Ferry Schwab's berichten (2037)

Sorteer op

Het verhaal van Eddy Samson door Humphrey de la Croix

Het verhaal van Eddy Samson door Humphrey de la Croix

10897279684?profile=originalHet verhaal van Eddy Samson  Humphrey de la Croix

foto -Eddy Samson thuis in 2012

De geschiedbeoefening over Indische Nederlanders vindt voornamelijk plaats dáár waar de meesten van hen wonen: in Nederland en Noord-Amerika. Er zijn mensen die dat in het perspectief van een Indische diaspora plaatsen. We mogen gelukkig constateren dat in de laatste 25 jaar de productie van geschiedenisboeken en het aantal films en documentaires over de geschiedenis van Indische Nederlanders flink is gegroeid.
De aandacht voor Indo’s die er niet in zijn geslaagd te repatriëren of gekozen hebben in Indonesië te blijven, is echter achtergebleven. De banden met Nederland zijn altijd gebleven, niet altijd via familie of vrienden maar ook mentaal. Indo’s zullen zich ook altijd Nederlander blijven voelen.

Eddy Samson is op 3 april 1934 in de Boomstraat in Surabaya geboren uit een Indische vader en een Menadonese moeder. Vader was Johannes Alexander Samson


(Madiun 1907) en moeder de Menadonese Femina Korang. Hij vertelt dat zijn familie ook een gedeeltelijk Portugese oorsprong heeft. De overgrootvader van vaderszijde was een volbloed Portugees, die een Molukse vrouw trouwde. Opa van vaders kant was gehuwd met Augustien Abels, een totok.
Eddy Samson is getrouwd met een Indonesische en heeft vier kinderen, Fabian, Febe Augustien, Johannes en Eduard. Hij is in Surabaya opgegroeid in de Boomstraat, de huidige Jalan Brambangan. Vader Samson was vóór de oorlog ambtenaar bij de Staatsspoorwegen. Eddy Samson’s komt met al die gemengde relaties uit een echte Indo-familie.

De oorlogsjaren

Toen de oorlog Nederlands-Indië had bereikt, was zijn vader Johannes ingedeeld bij de Luchtbeschermingsdientst (LBD). Na de capitulatie in maart 1942 kwam hij terecht in de Jaarmarktgevangenis, waar hij twee jaar zou zitten. Daarna lieten de Japanners hem “vrij”, dat wil zeggen: hij moest spoorwegen gaan aanleggen. Dat zou duren tot half 1945, niet lang voordat de

10897280284?profile=originalfoto- Het vlagincident op 19 september 1945

oorlog zou eindigen. De jonge Eddy zat toen met moeder in    een huis aan de Jalan Kendjeran, de dienstwoning van zijn vader.
Voor Eddy was de Japanse tijd de eerste grote ingreep in zijn leven: de school werd bijna vier jaar onderbroken, de toekomst en eigen leven waren onzeker geworden, en het gezin ondervond een zeer aanzienlijke materiële achteruitgang omdat bezittingen moesten worden verkocht om te overleven.

Bersiap en Indonesische vrijheidsstrijd

Eddy vertelt al snel over de Bersiap-tijd die direct aansloot op het einde van de oorlog. Hij zegt dat de pemoeda’s, de jonge revolutionairen, zijn vader op een dag opwachtten om hem aan te spreken op zijn werk dat hij voor de Japanners had gedaan en op het feit dat hij in 1945 vóór hun capitulatie was vrijgelaten. Eddy merkt op dat deze pemoeda’s vóór de oorlog bij de spoorwegen, de ondergeschikten waren van zijn vader. Hij maakt hier de toespeling op persoonlijke rancune en afrekening als motieven voor hun optreden. Dus niet zozeer gedreven door het ideaal van de onafhankelijkheid. De 12-jarige Eddy heeft meegemaakt dat zijn ouders door pemoeda’s werden afgeranseld.
In die roerige tijd vertrokken Eddy’s moeder en de kinderen naar Tambaksari, waar hij voorheen ooit op school had gezeten. De wijk was een buurt waar veel Indo’s , Menadonezen en Molukkers zaten. Moeder heeft toen gewerkt in een gaarkeuken van een opvangkamp voor Nederlandse en Indische ex-krijgsgevangenen en burgers die geen huis meer hadden of in afwachting waren van een verhuizing of een gezins-hereniging. De wijk stond onder bewaking van pemoeda’s. Op een dag   gelastten   dezen   de  in  de keuken werkzame vrouwen te evacueren en ze zouden via Mojokerto westwaarts richting Jombang gaan. Meerdere Indo-families werden toen geëvacueerd. Eddy herinnert zich dat een familie Soemobito daartoe behoorde en een van zijn tantes. Omdat Eddy tijdens de werkuren van zijn moede meestal ging rondzwerven in de stad, was hij op het moment van de evacuatie gescheiden van zijn moeder. Hij wist niet waar ze was toen hij haar aan het eind van de dag weer opzocht. Dit kwam echter goed omdat het transport niet meer is doorgegaan.

Tijdens een van zijn zwerftochten door Surabaya kwam Eddy Samson op 19 september 1945 terecht in het centrum van de stad, in Tunjungan. Samen met een groep jongens uit allerlei hoeken van de stad, waren ze op zoek naar andere vrienden. Ze stonden op een gegeven moment voor het gebouw van de vrijmetselaarsloge De Vriendschap. Daar kwamen ze vaak omdat het tijdelijk in gebruik was als opvangkamp en er veel Indo’s en Nederlanders zaten. Eddy werd er getuige van de gebeurtenis die later bekend is geworden als het vlagincident. Op dat moment haalden Indonesiërs op het dak van het Oranje Hotel, toen nog met de Japanse naam Yamato Hotel, de Nederlandse vlag naar beneden. Ze scheurden de blauwe baan eraf en hesen de vlag als de Indonesische rood-witte.

