan systematische ‘contraterreur’, uiteraard nog niet beantwoord.
 

‘Ze walsten door de dorpen en   de dessa’s heen, verhoorden gevangenen en verdroegen geen tegenstand’. De dekolonisatie-oorlog in Indonesië was de grootste militaire operatie uit onze geschiedenis. Er waren 100.000 dienstplichtigen, 50.000 oorlogs-vrijwilligers, enkele duizenden beroepsmilitairen, plus zo’n 70.000 mannen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) bij betrokken. In het totaal dienden er dus ruim 220.000 manschappen onder Nederlandse vlag. De missie die de militairen werd opgedragen was dan wel koloniaal, maar klinkt vanuit hedendaags perspectief ook weer verrassend bekend: het herstellen van rust en veiligheid, en het creëren van de voorwaarden voor wederopbouw na een desastreuze buitenlandse bezetting.


10897317682?profile=originalDe werkelijkheid was echter veel gecompliceerder. Op 17 augustus 1945 proclameerden Soekarno en Mohammad Hatta onafhankelijke Republiek Indonesië. Dat was twee dagen na de Japanse capitulatie. Nederland hoopte na de capitulatie het koloniale gezag zo snel mogelijk te herstellen, hoewel er wel ruimte was voor een zeer geleidelijke dekolonisatie onder Haagse regie. Maar de republikeinen daarentegen wilden niets minder dan Merdeka, volledige onafhankelijkheid en vrijheid.

In de volgende vier jaren werd veel onderhandeld, maar nog meer gestreden. Indonesisch geweld in de zogenoemde bersiap, tussen september 1945 en begin 1946, leidde tot vele duizenden doden onder etnische minder-heden (Europeanen, Indo’s en Chinezen). Daarnaast, en lang-duriger, was er een bloedige strijd tussen rivaliserende Indonesische groepen onderling. Tegelijk werd er een onversneden dekolonisatie-oorlog gevoerd tussen de Nederlandse krijgsmacht en het republikeinse leger.

Nederland zag in dat er onderhandeld moest worden. Dit was mede noodzakelijk omdat de internationale publieke opinie steeds kritischer werd over het Nederlandse beleid. Tot tweemaal toe leek een onderhandelde vrede binnen handbereik, maar door toedoen van haviken aan beide zijden werden deze kansen gemist.
Het treurige alternatief was voortzetting en uitbreiding van de oorlog. Dat bleef niet beperkt tot de twee Nederlandse ‘politionele acties’, zo genoemd in de vergeefse hoop het buitenland ervan te overtuigen dat het niet ging om een onafhankelijkheids-strijd van een kolonie tegen een koloniale mogendheid, maar slechts om het bestrijden van binnenlandse verstoringen van de openbare orde.

 

Deze acties in 1947 en 1948-1949 wezen uit dat het Nederlandse leger een conventionele oorlog althans op korte termijn kon winnen; vrijwel heel Java en grote delen van Sumatra werden min of meer onder controle gebracht. De acties zetten Nederland in de internationale opinie echter in de beklaagdenbank.

Nederlandse militairen in Indië

 

Bovendien werd steeds duidelijker dat de militaire tak van de republikeinen, de Tentara Nasional Indonesia (TNI), en ook allerlei andere strijdgroepen een veel grotere bedreiging vormden doordat zij kozen voor een guerrillaoorlog. Die tactiek lokte Nederlandse contraguerrilla uit, die waarschijnlijk veel meer slachtoffers eiste dan de oorlogvoering gedurende de kortstondige politionele acties, maar ook steeds minder perspectief op een definitieve overwinning bood.

Intussen was de daadwerkelijke militaire controle van Nederland, ondanks de schijnbare successen van de politionele acties, zeer beperkt. De grote legermacht was nog altijd veel te klein voor het enorme oppervlak waar de koloniale orde moest worden gehandhaafd, en bovendien lukte het niet het vooroorlogse civiele apparaat weer op orde te krijgen.
 
Uiteindelijk werd de dekolonisatie-oorlog toch tot een einde gebracht aan de onderhandelingstafel.     Op 7 mei 1949 tekenden de onderhandelaars Mohamed Roem en Jan Herman van Roijen een akkoord dat wél de basis zou vormen voor de soevereiniteits-overdracht, op 27 december 1949. Een wapenstilstand werd al op 3 augustus van kracht, slechts een dag of tien na het drama in Prambon Wetan, vandaar de latere uitruil van krijgsgevangenen. Ditmaal zwegen de wapens. De repatriëring van de Nederlandse troepen ging van start, al kwamen de laatste militairen pas begin 1951 terug – eerder was niet mogelijk, omdat de scheeps-capaciteit nogal tekortschoot.

Het aantal in de periode 1945-1950 in Indonesië omgekomen militairen in Nederlandse dienst bedroeg 4751, exclusief doden bij hulpkorpsen, Rode Kruis en politiemensen; het Nationaal Indië-monument in Roermond houdt een cijfer aan van 6226. Beide cijfers liggen zeer waarschijnlijk lager dan het aantal Europese slachtoffers van de Bersiap-periode, en zeker van het aantal doden aan Indonesische zijde, dat gewoonlijk rond de 100.000 wordt geschat – een wilde gok, waarbij bovendien moet worden aangetekend dat een aanzienlijk deel van hen niet stierf door Nederlands geweld, maar in de onderlinge strijd van de diverse Indonesische strijdende partijen.
 

Verkeerde kant van de geschiedenis

 

In 2005 gaf Nederland toe dat het ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ had gestaan. Het zou tot 2005 duren voordat de Nederlandse regering uitsprak dat ons land, achteraf bezien, in deze oorlog ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ had gestaan. ‘We’ hadden indertijd niet begrepen dat de tijden voorgoed veranderd waren, dat onze rol in Indonesië was uitgespeeld. Het hoge woord was eruit, bij monde van minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot, zelf een ‘Indische jongen’ en daarom beter in staat geacht deze pijnlijke boodschap te delen met veteranen en repatrianten uit het verloren Indië.

 
De missie waarmee de Nederlandse militairen op pad waren gestuurd, werd omschreven als een vredesmissie, als opbouwwerk. Dat daar oorlogs-handelingen aan vast konden zitten, zal duidelijk zijn geweest. Maar de duur, omvang en intensiteit van wat uiteindelijk een dekolonisatieoorlog werd, waren van geheel andere orde dan verwacht. Aan Nederlandse zijde schatten alle partijen – politiek, militair, publieke opinie – dit aanvankelijk veel te optimistisch in. En toen ze hun vergissing eindelijk inzagen, bleek een exit strategy niet zomaar voorhanden. Bovendien bleek de oorlog steeds vuiler te worden, mede omdat de tegenpartij noodgedwongen voor een guerrilla koos.


Al tijdens de oorlog zelf doken berichten op in de Nederlandse pers over ‘moffengedrag’ tegen Indonesiërs. Die werden echter overstemd door zorgvuldig geregistreerd positief nieuws over ‘onze jongens in Indië’. Na de soevereiniteitsoverdracht werd het stil. Het duurde zo’n twintig jaar, tot 1969, voor het publieke stilzwijgen werd doorbroken. Veteraan Joop Hueting zocht al langere tijd het nieuws met verklaringen over de oorlogs-misdaden, begaan door de Nederlandse militairen. Het duurde – kenmerkend – jaren voor hij eindelijk een forum vond, eerst in de Volkskrant, vervolgens op het nog betrekkelijk nieuwe medium de televisie.

Huetings optreden in het VARA-televisieprogramma Achter het Nieuws leidde tot verhitte discussies, debatten in de Tweede Kamer en een onder hoge tijdsdruk vervaardigd onderzoeks-rapport van een ambtelijke commissie dat de geschiedenis in zou gaan als de Excessennota, gebaseerd op eerder verricht juridisch onderzoek dat politiek noch juridisch was gedeeld. Het ging dus om onderzoek naar misdrijven die uitdrukkelijk als zodanig waren gerapporteerd, zoals de operaties van het beruchte Korps Speciale Troepen onder kapitein Raymond Westerling: standrechtelijke executies van gevangen militairen en dorpelingen, martelingen, verkrachting, brandstichtingen en plundering.

 

De commissie beschouwde het rapport slechts als een eerste inventarisatie, maar de politiek wilde deze geschiedenis snel begraven. Eigenhandig schreef minister-president Piet de Jong, zelf voormalig marineman, dat er weliswaar sprake was geweest van betreurenswaardige ‘excessen’, maar dat de militairen aan Nederlandse zijde zich in de regel goed hadden gedragen: ‘De Regering betreurt dat er zich excessen hebben voorgedaan, maar zij handhaaft haar opvatting, dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen. Verzamelde gegevens bevestigen, dat van systematische wreedheid geen sprake is geweest.’
In het Kamerdebat over de Excessennota drong onder meer oppositieleider Joop den Uyl (PvdA) aan op een parlementaire onderzoekscommissie, maar een meerderheid in de Tweede Kamer wees dit af. De beslissing noch een parlementair onderzoek, noch een grondig wetenschappelijk onderzoek te laten uitvoeren   naar de oorlogvoering, inclusief mogelijke oorlogsmisdaden, was gevoed door de angst een doos van Pandora te openen.

Verdwenen daarmee de oorlog, en de vraag naar oorlogsmisdaden, in de spreekwoordelijke doofpot? Nee. Vanaf 1969 is het nodige onderzoek gedaan; veel daarvan as juist gericht op gebeurtenissen die al in 1969 als ‘excessen’ waren geclassificeerd. Telkens weer kwam de koloniale oorlog in het nieuws, publiceerden journalisten over nieuwe vondsten of brachten bekende feiten als nieuws. Er werden rechtszaken gevoerd over oorlogsmisdaden; de rechter dwong de staat in deze specifieke gevallen tot erkenning, excuses en schadeloosstelling. Onderzoekers plozen archieven uit, interviewden militairen en politici. Veteranen schreven hun memoires. Er was geen sprake meer van verdoezeling.


Maar daarmee is allerminst gezegd dat het onderzoek bevredigend is afgerond, en al helemaal niet dat de vraag is beantwoord of het Nederlandse leger zich al dan niet systematisch aan oorlogsmisdaden heeft schuldig gemaakt. Dat dit incidenteel wél het geval is geweest, is allang erkend, en de Excessennota blijft daarbij een belangrijke bron. Al was het dan pas na rechterlijke vonnissen, Nederland heeft officieel erkend dat er in het Javaanse dorp Rawagedeh en in Zuid-Sulawesi oorlogsmisdaden zijn gepleegd en heeft daar de weduwen van vermoorde dorpelingen ook een financiële tegemoetkoming betaald; de benaming ‘schade-loosstelling’ is overigens een pervers woord in dit verband.
Ook heeft het kabinet-Rutte II aangegeven nieuwe gevallen die aan het licht komen op dezelfde wijze te zullen behandelen. Er lijkt nu ook ruimte te komen om kinderen van slachtoffers te compenseren. Dus met andere woorden, als de nabestaanden van vermoorde dorpelingen uit Prambon Wetan hun zaak ‘hard’ weten te maken, zal Nederland de inmiddels bekende gebaren maken.

10897318467?profile=originalMaar daarmee weten we nog steeds niet of we het hebben over excessen of routineus geweld. Mede daarom bepleitten drie instituten – het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) – in juni 2012 in de Volkskrant een breed onderzoek naar de dekolonisatieoorlog, en in het bijzonder het Nederlandse militaire optreden. Het pleidooi van de instituten was om de discussie breder te trekken, inhoudelijker te maken, ‘niet om te moraliseren, maar om ons te helpen begrijpen wat de aard van het geweld en het Nederlandse optreden was’.
 

Frans Timmermans was eerst vóór, later tegen

 

Frans Timmermans was als Kamerlid vóór nader onderzoek, maar als minister van Buitenlandse Zaken tegen. Het pleidooi leidde tot een golf van overwegend positieve publiciteit, ondersteunende commentaren in toonaangevende kranten en Kamervragen en -debatten. De uitkomst was echter teleur-stellend. Het toen regerende kabinet-Rutte I gaf aan dat de instituten uiteraard alle vrijheid hadden om het bepleite onderzoek uit te voeren, maar wilde het niet financieel steunen. Het tweede kabinet-Rutte bevestigde dit standpunt, waarbij publiekelijk en vertrouwelijk werd gewezen op de opvattingen van de Indonesische regering, die te kennen had gegeven liever gezamenlijk naar de toekomst te willen kijken dan terug te blikken op deze delicate periode uit het gemeen-schappelijke verleden. Pikant in dit alles was de rol van Frans Timmermans, als Kamerlid voor de oppositionele PvdA ten tijde van Rutte I nog voorstander van het onderzoek en overheidssteun daarvoor, als minister van Buitenlandse Zaken in het tweede kabinet-Rutte echter tot andere gedachten gebracht.

 

Waarom toch die weigering een breed onderzoek te financieren dat ertoe kan bijdragen om de onderste steen boven te krijgen? We kunnen niet uitsluiten dat zorgen om het Nederlandse (militaire) imago en eventueel ook financiële claims een rol spelen. Maar het heeft er alle schijn van dat de Indonesische opstelling van groter belang is. Tot op heden heeft geen Indonesische regering ooit belangstelling getoond voor serieus historisch onderzoek naar de dekolonisatieoorlog, al dan niet in samenwerking met Nederland uitgevoerd.

Dat is niet vreemd. Onbevangen historisch onderzoek zou het beeld ondergraven van één verenigd heroïsch volk dat onder leiding van het leger de kolonisator het land uit vocht. Openheid van Nederlandse zijde over oorlogs-misdaden begaan in de jaren 1945-1950 zou bovendien in de Indonesische samenleving de roep kunnen versterken om kritisch onderzoek naar de massale moordpartijen, deels onder regie van het leger, in de jaren 1965-1966.

Er zijn wel signalen van een begin van openheid aan Indonesische zijde, maar feit blijft dat Den Haag zich inderdaad kan verschuilen achter het standpunt van Jakarta dat onderzoek naar deze periode belastend kan zijn voor de bilaterale betrekkingen. Maar het blijft, op z’n minst, buitengewoon opmerkelijk dat Indonesië kennelijk zo’n sterk stempel kan zetten op het Nederlandse onderzoek naar de eigen militaire en koloniale geschiedenis.

 

Meer weten

 

Een breed overzicht van de dekolonisatie geven Wim van den Doel, Afscheid van Indië. De val van het Nederlandse imperium in Indië (2000) en J.A.A. de Jong, Avondschot. Hoe Nederland zich terugtrok uit zijn Aziatisch imperium (2011). Zie ook Ad van Liempt, Nederland valt aan: Op weg naar de oorlog met Indonesië 1947 (2012).


Een overzicht van de oorlog, de nasleep in Nederland en de visie van de veteranen biedt Stef Scagliola, Last van oorlog: De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking(2002). De klassieke studie over ‘excessief geweld’ is Ontsporing van geweld: Over het Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict (1971/2012) van de veteranen, tevens sociologen, J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix.
J.A. de Moor schreef Westerling’s oorlog: Indonesië̈ 1945-1950: De geschiedenis van de commando’s en parachutisten in Nederlands-Indië 1945-1950 (1999).

 

Bron: Historisch Nieuwsblad

Lees verder…

Moedig Indonesië daagt ISIS-jihadi’s uit,  werd  48930 keren gelezen in nog geen 1 uur op ICM !

Moedig Indonesië daagt ISIS-jihadi’s uit: kom maar naar ons land, dan maken we gehakt van jullie

Bron Dagelijkse Standaard (DDS) van 16.11.2015

10897315291?profile=original

Zo kan het dus ook.

We kunnen bibberen en hopen dat ISIS-jihadi’s nooit terugkomen naar Nederland om aanslagen te plegen of we kunnen de weg van Indonesië opgaan. Daar zijn ze niet bang voor ISIS. De opperbaas van het Indonesische leger, generaal Moeldoko, zegt in reactie op dreigementen van ISIS-aanhangers dat hij hoopt dat de islamitische terreurjihadi’s juist naar zijn land komen. Dan kan hij mooigehakt van ze maken:

“It’s not a problem, let’s wait for them. It’s even better if they do come and not just spew some threats,” TNI chief Gen. Moeldoko said on Tuesday, as quoted by Detik.com. “Let them come and we’ll take them all out, no problem.”

In de eerste plaats is het Indonesische leger bezig met het voorkomen van een verdere verspreiding van de ISIS-ideologie in het overwegend islamitische Indonesië (ja, ook daar lopen jihadi’s rond die sympathiseren met de terreurclub die nu actief is in Syrië en Irak). Maar de Indonesische troepen staan klaar om ook concrete dreigingen snoeihard aan te pakken.

“Such ideology cannot be allowed to spread in Indonesia,” Moeldoko said. “I have seen clearly how the ideology can spread in unstable countries.”

Dat is nog eens duidelijke taal van de generaal van het Indonesische leger. Je begint je meteen af te vragen: waarom zijn andere landen, waaronder Nederland, zo stil als het gaat om het bestrijden van ISIS? Waarom gaan we niet wat luidruchtiger en harder de strijd aan met het terreurleger dat ons de oorlog heeft verklaard?

Waar zijn we toch zo bang voor? En nee, nu niet zeggen dat jihadi’s dan door ons gaan radicaliseren, want dat is onzin. We hebben nu ook al tientallen, zo niet honderden jihadi’s die naar Syrië zijn afgereisd.

Bron http://www.dagelijksestandaard.nl/2015/04/moedig-indonesie-daagt-is...

Weergaven: 48930

10897237288?profile=original10897237700?profile=original

Steun ons om ons werk af te maken door te tekenen en te doneren
           Nusantara  met ruim een achterban van 1200, is de 7 e Indische organisatie die Ferry Schwab steunt                 

Indische zaak - Het Traktaat van10897237288?profile=originalWassenaar 1966 

Hier Onderteken petitie   < of >    Kijken wie er getekend hebben

< of >   Laatste Updates  In het Engels hier

 

Lees verder…

Zonder indorock geen textielbeat

                                                                                          Zonder indorock geen textielbeat

IPTCBron Annina Romita;© Annina Romita fotografie + beeld Enschede portretfoto Wouter Muller ter vervanging karikatuur bij serie onderin opiniepagina Editie: alle foto Annina Romita AR20151216;NL

Indische bandjes legden ooit de basis voor de Nederlandse popmuziek. Oftewel: hoe een film bijdraagt aan de trots en identiteit van de navolgende generatie mensen van Indische komaf.

Een paar weken geleden stroomde de theaterzaal van Concordia in Enschede vol met ruim honderd (ex-)muzikanten en hun partners. Zij waren allen uitvoerders en liefhebbers van de roemruchte Twentse textielbeat uit de jaren 60. En nog altijd doen ze mee aan de reünieconcerten die de stichting Textielbeat organiseert. Het bestuur daarvan had de aanwezigen uitgenodigd om naar een bijzondere film te kijken. Klanken van oorsprong, een documentaire van filmmaakster Hetty Naaijkens. Haar film gaat over de opkomst van de indorock in de vroege jaren 60.

Reünieconcerten

Ik kwam zelf pas in 1970 in Enschede en heb de gloriejaren van de textielbeat jammer genoeg gemist. Zo zijn bands als Highway, Chains, Hun, Indeeds, Rabbits, Honest Men en First Move toen aan mij voorbijgegaan. Gelukkig maakten de latere reünieconcerten dat enigszins goed. De eerste keer dat ik zo’n concert meemaakte in de Twentehallen viel me iets bijzonders op. Bij de opkomst van de vijfde band realiseerde ik me dat in alle voorgaande bands minstens één Indische jongen speelde. Ik ben zelf ook van Indische afkomst, maar dat was toen voor mij een grote verrassing.

Begintijd

Dat was het natuurlijk niet voor het bestuur van de stichting Textielbeat. Dat wist heel goed hoe in de begintijd van de textielbeat in menige beginnende beatband Indische jongens (gitaar) speelden. Zie daar hun reden om deze film naar Enschede te halen. Petje af voor dit initiatief!

Hetty Naaijkens heeft met haar film vooral de opkomst van de indorock in Den Haag belicht. Deze stad als ‘weduwe van Indië’ of als ‘de Indische hoofdstad van Nederland’ bood vanaf de jaren 50 huisvesting aan enkele duizenden Indische Nederlanders, die noodgedwongen hun land (Indië) ontvlucht waren.

Rock en country

Evenals later in Enschede waren het de Haagse Indische jongens die allerlei bandjes formeerden in hun nieuwe leven in een nieuw land. En zij speelden het liefst de muziek waarmee zij in Indië via de radio kennis hadden gemaakt. Rock en country. Dat was in ons land toen nog onbekend, maar onder de Nederlandse jeugd sloeg het enorm aan. De Javalins, de Crazy Rockers en bovenal The Tielman Brothers werden ware boegbeelden van de indorock en kregen overal navolging. Daarmee vormden al die Indische bandjes met hun muziek in feite de bakermat van de latere Nederlandse popmuziek.

Grote invloed

Dát is wat deze film uitdraagt: de grote invloed van de indorock op onze popmuziek. Maar er is meer. De film laat tegelijk de oorzaak zien van de noodgedwongen vlucht naar ons land van 350.000 (!) Indische Nederlanders. Waarom kwamen die hier? Met indrukwekkende beelden van de Japanse bezetting en de genadeloze strijd om de onafhankelijkheid van Indonesië wordt dit belicht.

Historisch document

Klanken van oorsprong is dus niet alleen een muzikale documentaire, maar ook een belangwekkend historisch document. Het laat heel toegankelijk iets zien wat de meeste Nederlanders niet weten of wisten. Daar zijn twee oorzaken voor. Allereerst heeft het geschiedenisonderwijs hier geen aandacht aan besteed. En de eerste generatie Indische Nederlanders heeft grotendeels gezwegen over de meegemaakte verschrikkingen. Daarom levert deze film tegelijk ook een bijdrage aan de trots en identiteit van de navolgende generatie mensen van Indische afkomst.

Na afloop van de film sprak ik met een voormalige textielbeatmuzikant. Hij zei: ‘Wouter, zonder die Indische jongens van toen kreeg je nooit een goede band. Dus zonder indorock geen textielbeat.

Wouter Muller is muzikant, tekstschrijver en componist en actief in de sociaal-culturele sector.