10897280677?profile=originalDe “Rode Brug” (Jembatan Merah) waar in oktober 1945 heel veel Indonesiërs en Britten omkwamen in de Slag om Surabaya

In het gebouw De Vriendschap logeerden op dat moment Nederlandse en Engelse paratroepers én mr. Willem Ploegman. Deze voorzitter van de afdeling Surabaya van het Indo-Europees Verbond stond op de nominatie de eerste Indische burgemeester van de stad te worden. Ploegman zag de revolutionaire Indonesiërs de vlag strijken en wilde hen beletten de vlag te schenden en stak de straat over richting het hotel. Eddy Samson vertelt dat de straat intussen was volgelopen met pemoeda’s en andere Indonesiërs, die met genoegen het tafereel meemaakten. Toen gebeurde het snel: Ploegman werd vanuit de massa mensen neergestoken door iemand met een bajonet. Eddy Samson zag hem ineenzijgen. Indische jongens die in De Vriendschap waren, kwamen snel naar buiten en tilden het lichaam van Ploegman op en brachten het naar binnen. Het bleek dat het slachtoffer op dat moment nog leefde, hij ademde zichtbaar. Hij werd per auto getransporteerd naar de Centraal Burgerlijke Ziekeninrichting aan de Jalan Simpang. Mr. Ploegman zou onder

zijn verwondingen bezwijken. Het vlagincident zou in oktober en november worden gevolgd door veel gewelddadiger en heftiger momenten van een nieuw uitgebroken oorlog.

De slag om Surabaya

Achterom kijkend zegt Eddy Samson dat hij en andere jongens erg roekeloos zijn geweest en niet bewust van de risico’s die ze als Indo liepen. Soms was er een handgemeen met intimiderende Indonesiërs, maar bang is hij niet geweest. In ieder geval heeft hij de gewelddadige en dramatische gebeurtenissen van oktober en november 1945 van dichtbij meegemaakt. Zo herinnert hij zich de komst van de Britse Ghurka-militairen in de loop van oktober en de strijd die ze meteen moesten leveren tegen de pemoeda’s die de stad hadden bezet toen er na de Japanse capitulatie een machtsvacuüm  was ontstaan. Naast beschietingen met kanonnen en tanks, bombardeerden de Engelsen de stad vanuit de lucht. Het was ook echt oorlog. De pemoeda’s werden nog een geduchte tegenstander omdat ze erin slaagden de Japanners te ontwapenen en hun magazijnen in bezit te nemen. In diezelfde maand was er voor Eddy Samson ook goed nieuws: vader was weer terug en het gezin herenigde zich in het zogeheten B-kamp in de havenwijk Perak.
Op 26 oktober 1945 bereikte Brigade-generaal A.W.S. Mallaby met de gouverneur Suryo van Surabaya een overeenkomst over een bestand. Een belangrijk onderdeel ervan was dat de Indonesiërs niet zou worden gevraagd hun wapens over te dragen. Echter, als gevolg van een misverstand tussen Mallaby in Surabaya en generaal Christison in Jakarta, strooiden de Britten op 27 oktober per vliegtuig folders boven de stad uit waarin juist stond die wapens te overhandigen. De Indonesiërs voelden zich verraden en het bestand liep gevaar. Brigade-generaal Mallaby was zich dat niet bewust en op 30 oktober ging hij zelf de stad rond om het bestand kenbaar te maken. Aangekomen bij de later geheten Rode Brug, Jembatan Merah, stuitte hij op revolutionairen. Daar is Mallaby omgekomen in nogal onduidelijke omstandigheden.
De Engelsen zijn als reactie daarop 10 november 1945 een offensief begonnen met inzet van schepen, vliegtuigen, tanks en extra troepen. De stad werd binnen drie dagen ingenomen, gevechten zouden nog drie weken duren. Voor Indonesiërs is ondanks de nederlaag Surabaya de stad van de helden geworden. Monumenten en beelden op verschillende plekken in de stad houden de herinnering overeind.

10897281261?profile=originalFoto -Het gebouw van de Sociéteit “De Vriendschap”

Evacuatie naar Menado

De Nederlandse regering adviseerde Indo’s en Nederlanders aan naar Nederland te gaan om   in een veilige omgeving bij te komen. Eddy’s vader had daar wel oren naar, maar moeder wilde liever richting de familie in Menado. Eind 1945 vertrekt het gezin daarheen om na een jaar weer terug te keren in Surabaya. Vader kon in Menado aan de slag op het belastingkantoor, zodat hij ondanks de staat waarin de (voormalige) kolonie zich bevond zijn gezin kon onderhouden. Eddy ging weer naar school en kwam in de zogenaamde voorklas terecht, die hem moest voorbereiden verder te gaan op de MULO.

Terug naar Surabaya

Vader kon weer werken bij zijn oude werkgever de Staatsspoorwegen. Eddy kreeg de kans naar de zogeheten Herstel-MULO te gaan. Dit onderwijs heette zo omdat er na de onderbreking door de oorlog in het curriculum aansluiting moest worden gezocht naar het lesprogramma zoals dat tot de Japanse bezettingstijd eruit zag. Eddy zat op de Moendoeschool in Tamansari en behaalde al in 1947 het diploma van de MULO. In 1950 wilde hij naar de HBS op de Soerabaja School Vereniging, locatie Gentengkali-Zuid. Hij heeft daar twee jaar op gezeten en doubleerde. Een diploma halen lukte ook niet omdat de school na de soevereiniteitsoverdracht niet meer open ging. Voor Nederlands onderwijs was er geen plek meer in de jonge republiek, die de herinneringen aan de koloniale periode leek te willen wissen.