IPTCBron Annina Romita;© Annina Romita fotografie + beeld Enschede portretfoto Wouter Muller ter vervanging karikatuur bij serie onderin opiniepagina Editie: alle foto Annina Romita AR20151216;NL
© Annina Romita
Lees verder…

10897396076?profile=original

  

                                                              N I E U W S B R I E F

Grootste gratis toegankelijke Pasar Malam van Nederland in Dordrecht


Datum: 12 t/m 15 augustus
Locatie: Statenplein, Sarisgang en Achterom, Dordrecht


Voor het 7e jaar op rij zal de gratis toegankelijke Pasar Malam Istimewa weer neerstrijken in Dordrecht. Met ca. 100 kramen met Oosterse producten. Hier vind je bijvoorbeeld wierook, spekkoek, kroepoek, kleding en sieraden. Je kan je lekker laten masseren of ga langs bij een van de mediums voor een reading. Bij de 22 (!) restaurants kun je genieten van de lekkerste Indische maaltijden en snacks. Ieder restaurant heeft zijn eigen specialiteit. De één heeft de beste nasi goreng gerechten en bij de ander haal je een heerlijke soto. Zin in een snack? Er is een ruime keuze in saté, lemper of broodjes. 
Van zondag 12 t/m woensdag 15 augustus zullen het Statenplein (bijna 5.000 m2), de hele Sarisgang (ca 2.000 m2) en het Achterom (ca 900 m2) omgetoverd worden tot een Indisch dorp.
Op twee podia is er de hele dag live muziek en zijn er culturele dansdemonstraties.
Laat je Facebookvrienden weten dat je naar dit gezellige evenement gaat via de Facebook eventpagina.

10897359274?profile=original

Het Statenplein tijdens de Pasar Malam Istimewa (foto: Istimewa Events)

10897359656?profile=original

De Sarisgang tijdens de Pasar Malam (foto: Istimewa Events)

Nieuw in 2018

"Achterom" toegevoegd aan Pasar Malam
De Pasar Malam in Dordrecht trekt jaarlijks veel bezoekers. We hebben de drukke knelpunten in kaart gebracht. De grootste drukte bleek bij het podium in de Sarisgang te zijn. Veel mensen wouden de optredens zien waardoor de straat geblokkeerd werd. Ook was er te weinig ruimte voor het podium om lekker te kunnen dansen. Daarom betrekken we dit jaar het plein "Achterom" bij de Pasar Malam en verplaatsen we het podium van de Sarisgang naar het Achterom. Dit plein ligt in het verlengde van de Sarisgang en bied met zijn ca. 900m2 voldoende ruimte voor het podium. De rijen met stoelen vervangen we hier voor een gezellig terras.
Door het verplaatsen van het podium ontstaat er ook meer ruimte voor kramen in de Sarisgang.

Meer ruimte op het Statenplein
Ook op het Statenplein gaan we meer ruimte creëren door de volledige backstage ruimte hier weg te halen. Dat betekend dus meer ruimte en meer kraampjes met leuke producten!

Edu Schalk podium
Edu Schalk, deze ras-entertainer en publiekslieveling behoeft eigenlijk geen introductie. Zeker niet in zijn stad Dordrecht.
We kunnen wel zeggen een legende bij leven. Daarom hebben we bij Istimewa besloten om het Senang podium op maandag, dinsdag en woensdag naar Edu te vernoemen: het EDU SCHALK PODIUM.
Edu zelf is de gastheer op dit podium.
We hebben Edu gevraagd welke artiesten hij graag op zijn podium zou willen zien. 
Uiteraard zal Edu zelf deze dagen een optreden verzorgen op zijn eigen podium.

Het Edu Schalk podium staat op het Achterom
Welke artiesten Edu heeft gekozen en de tijden van de optredens op dit podium vind je verderop in deze nieuwsbrief. 

10897396484?profile=original

                    

Tjendol Sunrise reünieconcert

Op de 1e dag van de Pasar Malam, zondag 12 augustus, hebben we gelijk iets heel bijzonders. Dan zullen zal Tjendol Sunrise een reunië concert verzorgen!

Tjendol Sunrise werd in 2004 opgericht met de bedoeling rock-'n-roll (vroege rockabilly, rock&roll en indorock) te spelen. 
Het repertoire omvat bekende en minder bekende rock-'n-roll- en indorock-klassiekers uit de jaren 50 en de vroege jaren 60 alsook eigen liedjes. Andy Tielman heeft in 2008 zijn laatste cd "21st Century Rock" opgenomen samen met Tjendol Sunrise.
In 2012 won Tjendol Sunrise de Andy Tielman Award vanwege "de instandhouding en promotie van Rock & Roll in het algemeen en de Indorock in het bijzonder".

In de zomer van 2015 stopte de band. Maar speciaal voor de Pasar Malam Istimewa in Dordrecht komen Patrick, Marc, Willy en Jean Paul nog 1 keer bij elkaar.

Tjendol Sunrise zal maar liefst 3 optredens verzorgen op het Senang Podium wat dit jaar op het plein op het Achterom zal staan.
Tijden: 14:15 / 17:30 / 19:30

10897397059?profile=original

Indië herdenking

Op 15 augustus 1945 kwam er met de capitulatie van Japan een officieel einde aan de oorlog in Zuidoost-Azië en tegelijk van de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Op woensdag 15 augustus 2018 herdenken we op de pasar malam om 13:00 uur bij het podium op het Statenplein de slachtoffers van de Japanse bezetting.
Hierbij dragen wij het symbool van de Indiëherdenking: de Melati. De Melati is ook te koop op de infokraam naast het podium.

Voor deze herdenking hebben we een aantal sprekers en artiesten uitgenodigd.

10897397468?profile=original

Programma

Evenals bij de voorgaande edities wordt het podiumprogramma gepresenteerd door Sylvia Elders.
Sylvia is een ervaren vakvrouw met veel kennis van de Indonesische cultuur. Bevlogen en betrokken vertelt zij over de geschiedenis, muziek, dans, culinaire lekkernijen en tradities afkomstig uit Indonesië.  Gekleed in de Indonesische klederdracht, de sarong en kebaya, neemt zij u mee naar de Gordel van Smaragd.

10897398052?profile=original

 

Sylvia Elders (foto: Gea Fotografie)

 

Zondag 12 augustus
Open van 13:00 tot 20:30 uur

  • Tjendol Sunrise
  • Challenge XL (+ Amy Mielatz)
  • Ben Heart
  • Ester Latama
  • Hawaiian Treasure

 

Maandag 13 augustus
Open van 12:00 tot 20:30 uur

  • Adventure
  • Melanie Foëh
  • Edu Schalk
  • Duo Ginger
  • René le Blanc
  • Aniadi Art

 

Dinsdag 14 augustus:
Open van 12:00 tot 20:30 uur

  • Simply Friends
  • Harold Verwoert
  • Edu Schalk
  • Jacky Rain
  • Ruben Poetiray
  • Sekar Ayu

 

Woensdag 16 augustus:
Open van 12:00 tot 19:00 uur

  • Indië herdenking
  • Hot News
  • Gordon Smith
  • Edu Schalk
  • Diana Monoarfa
  • Bali Ayu Budaya

 

Tijden van de optredens op het Istimewa podium (Statenplein)

 10897397686?profile=original

Tijden van de optredens op het Senang & Edu Schalk podium (Achterom)

10897398472?profile=original

Unieke Pasar Malam Istimewa tas met inhoud
Bij de infokraam naast het podium op het Statenplein zijn unieke Pasar Malam Istimewa tassen te koop.
Voor maar €5,00 bent u de trotse eigenaar van Istimewa tas met inhoud!
U kunt kiezen uit 3 vrolijke kleuren.
In de tas zitten een fles ketjap van ABC, en een Indisch kookboek, koopje toch?!

 10897398878?profile=original

Praktische info

Parkeren
Van 9.00 tot 22.00 uur geldt betaald parkeren in de binnenstad. (zondag van 12:00 tot 17:00 uur)
U kunt 24 uur gratis parkeren op het terrein Weeskinderendijk. U moet wel een kaartje uit de automaat halen.
Vanaf hier is het 15 tot 20 minuten lopen naar de Pasar Malam.
De dichtstbijzijnde parkeergarages zijn:
Drievriendenhof (nabij Statenplein)
– Visstraat (nabij Sarisgang)
– Achterom (nabij Senang / Edu Schalk podium)
– Veemarkt

Openbaar vervoer
Op www.9292.nl kunt u uw reis met het openbaar vervoer plannen.
De Pasar Malam is op loopafstand van treinstation Dordrecht (centrum).
Vanaf het station loopt u rechtdoor over de Johan de Wittstraat, over de rotonde rechtdoor. U loopt langs de Media Markt en ter hoogte van de Hema begint de Pasar Malam op de Sarisgang en Achterom. Dit is ca. 8 minuten lopen. Er gaat ook een bus vanaf het station naar halte Sarisgang

Pinnen
Hoewel u bij een paar stands kunt pinnen, kunt u bij de meeste stands alleen contant betalen. Achter het podium op het Statenplein en in de Sarisgang zijn pinautomaten te vinden. Hoewel de Pasar Malam een gezellig dagje uit is kunnen er altijd mensen met slechte bedoelingen zijn. Houdt daarom uw eigendommen goed in de gaten en pas op voor zakkenrollers.

Mindervaliden
Het hele terrein van de Pasar Malam is rolstoelvriendelijk. Bij beide podia zijn zitplaatsen.

 

Impressie video
Kom je naar de Pasar Malam Istimewa in Dordrecht en wil je alvast een voorproefje van wat je kunt verwachten? Bekijk dan hier de aftermovie van de vorige editie!

(Created by Samantha Bonouvrie)

10897399087?profile=original

 

10897399855?profile=original

Copyright © 2018 Istimewa Events, All rights reserved.
Our mailing address is:

Istimewa Events

Vaartweg 22

Vlaardingen, Zh 3131 HT

Netherlands

Lees verder…


10897376690?profile=original
10897222082?profile=original

Terugblik op de huidige ontwikkelingen van het traktaat Wassenaar (ACTW66)

Nog geen drie jaar ging het project ACTW66 (Actie Comite Traktaat van Wassenaar) van start. Ludiek werd dit via ICM, FACEBOOK en de pasar malams gestart in 2015. Middelen waren niets eens voorhanden om een dergelijk mega - project tegen de Nederlandse Staat te beginnen, toch door het anders te doen dan men gewend is zoals het gebruikelijke bij Het Indisch Platform dat steunt geniet van het rijke ST. JES, zijn er forse stappen gezet., zelfs met de president Jokowi Dodo van de republiek Indonesia werd  persoonlijk gesproken over dit traktaat.

Gezien mijn achtergrond heb ik gekozen voor een specifieke benadering ook wel de bekende methodiek Balanced Scorcard van Kaplan en Norton veel toegepast bij bedrijven en Ministeries.

Deze scorecard meet de resultaten  van  de groei (gezet stappen) om de volgende stappen te kunen zetten om op koers te blijven. Deze scorecard meet bovendien juist de prestaties naar de indicatoren; je eigen organisatie, je klanten, de middelen en de innovaties (veranderingen, waar Louis van Gaal steeds over heeft).

Drie jaar later laten de perspectief klanten zien dat ruim 15.000 het traktaat steunen met hun handtekeningen. Het perspectief eigen organisatie; 19 mei werd de delegatie en deelnemersraad geïnstalleerd; 3 advocaten nemen zitting in de delegatie o.a., en 17 personen melden zich voor de deelnemersraad, de aanmeldprocedure loopt nog steeds. Perspectief middelen is negatief resultaat ( +) 12.000 en (-) 77.000 dus een negatief -65.000. Het perspectief innovatie zorgt dat het negatief resultaat van de middelen weer extra in evenwicht werd gebracht. Verschillende advocaten steunen het traktaat nu o.a. in de delegatie, en wordt hard gewerkt aan de WOB's en uiteraard de voorbereidingen voor het proces. Op de achtergrond worden nog steeds naar financiele fondsen gezocht om de huidige uitvoerende werkzaamheden te kunnen blijven verrichten. Al en al desondanks 15.000 man / vrouw hebben getekend is de wil om bij te dragen op dit moment niet aanwezig. Oorzaken zijn bekend mede omdat andere organisaties die hiervoor worden betaald sinds 1998 geen enkel resultaat hebben bereikt, ook ik als persoon zou een groot wanttrouwen hebben tegen nieuw opgeztte organisaties met deze negatieve ervaringen. 

 

Toch heeft nu al ACTW66 sporen nagelaten, en de tol nu al moeten betalen!

 Mede initiatiefnemer Marshal Manengkei overleed op 25/8/2017 die in Jakarta ACTW66 vertegenwoordigde. Voorts heeft Rob Andreas de delegatie verlaten.

Op 18 juli is ACTW66 definitief in KVK ingeschreven dat als project onder de St. Nines – Zuid viel. Net als ICM valt dit onderdeel onder ICM Projects & Events.

Tegelijkertijd gaan de andere activiteiten verder om via ICM, FACEBOOK, en de PASARS meer bekendheid te geven aan de resterende groep van Nederlandse Indische Gemeenschap, zo staan wij 4 dagen op de pasar malam in Dordrecht waar ruim 40.000 Indische Nederlanders op af komen, en met onze flyers te kunnen breiken, hierna de pasar malam Assen met zo'n 15.000 man gehouden bij Races van TT - Hallenn. Wij hopen het aantal te kunnen opkrikken naar de 20.000 o.a. voor de petitie - aanbieding met rapport uitbetalen traktaat van Wassenaar.

Voorts worden iedere zaterdag en zondagen bijeenkomsten in Almere gehouden om de achterban te kunnen blijven informeren.

 

Terug naar de geschiedenis van Traktaat van Wassenaar.

Onderstaande zou ik graag naar Drees en Luns willen schrijven met terugwerkende kracht!  Helaas ze zijn er niet meer, maar tegelijk de ogen willen openen van de huidige bewindvoerders die het probleem van het traktaat van 1966 anno 2018 nog steeds niet hebben opgelost.

Geachte heren .........

Gezien mijn achtergrond waar ik o.a. voor de bank de eer had mega – projecten te implementeren waar juist te allen tijde problemen dienen te worden vermeden bij bepaling van de missie & Strategie.  Basis was die oplossingen uit te werken die realistisch en haalbaar zijn. Dus ontwikkelingen die zich spontaan ontstaan in de samenlevingen eerst het probleem vast (definitie) stelen tegen gevolge van oorzaak à gevolg. Als het probleem gedefinieerd is; ga je reële oplossingen uitwerken die haalbaar zijn en te implementeren ter realisatie, het Traktaat – noemt het gedrocht – laat juist het tegenovergestelde zien van moeilijk te implementeren laat staan realiseren, die alleen problemen creren in de uitvoering.

 

Probleemstelling.

Bij Traktaat moet ik constateren aan de hand van de openbare stukken dat beide regeringsleiders (delegaties) geheel voorbij zijn gegaan aan dit probleem wat zich in hun samenleving afspeelde wat de bevolking betreft. Oorzaak is de onafhankelijkheid van de republiek die als gevolg heeft dat dekolonialisatie proces in gang zette. Bij de Nederlandse regering (Kabinet) was dit fenomeen uiteraard voor het eerst in de geschiedenis. Dit geldt uiteraard ook voor de jonge republiek. Voorts kan je concluderen dat beide regeringen de belangen waren gericht puur op het economisch gewin. Soekarno wilde zo snel mogelijk de Indonesische economie herstellen, en Nederland was gericht op behoud van haar bezittingen die ze gedurende de 300 jaar hebben opgebouwd niet te willen verliezen, kijk naar de gebouwen die er nu nog steeds staan!

Tegelijkertijd beide net zijn bekomen van WAR II, dus druk bezig met de opbouw en economisch herstel. De acties van beide regeringen waren uitsluitend hierop gericht. Tegelijkertijd de zorgplicht van de burgers, de Indische Nederlandse onderdanen, die het zwaar hadden te voordure;  de dagelijkse bedreiging van de Indonesische bevolking, de onzekerheid die Nederlandse regering gaf met betrekking tot verkrijgen van visum om te worden toe gelaten, en tevens de intensieve acties van de kant van Soekarno wat betreft de onteigening van al hun bezittingen.

Uiteindelijk is bekend dat er ruim 500.000 Indische Nederlanders (repatriëring) richting Nederland moesten. Dus een complete volksverhuizing, en dat beseffen beide regeringen al te goed wat voor impact dit heeft. Om Nederland te dwingen om deze Indische onderdanen toe te laten heeft VS moeten ingrijpen met sancties, en uiteindelijk zijn 341.000 toe gelaten die al hun bezittingen en te goeden hebben moeten achterlaten. Deze groep bestaat uit particulieren en ondernemers, waarvan het over grote deel particulieren betreft.

In alle openbare stukken zijn beide delegaties uitsluitend bezig geweest met overname of behouden van NL ondernemingen, en NL bezittingen; over de burgers (Indische onderdanen) werd niet bekommerd.

 

Oplossingsrichtingen.

Traktaat

Zoals beide regeringen zijn overeengekomen dat 600 miljoen volgens de uitdelingswet wordt uitgevoerd. Werd de lumpsum na veel onderhandelingen vastgesteld op 600 miljoen plus 89 miljoen rente in mindering 36 miljoen dat aan verschotten werden betaald, die is 15% van het totale schadebedrag. Claimanten hadden 3 maanden de tijd om zich in te schrijven, boven al  dat de claimanten juist opzettelijk niet werden geïnformeerd, om snel maar mogelijk het Traktaat onder het tapijt te vegen. De betalingen zouden in 30 termijn plaatsvinden te beginnen in 1973 tot 2003, navenant hiervan zouden de claimanten worden uitbetaald. Is al een regeling die niet werkbaar is. Deze oplossing geselecteerd puur uit eigen belang van NL regering, en uiteraard het grote wantrouwen richting de republiek of ooit wordt betaald. Voorts is nimmer het werkelijke aantal claimanten vastgesteld van die 341.000.

Opmerking.

Deze oplossing is niet werkbaar; het geld was niet beschikbaar,  deze zou in 30 jaarlijkse termijnen worden uitgedeeld, de hoogte van uiteindelijk schadebedrag kan nooit bekend zijn, mede omdat dit traktaat niet is gemeld aan de 341.000.  Het ontwerp van dit verdrag had een duidelijke opdracht inzicht zorg dat er niet uitbetaald wordt.

 

Oplossing alternatief - I

Meest voor de hand liggend is om de betrekkingen met Indonesie goed te houden, waardoor politiek dialoog open blijft staan. Net als onze omringende buurlanden die anno 2018 nog steeds door 1 deur kunnen met hun oud-kolonien. Politiek - Den Haag heeft hierin duidelijk gefaald. Kabinet Drees hadden net als landen als België, Frankrijk etc.  zich constructief moeten opstellen, en Soekarno en republiek moeten erkennen, en meer respecteren, dan was die hele volksverhuizing nooit plaatsgevonden.

 

Oplossing alternatief - 2

Nederland had als goed huisvader de zorgplicht om voor haar onderdanen te zorgen die het land uit werden geze, dat Nederland aan zich zelf heeft te danken, door onhandig politiek te bedrijven. Dit tengevolge van het wanbeleid in Den Haag tegen de republiek. Had het volledig bedrag moeten voorfinancieren, dan maar extra lening sluiten op de kapitaal markt, immers daar was wel ruimte in die tijd voor andere zaken. 

Tegen de achtergrond:

Het schadebedrag van de Indische onderdanen was immers bekend o.a. herinrichting van de woning, kosten van de reis, en tijdelijk verblijf. Naast het schade bedrag had de regering alle persoonlijke gegevens die van de repatriëring zijn vastgelegd. Deze administratie werd immers bijgehouden door het Ministerie van Maatschappelijk Werk ( nu Sociale Zaken) die de verschotten verleende aan de gerepatrieerden. In het rapport staan de rekeningen die dit Ministerie in rekening bracht. De gedupeerden hebben tot de laatste cent alles terugbetaald.

Is vreemd te moeten constatering dat bij het Ministerie van Buitenlandse zaken het proces verloopt voor aanmelden van claims, en tegelijkertijd over dezelfde periode met dezelfde gedupeerden verschotten worden verleend door een andere Ministerie van Maatschappelijk werk,

had Drees wel de regie in eigen hand ?

 

Tot bij de pasar malam Dordrecht.

Ferry SChwab sr.

g weekend.

Lees verder…

Kousbroeks “Oostindisch kampsyndroom”

10897266653?profile=originalKousbroeks “Oostindisch kampsyndroom”

Besproken door Pjotr.X.  Siccama – deel  9

 

Over het werk van Primo Levi waarin “Het periodiek Systeem” (prachtig vertaald in het Nederlands, schrijft Kousbroek en is lyrisch over de vertaling),  werd beschreven in het hoofdstuk ‘Vanadium’ (klinkt als een verbasterd Latijns nominatief overigens dat in elk geval met vergetelheid/verdwijning of verzwakking te maken heeft), heeft Kousbroek niet uitgelegd waar die Latijnse titel naar verwijst of wat deze precies voor betekenis heeft in de context van dat hoofdstuk. Schijnbaar vond hij het niet nodig uit te leggen hoe Levi in Auswitsch de man Müller ontmoette. Dat doet er in dit geval ook niet toe. Een doodgewone doorsnee grijze muis, een kleurloze man die, weliswaar niet gevoelloos, als een soort boekhouder zijn leven (verleden) “kloppend” wilde  maken, zoals hij dat altijd had gedaan door het knoeien met rekeningen.

Deze menselijke trek treft men overal aan. En juist in de maatschappelijke bovenlagen komt men dit geknoei het meeste tegen: het is een van de legitiemste (uit)vlucht/verdwijntrucs die men maar kan indenken, omdat de bovenste laag met de Staat als doodlopende piek immers naamloos is, en anoniem blijft, bovendien onsterfelijk. Wat ligt  meer voor de hand om je dan maar achter de beschermende hoge forten  te verschansen.

De wereld hangt aan elkaar van kloppend gemaakte rekeningen, schrijft Kousbroek. Bij het korte bezoek van Levi aan de stad Auswitsch, sprak hij die bewuste heer Müller die zei dat hij: “.. nooit iets had gehoord dat kon wijzen op het vermoorden van Joden.”

Kousbroek vermeldt helaas niet de bijzonderheden van voornamelijk de tijd (periode) van ontmoeting, wat jammer is gezien mijn reconstructie van het voorval. Hoe dan ook ging het hem voornamelijk om “het voorval/incident” van Müller en diens geopperde “zwijgende meerderheidsbegrip”. Best begrijpelijk, maar toch jammer dit hiaat in de beschrijving.

In dit deel van zijn werk spitst hij het besproken incident toe tot het verschijnsel van het geloof van de (zwijgende) meerderheid in extreme voorvallen in extreme omstandigheden.