Na 1950 als burger van Indonesië én Indo

In 1951 slaagde Eddy erin bij het handelshuis Lindeteves-Stokvis NV te werken als volontair, terwijl hij ook nog school volgde. Dat zou hij één jaar doen. Het kunnen verdienen van geld was een nieuwe gewaarwording. Inkomen betekende meer vrijheid, leuke dingen doen en interessante mensen ontmoeten. Vader zou tot 1957 bij de Staatsspoorwegen werken voordat de Indonesiërs het bedrijf nationaliseerden. Eddy ging na Lindeteves naar de tweejarige zeevaartschool in zijn eigen Soerabaja en behaalde het diploma “Indonesische Kleine Vaart”. Als leerling-stuurman werkte hij van 1952 tot 1953 bij de Nederlandse rederij KPM (Koninklijke Pakketvaart Mij). Vanaf 1954 stapte hij over naar de Nederlandse Handelsmaatschappij om van 1955 tot 1962 te werken bij  veembedrijf Strohoedenveem.

In Indonesië blijven of naar Nederland?

In de jaren vijftig had vader Samson zijn paspoort ingeleverd ten gunste van de Indonesische nationaliteit, de warga negara. Reden hiervoor was dat hij daarmee zijn opgebouwd pensioen zou kunnen behouden. Eddy begrijpt de beslissing van zijn vader, maar heeft moeite met de consequenties. Zijn redenering is dat hij als minderjarige niet kon en mocht meebeslissen over zijn eigen lot. In de optieverklaring had zijn vader de namen van zijn vrouw en zoon Eddy niet genoemd. Eddy meent dat dit een onrechtvaardigheid is die zijn lot heeft bepaald om in Indonesië te moeten blijven, ook al was hij toen nog minderjarig. Het Indonesische burgerschap leek een goede keuze omdat Nederland en Indonesië een solide overdracht hadden geregeld. Maar al zeer snel wilde Indonesië diverse afspraken niet nakomen. Alles wat Nederlands was raakte min of meer verdacht.

Eerst werd onderwijs alleen in   het Indonesisch toegestaan, vervolgens werden vrijwel alle (Indo) Europeanen dwarsgezeten, geïntimideerd en bedreigd met verlies van hun baan of gewoonweg fysiek. Sociaal-economisch ging het intussen achteruit met het land. De voormalige kolonisator werd de zondebok en Nieuw-Guinea nog onder Nederlands bestuur, werd de aanleiding om een breuk        te forceren. In 1957 werden     alle Nederlandse ondernemingen genationaliseerd en vervolgens Indo’s en Nederlanders letterlijk weggejaagd.

De jaren zestig in Indonesië

De periode 1957 tot 1967 was volgens Eddy Samson een heel moeilijke. Indo’s werden er op aangekeken Nederlanders te zijn en werden daarom tegengewerkt. Banen moesten worden afgestaan ten gunste van Indonesiërs, scholen werden gesloten en het was verboden Nederlands te spreken. Daarbij kwam nog dat het eind jaren vijftig moeilijk was om werk te vinden. In de praktijk kon Eddy Samson dat oplossen door zwart aan het werk te gaan als o.a. chauffeur of losse werkkracht bij allerlei werkgevers en bedrijfjes.

10897281477?profile=originalFoto- Gebouw van  “Lindevetes-Stikvis”, waar Eddy Samson in de jaren 1951-1952 heeft gewerkt

Deze situatie duurde tot ongeveer 1967. Op de vraag wat het jaar 1965 betekende toen Soeharto de macht van Soekarno overnam en de Nieuwe Orde, Orde Baru, vestigde, antwoordt Eddy Samson dat iedereen gedwongen werd het land van communisten te zuiveren.                                         Met name betekende dat een extra in de gaten houden van   alle Chinezen omdat men veronderstelde dat zij loyaal waren tegenover de nieuwe Volksrepubliek. Het was een gevaarlijke periode omdat je niet wist of iemand jou kon aangeven of je nu communist was of niet. Angst en wantrouwen maakten het leven onaangenaam. Je kon het beste niet tegen de heersende machten in te gaan.

De wens te vertrekken, maar nooit toegelaten tot Nederland

Vanaf de vroege jaren vijftig begon Eddy Samson zich al minder prettig te voelen in Indonesië. Hij heeft in 1950 en 1951 pogingen gedaan om als verstekeling naar Nederland te reizen. Eerder, in 1945 en zonder dat zijn ouders het wisten had hij dat ook al geprobeerd. Het zien vertrekken van Indische kennissen en vrienden in de gewelddadige en angstige maanden na 17 augustus 1945, had bij hem ook een verlangen gewekt eens te zien wat Nederland nu voor een land was. Hij zag de schepen gaan waarop hij ook wilde meevaren. En dat deed hij ook op de Zuiderkruis toen hij zich aansloot bij een groep Indo’s die gingen vertrekken. Maar verder dan Singapore kwam hij niet; nadat de douane hem ontdekte werd hij op een vrachtboot retour Surabaya gezet. De tweede poging in 1947 met de Johan van Oldenbarnevelt eindigde opnieuw in Singapore. Eddy Samson zegt te zijn verraden, maar weet niet door wie. Het driemaal is scheepsrecht kwam niet uit in 1951.