Een voorbeeld in dit verband lag al in de Nederlands-Indische geschiedenis van het strafkamp van Boven-Digoel waar de kamparts Dr. Schoonheyt, op de opmerking (van een van de gevangenen Salim) dat mensen zonder proces naar het kamp werden gestuurd en wat voor vreselijke behandeling de gevangenen daar konden verwachten en later ook ondergingen, resoluut en beslist als antwoord kreeg dat het uitgesloten was dat Nederlanders dat zouden doen. Niets was minder waar. Het geloof van de kamparts was eerlijk, volgens Kousbroek. De arts was degelijk van overtuigd dat het zo was. Het moest een grote desillusie zijn geweest voor hem dat hij achteraf niet bij het rechte eind had.

De grote verliezers van de WO II, met name Japan, moest zich direct na de oorlog wel in allerlei bochten hebben gewrongen om de vernederingen en de verliezen enigszins te beperken (niet te relativeren). Studs Terkel beschrijft dat uitvoerig in zijn werk “The good war”. In 1947 verscheen er een Japanse uitgave  (volgens Kousbroek te vergelijken met het werk van Stud Terkel “The Good War”), gebaseerd op brieven, dagboeken en aantekeningen van de in de oorlog gesneuvelde Japanse studenten (die toen ook als soldaat

 in die oorlog werden meegesleurd). Deze uitgave blijkt na het verschijnen vele malen te zijn herdrukt, tot nu toe. Hiervoor zou een Japanse studentenvereniging verantwoordelijk zijn. Maar waarom was het zo geliefd en populair bij de Japanse bevolking? Of was het meer, om met Levi te spreken de rekeningen van het verleden kloppend te maken en te sorteren naar de bepaalde gehaltes van importantie en of zelfbescherming Bij die constatering van Kousbroek kun je een ogenblik achter je oren krabben.

8 jaar later in 1954 echter verscheen er een Franse vertaling van de Japanse uitgave uit 1947 met een titel die meer past in een poëtisch postromantisch werk dan een prozaïsche met als titel  “Ces voix qui nous viennent de la mer” Van Jean Lartéguy

10897281270?profile=original

 

Foto -Studs Terkel – auteur van ´The good war´´

 

Een onduidelijkheid constateer ik bij de passages in bijvoorbeeld een herdruk van 1985 en de herdrukken daarvoor waaruit Kousbroek citeerde en dat er verschillende versies bestaan die in omloop zijn gebracht. De actuele vraag is of het bewust is gedaan.

 

Tijdens een bezoek aan Parijs kreeg Kousbroek 30 jaar na de eerste uitgave een exemplaar in het Frans cadeau van een Japanse student. Het was vanzelfsprekend dat deze op zijn eigen manier Kousbroek wilde overtuigen dat niet alle Japanners monsters waren en de collectieve schuld van de begonnen WOII in Azië niet op de schouders van de Japanse natie kan worden gelegd, net zomin als dat voor de Duitse bevolking kan gelden.  

De ‘Stemmen vanuit zee’ (‘Ces voix qui nous viennent de la mer’), de uitgave waarin de aantekeningen in details zijn beschreven, heeft mij niet echt overtuigd van de oprechtheid van de inhoud, ook Kousbroek had er moeite mee. Vaak had hij het gevoel voortdurend achterdochtig te (moeten) zijn bij de persoonlijke ontboezemingen en verklaringen van de studenten. Aan de andere kant  bewonderde hij ook die mensen-studenten die bij kaarslicht psalmen reciteerden, literatuur lazen (Von Goethe/Schiller enz.) en uit de muziekliteratuur zongen en citeerden, onder anderen van Richard Wagner. Waarom deed men dat.

Hier is een simpele verklaring voor te geven. Bij mensen die vrijwillig of door bepaalde omstandigheden (of denken dat werkelijk) iets groots te verrichten (moeten) hebben (positief of negatief) ontstaat in een bepaald gedeelte van de hersenen een cerebrale transitie die tot algehele euforie kan leiden, daar waar de zo lang gekoesterde idealen moeten worden verwezenlijkt waardoor de betrokkenen zich overgeven en zich laven aan de verworvenheid en weelderigheid van zijn/hun verheven kunst en cultuur.

Kousbroek vraagt zich toch weer af wat hij met die betuigingen van onschuld van de gesneuvelde (studenten) soldaten aan moest. Waren ze toch oprecht?

Andere manier te herstellen, te hernemen van dat kwalijke verleden; vandaar dat de doorsnee Japanner de gelegenheid te baat heeft genomen om dat op zijn eigen manier te doen. Voor zover mij bekend, werd van de zijde van de Japanse overheid geen nationale

actie op touw gezet met betrekking tot het realiseren van de uitgave (wel andere zaken zoals economie/de wederopbouw/de nieuwe democratische instellingen inrichten etc. waar de Japanse Staat druk mee bezig was om de Parlementaire Democratie in te voeren.); dat had een groep studenten van Tokio direct na de WO II gedaan. Kort na WO II verscheen in 1947 (!) reeds de uitgave van de dagboekaantekeningen van de gesneuvelde studenten/soldaten. Het initiatief in die tijd, zeer begrijpelijk was in handen van een groep studenten, die de gesneuvelde medestudiegenoten niet alleen wilde eren en een waardige plaats geven, maar ook om de nationale trots en vanzelfsprekend de moraal weer het fundament te geven van voorheen. Het interessante van  de uitgave is de idee, stijl en uitwerking. Kousbroek kwam er achter waar de Japanse studenten de manier, stijl en de inhoud (het idee) vandaan hadden. Na veel gezoek vond hij waarachtig een uitgave in het Duits uit 1928 geschreven door prof.dr. Philipp Witkop van de universiteit van Freising en waarin hij in het Jappans Bittokoppu wordt genoemd. Deze professor had het zeer  waarschijnlijk uit een vorige uitgave uit WO I in 1917 overgenomen (midden in die oorlog)  Het kreeg als titel mee: Kriegsbriefe gefallener Studenten. Het moest een grote bron van inspiratie zijn geweest voor de groep Japanse studenten.

Aangezien Japan het Duitse onderwijssysteem had ingevoerd, lag het voor de hand dat de beide landen culturele banden onderhielden. Na 1945 overigens werd het Duitse onderwijssysteem in Japan door de Wereldmogendheden voorgoed afgeschaft.

 10897281495?profile=original

 

10897281700?profile=original

  

Jean Larteguy                       Primo Levi       

Een bijzonder geval vermeld in de aantekeningen van de uitgave: (De Franse vertaling heeft de titel: “Ces voix qui nous viennent de la mer”, letterlijk: Stemmen die tot ons komen vanuit zee), is het verhaal van een Japanse soldaat. De Franse vertalers hadden de rang van deze soldaat met de naam Kimura Hisao niet (kunnen) vertalen, maar mijn vermoeden moest dat ongeveer de rang van soldaat 1ste klasse zijn geweest.

Deze Kimura Hisao werd gevangen gehouden in een gevangenis in Singapore; daar waar eerder Engelsen en Nederlanders gevangen zaten . In 1945 werden de Nederlanders ter plaatse als bewakers aangesteld voor de Japanse gevangenen. Kimura zat er ook. Hem werd een Nederlandse bewaker toegewezen die heel goed voor hem was. Hij schreef ook later in zijn afscheidbrief en zijn dagaantekeningen dat de Nederlandse bewaker goed voor hem zorgde en hem vaak biscuits en sigaretten gaf, terwijl hij wist wat zijn Japanse collega’s

 

hem erger als een hond hadden behandeld. Kimura: “Hoe konden mijn eigen mensen zoiets schaamteloos doen..”(.)

De Nederlandse bewaker had Kimura alles verteld wat hem overkomen was en over de vreselijke misdaden van de Japanners. Hij moest zich voor de Nederlander moeten hebben geschaamd. Zijn aantekeningen in de uitgave zijn hartverscheurend.

 10897282290?profile=original

 

Foto -Nederlandse bewaker in Singapore. – Changi gevangenis

 

Het is analoog aan het verhaal van Müller in zijn ontmoeting met Levi, waar Müller toch niet kón geloven dat zijn eigen mensen, medeburgers zouden vermoorden.  Evengoed nobel was het van Dr. Schoonheyt die ook niet kón geloven dat de Nederlanders de gevangenen op wrede wijze mishandeld en gevangen zouden houden in Boven-Digoel, om de simpele redden dat hij geloof had in de goedheid van mensen. Deze nobele gedachte dat het zo zou moeten zijn is helaas fictie.

 

 

 10897282461?profile=original

10897282699?profile=original

 Dr. Schoonheyt - kamparts in Boven-Digoel 

 

Wordt vervolgd

Lees verder…

10897269701?profile=originalMijn levensverhaal - 3     door onze correspondent in Nieuw Zeeland, Adrian Lemmens    Aan boord van het schip, waarop wij naar Java zijn gevlucht en waarop wij zijn gebombardeerd, (als reeds eerder verhaald), vertelde mijn Moeder mij een dame te hebben ontmoet, die met het verkrijgen van haar eigen baby, geen borstmelk had, waarop het hospitaal mijn moeder verzocht, om ook dat kind haar moedermelk te geven, dus met mij te delen. Die dame zei aan boord komende, tegen mijn Moeder, Thea vergeef mij, maar jij bent als Duitse niet geliefd en ik kan het mij niet veroorloven, om in jouw gezelschap te verkeren of te worden gezien. Dat was blatant, ongegeneerd zelfs. Twee jaar oud, kreeg ik een maag-infectie, te Pladju. In Indië was dat meestal dodelijk, maar mijn vader accepteerde dat niet. Een van de eerste vliegtuigen van de KLM. die in Indië aankwam, een DC-3 (de latere Dakota), werd geheel door mijn Vader afgehuurd om mij naar Batavia in het ziekenhuis te krijgen vanuit Pladju-Palembang.

Ik heb er in het ziekenhuis gelegen, in een witte verduisterde kamer; ik heb er flarden van in mijn herinnering, met mensen in het wit die zich over bij bogen. Ik heb daar zes maanden gelegen en vrijwel alleen op eiwit gevoed, heb ik het overleefd. Het ellendige gevolg van deze episode was, dat ik nooit meer normaal was met eten. Mijn moeder moest het eten er bij mij bijna in slaan; ik ging met brood achter mijn kiezen naar bed en ik stond er de volgende morgen weer mee op, tot bijna de Japanse kampen aan toe. Zo ben ik altijd erg mager geweest, mogelijk was dat mijn moeders en mijn redding, gedurende die tijd, maar een normale moeder- kind relatie is er eigenlijk nooit geweest. Was dat mijn schuld, was dat mijn moeders schuld? Die vraag heb   ik tot nu toe nooit kunnen beantwoorden. Behalve een hardhandige opvoeding en het inpompen van manieren, zijn er nooit gesprekken tussen moeder en mij geweest en zeer zeker nooit of     te nimmer omhelzingen. Dit is voor mij de verhouding tussen moeder en kind geweest. Waar nu, bij mijn eigen kinderen en nu ook de kleinkinderen en hun moeders, totaal van afwijken.

Gedurende de periode van onze terugkeer, vanaf mijn vaders 1939 verlof periode in Europa tot onzevlucht van Balikpapan, naar Java en de overgave met de capitulatie aan de Japanse bezetters, had ik een kindermeisje, een (baboe), Sumina. Zij reisde met ons mee van Balikpapan om nog steeds op mij te passen. Haar verloofde, Sadimin, onze djongos, zag ik een maal met flikkerende ogen van haat naar onze tafel kijken.

Na onze eerste periode in een Hotel van mevrouw Pets, ook een Duitse en daarna naar het grote Hotel van Sarangan aan het meer, gingen wij naar Batavia, waar wij bericht ontvingen, dat mijn Vader in Bandoeng was gearriveerd. Bij onze aankomst was hij reeds gevangen genomen en had enige dingen voor ons bij goede vrienden achtergelaten. Moeder kreeg bericht dat mijn vader in de stad achter prikkeldraad zat en ze kon hem vanaf de straat te zien. Ik hoorde mijn vader zeggen, dat als er ooit iets met hem gebeurde, dat wij ons alleen aan de B.P.M. voor alles met advies moesten richten en niemand anders mochten vertrouwen. Dat was de laatste keer dat ik mijn vader zag, gebukt onder een spatbord van een vrachtauto, te midden van een grote hoeveelheid auto-onderdelen. Totdat een Japanse schildwacht naar ons begon te schreeuwen en daarna zelfs op ons begon te schieten. Dus gingen wij op de vlucht. Mijn Moeder hield zich aan zijn advies met de B.P.M., en in ons geval, werd “DAT” juist ons ongeluk.

Het was in Bandoeng, bij mijn Vaders vrienden, dat Greetje Brons ons wist te vinden en mijn moeder, via de Japanse Generale staf auto aan de bekende Art-Deco “Villa Isola” liet ontbieden, kennelijk om overreed, of uitgenodigd te worden, als een Duitse, voor de Japanse Generale Staf, dus de Japanse Generaal Imamura, als zijn secretaresse en tolk te fungeren. Toen ik met de twee zoons, Eppo en Rijnco

van de Brons de appeltuin in werd gestuurd, kreeg ik daar al gauw een dispuut met Rijnco, die mij een steen naar het hoofd gooide. Bloedend kwam ik op de tafel tussen al die Japanse Generaals en officieren te liggen, die mede hielpen mijn hoofd te verbinden, waarna ik als troost met de Japanse chauffeur en met Eppo in de Staf-auto een lunchpakket naar Brons mochten brengen in zijn gevangenis, waar hij, een grote man met een rood hoofd en witte haren, boven zijn medegevangenen uit stak.

Mijn Moeder niet van plan zijnde, om voor de vijand te werken, kon “dat” niet zo maar zeggen en vroeg een dag bedenktijd. Wij kregen echter slechts drie uren, dus overhaast pakten wij onze spullen en gingen op de trein naar Surabaya. De trein werd regelmatig door jonge Japanse officieren doorzocht, maar dankzij de hulp van RK. Nonnen hebben ze ons niet gevonden.

10897270073?profile=originalfoto- Mijn kameraden tijdens de militaire dienst

De Familie Brons werd tegen het einde van de oorlog  in een klein camp door de Japanners sluiks binnengeloodst  en kregen Rode Kruis pakketten tot het einde, dat ze met een kleine selecte groep moesten delen. Zij hadden de oorlog als een complete familie overleefd. Echter hoorde ik jaren later, dat zoon Rijnco in China aan een ongeneeslijke ziekte werd behandeld en niet lang daarna overleed. Eppo werd een professor aan de Leidse Universiteit en werd onzichtbaar en onbereikbaar voor mij. Nadat ik hem wilde bezoeken, bleek hij, eerst zo vriendelijk en behulpzaam, te zijn veranderd in een kille, onpersoonlijke man.

Ambarawa, ons tweede kamp   

Ten tijde van de berichtgeving, van mijn vaders dood in Kamp Ambarawa, duwde men mij in mijn moeders armen. Ik wist niet hoe gauw ik mij daaruit moest bevrijden en liep weg.  Een tweede maal gebeurde dit toen mijn Moeder weinig kans op overleving had vanwege malaria tropica, door toedoen van  zuster Diet de Neeff, onze “kamp-dokter-verpleegster”, tegen het einde van onze kamptijd in ”Kamp 10 Banyu-Biru”. Mijn Moeder sprak wartaal en wederom kon ik niet gauw genoeg uit haar armen loskomen. Dat was de moeder en zoon relatie, waar later haar tweede man J. den Besten profijt van wist te trekken. Helaas!

In ons eerste kamp Gedangan, het voormalige klooster, had ik de mazelen en werd ik met liefde en opofferingen in een hoek, op de grond van de slaapzaal, in een tent van dekens, dus in het donker, door mij vreemde dames verzorgd en daarna, kreeg ik een ontzettende smerige en stinkende uitlag op mijn hoofd, waar inderdaad mijn eigen moeder ook eens voor zorgde.

Na de bevrijding, nog steeds in ons kamp Banyu-Biru, waren op een gegeven moment de Japanners verdwenen, waarna ons kamp werd ingenomen door de guerrilla’s, en de vroegere claponners, die ons kamp begonnen te bezetten, de Bersiap. Men had de Japanner die de Keuken Piet werd genoemd, gevangen genomen en veroordeeld. Het was diens genoegen om met zijn enorme Braziliaans gevlochten lederen zweep, van zo’n 15 meter lengte, waar alle vrouwen benauwd voor waren, te slaan. Daarmee kon hij met een knal een stuk vlees uit een been slaan. Hij was  altijd keurig gekleed in kaki’s en een lichter hemd met hoogglans gepoetste bruine laarzen, een worstelaars type, (ik zie hem nog voor me). Hij sloop vaak ‘s nachts in de keuken rond, waar mijn Moeder aan het koken was, met haar assistenten De guerrilla’s hebben hem kennelijk te pakken gekregen, hij moest voor de poort van ons kamp, zijn eigen graf graven, waarbij onder ons een groot gejuich ontstond, zo waren wij geworden.

Maar de Bersiap hadden ons bereikt . Ons werden doodsangsten aangejaagd met luidsprekers, over verzamelingen van wilde dieren tijgers, panters, slangen en krokodillen, die op ons los zouden worden gelaten en moesten wij ringen van zandzakken bouwen, met een opening.  Ons werd verteld dat wij daarin bijeen zouden worden gedreven en met handgranaten zouden worden afgemaakt.  

Na ongeveer een week van  deze verschrikkelijke ellende, hoorden wij plotseling een geweldig geraas, het was een militaire groep Ghurca’s met een tank en vrachtwagens. Ons camp 10 werd in verdediging gebracht, Kamp 11, onze annex, was reeds ontruimd, waarvan wij later hoorden, dat het was uitgemoord door de Bersiap activiteiten.

Ons kamp had echter een solide muur en was kennelijk een ex-inlandse gevangenis van voor de oorlog. Voor onze loods werden 4 mortieren geplaatst, die vaak in actie waren, waarvan wij de wolkjes van de inslagen op de bergen konden zien en ‘s nachts waren de vier mitrailleurs, op de hoeken van onze gevangenis geregeld in actie en was het vaak moeilijk om te slapen. Op een gegeven moment werden hun tactieken veranderd. De Ghurca’s smeerden zich tegen de avond in met roet en gingen in groepen van vijf, slechts met een lendendoek om en met een jute zak over de schouder de nacht in met hun Guckry, (een halfronde vlijmscherpe zware dolk) tussen de tanden het kamp uit, tegen de vroege morgens kwamen zij terug en telden de hoofden, waarmee zij terug kwamen; het was een “sport” voor hen.

10897270089?profile=original foto - Mijn opleidingsschip de “Pollux”

Enige weken later werd het rustiger om ons kamp, geen schieten meer, tot aan ons vertrek, in de eerste week van december 1945. In die laatste weken, kon men vanuit ons kamp de geweldige strijd rond Kamp Ambarawa volgen. Met schrik en medelijden, zagen wij dat vanaf  een grote afstand aan, het was een kamp dat geen muren had, zoals wij dat hadden.  

In één groot en geweldig zwaar bewapend konvooi werd ons gehele kamp in een keer weggevoerd. Het was een geweldig konvooi van trucks met enige tanks en kanon-wagens er tussendoor en een schutter in iedere cabine. Overal waren vliegtuigen die schoten en bombardeerden om ons heen; overal waren vuren langs de wegen en alle gebouwen stonden in brand. Zo kwamen wij veilig in Semarang aan, waar wij, na enige dagen via pontons op het Amerikaanse schip de “Victoria Amhorst” naar Batavia werden getransporteerd. Zo eindigde onze kamptijd. Het kwam mij later ter oren dat de Ghurca’s, die ons verdedigden en beschermden, hadden gemuit van het Engelse commando, om ons te komen redden.

Van Den Haag naar Vlaardingen

J. den Besten werd overgeplaatst naar het Shell complex te Pernis, bij Maasdam en Vlaardingen en wij kwamen op de Florislaan 12 te wonen, in Vlaardingen, met in die tijd nog steeds boerderijen tegenover ons, waar wij voorheen in Den Haag in de Rabarberstraat woonden. Ik weet daar verder weinig over omdat dat in de periode van mijn twee kostscholen was, eerst St. Louise en daarna Don-Bosco, met de Salesianen, beiden in Amersfoort.    

Na ook weer het enige jaar in Don-Bosco, werd ik ook daar er weer af gehaald, dat was voor mij het tweede schooljaar en tevens het laatste van wat ik van scholen heb gezien, allen dankzij het overzicht van mijn Grootvader dat abrupt eindigde toen  J, den Besten ons (mijn grootvaders  en dus mijn vaders huis), in Amsterdam Centraal met verlies verkocht, om zodoende het verband daarvan met onze naam “Lemmens”, te vernietigen. Tevens stond mijn nu zeer oude grootvader op straat en werd door een, ons zeer vijandig gestelde dochter van hem op een armoedige wijze verder verzorgd. Tijdens een ontmoeting met mijn moeder,  gooide zij een doek naar  mijn Moeders hoofd en zei, dat mijn  

vader had moeten terugkomen en niet zij, mijn Moeder. Dat was het einde van die enig mogelijke relatie in het prilste begin. Ze had een kruideniers zaak en was met een Duitser getrouwd een den Heyer en ik heb een verdenking dat dat een Joodse zaak was, aan het Legmeer plein, ook in Slooterdijk. Het waren vreselijke mensen, die voor mij helemaal geen gevoel hadden.

Tussen 13 en 14 jaar oud werd ik op de algemene Mulo derde klas geplaatst, in Vlaardingen, meer vanwege mijn leeftijd dan mijn kunde, maar ik had kennelijk goede hersens en was vlug in het oppakken van de leerstof, in ieder geval in de dingen  die mij interesseerden. Slechts drie maanden later, op die school te Vlaardingen, altijd lopende of fietsend, daar ik geen busgeld kreeg, vloog ik in een geweldige storm in zware regen tegen een geparkeerde auto aan en vloog er overheen en kwam met een hersenschudding in het ziekenhuis terecht, dat was tevens voor mij, mijn laatste contact met enige school. Alles bij elkaar had ik nu twee jaar en drie maanden op drie verschillende scholen gezeten, beginnende als een totale analfabeet.

In kamp Ambarawa, begon ik school in het geheim, met een heel knappe jonge vrouw, mogelijk nog een meisje, als ik mij herinner, met een kring van kinderen om haar heen, maar diezelfde dag, werden wij met haar door een Japanse schildwacht ontdekt en de volgende dag, werd zij naakt en nog levend, maar vreselijk verminkt, en met alle extremiteiten van haar afgehakt en gesneden, tegenover onze plek aan het gedek opgehangen. Het uiteindelijke sterven moet minstens een uur hebben geduurd, het was vreselijk.