Aangemonsterd als werknemer-volontair wederom met een groep Indo’s, volgde dezelfde afgang als de voorgaande twee keer.
Eddy Samson besloot in de jaren zestig de officiële weg te bewandelen met het aanvragen van een visum voor Nederland. Op de eerste en tweede aanvraag in respectievelijk 1957 en 1960 kreeg hij afwijzingen. Op zijn smeekbrief van 1963 direct gericht aan de koningin kreeg hij in 1966 een afwijzend besluit. De redenen van afwijzing zijn hem nooit duidelijk geworden. Hierna heeft Eddy Samson zich erbij neergelegd. “Sudah, ik denk dat het geluk wat dat betreft niet voor mij is weggelegd”. Wilde hij dan zo graag een Nederlander zijn? Nee, dat was niet zozeer het punt. Hij is kind van beide culturen en landen. Eddy Samson voelt zich een Indo, houdt van Indonesië maar ook van Nederland, het verre land dat zijn leven mede heeft bepaald en dat hij ook altijd zelf wilde ervaren als inwoner. Die historische verbondenheid met Nederland voelt hij als een deel van zichzelf en zal er altijd blijven. Bij zijn kinderen en kleinkinderen ligt dat anders. Zij voelen zich geen Indo maar zijn zich bewust van hun afkomst.

10897281295?profile=originalfoto -Eddy Samson thuis: portretten van “zijn” drie koninginnen aan de muur

Indonesië in de jaren zestig

Langzaam maar zeker werd Indonesië een stabiel land, al was dat als gevolg van een harde dictatuur en een keihard optredend leger. In 1968 herstelden de diplomatieke betrekkingen met voormalig kolonisator Nederland. Eddy Samson ging het intussen ook beter. In 1970 was hij in dienst van Tegra (Teeuwen Graanhandel) dat gevestigd was in Nederland, in het Noord-Brabantse Rijen. Het bedrijf was op zoek naar een Nederlands sprekende opkoper van caplex (voederproduct op basis van gedroogde cassave). Eddy Samson bleek over de kwalificaties te beschikken en hij werd de tussenpersoon voor Tegra in Indonesië. Het salaris was goed en hij had een leuke baan waarin hij succesvol was. In 1972 besloot hij toch iets anders te gaan doen en koos voor een bestaan op zee. De drang om Nederland toch ooit te zien bleek te groot. Hij is toen wel in Rotterdam aangekomen, maar mocht niet van boord omdat hij geen visum had. Wél heeft hij de Hollandse duinen gezien en kanalen, veel en grote kanalen (waarschijnlijk bedoelde hij de Nieuwe Waterweg) voordat het schip kon aanleggen. De vaderlandse bodem was toen héél dichtbij.

Na Nederland letterlijk slechts te hebben gezien vanaf de boot, berustte hij in het kennelijke lot dat voet zetten op Nederlandse bodem er niet in zat. Het varende bestaan ruilde hij in voor een betrekking bij de tandpasta-fabrikant Prodent. Het was een goede baan in de marketing. In 1990 toen hij 56 werd kreeg Eddy Samson de gelegenheid het pensioen in een keer af te kopen en te stoppen met werken. Toch heeft hij op verzoek van het bedrijf er nog twee jaar gewerkt om zich daarna te storten in nieuwe interesses.

Pensionering: nieuwe activiteiten

Wat Eddy Samson na zijn actieve loopbaan is gaan doen, verschilt niet van dat van vele gepensioneerden in Nederland. Hij vervulde taken in de vakbond voor de chemische industrie Federasi Buruch Pekerja Seluruh Indonesia (FBSI). Maar de grote passie is geworden de oprichting in 1999 van de huidige Indo Club Soerabaja, dat in het begin het Bureau De Indo heette. Guus Kost en F. van Lichten waren de mede-oprichters. Doel was om de Indo’s te vinden en in het bijzonder de ouderen, van wie ze vermoedden dat een aantal wel steun konden gebruiken. En anders wel uit een isolement moesten worden gehaald. Bezorgdheid was er bij de oprichters of deze Indo’s genoeg inkomen hadden en hoe het met hun gezondheid en welzijn was gesteld. Zelf Indo’s zijnde die het na moeilijke jaren goed is gegaan, beseften ze dat niet iedereen dat tot stand heeft gebracht. Signalen zijn er natuurlijk altijd geweest omdat ze bekend waren met de Stichting Hulp aan Landgenoten in Indonesië, HALIN. En uit eigen waarnemingen wisten ze van het bestaan van armlastige Indo’s.

Eddy Samson en zijn kompanen voelden de sterke behoefte en noodzaak die mede-Indo’s te bereiken, die misschien te malu waren zich te melden of die niet de beschikking hadden over de (informatie)kanalen om zich bekend te maken. Eddy Samson gebruikte zijn kwaliteiten als netwerker en wist mensen in Indonesië en Nederland enthousiast te krijgen voor zijn plannen.

10897281873?profile=originalfoto -Indo Club Soerabaja; Koempoelan 24 mei 2009. Rechts-voor (gehurkt) Eddy Samson

Een andere belangrijke activiteit is zijn betrokkenheid bij het behoud van het cultureel erfgoed in Surabaya. In het bijzonder dat van gebouwen met een (kunst)historische waarde uit vooral de periode 1850-1950. Veel van deze gebouwen mochten niet worden gesloopt maar leden vervolgens structureel aan het nodige onderhoud. Het tropische klimaat maakt dat des te noodzakelijker. Het gevolg daarvan is dat de gebouwen er vuil en vervallen uitzien. Eddy maakt deel uit van de Poesaka Soerabaja, dat sinds 2010 een samenwerkingsverband is tussen 25 verschillende initiatieven ter behoud van het erfgoed. Eddy Samson is zelf ook nog eens een adviseur van het gemeentebestuur op dit onderwerp.