Uit het hospitaal ontslagen, hing ik rond thuis en werd voor werk uitgestuurd, om iets te verdienen, zonder enig geld kreeg ik ook geen eten. Ik werd heel veel gepest en getreiterd, wanneer Den Besten thuis kwam. Het was in die tijd, dat ik mij leerde te verbergen onder een bed, of achter de sofa, of in zijn werkplaats achter het huis, niet om uit te houden in de winter en op die manier nam ik vaak de aan mij gegeven boeken van mijn grootvader en ik begon te lezen, boeken werden vanaf die tijd mijn beste vrienden en prepareerden mij voor de rest van mijn leven. Ik werd een boekenverzamelaar in de latere jaren.

10897270861?profile=originalfoto - Kamp Ambarawa

Naar het gedwongen werk zoeken, vond ik na enig werk aan de havens, clandestien vanwege mijn leeftijd. Na veel zoeken werkte ik uiteindelijk voor niets bij een loodgieter in Rotterdam, waar ik een half jaar of meer, dag in dag uit in weer en winter, moest fietsen, op een oude vooroorlogse uit het water gehaalde fiets, van het uiteinde van Vlaardingen, via Schiedam, naar Rotterdam en weer terug, vanwege mijn leeftijd, kon ik niet officieel worden aangenomen, maar kreeg ik bus geld van die zaak, dat ik thuis afdroeg onder dwang. Zonder die afdracht mocht ik niet thuis komen of eten. Ik veegde daar en hielp met klusjes, maar men was verbaasd over mijn vaardigheid en bood mij een vaste baan aan bij mijn vertrek. Ik was nu 14 jaar en het werk op Pernis voor

Den Besten was afgelopen en zo verhuisden wij weer terug naar Den Haag, deze keer het Bezuidenhout, naar de Theresiastraat 219, waar mijn Moeder bleef en tenslotte vele jaren later, in Mei 1999 stierf.            

Korte tijd later wilde ik van huis weg, de pesterijen en manipulaties werden een kwelling. Ik mocht niet weg van huis, ik mocht niemand ontmoeten, er waren bekenden van mijn Moeders vroegere tijd en Den Besten kon niet verhinderen dat contacten werden gemaakt, navraag naar mijn welzijn sloeg hem de schrik om de oren. Mijn Moeder - uit schaamte -  vertelde iedereen dat ik erg moeilijk was en niet wilde studeren. De enige waar ik clandestien een positief contact mee had, was een oude oom en een zeer vertrouwde vriend van mijn Vader, oom Wim van Zoelen, in Wassenaar. Helaas na drie visites aan hem, werd mij mijn fiets ontnomen, na een klein ongeluk, terwijl ook een strikte controle op mij werd uitgeoefend.

Echter van die drie contacten kwam ik zeer veel van en over het vroegere leven van mijn Vader te weten, Oom Paul van Zoelen was mijn Vaders eerste werkgever, in het Nederlands- Indië van vroeger, waar Oom Wim van Zoelen voor Bruynzeel in de Bossen en Rimboes een opzichter was van de houthakkersploegen in Nederlands-Indië. Oom Wim tenslotte, dankzij ook weer mijn Vader, werd uiteindelijk voor de oorlog als Boormeester van de B.P.M-Shell gepensioneerd, waarna hij getrouwd met een dochter van de Duitse “Veltins Bier Brouwerij” in Duitsland, maar kinderloos, naar Nederland terugkeerde en zich in Wassenaar vestigde.  

Werkende met vijf andere Nederlanders, allen met ploegen van 12 Indonesiërs, werd mijn Vader zijn

leven gered, tijdens een “Amok”. Zijn ploeg Indonesiërs zetten mijn vader tegen een boom en vormden een cirkel om hem heen en beschermden hem met hun klewangs tegen de zestig anderen in hun amok. De vier andere Nederlanders werden vermoord, het ging om betaling. Waar de andere Hollanders veel geld inhielden van de vijf centen per dag,  nam  mijn vader daar geen genoegen mee en betaalde zijn werknemers volledig uit.  Zo waren er ook nog verschillende andere parables over mijn vaders eerste  jaren in Nederlands-Indië.   

Op een Frans “hongerschip”, waar de meeste andere Nederlanders vanaf vluchtten in  Zuid Frankrijk en met de trein terug gingen naar Nederland, bleef mijn vader tot het einde van die vreselijke reis en kwam zo totaal uitgeput, voor het eerst in Nederlands-Indië terecht, waar tenslotte Oom Wim van Zoelen, zijn eerste baas werd. Ook in Indië heerste een depressie en werkeloosheid, na de Eerste Wereld Oorlog, veelal ook, omdat Indië werd uitgeknepen, door Nederland.

Uiteindelijk wist ik eenmaal weg te komen van huis, doordat mijn Moeder weg was en wist ik door half Den Haag lopende de familie Henk en Lenny Versnell te bereiken. Ik zat echter nauwelijks bij hen op de sofa, toen er tegen de deur gebonsd en getrapt werd. Geschrokken deed Oom Henk Versnell de deur open en stormde Den Besten vloekend en scheldend het huis in,  greep mij bij de haren en trapte mij het huis uit en gebood mij buiten op hem te wachten. Hij schreeuwde die mensen de schrik om de hals, terwijl ik buiten alles kon horen. Onder andere dat zij geen contact met mij mochten hebben en hij hen zou weten te vinden en dan verloren ook zij hun baan bij de B.P.M. In die tijd waren veel oude Shell mensen, van het vroegere Indië bang voor hun toekomst, daar zij ook in Nederland niet gewenst waren, maar uit fatsoen werden voorzien van werk en een inkomen. De B.P.M.-Shell probeerde in die tijd fair te zijn, hetgeen hen ook in botsing bracht met de Nederlandse regering.  Echter nu weten we dat Nederland zich weinig van onze problemen en rechten aan trok en probeerden onze mensen op allerlei manieren kwijt te raken o.a. met emigratie.    

Deze gebeurtenis met mij, bij de Versnells, ging natuurlijk als een lopend vuurtje door naar de bij       mijn moeder bekende ex-Indische gemeenschap van vroeger. Ook bleek dat mijn moeder altijd moest weten, van wat of waar ik zou zijn. Ik had niet van haar verwacht, dat zij mij dit zou aandoen.  

10897271293?profile=originalLuchtfoto van kamp Ambarawa

Enige bijstand uit deze richting was voor mij uitgesloten, daar de combinatie den Besten–Brons snel bekend werd.  In die gemeenschap werd  dr. ir.  H.H. Brons, met en door zijn geweldige maatschappelijke macht ook als gevaarlijk beschouwd. Dit was tevens rond de tijd, dat Den Besten van mijn Moeder uitvond, over het verraad destijds, van de Fam. Brons met de Japanners, waarmede die familie zich gerieflijk door die Oorlog wisten te redden. Het was met chantage, op die Brons familie, dat J. den Besten in het complot tegen mij werd ingehaald.  Dr. ir. professor H.H. Brons was voorbereid, door zijn oude

vriend ir. Jan Brouwer een mede-directeur van de B.P.M.-Shell, voor het stichten van de Rotterdam Rijn Pijp Leiding Maatschappij, (dochter-maatschappij van de B.P.M.-Shell), voor het vervoer van Olie producten naar Duitsland. Brons was nu een machtige man, niet alleen van die Maatschappij, maar ook in Nederland, met een zeer riant inkomen met daarnaast ook nog geweldige afschrijvingsmogelijkheden naar zijn Maatschappij. Een combinatie die voor mij een levensgevaarlijke situatie betekende,  vanwege  mijn rechten   en claims, met betrekking tot toekomstige en originele erfrechten van mijn Vader, met mijn komende volwassenheid in het verschiet.   Ook al waren onze papieren grotendeels verdonkeremaand.            

Het waren juist deze twee mensen, Brouwer en Brons, die vroeger voor de oorlog, met mijn vader een dispuut hadden, vanwege hun, dronkenschap en wangedrag met vrouwen en het maken van schulden in de Indische samenleving. De B.P.M-Shell was daarmede uitermate gechoqueerd.  Een vreselijk lot, dat mijn vaders Familie trof na zijn dood, met het door hem ongewild maken, van zulke vijanden en verder ook nog, door het grote onrecht dat na de oorlog, daaruit voortkwam.  

Maar ook nog eens, dat het mij, de enige zoon van mijn Vader, bijna het leven heeft gekost met een bijna totaal verwoeste toekomst, als resultaat, waar eens, zulke schitterende mogelijkheden voor mij waren weggelegd. Ik ben dankbaar dat hij dit nooit geweten heeft. Ook ben ik dankbaar dat het mij, desondanks, na alle vreselijke belevenissen en tegenslagen is gelukt een redelijke levensstijl op te  bouwen, hoe moeizaam dat ook ging en waar ik   ook nog van heb kunnen genieten   Het is mijn overtuiging dat niet alleen Nederland, met ook de Indische Kwestie en ook met ons huis, maar ook de B.P.M.-Shell een geweldige schuld aan mij hebben te voldoen.  Gelden en toekomstmogelijkheden door mijn vader in 1939 bij zijn Maatschappij, de B.P.M.-Shell, tijdig voor mij te hebben verzorgd, het onheil van een toekomstige oorlog voorziende, was het grootste offer dat van hem kon worden verwacht

Helaas is dit door kwade opzet allemaal te niet gedaan.

Tot zover het derde deel van het levensverhaal van Adrian Lemmens, dat   hij voor deze NICC Nieuwsbrief schreef

 

 

Lees verder…

In de maand augustus staat Nederlands-Indië centraal bij TV-zender “ONS” !!!!
10897393452?profile=original

Evenals het vorig jaar zal OMROEP “ONS” ( voorheen NOSTALGIE-NET) in de maand augustus, mede in het kader van de Herdenkingen Oorlogsslachtoffers NEDERLANDS-INDIË en overdracht van Nederlands-Indië aan het Republiek INDONESIË, deze centraal stellen bij hun uitzendingen en programmabeleid.

Bij de programmering voor de maand augustus zal op deze zender diverse documentaires, muziekprogramma’s en films over ons voormalige Ned.-Indië worden uitgezonden.

 

Gelet op het besluit van de Directie van OMROEP “ONS” om bijzondere aandacht aan de vele Indische

Nederlanders, Molukse bevolking en toenmalige Indiëgangers in deze maand Augustus te besteden,

wil ik hierbij dan ook met bijzonder respect voor de Directie van Omroep “ONS” en zijn medewerkers

tonen en bijzonder complimenteren omtrent hetgeen zij voor deze vermelde Nederlandse bevolkingsgroepen hebben gedaan en momenteel nog doen. Mede namens de vele Indische Nederlanders, Molukse bevolking en toenmalige Indiëgangers onze bijzondere dank voor uw

bijzondere aandacht en inzet die u voor ons, middels uw bijzondere programmering,ten toon spreidt.

 

In de hoop u allen enigszins voldoende hierover te hebben ingelicht, wens ik u hierbij

heel veel kijk- en luisterplezier bij deze door “Omroep ONS”, uitgezonden onderwerpen.

 

Met vriendelijke groet,

Siegfried Carl Shamier

In augustus bij ONS

In augustus staat Nederlands-Indië centraal bij ONS. Met programma's, documentaires en films over het leven en de strijd in de voormalige kolonie. Lees in deze nieuwsbrief meer over de programma's van deze maand.

10897393291?profile=original

Nederlands-Indië
bij ONS


Bij ONS staat de gehele maand augustus in het teken van het thema Nederlands-Indië. Met veel programma’s, films en documentaires over het leven en de strijd in de voormalige kolonie. En ook veel muziek! 


De gehele maand augustus bij ONS. 

De gehele maand augustus bij ONS. 

Meer informatie

10897394254?profile=original

Anneke Grönloh - Jubileumconcert

In 2009 vierde zangeres Anneke Grönloh haar 50-jarig artiestenjubileum met een gala-concert in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Met tal van bevriende collega's zoals Willeke Alberti, Ria Valk, Sandra Reemer en Ronnie Tober. 

Zaterdag 25 augustus om 18:00 uur.

 

Meer informatie

10897394470?profile=original

Het Jaar 2602



In Het Jaar 2602 vertellen de kinderen van weleer wat ze hebben meegemaakt tijdens hun verblijf in de Japanse interneringskampen in Nederlands-Indië tussen 1942 en 1945. Het jaar 1942 wordt het jaar 2602: de Japanse jaartelling.

Woensdag 15 augustus om 21:00 uur.


10897394861?profile=original

Oorlogsverhalen - Nederlands-Indië

In Oorlogsverhalen – Nederlands-Indië ziet u een bijzondere reeks gesprekken met getuigen en nabestaanden van getuigen van de strijd in de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Indrukwekkende verhalen over verschillende aspecten van dit tijdperk. 

Vanaf 14 augustus iedere dinsdag om 21:30 uur, herhaling op zaterdag om 16:00 uur.
 

Meer informatie

Andy Tielman -
That's my Life


That’s my Life is het exclusieve liveconcert dat Andy Tielman op 24 november 2004 gaf in het Kurhaus in Scheveningen. Het onnavolgbare gitaarspel van Tielman, de prachtige vocals en een spetterende liveband maken dit concert tot een absolute must voor de liefhebbers van rock and roll en indorock

Maandag 27 augustus om 19:30 uur.
 

Meer informatie

10897395272?profile=original

 

Lees verder…
Dorpelingen vinden zak vol oude Nederlandse bankbiljetten

Dorpelingen vinden zak voloude Nederlandse bankbiljetten

27-07-2018 | NIEUWS/ www.Indonesia.nl/Nu
Bewoners van het dorp Ulubalang in de Indonesische provincie Zuid-Sulawesi hebben een zak vol oude Nederlandse bankbiljetten gevonden. Het geld is eigendom van een onlangs overleden dorpsbewoonster. 
De vrouw, ook wel Nenek (oma) Lami genoemd, overleed enige tijd geleden op 60-jarige leeftijd. Ze leefde alleen, had geen man of kinderen, vertelt het dorpshoofd aan Indonesische media. 

"Ze is ongeveer vier dagen geleden overleden. Volgens verzamelaars is de zak met geld miljarden rupiahs waard omdat er sprake is van verschillende soorten bankbiljetten', aldus het dorpshoofd zoals geciteerd door de Indonesische nieuwssite Fajar Online. 

Dorpelingen hadden de zak met geld bijna verbrand omdat zij dachten dat er rommel in zat. Nadat ze de zak hadden geopend om te kijken wat er precies in zat, zagen ze de bankbiljetten, uitgegeven door de Javasche Bank. 

Het geld wordt verdeeld onder naaste familieleden.

De Javasche Bank werd opgericht in 1828 en functioneerde als circulatiebank voor Nederlands-Indië. Na de soevereiniteitsoverdracht werd de Javasche Bank genationaliseerd en overgenomen door de Indonesische regering. Tegenwoordig heet de centrale bank Bank Indonesia (BI). De Javasche Bank had twintig kantoren in Nederlands-Indië

Foto: Java Bank/Wikimedia 
Lees verder…

Oud-marinier na eigen onderzoek: ‘Nederlandse staat doodde kapers opzettelijk’

De Nederlandse regering heeft bij de beëindiging van de Molukse treinkaping in 1977 bewust gekozen voor excessief geweld, met de intentie om alle kapers te doden. Dat concludeert Ingo Piepers, oud-marinier en gepromoveerd op oorlogsdynamiek, na eigen onderzoek. Hij gaat zelfs zover dat hij de handelwijze van de regering ‘terreur’ noemt.

763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8 De met kogels doorzeefde trein bij spoorwegovergang de Punt. Foto ANP

Piepers kreeg inzage in het oorspronkelijke aanvalsplan, dat volgens hem doden had kunnen voorkomen, en vergeleek dat met het ‘zeer fors opgeschaalde’ plan dat uiteindelijk is uitgevoerd. Beide aanvalsplannen zijn op detailniveau nu pas openbaar en ook te lezen. Het ministerie van Defensie zegt dat de stukken onder de rechter zijn en wil om die reden niet reageren.

Vandaag doet de rechtbank in Den Haag uitspraak in de civiele treinkapingszaak, die gaat over de vraag of twee kapers in de trein, gewond en ongewapend, onwettig zijn geëxecuteerd in plaats van aangehouden. Als de nabestaanden gelijk krijgen, hebben zij recht op schadevergoeding. Het is ook mogelijk dat de rechtbank alsnog besluit nieuwe getuigen te horen.

Dat het uitgevoerde aanvalsplan tot doel had alle kapers te doden, blijkt volgens de oud-marinier onder meer uit het feit dat de ingezette scherpschutters geen precisiedoel hadden om met een verticale lijn van vuur te voorkomen dat kapers zich naar de passagiers konden begeven (het zogenoemde ‘compartimenteren’). Piepers: ‘In plaats daarvan werden hele coupés waarin Molukkers lagen te slapen met pantserdoorborende munitie aan flarden geschoten.’

Leugen

De Nederlandse staat heeft altijd ontkend dat er onrechtmatig is gehandeld. Volgens Piepers deugt de verantwoording voor die opschaling van het aanvalsplan niet. Uit onderzoek dat het ministerie van Justitie in 2014 naar de treinbestorming liet verrichten, blijkt dat de toenmalige besluitvormers – de stafofficieren en oud-Justitieminister Van Agt – het aanvalsplan opschaalden omdat de trein niet ongezien genaderd zou kunnen worden. ‘Dat is een pertinente leugen’, stelt Piepers. ‘Het oorspronkelijke plan voorzag daarin, dus men wist dat het kon. Bovendien lagen kikvorsmannen al drie weken ongezien onder de trein.’

De ware reden om aanvalsplan A los te laten en plan B in te zetten, wordt volgens de onderzoeker tot op de dag van vandaag verhuld. Piepers stelt dat de echte reden alleen deze kan zijn: alle kapers moesten dood om de Molukse gemeenschap, na vier gijzelingen, ‘een lesje te leren’ en toekomstige gijzelingen te voorkomen. ‘Dan gebruik je als staat dus geweld om angst aan te jagen met een politiek doel, en dat is de definitie van terreur.’

Uit notulen van het stafofficierenoverleg van destijds blijkt dat ‘de consequentie van dit plan is dat naar alle waarschijnlijkheid de terroristen allen zullen worden gedood’, en dat deze conclusie ‘uitvoerig’ met de betrokken bewindslieden is besproken. Dit staat haaks op de uitspraak van Dries van Agt, afgelopen zaterdag in De Telegraaf, dat ‘de instructie voor deze actie zodanig was dat zo weinig mogelijk mensen het leven zouden laten’. Piepers onderzoeksresultaten en de notulen van het stafofficierenoverleg zijn aan Van Agt voorgehouden, maar de oud-minister en -premier wil er niet op reageren. Ook de vraag waarom plan A drie dagen voor de aanval is opgeschaald zonder dat de omstandigheden waren veranderd, wil hij niet beantwoorden.

Politieke discussie

Defensiedeskundige Ko Colijn, voormalig directeur van het instituut Clingendael, noemt de reden die Piepers geeft voor de opschaling van het aanvalsplan ‘grondig en goed uitgezocht’. De conclusie van staatsterreur gaat volgens hem, hoewel die 'aannemelijk' is, nogal ver: ‘De grondwettelijke plicht van de staat ter bescherming van haar onderdanen is immers een evident andere dan de zelfbenoemde missie van een groep treinkapers.' Piepers hoopt dat zijn analyse aanzet is tot een politieke discussie over het handelen van de staat.

Advocaat Liesbeth Zegveld, die de nabestaanden van twee omgekomen kapers vertegenwoordigt, zegt dat ‘gaandeweg het proces steeds duidelijker werd dat je het handelen van de mariniers in de trein moet bekijken in de context van de ingezette scherpschutters en instructies. Voor ons is helder dat de manier hoe in de trein is geschoten, nooit een individuele beslissing kan zijn van een individuele marinier.’

Hoe zat het ook alweer met de treinkaping bij de Punt? Lees onze eerdere stukken nog eens terug:

Eerder dit jaar hebben drie getuigen zich gemeld in het proces over de treinkaping. Ook zij beweren dat de militairen de opdracht kregen dat de kapers de bevrijdingsactie niet mochten overleven. Verslaggever Wil Thijssen boog zich toen over de vraag: hoe waarschijnlijk is dat?

Het proces over de treinkaping bij De Punt is een schijnvertoning. Dat zeggen twee oud-mariniers in 2017 tegen de Volkskrant. Lees het interview terug. 

Op 11 juni 1977 bestormden militairen de gekaapte trein bij De Punt. Twee mariniers spraken er al in de zomer van 1977 over tegen een FBI-agent, met de bijnaam De Rots.Hun openhartigheid leidde destijds tot diplomatieke ophef. Een reconstructie. 

Lees verder…

Hoe de Indo is ontstaan

Hoe de Indo is ontstaan

 bronvermelding:Netteksten.nl

indische-zoektocht

Mijn ouders zijn beiden Indische Nederlanders. Op Java geboren in respectievelijk 1918 en 1920. Daar getrouwd in 1942. Naar Nieuw-Guinea verhuisd in 1953. In Nederland sinds 1962. 

Ze zijn nooit teruggekeerd naar hun geboorteland. Dat kon ook niet. Het land waar zij zijn geboren, bestaat niet meer. Mijn ouders zijn tijdreizigers. Meer dan drie decennia leefden zij in een land waar Nederland(s zijn) de boventoon voerde. Als Indische Nederlanders verstonden zij de kunst van het omgaan in twee werelden en spraken zij Nederlands, Maleis en Javaans. Als Indische Nederlanders werden zij door de Nederlandse gemeenschap gezien als Indonesiërs en door de Indonesische gemeenschap gezien als Nederlanders

 

Mijn ouders groeiden op in het besef dat zij zich thuis konden voelen in beide groepen. Jezelf ervan overtuigen dat je noch door de ene of de andere groep als ‘volwaardig lid’ werd gezien, hielp je niet. Wilde je vooruit komen als Indische Nederlander dan gebruikte je jouw aanpassingsvermogen en verplaatste jezelf in de positie van of de ene of de andere groep. En zo lang Nederland(s zijn) het voor het zeggen had, was er niets aan de hand. 

Dat veranderde toen de Indonesische groep duidelijk aangaf van de Nederlanders af te willen. Indische Nederlanders stonden voor hen daarmee gelijk. Dat moet gevoeld hebben als verraad voor hen (de Indische Nederlanders) die zich thuis voelden in beide werelden. In die zin spraken zij zich ook zo daarover uit. “De Indonesiërs hebben ons alles afgepakt. Terugkeren? Naar wat?”

Eenmaal in Nederland veranderde er voor hen niet veel. Voor de Nederlanders waren zij nog altijd geen Nederlanders. Maar Indonesiërs waren zij ook niet. Door de Nederlanders werden zij van Indische Nederlander omgedoopt in Indo. 

 

Benieuwd naar Deel 2?