Bij Eddy Samson thuis

Recent

Eddy Samson heeft medewerking verleend aan de televisieserie Van Dis in Indonesië, die in 2012 is uitgezonden door de VPRO. Na mijn gesprek met Eddy was mijn conclusie dat Van Dis welhaast niet om hem heen zou kunnen. Daarnaast heeft hij meegewerkt aan een programma van Omroep Max over Indo’s in Indonesië. De uitzending zal zijn op november 2012.
Eddy Samson is duidelijk geen persoonlijkheid die “low profile” opereert. Vanuit betrokkenheid bij zijn Indische medemens en het Nederlands cultureel erfgoed zet hij zich actief in. Met name via PR-achtige activiteiten en het voortdurend onderhouden van zijn netwerken. Hiermee draagt hij bij aan het in stand houden van een Indische gemeenschap in Indonesië, meer dan een halve eeuw na het einde van Indië.
Daarnaast blijft hij een intermediair tussen o.a. de stichtingen HALIN en Tileng, particulieren enerzijds en de Indische gemeenschap anderzijds. Eddy Samson houdt daarmee de vinger aan de pols bij zijn mede-Indo’s die in kwetsbare situaties verkeren.                               Bron: www.indischhistorisch.nl

Meer informatie:                    Internet:
Stichting HALIN (Hulp aan land-genoten in Indonesië)
Stichting Help de Indischen in Indonesië
Stichting Tileng
Surabaya Heritage Society
Surabaya Memory (project van de Petra Universiteit)                  Literatuur:
Vilan van de Loo, Familie gebleven. Hulp aan landgenoten in Indonesië, Edam 2009

Lees verder…

Duitse Joden waren ook in Nederlands-Indië niet veilig

10897284268?profile=original Verzwegen drama , 

Duitse Joden waren ook in Nederlands-Indië niet veilig,  

door Werner Stauder

 

Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers.

 

Tijdens de recherches voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt.

Talrijke Joden waren in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk ontvlucht en hadden zich in Nederlands-Indië gevestigd omdat zij dachten daar onder Nederlandse bescherming een veilig heenkomen te hebben gevonden. Zij kwamen echter van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de vervolging door de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het kawat (prikkeldraad). Velen van hen hebben het niet overleefd.

Op 19 januari 1942 voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Momenteel werk ik aan een boek over de tragische dood van 411 onschuldige Duitse burgergevangenen, onder wie vele Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hoger hand willens en wetens heeft laten verdrinken.

Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, op 10 mei 1940 te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitsland en Oostenrijk afkomstige Joden.

Dat ook deze Joodse vluchtelingen, die zich juist in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren.

Velen van hen werden opgesloten in de cellen van het beruchte Fort Ngawi, anderen werden naar het eiland Onrust gebracht. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden.

In augustus 1940 werden alle gevangenen overgebracht naar een groot verzamelkamp op Sumatra en volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Blok E was het ‘Jodenblok’.

Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten de Duitse en Joodse gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. Zij werden overgebracht naar de havenstad Sibolga, van waaruit op 29 december 1941 het eerste transport vertrok met de KPM’er Ophir. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd gevangenen en op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport met 478 gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff.

Tot deze laatste groep behoorden ook de Joden van Blok E wier namen met L tot en met Z begonnen. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië waren aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? En waarom was dit schip niet als gevangenentransport aangemerkt?

Omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door een van de bommen scheurde de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het langzaam begon te zinken. Toen het schip tegen één uur slagzij begon te maken, werd de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen, omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.

Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden.

Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden zij er alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en met 53 man te water te laten. In een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. Velen waren in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.

Tegen de avond verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal kwamen 411 gevangenen om. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd.

  

 

Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf. Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.

Lees verder…

Vergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers, Duitse Joden achter Indische Kawat

10897284858?profile=originalVergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers

 

Duitse Joden achter Indische Kawat

 

door Werner Stauder

 

Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers. Het doel van dit artikel is het eerherstel van deze mensen. Om aan deze anonieme groep een gezicht te geven zal ik het lot van de heer Otto Moszkowicz als voorbeeld naar voren halen.

 

Otto Johann Ludwig Moszkowicz, geboren in 1911, was in Nederlands-Indië als ingenieur werkzaam bij de B.P. Maatschappij in Terisi, Djatibarang op West-Java. De heer Moszkowicz was één van de honderden Joden, die in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk waren ontvlucht en zich in Nederlands-Indië hadden gevestigd omdat zij dachten, daar een veilig heenkomen te hebben gevonden onder de Nederlandse bescherming. Zij kwamen van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het prikkeldraad. Velen van hen hebben het niet overleefd, waaronder ook de heer O.J.L. Moszkowicz. Tijdens de recherches voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt. Meer dan 70 jaar geleden, op 19 januari 1942, voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de desbetreffende autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Ik nam daarom het besluit, mij intensief met deze Nederlands-Indische doofpotaffaire bezig te houden om in mijn boek een waarheidsgetrouw beeld te scheppen van alle gebeurtenissen rondom de tragische dood van 411 onschuldige gevangenen, waaronder talrijke Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hoger hand willens en wetens heeft laten verdrinken en aan de bemanning vervolgens het bevel gaf, daarover te zwijgen. Ook Otto Moszkowicz was één van deze verzwegen Joodse oorlogsslachtoffers. Met het onderstaande verhaal wil ik hem en al de anderen uit de anonimiteit halen en postuum eer bewijzen.

 

Het begon allemaal op 10 mei 1940. Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2.800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitstalige landen afkomstige Joden. Dat ook deze Joden, die juist voor de nazi’s gevlucht waren en zich in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren. Op deze bewuste Erev Sjabbat van de 3e Ijar 5700, die om 18:11 uur plaatselijke tijd begon, werd de Parasja Emor gelezen. Na de sjabbatviering werd Otto Moszkowicz laat op de avond door Nederlandse politie-agenten en BB-ambtenaren gearresteerd en naar het politiebureau gebracht, waar hij de nacht achter tralies doorbracht samen met andere Duitse en Joodse arrestanten. De volgende dag werden zij op transport gezet naar een verzamelkamp op West-Java en van daar uit naar Tandjong Priok, de haven van Batavia, waar een KPM-schip klaar lag om hen verder te brengen naar het eiland Onrust. Zij moesten aan de kade in het gelid gaan staan, omringd door zwaar gewapende inheemse militairen, en ontvingen de mededeling, dat zij zich aan boord van het schip moesten begeven nadat aan een tafel de gegevens van alle arrestanten waren genoteerd. Ook de heer Moszkowicz moest zijn naam en adres opgeven en zijn portemonnaie, portefeuille, sleutels, horloge enz. inleveren. Alles werd geregistreerd en in zakjes gestopt. Daar zag hij later nooit meer iets van terug. Tegen de avond werden ze aan boord gebracht en moesten meteen naar het bloedhete overvolle ruim toe. Na ca. 1 ½ uur varen werden ze aan wal gebracht. De ontscheping van de gevangenen vond onder groot militair vertoon plaats met veel geschreeuw en gesnauw. Ze werden daarbij dikwijls geschopt en geslagen. Onder het toeziend oog van de kampcommandant kapitein H. J. de Vries werden Otto Moszkowicz en zijn lotgenoten via een hoge, met prikkeldraad omgeven en van tralies voorziene poort gedreven en in groepen van ruim 100 man naar de diverse barakken afgevoerd, dertig in getal. Daar werden de Joden van de overige Duitsers gescheiden en apart gezet. Elke barak was 30-40 meter lang en 5 meter breed, had een vochtige betonnen vloer zonder bedden, was afgedekt met gegolfd plaatijzer en slechts schaars belicht. Bovendien wemelde het er van allerlei ongedierte. Iedere barak was genummerd en werd door middel van een drie meter hoge omrastering afgescheiden van de overige barakken en het was ten strengste verboden de prikkeldraadomheining dichter dan op 2 meter afstand te benaderen. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. Een van hen was Johnnie Duell, de directeur van het Metropooltheater in Batavia, die als Duitse Jood in de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front had meegevochten en zelfs voor zijn moedig optreden als piloot gedecoreerd werd. Ondanks het feit dat hij zich tot Nederlander had laten naturaliseren, kwam hij toch evengoed samen met Otto Moszkowicz in barak 18 op het eiland Onrust terecht. Zij moesten een bundel stro oprapen en daarmee een plekje op de kale vloer zoeken om daarop te slapen. Dekens tegen de nachtelijke afkoeling werden niet uitgereikt en zowel fysiek alsook verbaal geweld was geen uitzondering.

 

De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden. Niemand stond er blijkbaar bij stil dat deze mensen helemaal geen Duitse staatsburgers meer waren en dat zij juist uit Nazi-Duitsland moesten vluchten om aan de afgrijselijke jodenvervolging te ontsnappen. Dat de Duitse Joden door de Nederlandse politie werden gearresteerd in het land waar zij rust en vrijheid dachten te vinden, en dan op het beruchte eiland Onrust ook nog in een zogenaamde ‘Jodenbarak’ werden opgesloten in plaats van hen als vluchtelingen op te vangen en hen politiek asiel te verlenen is ronduit schandalig te noemen. Dat dit echter niet per vergissing gebeurde, maar juist van hogerhand beslist werd blijkt uit het feit, dat het besluit hiervoor door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer werd genomen als een veiligheidsmaatregel op grond van artikel twintig van de Regeling Staat van Oorlog en Beleg. De Duitse Joden werden in Indië als ‘veiligheidsrisico’ beschouwd omdat men vreesde, dat zij door de nazi’s konden worden gechanteerd met hun familieleden in de concentratiekampen. Om deze reden liet Starkenborgh de veiligheid voor de menselijkheid gaan met alle gevolgen van dien. Zo werd ook de onschuldige ingenieur Otto Johann Ludwig Moszkowicz het slachtoffer van dit noodlottige besluit en kwam onder onmenselijke omstandigheden achter het prikkeldraad terecht.

 

In de vroege ochtend van 15 mei 1940 werd hij getuige van de brute moord op zijn jonge barakgenoot Rudolf Frühstück. De geïnterneerden van barak 18 gingen naar buiten om te luchten. Vlak voor de omheining waren enkele Javanen in de hoge bomen geklommen om daar wat takken af te kappen in verband met het monteren van een elektrische leiding. Natuurlijk was dit voor Moszkowicz en zijn barakgenoten een prachtige afleiding om naar te kijken en ook de jonge Frühstück was één van deze toeschouwers. Met opgeheven hoofd stond hij gefascineerd te kijken hoe snel en behendig deze inlanders in de boom konden klimmen en had daarbij niet eens door dat hij inmiddels op minder dan twee meter van de prikkeldraadomheining was gekomen. Onbewust wilde hij op een gegeven moment met zijn hand op één van de peilers van het hek steunen, waardoor die hand zich dus boven het verboden gebied bevond met het gevolg dat hij nietsvermoedend en zonder waarschuwing door een sergeant van het bewakingsdetachement van achteren werd doodgeschoten door een welgemikt schot in de hartstreek. Er ontstond onmiddellijk een groot tumult in het kamp. Zijn barakgenoten renden naar hem toe om hem te helpen, waaronder ook dr. Emil Mengert uit Batavia, terwijl ook militairen van alle kanten kwamen aanlopen, die de arts onder bedreiging van het geweer dwongen zijn patiënt te verlaten en iedereen de barak in joegen. Uit de omliggende barakken klonken luide protesten tegen deze handelwijze. Onder de toegesnelde militairen bevond zich ook kapitein De Vries, die, met zijn pistool in de hand, de zwaargewonde jongeman zieltogend in het gras aantrof. Kort daarop stierf hij. Rudolf Frühstück was een jonge Jood, die in de jaren ’30 van Duitsland naar Singapore emigreerde, maar daarna zijn toevlucht in Nederlands-Indië zocht toen de oorlog tussen Engeland en Duitsland uitbrak, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in Indië veilig zou zijn. Frühstück ontmoette in Indië de dood, die hij in Duitsland wilde ontlopen. Heel tragisch!