Hoe het de 1e generatie Indische Nederlanders is vergaan

Lees verder…

Indië-herdenking 2018

  • 675x380-Indie-herdenking_2017__ANP__-_site-5b559fe072365.png
    © ANP
  • © ANP

  • © ANP

Op woensdag 15 augustus worden bij het Indisch Monument in Den Haag de slachtoffers herdacht van de strijd tegen Japan in de Tweede Wereldoorlog. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan, waardoor ook in het Verre Oosten de wapens zwegen. Daarmee kwam een definitief einde aan de Tweede Wereldoorlog. De NOS zendt de herdenking aan het begin van de middag rechtstreeks uit; aan het begin van de avond volgt een terugblik met gasten en reportages. De presentatie is in handen van Rob Trip.

In beide uitzendingen is een reportage te zien over het werk van Elisabeth Eskes-Rietveld, die tijdens haar gevangenschap in een ‘jappenkamp’ medegevangenen portretteerde. Onder hen vooral veel jongens, die op tienjarige leeftijd door de Japanners van hun moeder werden gescheiden om te worden overgebracht naar mannenkampen. Die portretten waren voor de achtergebleven moeders een belangrijk aandenken.

De NOS zendt de herdenking overdag rechtstreeks uit; 's avonds volgt een terugblik

Live uitzending
Tijdens de herdenking legt premier Rutte een krans namens de regering, wordt de Indische Klok geluid en zijn er voordrachten van Geert Mak en leerling Karlijn Jansen van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Den Haag. De muziek komt voor rekening van de Residentie Bach Ensembles, de Koninklijke Militaire kapel Johan Willem Friso, Wudstik en Wieteke van Dort. De herdenking eindigt zoals altijd met het defilé langs het Indisch Monument.

Avondprogramma
In het avondprogramma blikt Rob Trip met Geert Mak terug op de herdenking. Ook te gast is documentairemaker Hetty Naaijkens - Retel Helmrich. Deze zomer ging haar documentaire ‘Klanken van oorsprong’ in première. De film gaat over over de muzikanten die na de onafhankelijkheid van Indonesië in de jaren veertig en vijftig naar Nederland kwamen, over het verband tussen muziek, politiek en dekolonisatie en over de trauma’s die tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog zijn opgelopen.

NOS Indië-herdenking
Woensdag 15 augustus
12.15-13.45 uur, NPO 1
19.17-19.46 uur, NPO 2

Lees verder…

De geschiedenis van de Indo muziek.

Jim van der Hoeven indomuzikant van het eerste uur, laat ons 'onze geschiedenis" en de muziek via zijn zonen na!

Foto ICM werd gemaakt in voorjaar 2007 in Albir - Costa Blanca vlakbij Calpe -bij de warung Juntos van Danny en Marcia.

Jim behoort tot de grondleggers van het eerste uur als het om de IndoMuziek gaat in de jaren vijftig. Eerst speelde Jim bij o.a. de Rollers en toen bij de The Hot Jumpers met hun veel geroemde hit, dat 14 weken op de top 1 stond bij Radio Veronica.  Jim was niet alleen muzikant, maar zette zijn artistieke tekentalenten in stripverhalen om. Met deze stripverhalen legde hij "onze geschiedenis" vast in twee delen voor alle Indo's leesbaar van hoog tot laag.  "Gouden herinneringen bij de koffie toebroek en de zware sjek" heeft Jim ons allen nagelaten in twee delen en de prachtige muziek via zijn zonen!

Zijn zonen spelen  tegenwoordig in  de formaties The Street Rollers & The Rockin Players op alle pasars o.a. in de Rai waar zo'n 100.000 bezoekers op afkomen, Burger Zoo  (40.000 bezoekers), Dordrecht (40.000) en de overige niet genoemde pasars, toch totaal voor zo'n 800.000. 

Naast familie Van de Hoeven, familie Eeckhout met HotNews, familie de Wolff met The Blue Diamonds, Familie Tielman  (The Tielman Brothers)  uitgeroepen in 2007 tot grondleggers van de Nederlandse pop Muziek, de familie koster,  fam. de Nijs (Jackt Jersey, scoorde vele hits) . familie Somers met The Sommerset,  en vele andere hier niet genoemd.

Zij hebben de Indo muziek  gevormd uit de Rock Roll, Country, Evergreen, Classics en Hawaain  uit Amerika  in hun muziek en naar Nederland gebracht dit net als de Indische keuken.  

Zie volledige fotoreportage op www.icm-online.nl

Lees verder…

Pasar Malam Emmeloord, dit weekend 21 en 22 juli

 
TJampoer Nieuwsbrief
 
19 Juli 2018
 
Pasar Malam Emmeloord, dit weekend 21 en 22 juli
10897390474?profile=original
Klik op de flyer op naar de website van Stellar Events te gaan.
 
Programma Pasar Malam Emmeloord
 
Zaterdag 21 juli 2018
Open 13.00 uur-22.00 uur
13.30-14.00 uur Swinging Sound Machine
14.30-15.00 uur Wahana Budaya Nusantara
15.30-16.00 uur Swinging Sound Machine
16.30-17.00 uur René le Blanc
17.30-18.00 uur Wahana Budaya Nusantara
18.30-19.00 uur Swinging Sound Machine
19.30-20.00 uur René le Blanc
20.15-21.00 uur Justine Pelmelay: The                                     Philly Motown Sound
21.00-21.45 uur  Swinging Sound Machine
22.00 Einde eerste dag
 
Zondag 22 juli
Open 12.00-19.00 uur
12.00-12.30 uur Rocking Players
13.00-13.30 uur Hawaiian Treasure
14.00-14.30 uur Diana Monoarfa
15.00-15.30 uur Rocking Players
16.00-16.30 uur Hawaiian Treasure
17.00-17.30 uur Diana Monoarfa
18.00-18.45 uur Rocking Players
19.00 uur Einde tweede dag
 
 
 
10897390692?profile=original
Pasar Malam Emmeloord dit weekend!
10897390888?profile=original
(Boven: Advertentie in www.bonnenkrant.nl oplage 28.000 huis aan huis, klik op de afbeelding om naar de krant te gaan!)
 
Justine Pelmelay, nu speciaal op Pasar Malam Emmeloord met de nieuwe show!!
 
Een vedette die nog steeds overal volle zalen trekt. Net terug uit Spanje van een succesvolle tour en op Pasar  Malam Emmeloord te bewonderen met een nieuwe show van de Philly Motown Sound.
 
10897391683?profile=original
 
Oude tijden herleven met the Philly Motown Sound
 
Pasar Malam Emmeloord: Dit jaar voor de tweede (!) keer na de succesvolle, drukbezochte eerste editie in 2017. Wat was dat een tweedaags feest!  De mooie en bijzonder geschikte locatie ‘Bosbadhal’ met als thema: ‘Uw korte vakantie in Azië’ was omgetoverd in een waar tropisch paradijs en de ah’s en oh’s van de bezoekers klonken dat ook alom!
 
10897392066?profile=original  
(3 Billboards in Emmeloord)
 
Het was een belevenis om je eens zo dicht bij huis in Azië te wanen was de algemene stemming. Een markt met al zijn honderden bijzondere artikelen, de verrassende tropische geuren, de bijzondere maaltijden en natuurlijk de gastvrije sfeer. Velen zijn vorig jaar fan geworden van de Pasar Malam Emmeloord! En voor u het weet bent u dat ook! Voor de tweede keer.
Voor de tweede keer in Emmeloord.
Bij een organisatie als een Pasar komt er veel kijken. Stichting Benefiet voor NOP samen met Stellar Events maken er weer een waar tropisch festijn van. Een mooi dagje uit voor het hele gezin!
 
De prijswinnaars van de acties!

10897392455?profile=original
Prijswinnaars Like & Share Actie
Pasar Malam Emmeloord 21/22 juli 2018 !

Hoofdprijs: Arie Vink, 2 entreekaarten, diner bon en drankje voor twee personen.
 
Twee entreekaarten: 
Marco Wijnhoud-Yvonne Westra-Henke Bosch-Busarin Klinglong
 
Verrassingsmand met Pasar Malam artikelen: Inge Postuma
 
2 vrijkaarten en 2 porties sateh: Ellis van Beek
 
 
10897392093?profile=original   10897393056?profile=original

      
 
 
 
Klik op de flyer voor meer info!
Country News
 
Klik op de flyers voor meer info!
 
Deze week speciale actie voor vrijkaarten 'Country goes Acoustic.
en schrijf in voor de nieuwsbrief.
Aan de nieuwe leden worden 5 x 2 vrijkaarten beschikbaar gesteld, dus wie weet bent u een winnaar.
 
 
 
 
Drie dagen Country Festival Middelkerke o.a.
met Terry White, Sarah Jory en MRP
Ga naar de website voor mer informatie: klik hier!
 
Uw evenement op de agenda van Tjampoer.nl?
of uw gegevens wijzigen?
 
 
Uw evenement GRATIS plaatsen op Tjampoer?
 
 
 
Voor de organisatoren geldt nog steeds:
U kunt uw evenement GRATIS op de agenda plaatsen. Zie hiervoor de handleiding op de website van Tjampoer.nl.
Doe de plaatsing wel tijdig! Des te meer mensen bereikt u!
Heeft u moeite met het aanmelden van uw evenement, bel dan even en u zult merken dat het erg eenvoudig is. 0681429655
 
Geen nieuwsbrief meer ontvangen of uw e-mailadres wijzigen? Klik op de link hieronder.
 
 
 
Heeft u vragen? Neem contact met ons op via info@tjampoer.nl. Wij horen graag van u.
 
U kunt ook de Nieuesbrief sturen naar een vriend of kennis.
 
 
                            
 
Tjampoer.nl is een initiatief van Datatree Productions VOF | KvK 09093776
 
Onze privacyverklaring
 
 
Lees verder…

Wreker van zijn Indische grootouders

10897389462?profile=original

Wreker van zijn Indische grootouders De politieke roots van Geert Wilders (Bron De Groene Amsterdammer) 2017

Geert Wilders lijkt alle politiek te reduceren tot vraagstukken van grensbewaking, volkstelling en volksverplaatsing. Displacedness vormt het steeds terugkerende motief van zijn betoog en niet toevallig ook van zijn verborgen Indische familiegeschiedenis.

LIZZY VAN LEEUWEN

EN WEER LUKTE het hem: door heel Europa meldden krantenkoppen in juni de plannen van Geert Wilders om ‘miljoenen, tientallen miljoenen’ Europese moslims voorgoed uit te zetten als ze problemen veroorzaken. De PVV-leider deed deze uitspraak in Denemarken waar hij, net als in de Verenigde Staten, door velen wordt gezien als internationale held van het vrije woord. In het buitenland gooit Wilders alle remmen los als hij zijn vaste thema aansnijdt: de dreigende islamisering van het vrije Westen, te beginnen met ‘Eurabia’. Zijn alternatief – deportatie, opsluiting en/of verbanning van moslims – wordt in het buitenland doorgaans met staande ovaties verwelkomd. In Denemarken beweerde hij ook dat de westerse democratie op de rand van de afgrond staat door ‘massale immigratie en het hoge geboortecijfer van moslims’. In Los Angeles liet Wilders weten dat de hedendaagse islam in Europa oproept tot ‘onze vernietiging’.


De vraag blijft: wat beweegt Wilders? Uit welke bron put hij zijn monomane gedrevenheid? Is er een context denkbaar – ideologisch, historisch – waarin de figuur van Wilders thuishoort? Ondanks de vele pogingen om de volksvertegenwoordiger politiek te plaatsen, blijft een bevredigende analyse uit. Wilders is de laatste jaren omschreven als fascist, racist, populist, ‘provinciaal’, xenofoob, ‘volbloed liberaal’, rechts-extremist, rechts-radicaal en als ‘islamracist’. Hij gaat verder dan gewone rechts-extremisten als Jean-Marie Le Pen en Filip Dewinter, stellen sommige politicologen. Meindert Fennema (UvA) beweert dat Wilders’ voorstellen soms verontrustend ver over de grens van de rechtsstaat gaan – typeringen die Wilders zelf afdoet met ‘gezeur in de marge’ en de behoefte hem te demoniseren. Wilders noemt zichzelf sinds kort ‘Dutch freedom fighter’; daarvóór omschreef hij zichzelf graag als ‘democraat in hart en nieren’.


Waar het publiek, de politici en de politicologen het mee moeten doen – afgezien natuurlijk van het verbale geweld – zijn het VVD-verleden, de benadrukte afkomst uit Limburg en het extreme, geblondeerde kapsel. Als politicus lijkt hij uit de lucht te zijn gevallen: een zelf gefabriekte brandbom uit Venlo, die in geen enkele politieke traditie past en ook daarom moeilijk politiek onschadelijk te maken is. Voor veel Nederlanders (vooral in de Randstad) is Limburg nog steeds een soort buitengebied, van waaruit je van alles kunt verwachten; een gebied met eigen normen en waarden en een ongewone cultuur. Dit vooroordeel staat een diepergaande blik op het fenomeen Wilders in de weg. Waarom verder zoeken als ‘Limburg’ een verklarend kader biedt? Misschien wel omdat de VVD als kraamkamer van de PVV toch nieuw licht op Wilders’ missie kan werpen? Het haar van Wilders is intussen een politiek symptoom dat ten onrechte niet serieus genomen wordt.


IN JUNI werd in een klein artikel in Trouw de genealoog Roel de Neve geciteerd over de genetische afstamming van Wilders, die een paar Aziatische, mogelijk islamitische voor moeders in zijn Nederlands-Indische voorgeslacht telt. Wilders is deels van Indische afkomst, meldt het bericht, maar dat is een onjuiste formulering, want ‘Indische afkomst’ houdt al in: van gemengde komaf. Wilders is een Indo. In Nederland Door Omstandigheden, zoals het grapje vroeger luidde. De Volkskrant reageerde op dit nieuws met een satirisch stukje waarin Wilders werd opgevoerd als een jonge driftkop, verslaafd aan de Blue Diamonds-hit Ramona, die tot razernij verviel omdat de jukebox na zestien keer Ramona spelen werd stilgelegd.

Veel meer dan dit ‘Indisch’ geïnspireerde fantasieverhaal heeft het nieuws over de afkomst van de politicus sindsdien niet opgeleverd in de media. Ten onrechte, want interessanter dan Wilders’ precieze genetische afstamming is zijn verborgen ‘culturele’ Indoschap, omdat dat tot uiting kan komen in zijn politieke genealogie. Is het denkbaar dat postkoloniale historie en familiegeschiedenis Wilders hebben gemaakt tot wat hij vandaag politiek voorstelt en voorstaat? Hoort Wilders tot het onuitgepakte deel van onze Indische erfenis?


Hijzelf draait ongemakkelijk om zijn Indische afkomst heen. In de biografie Veel gekker kan het niet worden (2008) van Arthur Blok en Jonathan van Melle komt Wilders, gevraagd naar zijn Indische achtergrond, met een onsamenhangend verhaal:
‘Mijn moeders vader was majoor in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en hij is daar naartoe gezonden. Mijn moeder is uit Nederlandse ouders geboren, maar zij heeft wel enkele zussen, en een daarvan is getrouwd met een Indische man. Ik heb zover ik weet en me herinner twee echte neven en een oom uit Indonesië. Mijn moeder heeft destijds drie maanden in Nederlands-Indië gewoond en is daarna naar Frankrijk gegaan, toen haar vader, mijn opa, weer terug moest. Al zijn dochters zijn toen met aangetrouwde familie ook weer mee teruggegaan, dus er is wel enige Indische invloed in mijn familie zichtbaar. Bij de oudste zus van mijn moeder, die lang in Nederlands-Indië heeft gewoond, gingen we wel eens in het weekend kroepoek bakken.’
Recent onderzoek in het Nationaal Archief brengt aan het licht dat dit fragment uit halve waarheden, verdichtsels en losse interpretaties bestaat, waarover straks meer. Waarom verhult en verbergt Wilders zijn Indische afkomst?

IN WILDERS’ politieke carrière vormen niet toevallig territoriumkwesties en de mogelijke demografische gevolgen daarvan – zoals migratie – een centrale rol. Ze vormen zogezegd zijn politieke vehikel. In de jaren negentig, na zijn huwelijk met een Hongaarse diplomate, hield hij zich bezig met de kwade sentimenten rond het door de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte verlies van Hongaars grondgebied. Ook interesseerde hij zich intens voor de binnenlandse politiek van Israël, het land waarvoor hij naar eigen zeggen een diepe liefde voelt. Die liefde is al vroeg ontstaan: na zijn havo-eindexamen vertrok Wilders voor twee jaar naar Israël om zich bij een in het grensgebied van de omstreden Jordaanvallei gelegen kibboets aan te sluiten. Wilders’ geopolitieke obsessies kwamen duidelijk tot uiting ten tijde van zijn breuk met de VVD, veroorzaakt door het positieve fractiestandpunt over de toetreding van Turkije tot de EU. Dat vond Wilders ontoelaatbaar, omdat Turkije als ‘moslimland’ onverenigbaar zou zijn met de Europese cultuur – bovendien, voorspelde hij, ‘komen ze straks allemaal onze kant op’.


Sindsdien lijkt Wilders alle politiek te reduceren tot vraagstukken van grensbewaking, volkstelling en volksverplaatsing in het algemeen. Displacedness vormt het steeds terugkerende, onderliggende motief van zijn betoog en niet toevallig ook van zijn verborgen familiegeschiedenis. Indische familiegeschiedenissen reflecteren bijna allemaal de calamiteiten van de twintigste eeuw: uitsluiting, vervolging, geweld en gedwongen afscheid maakten een zeker deel uit van de ervaringen van Indische ouders, grootouders en overgrootouders. Zwaartepunt daarin vormde de Tweede Wereldoorlog, een oorlog waarin men volgens de historicus Mark Mazower ‘mensen verplaatste om politieke grenzen te consolideren’. In Nederlands-Indië leidde de Japanse Groot-Aziëpolitiek bijvoorbeeld tot het beleid om de blanke aanwezigheid totaal uit de openbare sfeer te bannen, door internering in kampen. De racistische bezettingsmaatregelen van de Japanners verscherpten de aloude identiteitsproblematiek van de Indo’s als onduidelijke ‘tussenklasse’ aanzienlijk.
Voor wie thuis is in kringen binnen de Indische gemeenschap is het niet onbekend dat Wilders juist op het punt van grenzen trekken veel bijval vindt van de oudere generaties Indische Nederlanders. Die al dan niet heimelijke instemming komt van totok- (blanke) en vooral van Indo-kant. Voor hen is Wilders een regelrechte branie: een lefgozer, een rebel, een ontregelaar. Afkeer van en angst voor moslimimmigratie en het fenomeen multiculturaliteit tekenden opvallend veel van de zichtbare politieke activiteit van Indische Nederlanders sinds de late jaren zeventig.


Serieuze vormen kregen deze sentimenten in 1980 met de oprichting van de Centrumpartij door de Indo Henry Brookman, destijds werkzaam aan de VU. De Centrumpartij kritiseerde het minderhedenbeleid en profileerde zich als een nationalistische anti-immigratiepartij; leden van de oervorm van de Centrumpartij, de NCP, hadden in 1980 Marokkanen overvallen die in een kerk in hongerstaking waren vanwege dreigende uitzetting. In deze tijd werden Indische Nederlanders voor hun gevoel door de overheid ‘weggezet’ als culturele minderheid, terwijl het Nederlanderschap, de vaderlandse taal en cultuur en de aanhankelijkheid jegens Oranje vanouds juist gevierd werden onder Indo’s. Het idee onder één noemer terecht te komen met Turkse en Marokkaanse moslims, broeders van de Indonesiërs die hen na een bloedige klopjacht, de bersiap, uit hun moederland hadden verjaagd, was voor vele Indo’s onverteerbaar, zoals nog na te lezen valt in oude nummers van het Indische lijfblad Moesson.

EIND JAREN VIJFTIG heette Moesson nog Onze Brug en was het een bulletin gewijd aan de opbouw en ontwikkeling van het voor Indo’s bestemde ‘stamland’ Nieuw-Guinea. Tijdens de vooroorlogse crisisjaren was namelijk het idee ontstaan om van het nog onontgonnen Nieuw-Guinea een nieuw thuisland te maken voor Indo’s. Rond de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949 was het initiatief op losse schroeven komen te staan, want de republiek eiste ook dit laatste restje koloniaal Nederland op. De symbolische waarde ervan was echter groot, vooral voor Indische Nederlanders. In 1951 ontstond een regeringscrisis, nadat VVD-fractievoorzitter Oud geopteerd had voor het behoud van Nieuw-Guinea voor Nederland, tegen de zin van VVD-minister Stikker. De succesvolle VVD-campagne in 1948 was geheel gericht geweest op de Indië-politiek: de verkiezingsaffiches lieten het gezicht van Soekarno zien met de tekst: ‘Heeft u er ook genoeg van?’ Nog vele jaren nadien zou de kolonialistische vertakking binnen de VVD invloed uitoefenen op partijstandpunten. De kwestie-Nieuw-Guinea was ook een van de speerpunten van het Jong Conservatief Verbond, een nieuwe partij onder leiding van de Indische Nederlander Feuilletau de Bruyn, die zich verder hard maakte voor verkleining van staatsuitgaven, terugdringing van de rol van politieke partijen en bestrijding van het socialisme. Het uiteindelijke loslaten van Nieuw-Guinea in 1962 leidde tot groot en voorspelbaar ongenoegen bij vele Indische Nederlanders, omdat Soekarno ook in deze kwestie weer aan het langste eind trok.


Het is opvallend hoe constant de deelname was van Indische Nederlanders aan partijvorming op basis van conservatief-nationalistische, (neo)koloniale beginselen, vergeleken met de deelname aan de progressieve beweging. De focus lag daarbij sterk op beschermen en bewaken van grenzen en op insluiten en/of buitensluiten van bevolkingsgroepen. In de jaren dertig, nog in Nederlands-Indië, sloten relatief veel Indo’s zich aan bij de NSB (zeventig procent van het ledenaantal). Dit was het geval vanwege het ultranationalistisch Hollandse karakter van de partij, maar ook vanwege de grote angst voor het oprukkende Indonesische nationalisme.