 

Toen de gouverneur-generaal van Starkenborgh samen met de legercommandanten luitenant-generaal Berenschot en generaal-majoor Schilling eind mei 1940 het kamp op het eiland Onrust bezocht en constateerde dat de toestand daar ‘zeer onvoldoende’ was, gaf hij opdracht om onmiddellijk een centraal kamp te bouwen waar alle Duitse mannen van de hele Indische Archipel konden worden ondergebracht. In alle haast werd er in het zuiden van Atjeh op het eiland Sumatra het centrale kamp Lawé Sigala-gala gebouwd in de Alasvalei vlakbij Kota Tjané. Op 6 juli 1940 ging het eerste transport van vijfhonderd man met de Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elke blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werden vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.

 

Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten het kamp op Sumatra te ontruimen en de gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. In een geheim codebericht aan minister van Kleffens schreef Starkenborgh: “Britsch-Indië is bereid onderbrengen Duitsche geïnterneerden welke vertrekken 28 December en 2 Januari. Het schijnt mij juister gezien belang maatregel de Duitsche Regeering Uwerzijds inlichten, echter niet voordat tweede groep is aangekomen omdat eerder bekendmaken eventueele Japansche voor ontzetting zou kunnen verhaasten dan wel pogingen zou kunnen uitlokken om het transport op zee op te vangen. De datum van aankomst zal ik U nader seinen.” Er was hierbij dus slechts sprake van twee transporten. Over een derde transport staat niets in de officiële telegramwisseling tussen de gouverneur-generaal en de minister in Londen. Op dat moment bevonden zich nog ruim 2450 Duitse en Joodse gevangenen in Lawé Sigala-gala, die in met prikkeldraad ‘beveiligde’ vrachtauto’s werden overgebracht naar de havenstad Sibolga. Op 29 december 1941 vertrok het eerste transport geïnterneerden met de KPMer Ophir uit Sibolga. Het schip had bijna duizend gevangenen aan boord, waaronder zich dertig fanatieke nazi’s bevonden, de rest waren vooral jonge mannen, velen uit de blokken A en D, enkelen uit F en C en een heel enkele uit E en B. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd Duitsers aan boord, eveneens uit de diverse blokken zorgvuldig geselecteerd zodat de gevaarlijkste gevangenen alvast het land uit waren. Op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport uit Sibolga met 477 Duitse gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff. Deze groep, waartoe ook Otto Moszkowicz behoorde, bestond uit de rest van Blok E, het Joodse blok, mannen van wie de namen met L t/m Z begonnen en de ouderen uit alle andere blokken alsook zeelui. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan, dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië zijn aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? Wist men soms van tevoren al dat het schip nooit zou aankomen?

 

De kans om Bombay te bereiken was eigenlijk reeds vanaf het vertrek vrijwel nihil omdat de Van Imhoff, die blijkbaar doelbewust niet als gevangenentransport aangemerkt was, al door Japanse verkenningsvliegtuigen gesignaleerd werd toen het nog in de haven van Sibolga lag. De omstandigheden aan boord waren voor de geïnterneerden mensonterend. De 477 grotendeels bejaarde gevangenen werden beneden in het bloedhete ruim van het vrachtschip opgesloten en zaten dicht opeengepakt in 2 meter brede kooien van prikkeldraad, elk met een capaciteit voor dertig man. Omdat elke kooi amper één meter tien hoog was en het voor de gevangenen dus onmogelijk was rechtop te staan, hurkten en lagen zij dicht op elkaar. Er was te weinig drinkwater, ventilatie en sanitaire voorzieningen waren vrijwel nihil. In de kooien hing een vreselijke stank en het was er niet uit te houden van de hitte. Alleen al het laten vertrekken van het schip onder deze barre omstandigheden, die sterke overeenkomsten vertonen met die in de slavenschepen van de West-Indische Compagnie zoals de Leusden waar ik straks nog op zal terugkomen, was reeds een grove schending van het volkenrecht. Daar komt nog bij dat er onvoldoende reddingsmiddelen op het schip aanwezig waren om iedereen te kunnen redden en, zo later bleek, sowieso uitsluitend bedoeld waren om de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement in veiligheid te brengen.

 

Het duurde dan ook niet lang totdat er zou gebeuren wat iedereen vreesde, want omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door één van de bommen scheurde op een gegeven moment de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het schip langzaam begon te zinken. Toen de Van Imhoff tegen één uur slagzij begon te maken, werd door kapitein Hoeksema de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en de Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden, zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.

 

Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden. Een van hen, Stephan Walkowiak, kreeg bij deze poging weliswaar een schot dwars door zijn hand, werd daarna echter door inheemse militairen in een van de achterste reddingsboten bloedend aan boord gehesen hoewel er vanuit de motorsloep gecommandeerd werd de man aan zijn lot over te laten.

 

Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden de mannen er na twee uur zwoegen alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en te water te laten. Officieel kon de sloep slechts 42 inzittenden bevatten, maar desondanks konden er toch wel 53 man mee en in een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. De riemen en het noodrantsoen waren helaas door de Nederlanders uit de boot verwijderd maar gelukkig lagen de mast en de zeilen er nog in. Velen waren vanaf het schip in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.