De NSB had in de kolonie een ander (niet-racistisch) karakter en een andere plek dan in Nederland. De partij bood Indo’s de kans om zichzelf en elkaar te laten zien dat zij ‘Hollandser dan de Hollanders’ wilden zijn en dat zij zich geheel identificeerden met de Nederlandse culturele erfenis en met oranje-blanje-bleu. Niet vergeten moet worden dat de koloniale elite in die tijd nagenoeg blank was. Omdat de Indische NSB een autoritair gezag voorstond, evenals het eeuwige behoud van de kolonie voor het vaderland, zagen veel Nederlanders in Indië in de partij dé oplossing om de dreiging van de opstandige, islamitische ‘inlanders’ te keren. Bij zijn succesvolle bezoek aan Nederlands-Indië in 1935 werd Anton Mussert zelfs tot tweemaal toe ontvangen door gouverneur-generaal De Jonge.
Nog voor de NSB leden ging werven, had in Batavia overigens al de eerste bijeenkomst van de Nederlandsch-Indische Fascisten Organisatie plaatsgehad, onder leiding van de Indo majoor b.d. Rhemrev. Ook hij maakte zich sterk voor terugdringing van de ‘inlandse’ invloed op het bestuur en herstel van de leidende rol van Nederlanders in de kolonie, maar kreeg minder aanhang.
Ging het in de naoorlogse jaren nog om ‘handhaving van de rijkseenheid’ (vasthouden aan Nederlands-Indië en later Nieuw-Guinea), ná de Indische assimilatie in Nederland raakten vele conservatieve politici en activisten van Nederlands-Indische komaf gefocust op de thema’s multiculturalisme en moslimimmigratie (zie kader). Zo was een van de eerste bekende politici die zich opvallend tegendraads uitliet over het vreemdelingenbeleid en de multiculturele samenleving VVD-prominent Frits Bolkestein, die een Indische moeder had. Hij viel op omdat hij in zijn tijd de enige EU-commissaris was die zich fel keerde tegen eventueel EU-lidmaatschap van Turkije. Tevens ‘torpedeerde’ hij, zo meldde het KRO-programma Reporter, als staatssecretaris voor Buitenlandse Handel de handelsrelaties met Indonesië, iets waarvan hij ook al was beticht toen hij daar nog werkte voor Shell. Onder Bolkesteins hoede zou Wilders in 1998 zijn entree maken als VVD-Kamerlid, nadat hij als fractiemedewerker jarenlang speeches voor Bolkestein had geschreven.
De opkomst van de Indische NSB in de jaren dertig werd niet alleen veroorzaakt door Nederlands-Indisch patriottisme en de vrees voor Indonesisch nationalisme. De economische crisis werd in Nederlands-Indië zeer diep gevoeld en ook daarom klonk de roep om een autoritair en daadkrachtig bestuur steeds luider. Door bedrijfssluitingen nam de werkloosheid onder alle bevolkingsgroepen snel toe. De ambtenarensalarissen werden geregeld verlaagd, wat de Indo’s – in groten getale werkzaam bij de overheid – hard trof. Vanaf ongeveer 1900 had vooral deze groep in Nederlands-Indië geleefd met een groeiende angst voor een Indonesische revolutie. Vanwege hun gemengde afkomst was het onzeker of er na zo’n wisseling van de wacht nog wel plaats voor hen was in hun geboorteland. ‘Europa’ was voor hen een abstract begrip; een plek om ‘met verlof’ te gaan voor hoger geplaatste ambtenaren.


De angst en onzekerheid waren gevoed door het feit dat Indonesiërs steeds meer banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt gingen innemen die voorheen bestemd waren geweest voor Indo’s. Dit kwam door beter onderwijs en ook doordat Indonesiërs minder betaald kregen dan Europeanen voor hetzelfde werk. Tegen deze achtergrond van dreigende marginalisering van Indo’s ontstonden de ‘stamland Nieuw-Guinea’-plannen, waarvoor propagandalectuur werd gemaakt door de N.E.N.A.S.U., de Nederlandsche Nationaal Socialistische Uitgeverij. Het koloniaal bestuur bezuinigde in deze periode fors op al zijn uitgaven, wat de werkgelegenheid voor iedereen nog verder verslechterde. In 1932 vonden grote demonstraties plaats in Batavia, waarbij op spandoeken te lezen stond: ‘De regeering maakt de ambtenaren rebelsch!’ Dat het een risico inhield voor ambtenaren om in zulke onzekere tijden voor een jaar met Europees verlof te gaan, ondervond Johan Ording, de grootvader van Geert Wilders.

IN HET NATIONAAL ARCHIEF, tussen de vele vergeelde stukken die bewaard zijn gebleven van het Commissariaat voor Indische Zaken – dat direct onder de minister van Koloniën viel – bevindt zich een lijvig dossier, geheel gewijd aan Ording. Het dossier is in 1935 afgesloten en vermoedelijk pas deze zomer voor het eerst weer opengeslagen.
Ording, een geboren Utrechter, was adjunct-inspecteur voor het financieel toezicht op de regentschappen en stadsgemeenten in de provincie Oost-Java. Het eerste half jaar van zijn verlofperiode, najaar 1933, had hij doorgebracht in Nice. Daarna was hij neergestreken in het kerkdorp Grubbenvorst nabij Venlo, samen met zijn uit een oude Indische familie afkomstige vrouw Johanna en hun zeven kleine kinderen. Ording had zich om economische redenen tijdelijk in het afgelegen Grubbenvorst gevestigd. Terwijl hij al in Nice zat, was hij in Soerabaja namelijk (opnieuw) failliet verklaard. In Grubbenvorst ontving hij najaar 1934 onverwacht een telegram met het bericht dat hij wegens ongeschiktheid voor de dienst was ontslagen. Hij kreeg het advies zo snel mogelijk pensioen aan te vragen. Dat pensioen werd almaar niet uitbetaald, waardoor hij in grote geldnood kwam. Wederom ging hij failliet. Nog veel erger was dat Ording en zijn gezin, naar later zou blijken, geen passage terug naar Nederlands-Indië kregen vergoed, omdat hij in Nederland geboren was. Zijn vrouw en kinderen waren echter wél allemaal op Java geboren.

Voor de zwangere Johanna, afkomstig uit de bekende en grote Indisch-joodse familie Meijer en gewend aan een zwerm van bedienden om zich heen, moet het eerste verblijf in Nederland vreselijk zijn geweest. De zorg voor de kinderen (de oudste was dertien) zal op haar alleen zijn neergekomen: een nieuwe ervaring in vreemde omstandigheden. Waarschijnlijk kon zij het lokale dialect amper verstaan. De eerste maanden ontving de gestrande familie nog een klein bedrag aan voorlopige bijstand uit Indië, waarop wegens de schulden ook nog werd gekort. Twee maanden na de bevalling van Johanna in januari 1935 hield deze bijstand zonder berichtgeving op. Ording en zijn gezin raakten aan de bedelstaf en werden daarnaast ook bedreigd met huisuitzetting. Hij schreef het Nationaal Crisiscomité om steunverlening.
Ondanks een serie verzoeken om informatie had Ording nog steeds niet gehoord waarom hij, na zeventien jaar, ongeschikt was verklaard voor de dienst. Weliswaar had hij in de privé-sfeer geregeld met grote financiële moeilijkheden en faillissementen te kampen gehad (die hij toeschreef aan de ‘tijdelijke niet gehele toerekeningsvatbaarheid’ van zijn echtgenote). Ook was hij vlak voor zijn vertrek voorlopig in een andere functie tewerkgesteld. Toen hij eenmaal vertrokken was uit Indië kwam uit dat Ording opnieuw hoge schulden had gemaakt tijdens een lange tussenstop op weg naar de boot, in Soekaboemi (waar Wilders’ moeder als zevende kind geboren werd, waarschijnlijk in het ouderlijk huis van Johanna). In Soekaboemi was ook justitieel onderzoek geopend naar beschuldigingen van oplichting en ‘flesschentrekkerij’ door het echtpaar. Wat later vast kwam te staan was dat Ording ettelijke schuldeisers bewust had benadeeld, niet alleen in Nederlands-Indië, maar ook op verlof in Nice. Zijn ambtelijke beoordelingen waren echter altijd meer dan voldoende geweest en volgens ambtelijke berichten waren ‘zijn capaciteiten niet ongunstig’.


Ording bleef dus in het duister over de reden waarom hij geen pensioen ontving en waarom de voorlopige bijstandverlening plotseling was stopgezet: hij ontving geen enkel nader bericht, niet uit Nederlands-Indië en niet uit Den Haag. Ten einde raad wendde hij zich in april 1935 met een aangrijpend verzoekschrift tot minister van Koloniën Colijn, waarin Ording hem vroeg zijn gezin ‘op het laatste moment van een algeheelen ondergang’ te redden. ‘Thans laat de provincie [Oost-Java] mij en mijn gezin, bestaande uit buiten mijzelf en echtgenote acht zeer jeugdige kinderen, over aan de publieke liefdadigheid. Thans, Excellentie, heerscht in mijn gezin broodnood.’ Op advies van gouverneur-generaal De Jonge besloot Colijn om Ordings pensioenaanvraag toch af te wijzen. Volgens De Jonge had Ording zich in Nederlands-Indië aan ‘zoodanig ernstig wangedrag’ schuldig gemaakt dat hij daarmee al zijn pensioenaanspraken had verspeeld. Er was vanuit Oost-Java gerapporteerd dat hij ‘geen orde op zijn zaken kon stellen’, dat hij ‘zoowel in financieel als in moreel opzicht geheel onbetrouwbaar’ was en dat hij ‘evenals zijn echtgenote gewend is vèr boven zijn stand te leven’. Dat Ording zich op geen enkel moment had kunnen verdedigen tegen deze overzeese aantijgingen had bij de besluitvorming kennelijk geen gewicht in de schaal gelegd.
Om het besluit juridisch dicht te metselen maakte Colijn van een lelijke truc gebruik: omdat ook weer niet van Ording kon worden gezegd dat hij voor alle dienst in Nederlands-Indië ongeschikt was, kwam hij niet in aanmerking voor de geldende pensioenregeling ten tijde van zijn ontslag, het zogenoemde ‘non-valeurspensioen’. Bovendien, redeneerde Colijn, was de regeling van het non-valeurspensioen een maand na Ordings ontslagdatum toch ingetrokken, dus hoefde die niet op hem te worden toegepast. Op deze kwalijke manier, met wat werd aangeduid als het ‘aanpassingsbeleid’, bezuinigde het koloniale bestuur op de personeelskosten in de crisisjaren, met ‘rebelschheid’ als onvermijdelijk gevolg.


De gang van zaken was voor de 33-jarige Johanna, gewend aan een comfortabel bestaan in de tropen, ongetwijfeld een diep traumatische ervaring, evenals voor haar acht kinderen. Ze was vervallen tot bittere armoede, afgesneden van haar familie en van haar geboorteland, zonder enig vooruitzicht op terugkeer. Ze was bovenal op slinkse wijze haar land uitgezet. Haar vader, die ze niet meer zou terugzien, overleed in 1942 in Soekaboemi. Haar moeder zou de Japanse bezetting en de bersiap overleven en in 1946 als postkoloniale migrant intrekken bij het gezin van Johanna, op 82-jarige leeftijd. Terugkeren naar het Nederlands-Indië van weleer zat er toen voor niemand meer in. Indonesië was voortaan voor de Indonesiërs, al wilde nog niet iedereen dat tot zich door laten dringen.
Ording slaagde erin in Nederland opnieuw carrière te maken, ditmaal in het militaire gevangeniswezen. In de rang van majoor gaf hij leiding in het beruchte interneringsoord voor collaborateurs Fort Honswijk, waar vandaan ook de deportatie van honderden (Nederlandse) NSB’ers en SS’ers naar Nieuw-Guinea plaatsvond. Ording gaf verder leiding aan de strafgevangenis Scheveningen en later aan die in Leeuwarden. Ondanks zijn uiteindelijke rehabilitatie is het waarschijnlijk dat zijn wrange verlofervaring bittere sporen heeft achtergelaten in zijn gezin. In 1961, twee jaar voordat hun kleinzoon Geert er geboren zou worden, vestigden Ording en zijn vrouw zich opnieuw in Venlo. Volgens Wilders woonden zijn grootouders ‘op een halve kilometer afstand’ bij hem vandaan en bezocht hij ze vaak. Ording zou in 1976 overlijden; zes jaar later – Geert was toen achttien – stierf Johanna.


Zowel Wilders’ moeder als zijn grootmoeder en overgrootmoeder hadden zich dus op Nederlandse bodem bevonden toen het doek viel voor Nederlands-Indië en in december 1949 de – afgedwongen – soevereiniteitsoverdracht werd ondertekend. Het oude zeer van de lange Tweede Wereldoorlog moest worden opgeruimd en de postkoloniale herschikking van groepen en grenzen kwam op gang: een proces dat behalve gerechtigheid ook veel koloniaal geïnspireerd ressentiment met zich meebracht. Dat laatste vertaalde zich onder meer in de Haags-Indische lobby’s en de politieke en ambtelijke carrières van ‘Indische jongens’ vanaf begin jaren vijftig.
Hoewel de Nederlandse regering het de Indische Nederlanders moeilijk heeft gemaakt om naar Nederland te vertrekken, omdat ze daarvoor te ‘Oosters georiënteerd’ zouden zijn, zijn de meesten er toch in geslaagd. Ze zouden ervaren dat ze noch in Indonesië noch in Nederland welkome burgers waren. Eén op de vijf migreerde (door) naar de VS, Canada of Australië. Zij die toch in Indonesië bleven, zijn in 1957 door Soekarno, op het hoogtepunt van de Nieuw-Guineacrisis, ten slotte het land uitgezet.

WILDERS’ UITSPRAKEN en stellingnamen lijken wonderwel in de conservatieve en kolonialistische kaders te passen die ook andere politici van Nederlands-Indische origine meer dan een halve eeuw geleden hebben gesteld. Patriottisme, versterking en behoud van de Nederlandse invloedssfeer, waarden en cultuur en een heilig geloof in de natiestaat als panacee (zoals destijds ‘stamland’ Nieuw-Guinea) staan daarin voorop. Ook voor Wilders is ‘terug naar de toestand van vroeger’ vaak het leidmotief en dat leidt soms tot verrassende claims. Zo pleitte hij vorig jaar serieus voor de ‘hereniging’ van Vlaanderen met Nederland, zodat het mythische Groot-Nederland eindelijk op de kaart kon worden gezet (overigens destijds een bekend NSB-streven). Wilders schreef toen in NRC Handelsblad: ‘Het wordt tijd leiderschap te tonen om de historische fouten alsnog recht te zetten. Nu is het moment.’ In dezelfde sfeer vroeg hij onlangs in de Kamer of minister Verhagen bereid was ‘de onvermijdelijke opheffing van België te bespoedigen’. Tegelijkertijd verkondigt hij dat ‘onze soevereiniteit als natie wordt verkwanseld’. Wilders pleitte ook voor de verplaatsing van de Nederlandse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem, ‘als beloning voor Israël’, verzette zich fel tegen een associatie-akkoord tussen de EU en Syrië en riep op tot terugroeping van de ambassadeur uit Saoedi-Arabië, omdat ‘ze zich bemoeien met onze vrijheid van meningsuiting’ (dit naar aanleiding van een diplomatiek bezoek van minister Bot aan Riyad vanwege de cartoonrel). De reis van een Kamerdelegatie naar Saoedi-Arabië in 2008 vatte hij samen als ‘een politiek correcte snoepreis aan een achterlijk en barbaars, islamofascistisch land’. Hij stelde herhaaldelijk vragen over het ‘Indonesische optreden’ tegen Papoea’s in Nieuw-Guinea.
Tekenend was ook zijn opstelling toen de affaire-Westerling ter sprake kwam. Onder legerkapitein Westerlings commando werden in 1946 duizenden onschuldige Indonesiërs omgebracht tijdens een contraterreuroperatie in Zuid-Celebes. In 1950 pleegde Westerling een mislukte staatsgreep tegen Soekarno, waarbij opnieuw veel doden vielen. Het kabinet (Stikker was toen VVD-minister van Buitenlandse Zaken) besloot nog in hetzelfde jaar de man niet te vervolgen voor zijn oorlogsmisdaden; een besluit waarmee Wilders het nog steeds eens kan zijn. Over Westerlings optreden verklaarde hij in 2003 vergoelijkend ‘dat men dat in zijn tijd moet zien’.
Wilders’ afkeer van de immigratie en aanwezigheid van moslims (hij bezigt in dit verband de termen ‘moslimtsunami’ en ‘de Marokkaanse kolonisten’), de islam en multiculturaliteit in het algemeen is en blijft echter zijn voornaamste thema. Daarmee gaat hij nu ook de boer op in het buitenland. Meer dan wat ook is Wilders te plaatsen als een pur sang postkoloniale revanchist, geobsedeerd als hij is door het terugdraaien van naoorlogse geopolitieke en demografische veranderingen en het ‘rechtzetten van historische fouten’. Wraakzucht en extreem patriottisme in de vorm van ‘behoud van de eigen dominante cultuur’, ‘redding van de specifieke Europese waarden’ en ‘terugdringen van de islam’ vormen zijn neokoloniale drijfveren, die hij van de Indische NSB lijkt te hebben gekopieerd. Maar niet alleen van de Indische NSB: ook groeperingen als de kolonialistische rechtertak van de VVD, het Jong Conservatief Verbond, de Centrumpartij en de Vrije Indische Partij deelden vormen van reactionair cultureel patriottisme gekoppeld aan xenofobie. In Wilders’ manifest Kies voor vrijheid staat de volgende, alarmerende aanbeveling:
‘Een Nederland dat zijn eigen identiteit handhaaft en daar trots op is, zich niet laat overnemen of aanpast aan wezensvreemde culturen, of die (sic) zijn identiteit laat verwateren door op te gaan in supranationale instellingen.’


Dat Wilders opzichtig opereert in een postkoloniale politieke dimensie zonder dat dit herkend wordt, zegt veel over hoe Nederland omging, en nog steeds omgaat, met het koloniale verleden. Zwijgen, ontkennen, vergeten en de andere kant op kijken luidt sinds decennia het devies. Daardoor kan bijna niemand zich meer voorstellen dat Indische gebeurtenissen van meer dan een halve eeuw geleden nog impact kunnen hebben op de politiek van alledag. Dit ondanks het feit dat destijds meer dan een half miljoen Nederlanders betrokken waren bij de Japanse bezetting, de koloniale oorlog en de daaropvolgende volksverhuizing. Het gaat om gebeurtenissen waar veel mensen hun leven lang niet overheen kwamen, en hun kinderen evenmin, van wie een onbekend deel vandaag de dag nog wordt behandeld wegens overgeërfde oorlogsproblematiek, het zogenoemde tweedegeneratietrauma. Wat de langetermijneffecten zijn van de ervaring van het tweederangsburgerschap van Indo’s – in de kolonie en ook later in Nederland – is nog niet onderzocht. Maar dat de problematische zoektocht naar de ‘eigen’ Indische identiteit onverminderd doorgaat, ook bij nieuwe generaties, wordt op het internet meteen duidelijk. Door de stilte rond het koloniale eindspel kunnen de oorlogsgebeurtenissen en wat daar lange tijd aan voorafging nu alsnog een voedingsbodem vormen voor een discutabele politics of displacedness.


Het is niet minder dan een geniale ingeving van Wilders geweest om zijn donkere haar op te bleken. Dat is blijkbaar alles wat in Nederland nodig is om Indo-af te zijn en vervolgens als ‘de man uit Venlo’ de politieke arena te betreden. Een Belgische of Franse politicus met een vergelijkbare neokoloniale agenda loopt daarentegen een grote kans in een vroeg stadium herkend te worden als (nog ongevaarlijke) postkoloniale revanchist. De binnen- en buitenlandse politiek wordt daar bezien op basis van een langetermijnperspectief, waarin oude lobby’s (Algerije, Congo, Rwanda) en nieuwe politici vanzelfsprekend met elkaar in verband worden gebracht – zowel door politici zelf als door politicologen en koloniale historici. Een recent voorbeeld uit België, tegen het licht van de volkerenmoord in Rwanda in 1994, is het debat rond het politiek geïnspireerde ‘genociderevisionisme’. Zulke debatten vinden plaats, in meer of mindere mate, in alle ons omringende ex-koloniale mogendheden, maar niet hier. Door de Indische politieke erfenis willens en wetens in het vergeetboek te schrijven is Nederland stekeblind geworden voor de symbolen en retoriek die lange tijd gezichtsbepalend waren voor zijn eigen imperialisme. Dat is een droevige conclusie.


Het niet belangrijke maar wel ironische gegeven dat Wilders wordt beschuldigd van ‘haatzaaien’, terwijl de beruchte haatzaai-artikelen in het Indische wetboek van strafrecht werden geïntroduceerd om Soekarno cum suis achter de tralies te kunnen zetten, bleef zodoende onopgemerkt. Dat was ook het geval vorig jaar, toen Wilders na het uitbrengen van de film Fitna in Indonesië tot ongewenst vreemdeling werd verklaard. Nooit meer mag hij het land van zijn moeder in. Een en ander ging gepaard met de bestorming van het Nederlandse consulaat in Medan, de verbranding van de Nederlandse vlag en de eis van demonstranten dat alle Nederlanders het land werden uitgezet. De verleiding is groot om in Wilders de wreker van zijn verbannen grootouders, Johan en Johanna Ording, te zien. Maar misschien is Wilders alleen maar een extreem uitvergroot geval van klassieke Indische identiteitsvervreemding. Zijn grensoverschrijdende kapsel is in ieder geval een van de symptomen daarvan.

Met dank aan Eric Hennekam en de medewerkers van het Nationaal Archief.
In vervolg op dit stuk zal De Groene de komende weken de verhalen publiceren van Indische Nederlanders zelf: wat hebben zij te vertellen over de aantrekkingskracht van Geert Wilders op de Indische generaties?

Lizzy van Leeuwen is bestuurskundige en antropoloog. Ze deed langdurig onderzoek in Jakarta naar de levensstijl van de maatschappelijke bovenlaag tijdens de laatste Soeharto-jaren. Dat resulteerde in twee boeken: Airconditioned lifestyles (1997) en Lost in mall (2005). Vorig jaar publiceerde ze Ons Indisch erfgoed: Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit (Bert Bakker), waarin ze concludeerde dat de zwaar beladen koloniale erfenis uit Indië (discriminatie, achterstelling, de kille ontvangst in Nederland en de ‘vermoedelijke tekortkomingen in het naoorlogse rechtsherstel’) effectief is afgekocht door de Nederlandse overheid. Het (schijn)debat hierover speelde zich vooral af in de culturele arena (tussen pasar malams en rijsttafels) in plaats van in relevante maatschappelijke en politieke sferen. Van Leeuwens onderzoek was deel van een breed KNAW-onderzoeksproject naar de postkoloniale geschiedenis van Nederland. Tussen 2006 en 2008 interviewde ze als sociaal rapporteur voor de Stichting Pelita ruim honderd Indische ouderen over hun jeugd-, oorlogs- en migratie-ervaringen.

Indo’s op rechts
Rechts van het midden ontstond in 1994 de Vrije Indische Partij, die weliswaar tegen de komst van vreemdelingen was, maar zich vooral opwierp als behartiger van de belangen van Nederlandse postkoloniale migranten (Indische Nederlanders, Surinamers en Antillianen). Een ander speerpunt van deze partij tijdens de parlementsverkiezingen in 2002 was openbare orde en veiligheid. De Lijst Pim Fortuyn, de eerste volkspartij die zich profileerde door keiharde uitspraken tegen ‘islamisering van de samenleving’ en immigratie, kende vele Indische aanhangers. Kamerlid voor de LPF werd de prominente Indische Nederlander Jim Janssen van Raay, die als nummer drie op de kandidatenlijst had gestaan. In 1996 zat hij nog voor het CDA in het Europees Parlement. Nadat hij door deze partij was geroyeerd wegens vermoedelijke belangenverstrengeling sloot hij zich met zijn zetel aan bij de Unie voor Europa, waarin ook Franse gaullisten en de Forza Italia van Berlusconi vertegenwoordigd waren. In de hoek van extreem-rechts valt op dat de Nationale Alliantie, een ‘samenwerkingsverbond tussen nationalisten, fortuynisten, conservatieven en mensen georiënteerd op de rechtervleugel van de VVD’, jarenlang op de been gehouden werd door de Indo Virginia Kapic (misschien werd de club daarom spottend de Nasi Allochtonenpartij genoemd). Het racistische en vreemdelingen hatende Nederlands Blok telde in 2000 onder de actieve leden met een Indische familienaam John Morren, voormalig gouwleider van de Viking Jeugd Nederland, voormalig gemeenteraadslid voor de Centrum Democraten en innig bevriend met de nazistische Florrie Rost van Tonningen-Heubels, bijgenaamd ‘de zwarte weduwe’. De rabiaat nationaal-socialistische Racial Volunteer Force/ International Militant Pro White Organization kent een groep jonge Indische aanhangers, onder wie de activistische Dave Blom, eerder verbonden aan de racistische Nederlandse Volks Unie. Joop Glimmerveen zélf vond dat ‘Indische Nederlanders niets hoefden te vrezen’, want ‘die mogen per definitie blijven’. In Den Haag ten slotte, de ‘Indische hoofdstad van de wereld’ en niet toevallig een van de twee steden waar Wilders meedoet aan de gemeenteraadsverkiezingen, is de PVV-coördinator – volgens Nova – Ruud Sablerolle, voormalig aanhanger van Nieuw Rechts en telg uit een Indisch geslacht

Lees verder…

10897249257?profile=original

Rudy Kousbroeks “Kampsyndroom”.

Besproken door Pjotr.X. Siccama 

 

In een hoofdstuk wijdt Kousbroek aandacht aan de meeest gruwelijkste wreedheden die op DELI in Sumatra plaats vonden.

De passages daarin beschreven zijn té gruwelijk om hier in een paar zinnen te beschrijven. Ik raad de lezer daarom ook aan om zelf hiervan kennis te nemen.

 

Op school leerden we nauwelijks over de geschiedenis die met het voormalig Nederlands Indië te maken had. Alles wat met slavernij, uitbuiting, en sociaal onrecht te maken had, werd doodgezwegen: het blijkt een aaneenschakeling van een strict gestructureerde socio(cultuur)politiek te zijn geweest: een grote leugen in een land van list en bedrog. Mensen waren rechteloos en onbeschermd, terwijl er wel degelijk een wet was om uitwassen van welke aard ook te voorkomen. Die immoraliteit van heel het koloniaal bewind maakt de schrijver uitermate nu nog kwaad en terecht.

Kousbroek had het over een van de grote wingebieden in de Archipel: noord en oost van Sumatra, waar de afschuwelijkste misdrijven hadden plaatsgevonden. Maar ook op andere plaatsen (Kousbroek: cit.’’ook bij de Staats en kolenmijnen was het ten hemel schreiend () sterftecijfer bedroeg 37% ..”) Ze waren zo ernstig van aard, dat ik het niet voor mogelijk hield: monstrueus is nog bescheiden uitgedrukt: in elk geval werd ik al lezend met mijn neus op de feiten gedrukt en ben (misselijk van schaamte) en nu net als Kousbroek woedend.

Op het eiland Java van waaruit het enorme gebied werd bestuurd, hoorde men bijvoorbeeld helemaal niets van de mistoestanden in andere wingebieden. En daar begon de ellende al van het onthouden aan het grote publiek van de informatiestroom uit die gebieden. Die was er gewoon niet. Men moet zich voorstellen dat waar Kousbroek over heeft, het begin van de 20ste eeuw was en publicatie, laat staan voorlichting aan de bevolking opportuun noch prioriteit was. Het koloniaal bestuur keek wel uit, omdat ze best wisten dat gestructureerde uitbuiting door mensen en ondernemingen aan de orde van de dag was. Neen, men verkoos liever om situaties die het daglicht niet konden verdragen intern door ambtenaren te laten onderzoeken. Men kon dan “intern de nodige maatregelen nemen”; een eeuwigdurend “jam karet” (voortdurend tijd rekken) volgde dan, zoals altijd daar te doen gebruikelijk was. Deze onderzoeken overigens werden bij voorbaat in het geheim gehouden en altijd uitgevoerd in algehele duisternis.

En juist in het gebied waar Kousbroek over schrijft, werd er een justitieel ambtenaar verzocht door de Gouverneur Generaal in de persoon van J. Rhemrev  (omgekeerde naam voor Vermehr), om misstanden (ongetwijfeld na ernstige druk geworden interne informatie) ter plaatse te onderzoeken. Een saillant detail, waar Kousbroek ook zijn vraagtekens bij heeft gezet was de keuze van de GG, om uitgerekend deze ambtenaar van justitie Rhemrev het onderzoek te laten doen. Citaat: “Ik ben er niet zeker van dat Rhemrev niet opzettelijk voor de wolven werd gegooid”. (einde citaat). Kousbroek vroeg zich af of de keuze een teken van moed of verlichting was om de opdracht tot onderzoek aan een Indo te verlenen.

De vraag is waarom hij dat vindt. Eerder zei hij dat (vermoedelijk) een bewuste poging was om het onderzoek zo weinig mogelijk kans te geven. Maar waarom? Rhemrev had de opdracht tot in alle bijzonderheden uitgevoerd, mag worden verondersteld. Of hij als 1ste luitenant bij de Infanterie in het KNIL (en ambtenaar op Justitie, nog maar een broekje in het justitieel apparaat en uiteraard onervaren) onder meer ook deelgenomen had deelgenomenaan de gevechtshandelingen tijdens de politionele acties is niet verder bekend (zie foto). Niettemin stierf Rhemrev tijdens de politionele acties in 1948.

Er moet iets anders gespeeld hebben in de gecompliceerde koloniale bestuurstructuur. Zou het hier wellicht gaan om het afschuiven van interne verantwoordelijkheid? (het verhinderen van promotiekansen om er nog een te noemen?) Lag het mogelijk aan de (in)competentie van deze ambtenaar of de inschatting dat bij voorbaat het tot niets zal leiden?

Het rapport werd, in elk geval, nadat het was afgerond de gouverneur van Nederlands Indië aangeboden, die op zijn beurt, zeer waarschijnlijk onder embargo(?) of in elk geval geconsigneerd, voorzien van aantekeningen (mag worden aangenomen) van de gouverneur zelf naar de minister (en het Nederlands Kabinet) verzonden. De ontzetting bij de minister (en het kabinet) was groot en moest hen hebben overdonderd nadat de inhoud van het vernietigend rapport hen bekend was. De verantwoordelijke minister weigerde vervolgens dit rapport aan de leden van het Nederlands Parlement ter inzage te geven omdat hij grote rellen vreesde

 (in zo’n situatie zou heden ten dage de minister direct moeten aftreden.)

 

De constateringen in het onderzoeksrapport bleken juist te zijn en Rhemrev had zijn taak degelijk vervuld. Ik vind daarom, dat het in dit geval geen sprake is van een gewoon intern incident, maar eerder van een koloniale en bijzonder ingewikkeld geworden bestuurscultuur, die toen gangbaar en gebruikelijk was, met inbegrip van onderlinge sociale verschillen en tegenstellingen.  

Het Rhemrev-rapport, daarin werden deze gruwelijkheden tot in details beschreven en de Nederlandse bevolking heeft er nimmer van geweten.

10897267082?profile=original

Werknemers op Deli-onderneming(en) in de 30/40-er jaren van de vorige eeuw.

 

Hartverscheurend vond ik het verhaal in het boek van Chalid Salim, een Indonesische voorvechter van de Indonesische onafhankelijkheid die in Den Haag in 1985 overleed. Kousbroek noemt deze man: “Djago”, wat in het Indonesisch: “de geweldige” betekent. Deze man werd  voor zijn nationalistische activiteiten in een Nederlandse interneringskamp (Boven Digoel) op Nieuw Guinea (waar ook Mohammed Hatta, Sharrir en later ook Sukarno zaten) gevangen gehouden (trouwens zonder enige vorm van proces) onder erbarmelijke omstandigheden. Een Indonesische man die een hoge en volledig Nederlandse opleiding had genoten, bij wie thuis gewoon Nederlands werd gesproken en in zijn gevangenschap zonder twijfel nog Hollands dacht.

Volgens D. Koch “was het, het noodlot van het Nederlands bewind over Indonesië, dat het zich in toenemende mate de nobelste geesten onder de inheemse bevolking tot vijand maakte”.

Het is waar en zeer nobel van de heer Koch, maar het is te laat voor al die lovende woorden; eigenlijk is het áltijd te laat.  En onder de nobelste geesten kunnen Soetan Shahrir en Mohammed Hatta onder andere worden geschaard. Wanneer we hun geschriften (Kousbroek weet ontstellend veel over deze Indonesische bijzondere mensen) later nog eens raadplegen, zal menige lezer niet verbaasd staan dat naar mijn idee in al die geschriften mogelijk sleutels bevatten voor een eeuwigdurende vriendschap tussen beide landen, die door anderen en elementen van duistere aard in het

10897267671?profile=original

verleden moedwillig werd gedwarsboomd.

Ik meen te weten dat er slechts twee soorten schrijvers bestaan: de zogeheten blindschrijvers (waar Kousbroek er een paar ten tonele voert) en schrijvers waarvan hun ogen altijd waren geopend, maar hun geschriften nooit werden geloofd en/of gehoord.

Daar hebben wij in het verleden onder elk koloniaal imperium en dus in de wereldcultuur­geschiedenis al meerdere voorbeelden van politieke arrogantie van gezien, waarvan uitkomsten bij voorbaat catastrofaal zijn.

 

Nog even over het trieste verhaal van Chalid Salim in het boek: wilde ik toch  een moment stil staan bij een zin in dit boek en die is het volgende: naar aanleiding van Salims gevangenschap met andere revolutionairen op Nieuw Guinea (o.a. Dr.Tjipto Mangoenkoesomo) kwam de vraag op (in gesprekken mag worden verondersteld): Wat zij dan wel gedaan hebben? Zoals een Nederlandse dame tegen Chalid Salim zei: “Nou meneer Salim, als dat waar is, zult u het er wel naar gemaakt hebben.”

Is dit een exempel van naïviteit en cultuurverwarring en/of afwezigheid van cultuurinzicht? De wijsgeer onder ons mag het zeggen.

10897268089?profile=originalDeze man is groot onrecht aangedaan, maar zelfs erkenning voor het enorme leed en materiële compensatie als eerherstel werden hem niet toegekend. De Nederlandse Staat staat weer voor de Wereldgemeenschap met een aangeslagen en onzuiver geweten in de inmiddels onherstelbaar verroeste beklaagdenbank, zich verschuilend achter wetten die zij zelf heeft bedacht en waarvan alle mazen forensisch zijn dichtgesmeerd.

Ergens  vond ik opgedoken een tekening van een plantage op Sumatra,  die veel leek op een foto honderd jaar eerder genomen van een plantage (waar ook tabak werd verbouwd) in het zuiden van  Noord Amerika, Louisiana om precies te zijn, waar de Afrikaanse slaven (slavernij was net afgeschaft)  toen onder erbarmelijke omstandigheden moesten werken. Overeenkomsten zijn frappant, terwijl de slavernij meer dan een halve eeuw was afgeschaft, leek het alsof op Sumatra de tijd eenvoudigweg was teruggedraaid en de afschaffing van de slavernij niet heeft plaatsgevonden. 

Verder in genoemd hoofdstuk memoreert Kousbroek over de jaarlijkse herdenking van de slachtoffers van de 2e WO. waarin hij mensen die de jaarlijkse herdenking op 15 augustus de slachtoffers herdenken, eraan herinnert, dat voor al die mensen die onder het Nederlands regime in Nederlands Indië, tijdens de aanleg van de Sumatraweg, de Indonesiërs, zonder meer vermoord, doodgeslagen, uitgehongerd en doodgetrapt werden, nooit weden herdacht, laat staan  een monument ter nagedachtenis werd opgericht: zij zijn naamloos gestorven en gewoon vergeten: zij hadden hun leven geofferd om anderen een comfortabel leven te laten leiden.

Kousbroek: ‘’…laten we het minder over onszelf hebben..’’ 

De schrijver maakt zich zeer kwaad wanneer hij aan juist die gruwelen denkt, gepleegd door monstrueuze medeburgers vóórdat de 2e WO begon. Kousbroek fulmineert: Het waren juist die mensen die, eenmaal geïnterneerd door de Japanse bezetter, de grootste bek hadden in het Jappenkamp (waar de schrijver zelf ook gevangen zat). Het waren die mensen die ook de grootste klagers waren hoe zij door de Japanse bezetter werden behandeld, onder andere bij de aanleg van de Birma Spoorweg. Beide gebeurtenissen waren even misdadig, ernstig en mensonterend.

10897267894?profile=original10897268488?profile=original

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Juli 2013-07

Pjotr.X.Siccama

10897264495?profile=original

 

Lees verder…

Mijn levensverhaal - 2 door onze correspondent in Nieuw Zeeland, Adrian Lemmens


10897261876?profile=original

Mijn levensverhaal - 2     door onze correspondent in Nieuw Zeeland, Adrian Lemmens

Helaas was ik toevalligerwijze aanwezig tijdens dat verraad, en raakte ik zelfs aan mijn hoofd gewond, door een steen, die door hun oudste zoon Rijnco geworpen werd. Dit gebeurde allemaal in de “Villa Isola” in Bandoeng. Na verbonden te zijn, mocht ik met Eppo, hun jongste zoon, in de Japanse stafauto, met vlaggetjes en de Japanse chauffeur, als een troost, een lunch pakketje “Oom” Ab Brons brengen in zijn gevangenis, waar ik hem door de poort tussen een  groepje andere Hollandse gevangenen zag staan. Ab Brons was een grote man met een rood gezicht en witte haren; men kon hem niet missen.

Als Duitse, maar ook om mijn vaders reputatie te dwarsbomen, werd mijn moeder door toedoen van deze mensen bij Greetje Brons ontboden. Deze vroeg haar verzoek de functie van tolk op zich te nemen (mijn moeder sprak vijf talen). Mijn moeder vroeg bedenktijd en ze kreeg hier  slechts drie uur voor. Overhaast vluchtten wij naar Surabaya per trein. De trein werd door de Japanners uitgekamd, op zoek naar ons, maar RK. Zusters hielpen ons verborgen te blijven. Het onderzoek van drie jonge Japanse officieren op die trein duurde drie dagen.    

In Surabaya werden wij toch gevangen genomen en kwamen wij, in volgorde,  in het klooster Gedangan, Ambarawa; daarna ik denk kamp 5, en tenslotte  Banyu-Biru kamp 10. Waar wij tot begin december 1945 verbleven. Ons vertrek van Banyu-Biru kamp, ik geloof op 6 December 1945, was zeer dramatisch. Onder de bescherming van de Ghurca’s, die ons ook van de revolutionairen tijdens de Bersiap bevrijdden. Ons kamp was reeds in handen van de guerrilla’s en werd, volgens de dreigementen, op een totale eliminatie voorbereid. Luidsprekers verkondigden allerlei dreigementen, slangen, krokodillen en tijgers en panters zouden op ons losgelaten worden, barricades van zandzakken werden opgeworpen tegen aanvallen met handgranaten. Wij werden op het laatste moment ontzet door een kolonne Ghurca’s, die ons kamp voor mogelijk een maand   of meer verdedigden met mortieren, machinegeweren en persoonlijke nachtelijke koppensneller-activiteiten.

Met het uiteindelijke vertrek in een grote groep, gingen wij door geweervuur aan beide zijden van de weg en vliegtuigen overal in de lucht schietende en bombarderende tot aan Semarang toe. Het was soms een angstwekkende vuurzee, waar wij doorheen reden. Tenslotte bereikten wij Semarang, waar wij na enige dagen aan boord gingen via pontons op het Amerikaanse schip de “Victoria Amhorst” op weg naar Batavia. Ik denk dat het in het eerste Kamp 11 van Banyu-Biru, onze buren waren, die met hun groep praktisch helemaal uitgemoord zijn. Daarom werd met onze groep geen risico genomen en waren wij ook uitzonderlijk zwaar bewapend, met tanks en gepantserde wagens. Wij zaten dan ook met alle bagage om ons heen in die trucks. 

Terug in Nederland

Binnen het jaar, wist Jannes den Besten, van de weduwen en wezen  

afdeling van de B.P.M, met geweldige leugens, mijn moeder in te palmen en hoe ongelooflijk het ook klinkt, in gemeenschap van goederen met haar te trouwen in December 1947. De man bezat zelf niets, hij was een homosexueel, hetgeen mijn Moeder ook pas te laat te weten kwam. Mijn moeder werd eventueel door hem onder druk gezet, om haar onder controle te kunnen houden. Eenmaal, tijdens een open gesprek, vertelde mijn moeder mij een en ander. Op haar eerste huwelijksnacht posteerde mijn Moeder zich kennelijk voor die man, (ik moet er niet aan denken, mijn moeder). Maar het liep mis, hij gebood haar woedend zich aan te kleden en zei: “Ik heb jou daar niet voor nodig en ik heb nu al jullie geld en die kleine flikker (dat was ik), raak ik op de een of ander manier wel kwijt”. Dit was dus mijn toekomst, waar mijn eigen moeder in meespeelde, “gedwongen of niet”, hoe is dat mogelijk.


10897266476?profile=originalAdrian Lemmens, 15 jaar oud

Alle twee de kisten, met Amerikaanse voedingsmiddelen die wij ons uit de mond hadden gespaard en meenamen naar Nederland, werd door die man alleen opgevreten, terwijl ik, nog mager van de kampen, nog steeds honger leed. Drie grote kisten met sigaretten, verkregen met hulp van de vroegere directeur ir. A. Scholtens van de B.P.M.-Shell, de vroegere directe baas van mijn vader, daar werd direct de eerste Volkswagen Kever van  gekocht. De rest verhandelde en  rookte hij zelf op,  kronkelend over de vloer van het hoesten. Bij de eerste kennismaking  met die man, weigerde ik hem de hand te schudden en kreeg ik een geweldige draai om de oren, van mijn moeder, waardoor ik verschillende meters de gang in vloog. Dat was de eerste introductie, men weet over het instinkt van kinderen.

Zwaar gedisciplineerd als ik was, durfde ik nooit ver van huis te gaan   en werd ik op die manier veelal    alleen gelaten, terwijl andere kinderen op school waren, dat was in de     Jacob Marisstraat 18, te Slooterdijk Amsterdam; dezelfde naam inderdaad, als het schip van de HAL. De ms. Slooterdijk, waarmee wij uit Indië kwamen. Gebruik makende van mijn analfabetisme, wist Jannes den Besten, nu mijn tweede vader, mijn moeder te overtuigen, dat ik niet normaal was en liet mij in een zwakzinnigengesticht in Amsterdam Slooterdijk opnemen. Dat gesticht was een complete nachtmerrie. Kinderen die zich niet normaal gedroegen, zich bevuilden   en de rotzooi op de muren smeerden, of eindeloos hun hoofden tegen een deur of muur aan sloegen, vreemde dierlijke geluiden maakten, staan mij nog altijd bij. Ik realiseerde mij, dat ik daar weleens voorgoed in had kunnen blijven. Eens in een gesticht, nooit meer er uit, gold in die tijd.

Mijn grootvader was geschrokken, toen hij dat hoorde, maar Jannes den Besten wilde van geen advies weten. En waar was mijn zogenaamde moeder? Dankzij mijn grootvader en via de politie, werd het bestuur van die stichting (later bleek, dat zij een stevige betaling van J. den Besten ontvingen om mij daar binnen de muren te houden), gedwongen om mij te laten testen. Ik werd volkomen normaal beschouwd en werd er toen weer uit gelaten, God zij gedankt.  

Ik ben nog steeds woedend over het feit, dat men met mij kennelijk te gemakkelijk kon manoeuvreren in die tijd. Ik bleek ondanks alles, nog zo onschuldig te zijn, dat men schijnbaar van alles met mij uit kon halen. Maar ik was ook in een vreemd koud land  en kende er niemand die ik kon vertrouwen. Ik was immers nog steeds het totaal genegeerde en daardoor eenzame moffenjongetje uit de Jappenkampen en pas tien jaren oud Ik was immers niets anders gewend, dan alleen te zijnen niets om handen te hebben. Wat een verschil met een eigenwijze TV- en computerwijze tienjarige van vandaag.

In de Japanse kampen, was ik het moffenjongetje, waar de andere kinderen niet mede mochten spelen, ongelooflijk als dat klinkt, ondanks,  dat wij het kampleven met iedereen deelden. Mijn Moeder werkte nachts in de keuken en sliep overdag en ik was dus altijd alleen en moest mijzelf bezig zien te houden. Daardoor ben ik een “loner” geworden tot de dag van vandaag.

De enige cadeaus, die ik ooit in mijn leven heb gekregen, waren een aantal boeken van mijn grootvader. Dat werden mijn vrienden en die hield ik  voor mijzelf, toen ik via mijn eerste internaat St. Louise, het lezen en schrijven begon te leren. Gelukkig was ik intelligent en leerde vrij snel. Ik ben er zeker van dat mijn grootvader  daarmede mijn toekomst heeft verzekerd en gered, maar hij deed meer. Via een R.K. Bisschop in onze familie, Mgr. Lemmens, toenmaals Bisschop van Roermond, werd ik ondanks een grote tegenwerking van J. den Besten op de kostschool St. Louise in Amersfoort toegelaten. Daar man een broeder Deciderius mij persoonlijk onder zijn hoede. Hij sleepte mij in mijn eerste en enige schooljaar daar, van de eerste tot de vierde klas door 

mijn studies heen gesleept. Ik was toen 11 jaar en werd 12 in 1948. Het was een elite school, maar ik was de enige die beboterd brood at en niet de voorraden toegestuurd kreeg zoals de andere kinderen. Die aten jam, kaas, muisjes of pindakaas, ik at droog brood met een schrap boter. Maar ik was deel van een gemeenschap, ook al werd ik uitgemaakt voor pinda, als de enige Indische jongen aldaar. Geweldige cadeaus voor al die kinderen en medeleerlingen, met Kerst en Sint Nicolaas, of met verjaardagen;  ik liep daartussen, met niets.

10897266660?profile=original

Vader en moeder Lemmens

Maar voor het zo ver kwam, dat ik naar mijn allereerste school St Louise ging, werd ik eerst nog meegenomen naar de U.S.A. door een vriendin      van mijn moeder, Ria Oosterbaan, die met een Amerikaanse officier was getrouwd en mij mee naar Amerika wilden nemen, waar ik mij hevig tegen verzette. Daarna werd mij direct een naamsverandering opgedrongen, ook tot een “den Besten”, ook al verzette ik mij er tegen. Ik begreep niets meer van wat mijn moeder motiveerde, met al deze handelingen en voorstellen, die natuurlijk van J. den Besten kwamen. Ik wist van mijn grootvader, dat ik een hoop geld bezat op mijn naam, maar liefst 98.000 gulden en dat er ook een kwart van de waarde van het huis van mij was. En later bleek dan  J. den Besten niet van plan was, dat ooit aan mij te laten; wetten of geen wetten, rechten of geen  rechten. Om mijn eigendom te verdonkeremanen, werd het huis met groot verlies van de hand gedaan en mijn grootvader op  straat gesmeten, die daarmee tot een armoedige en eenzame dood was veroordeeld. Hieraan hebben de Nederlandse Autoriteiten mede schuld. Wat heeft Nederland met de nalatenschap van een oorlogsheld gedaan?

Terug naar het internaat St Louise te Amersfoort, na het enige jaar aldaar, gingen mijn zogenaamde ouders op vakantie naar Frankrijk, met hun eerste baby, een jongen, die later, dankzij haar trots en op haar kosten, dokter zou worden. Hij bleek ook  homosexueel te zijn en zou later zijn moeder van alles zou beroven (en daarmee dus ook mijn rechten) en haar de dood in zou jagen.

De tuinman van het internaat St. Louise werd gevraagd of hij op mij wilde passen en werkte ik dus met hem in de tuin in mijn zogenaamde vakantie. Na die vakantie en dat tuinwerk, werd ik van die school afgehaald en op de Technische hogeschool  Don Bosco, bij de Salesianen geplaatst, ook in een internaat in Amersfoort. Ook daar werd weer een tuinman gevraagd om op mij te passen terwijl de familie naar Frankrijk ging. Daarna werd ik ook daar vanaf gehaald. Dat was voor de rest van mijn leven, mijn laatste school, maar ten laatste leerde ik daar inderdaad ook het omgaan met gereedschappen.

Nu volgde echter de vreselijkste periode van mijn leven. De lezer begint nu mogelijk een idee te krijgen wat ik heb moeten doorstaan.  Dat ik mijn vaardigheden ondanks deze situaties heb weten te behouden, is bijna ongelooflijk. Ik heb toen zeker  de voorzienigheid achter mij gehad en kennelijk voor de rest van mijn leven. Misschien is dat de prijs, waar mijn vader zijn leven voor heeft geofferd.  Dat is de vraag waar ik mee aan het worstelen ben. Maar desondanks heb ik nu een vrouw en kinderen.

Een aanslag tegen mijn leven, waaraan ik vijfmaal de dans ben ontsprongen en verder een verschrikkelijk onrecht heb moeten ondervinden, hebben mij uiteindelijk berooid het land uitgestuurd. Ten gevolge waarvan ik nu dus als een emigrant in New Zealand zit, en daar berooid met letterlijk niets tot mijn naam, een nieuw leven moest beginnen, in mei 1962, dus 26 jaar oud. Wat heeft Nederland ooit voor mij gedaan? Wat, of hoe, met de geweldige en potentieel grote rijkdom, en geweldige studie kansen, die ooit mijn rechten waren en die mij ontnomen zijn, ook die door mijn vader aan mij zijn nagelaten.

In het nog vooroorlogse Indië; in 1939

De B.P.M.-Shell, eens mijn vaders bedrijf, gebood hem in zijn functie twee mensen te disciplineren, die de bloemetjes buiten zetten en de B.P.M. als maatschappij te schande maakten, in een tijd, waar een goede naam nog steeds zeer op prijs werd gesteld. Een de zoon van een zittende directeur ir. Jan Brouwer en een prof. dr. ir., professor in de Geologie H.H. Brons een hoge academicus, die zich aan de Japanners hadden verbonden. Voor welke reden dan ook, het was verraad, maar ir. Jan Brouwer door zijn vader gewaarschuwd, vluchtte toen naar Australië. Een mogelijkheid, die ook aan mijn vader geboden werd. Maar mijn vader, destijds de grote organisator van de B.P.M.-Shell in Nederlands Oost-Indië, beval de vernietigingen van de B.P.M.-depots in 

Tarakan en Balikpapan en vluchtte daardoor te laat. Hij was een patriot en verloor zijn leven, in dienst van zijn zogenaamde Vaderland.  

Die twee individuen (heren kan ik ze niet noemen), overleefden en waren ons vijandig gezind. Ze weigerden mijn moeder te helpen en ik wist natuurlijk te veel over en van Brons; ik was een gevaar voor hen en moest worden geëlimineerd en J. den Besten, chanteerde de Brons familie, met wat hij daarover van mijn Moeder had vernomen. Ab Brons nam hem in  dienst om mij te elimineren, wat goed in het plan van J. den Besten, maar ook in dat van de Brons paste. J. den Besten wilde mij immers ook kwijt, omdat hij niet van plan was, om mij ooit mijn rechtmatige bezittingen uit te betalen.

10897266071?profile=originalDe oorkonde die Adrians vader van de Nederlandse regering ontving

Nederland liet dit allemaal toe, door de inbeslagneming van ons huis en eigendom, onze thuis en onze haven, waardoor ik ook mijn grootvader, mijn voogd, en mijn enige bescherming verloor. Met daarbij ook de mensonterende Wet  Onbevoegdheid van de vrouw in die tijd. Dat onze situatie in Nederland, met hun acties 

tegen ons, nog verergerde, is ook de schuld van de Nederlandse Staat en haar overheden. Wat kan ik (persoonlijk) verwachten, als straks de “Indische Kwestie”, door Nederland wordt erkend?

U hebt nu de eerste 12 jaren van mijn leven gezien. Er volgden nog 14 jaren van ongeluk, levensgevaar en armoede voor mij in Nederland, voor mijn uiteindelijke vlucht door emigratie naar Nieuw Zeeland.

Beste Hans, je hebt mijn permissie hier mijn levensloop openbaar te maken. De Nederlandse Staat moet ook kennis nemen  van wat er met mij is gebeurd, evenals de B.P.M.-Shell, die  medeschuldig is aan de behandeling van de  zoon van een van hun toenmaals belangrijkste employés. De B.P.M.-Shell, heeft aan mij ook nooit de studiefondsen toegekend, die door mijn Vader met hen waren vastgezet in 1939, tijdens zijn laatste verlof in Nederland. Studiefondsen die aan mij uitbetaald zouden worden tot aan mijn dertigste jaar en het mede gebruik van alle sociale voorzieningen van de B.P.M. die ik nooit heb gezien of gekregen.

Dit is eveneens een deel van de reden waarom wij Indische Nederlanders nu al 70 jaar lang door Nederland behandeld worden; een periode die we de “Indische Kwestie” noemen. Maar ik weet het, ik ben lang niet de enige, ook al bedenk ik, dat mijn situatie en het verloop van mijn leven uniek is.  Als een consequentie van wat mij allemaal is overkomen, door mijn eigen moeders kennelijke onverschilligheid jegens mij en mijn lot, heb ik haar in 1998 persoonlijk gezegd, dat zij niet het recht had de oorlog te overleven. Deze harde, maar in mijn ogen reële uitspraak deed ik tijdens mijn laatste bezoek aan haar,  

een half jaar voor haar dood. Ik noemde haar als reden het verraad aan haar tweede zoon, ook een J. den Besten. Mijn moeder vroeg mij of ik het meende, hetgeen ik nogmaals bevestigde Zo namen wij afscheid voor de laatste maal; ik heb er geen spijt van, maar ik heb er wel moeite mee. Kunt U zich dit indenken?  Echter los van haar behandeling van en verantwoording jegens mij, haar enige kind van haar eens zo zeer geliefde man, was ook mijn moeder, eens een geweldige persoonlijkheid in die moeilijke jaren. Met geweldige prestaties en trouw aan haar geadopteerde land en nationaliteit en mogelijk honderden hebben hun levensbehoud in de kampen aan haar kookkunsten te danken. Moeder kreeg na de oorlog in Nederland, vele brieven van kampgenoten die haar bedankten voor wat zij had gedaan,  brieven die in nijd en jaloezie door haar tweede man J. den Besten werden verbrand. Maar waarom liet mijn Moeder mij toen in de steek?Nu op 12 jarige leeftijd, werd ik na de vakantietijd en na de vakantie van mijn “familie”, ook weer in Frankrijk,  ook weer van mijn tweede school verwijderd. Ook op deze tweede school liet de tuinman van die school Don Bosco, te Amersfoort, die op mij paste, mij “helpen” bij het werk in de tuin.

J. den Besten had zijn macht nu gevestigd, met onze bezittingen totaal onder zijn beheer en mijn Moeder scheen haar eigen gewoonlijke zelfbeheersing en persoonlijkheid volkomen te zijn verloren. Wij woonden nu na hun huwelijk, in ons eerste huis in de hoerenbuurt van Den Haag, in de Scheldestraat, recht tegenover de ramen met spiegeltjes en die dames in hun voor mij zo vreemde kledij, nooit eerder zoiets geweten of te hebben gezien, was dat voor mij een volkomen raadsel. Dit werd toen ook schijnbaar de tijd voor  

den Besten, om de door hem   met ons aangenomen positie te bevestigen, door mijn moeder volkomen te onderwerpen, zoals hij dat gedurende zijn eigen Vaders tijd had geleerd, in het vooroorlogse Roemeense Bucharest, met de vrouwen aldaar. De “Balkanisatie” van mijn moeder, de totale onderwerping van zijn vrouw, mijn moeder, waarvan ik later ook hoorde, dat het zijn bedoeling was, om ook mijn moeder als zodanig te werk te stellen. Hoe was dat mogelijk.

10897266871?profile=original

Nog een foto van Adrian, 15 jaar oud

Mijn moeder werd zo vaak getrapt en geslagen, dat zij zich veelal niet buiten de deur dorst te vertonen. Ongelooflijk genoeg, bleken die woningen ook tot de B.P.M. te behoren, zo tegenover onze trappen hal woonden ook B.P.M.-ers, de familie de Koning. Door het gegil en het geschreeuw van mijn Moeder, riepen die de politie.  Ondanks dat de politie de staat van mijn moeder kon zien, wist den Besten de rollen zo te verdraaien, dat de politie sympathie met “hem” hadden. Ondanks de vele gaten in mijn kennis, wist ik genoeg, om hem Mossadeg, te noemen, de huilende Minister-president van Iran in die tijd. De buren durfden niet meer te reageren, na bedreigingen van den Besten. Ze hadden nu gezien, van wat hij met de  politie wist te bereiken, ondanks mijn moeders uiterlijke kentekenen, van zijn beestachtige behandeling van haar.                                                         Nu begon ook de tijd voor hem, om zich tegenover mij een houding aan te meten. Met mijn Moeder onderdrukt en onder controle en daardoor niet in staat om tussen hem en mij te kunnen komen, om mij te verdedigen, nu was ik aan de beurt. Het was de winter van 1948, dikke sneeuw en ijsbloemen op de ramen, werd mij geboden, mij uit te kleden, veel van mijn kleding, (nu lompen) was nog steeds van onze repatriatie, de schoenen met touwtjes bij elkaar gebonden, werd ik naakt aan mij haren de douche in getrapt. Ik schreeuwde niet, het had geen zin.

Nog steeds broodmager, stond ik onder dat ijskoude water te jammeren, hij stond met een Spaanse riet voor de open deur, twintig minuten tot een half uur, als ik eruit probeerde te komen, sloeg hij mij op mijn natte huid, ten gevolge waarvan de wonden weken namen om te helen. Ik kon mij na die behandeling nauwelijks meer bewegen. Aan mijn haren werd ik naar het koude gedeelte van het huis, mijn kleine kamertje,  gesleept, de kamer in gegooid, op de vloer gesmeten, waar alleen een kaal matras en een paardendeken lag, terwijl ik niet eens was afgedroogd. Dit heb ik 11 of 12 keer moeten doorstaan. De kennelijke bedoeling was, om mij een longontsteking te bezorgen. Mijn moeder zat in de enige warme kamer, met hun eerste baby een jongen en ook een Jannes en kwam er nooit uit, zij was te bang.      Is dit van een moeder te bevatten? In die omstandigheden? Misschien wel.

Over mijn Moeder

Mijn moeder, kwam uit een niet zo welgestelde familie, een Kleermakerij en was een van de ouderen, van 11 kinderen.  Grootvader een geweldige verteller, met slechts een been, was door geheel Sauerland en Westfalen in Duitsland bekend. Moeder was geboren op een vrijdag de 13e mei in 1913, dus aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Haar door ambitie gedreven leven behelsde Piano spelen, kleding ontwerpen en maken en had ook de Kookschool doorlopen, bij een van de in die streek bekendste Hotels in Winterberg. Als Gouvernante bij een rijke Maastrichtse familie, leerde mijn moeder uiteindelijk mijn vader kennen. Mijn moeder sprak vijf talen, vloeiend Maleis was haar laatste taal.

Beginnende met de huwelijks-voltrekking in Kasteel Oud Wassenaar, bracht haar huwelijksreis haar in 1934, langs vele van de Franse kastelen en Chenonceau aan de Loire en tenslotte het Casino te Monaco, waar zij een maal mocht spelen met 1000 gulden. Moeder was gelukkig, het werden er 4000. Enthousiast wilde zij het nog een maal herhalen, maar mijn vader zei neen; eenmaal was de afspraak en zo bleef het.

In Nederlands-Indië

Moeder was een beetje koket, elke zaterdagavond, in de Soos, in een andere avond japon, nooit een tweede maal gedragen, het waren haar eigen gemaakte designs en de avond japon veranderde in een cocktailjurk en daarna in een middag japon, met veel hand gemaakte opsmuk, waar zij inderdaad bewonderenswaardig mee was, zo was haar leven, in ons oude vooroorlogse  Indië. Maar mijn vader keek naar de toekomst en dit was een duur spelletje. Zo kwam de afspraak, dat mijn Moeder alle stoffen kon kopen, die zij maar wenste, vermits zij haar eigen kleding ontwierp en zelf maakte. De stoffen kwamen van over de hele wereld, zelfs Iers linnen. Mijn moeder was de dame. Maar waar was er de moederlijke tijd voor mij? Die was er niet, voor mij was daar alleen maar de baboe en mogelijk de borstmelk afgekolfd en met de fles  aan mij gevoed.

Mijn vader was trots op zijn eerste zoontje, dat weet ik, er waren foto’s die daarvan getuigden, maar hij had ook een hoge baan bij de B.P.M.-Shell en verantwoordelijk voor de algehele financiën van die Maatschappij. Hij vloog met de Shell vliegtuigen veel en over geheel Indië voor inspectie van de boeken op de vele Shell stations. Eenmaal zelfs eens met Douglas Bader, de beroemde Engelse piloot  zonder benen, die ook voor de Shell vloog. Mijn Vader was helaas dus veel weg  voor inspecties. Corruptie tierde ook in die tijd welig en zo werd het bekend dat telegrammen mijn Vader vooruit gingen, als waarschuwing, zodat de boeken om in een correcte situatie zouden zijn. Er werden hem zelfs afkoopgeschenken aangeboden in vaak geweldige bedragen. Mijn vader reageerde daarop met ontslag en een schoonveegactie schoonveeg actie en zo werd de naam van mijn vader gevreesd op de verschillende stations, waarvan de boeken niet correct waren.

Het B.P.M.-Shell soosgebouw in Pladju

Desondanks was mijn Moeder toch nog te trots, maar ook ten zeerste beschaamd (hoe vaak was de eens zo zeer bekende naam van A.C. Lemmens, door de omstandigheden bezoedeld), om door ook maar enige 

vroegere bekende te worden gezien, vanwege haar huidige uiterlijk en onze vroegere reputatie. Was dat de bedoeling van die Jannes den Besten?

Waarom had ik een moeder, die geen belang of verantwoording voor haar  enig kind nam. Niet als een hartelijke warme en veilige Moeder, maar ook niet door haar onbesuisde tweede huwelijk, nog wel in gemeenschap van goederen ook nog, zonder acht te slaan op de belangen van haar kind. Zelfs al was dat met en onder al de geweldige beloften van die man.

Natuurlijk, haar tweede huwelijk was een volslagen nachtmerrie en in haar situatie was er geen uitweg. Door in alles toe te geven, hoopte mijn moeder een succes van dat huwelijk te kunnen maken. Dat was  dus ook debet aan haar houding  tegenover mij. Ze had toen niet door dat het  haar tweede man in het zo onverantwoorde huwelijk in gemeenschap van goederen, alleen te doen was om haar kapitaal.

Maar er was ook weinig mogelijkheid tot enige hulp, voor mijn Moeder, ze was immers geïsoleerd door de omstandigheden. Er werd een school voor mij gevonden, een RK. School aan het Westeinde. Onder de Wet moest dat tot 15 jarige leeftijd op school blijven, maar kennelijk had niemand enige belangstelling voor mij. Geen interesse en geen leidende hand, of een extra aanspraak, want ik was immers het jongetje dat niet sprak, en zich alleen wist te vermaken; in de geest nog steeds helemaal terug in de tijd van de Japanse kampen. Het Moffen-jongetje, waar de andere kinderen niet mee mochten spelen.    Ik wist niet beter en in Nederland was ik alleen maar een van de pinda’s, waar weinig interesse voor was. Het liep totaal op niets uit en duurde slechts enige maanden, ik leerde daar totaal niets. Tenslotte hing ik gewoon ergens rond en liep ik de geweldige afstanden, op mijn totaal versleten schoenen, in sneeuw en ijs, nog steeds vanuit de repatriërings-periode. Er was immers geen controle op mij Menigmaal, vroeg ik mij af, waarom ik eigenlijk geen moeder had, ik kan mij de borstvoeding niet herinneren, was het afgekolfd, zoals het mij door de baboe werd gegeven. In tegenstelling tot mijn vader, heb ik nooit in de armen van mijn moeder gelegen, maar 

ik had wel de mooiste kinderwagen van Pladju, zo werd verteld.

Tot zover het tweede deel van het levensverhaal van Adrian Lemmens, dat   hij voor deze NICC Nieuwsbrief schreef

Lees verder…

Boekbespreking van 11 juli 2018

10897254057?profile=original

Boekbespreking van 11 juli 2018

Gedeeld verleden – Stichting Herdenking 15 Augustus 1945. Ter gelegenheid van 70 jaar einde van de Tweede Wereldoorlog       in Zuid Oost-Azië en daarmee   ook voor het Koninkrijk der Nederlanden, is een lustrumboek uitgegeven. In de loop der jaren zijn er tijdens de herdenkingen door bekende, bijzondere en mooie mensen ontroerende voordrachten gehouden, gedichten voorgedragen en vele liederen gezongen. Deze spreken nog altijd tot de verbeelding en mogen niet  verloren gaan. Deze zijn in dit boek gebundeld met een korte inleiding van de geschiedenis van de oorlog en bezetting van Indië en wordt gecompleteerd door een overzicht van alle oorlogsgraven in Zuid Oost-Azië. In dit boek is ook de herdenking van dit jaar 2015 opgenomen.  Adviesprijs: € 19,50.

10897254665?profile=originalEen buitenbezittingse Radja – W.J.M. Michielsen. W.J.M. Michielsen verliet in 1857 op 13-jarige leeftijd zijn geboortestad Breda  om  als  kajuitjongen maar de Oost te gaan. Na enkele zeereizen vestigt hij zich op Java, waar  hij  met  wisselende  banen in zijn levensonderhoud voorzag. Een keerpunt kwam in december 1867, toen hij voor het groot-ambtenaren-examen slaagde en een carrière in Indische bestuurs-dienst mogelijk werd. Deze kans heeft hij ten volle benut. Vele jaren diende hij in de zogenaamde ‘buitenbettingen, om zijn loop-baan uiteindelijk in Batavia af te sluiten als lid van de Raad van Nederlands-Indië. Op zeer hoge leeftijd, rond 1914 schreef hij zijn memoires, waarin hij met veel verve en oog voor detail verslag doet van zijn bewogen leven tot 1975. De latere periode is óf net geschreven, óf verloren gegaan. De editie van deze boeiende en kleurrijke vertellingen wordt hier vooraf gegaan door een inleiding over de historische achtergronden. Adviesprijs: € 29,00.

Lees verder…

21 en 22 juli pasar malam Emmeloord

10897391698?profile=original

Entree:

Volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar                 € 7,00

Volwassenen 65+ (met legitimatie) € 5,- alleen op zaterdag

Kinderen tot 12 jaar   Gratis entree

 

Programma:

Zaterdag 21 juli

Open: 13.00 – 22.00 uur

13.30 - 14.00  uur Swinging Sound Machine 

14.30 - 15.00  uur Wahana Budaya Nusantara             

15.30 - 16.00  uur Swinging Sound Machine

16.30 - 17.00  uur René le Blanc                      

17.30 - 18.00  uur Wahana Budaya Nusantara

18.30 - 19.00  uur Swinging Sound machine

19.30 - 20.00  uur René le Blanc

20.15 - 20.45  uur Justine Pelmelay  

21.00 – 21.45 uur Swinging Sound Machine        

22.00 uur                         Einde eerste dag

 

Zondag 22 juli

Open: 12.00 - 19.00 uur

12.00 - 12.30 uur Rocking Players                             

13.00 - 13.30 uur Hawaiian Treasure     

14.00 - 14.30 uur Diana Monoarfa 

15.00 – 15.30 uur         Rocking Players

16.00 - 16.30 uur Hawaiian Treasure

17.00 - 17.30 uur Diana Monoarfa

18.00 - 18.45 uur Rocking Players

19.00 uur                 Einde 2e dag

Lees verder…