 

Tegen de avond van 19 januari 1942, rond half zeven, verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal zijn 411 onschuldige Duitse en Joodse gevangenen hierbij omgekomen. Een van hen was Otto Johann Ludwig Moszkowicz. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd!

 

Onder de slachtoffers bevonden zich naast de talrijke Joden ook enkele tientallen protestantse zendelingen, katholieke missionarissen, dominees en priesters, ook diverse bekende kunstenaars waaronder de kunstschilder Walter Spies en zelfs een groot aantal actieve en gepensioneerde KNIL-militairen en politie-ambtenaren, die al meer dan 20 jaar genaturaliseerd waren en trouwe dienst aan de koningin bewezen. Van al deze gevangenen kan derhalve moeilijk gezegd worden dat zij nazi's of gevaarlijke elementen geweest zouden zijn hetgeen hun gruwelijke dood zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de bemanning en de bewakers zichzelf in de reddingsboten in veiligheid hadden gebracht terwijl zij de aan hen toevertrouwde gevangenen keihard aan hun lot overlieten druist in tegen alle regels op zee. Tot op heden zijn de verantwoordelijken nooit berecht!

 

Dit verhaal zal ongetwijfeld nare herinneringen oproepen bij de lezers die bekend zijn met de koloniale geschiedenis van Nederland, want het lijkt wel een déjà vu. Op 1 januari 1738 verging in een onweer voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname het slavenschip Leusden van de West-Indische Compagnie, waarbij kapitein Outjes willens en wetens ruim 700 slaven, die benedendeks aan kettingen waren vastgeklonken, liet verdrinken terwijl hij zelf met zijn Nederlandse bemanning op de sloepen stapte en naar de wal vertrok. De kapitein durfde de slaven niet los te laten omdat hij bang was dat ze de bemanning op het zinkende schip zouden overmeesteren. Dezelfde reden gaf ook kapitein Hoeksema aan ten opzichte van de Duitse gevangenen op de Van Imhoff. Op 18 november 1737 vertrok de Leusden vanaf het Nederlandse Fort Elmina aan de kust van het huidige Ghana naar Suriname met honderden slaven aan boord. Benedendeks was het erg donker en benauwd en door het ontbreken van sanitaire voorzieningen stonk het daar verschrikkelijk. Het slavenruim van de Leusden was in twee lagen verdeeld zodat er meer slaven vervoerd konden worden. Hetzelfde principe werd 200 jaar later ook toegepast op het ruim van de Van Imhoff. Vandaar dat de kooien waarin de Duitsers opgesloten werden slechts één meter tien hoog en twee meter breed waren waardoor zij net als de slaven op de Leusden op elkaar gepakt als haringen in een ton zaten. Zowel de mannelijke alsook de vrouwelijke slaven waren naakt en twee aan twee aan elkaar geketend. Toen het slavenschip eind december 1737 zijn eindbestemming naderde kwam het voor de kust van Suriname in een noodweer terecht. De slaven zaten als ratten in de val toen de romp brak en water de ruimen binnen stroomde. Kapitein Outjes had namelijk de luiken dicht laten spijkeren om te voorkomen dat de slaven naar boven zouden komen, toch hoe hadden ze dat kunnen doen als ze vastgeketend waren? Zonder ook maar één vinger uit te steken om hen te redden liet de kapitein de sloepen strijken en vertrok met zijn bemanning. Ruim 700 onschuldige Afrikaanse slaven hebben deze scheepsramp niet overleefd en men moet zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze grootste tragedie uit de Nederlandse scheepvaarthistorie bijna 300 jaar lang in het moederland zelf vrijwel onbekend bleef. Het antwoord laat zich wel raden.

 

Terug naar de Van Imhoff. Ook de weinige overlevenden, in de beide booten en op de vlotten, die de volgende ochtend werden waargenomen door het KPM-schip Boelongan, mochten op uitdrukkelijk bevel van de Commandant Zeemacht niet gered worden. Daarom weigerde de kapitein om humanitaire hulp aan de drenkelingen te verlenen en gaf onder luid gemor van zijn eigen inlandse bemanning het bevel te vertrekken en de drenkelingen zonder water en voedsel aan hun lot over te laten. Hij beriep zich hiervoor op een geheime order van admiraal Helfrich. Een van de drenkelingen, de Duitse Jood Arno Schönmann uit Soerabaja, sprong van een vlot in het water en zwom het schip achterna. Een inlandse matroos, die medelijden toonde, gooide hem een werplijn toe. Schönmann probeerde daaraan omhoog te klimmen, werd daaraan echter gehinderd door de eerste stuurman en is achteraf verdronken. De vlotten dreven af en werden nooit teruggevonden. Ook twee inzittenden van de beide booten hebben het niet gehaald. Zo waren er uiteindelijk van de 477 geïnterneerde Duitsers nog slechts 65 overlevenden, die door de Nederlandse autoriteiten op het eiland Nias, waar zij enkele dagen later aanspoelden, opnieuw werden gevangengezet.

 

Uit de zeer geheime correspondentie uit 1942 tussen gouverneur Starkenborgh in Batavia en minister van Kleffens in Londen blijkt duidelijk dat het Van Imhoff-schandaal in Nederland al vanaf het begin angstvallig in de doofpot is gestopt. Het openbaar worden van de ware toedracht zou de autoriteiten tot de hoogste instanties zowel in Batavia alsook in Londen en later ook in Den Haag behoorlijk in verlegenheid gebracht hebben en moest dus koste wat het kost geheim gehouden worden. De bemanning en het bewakingsdetachement kregen reeds enkele dagen na hun aankomst in Padang het bevel de ware toedracht rondom het gebeurde met de Van lmhoff geheim te houden. In een telegram aan de Minister van Buitenlandse Zaken in London, de heer Eelco Nicolaas van Kleffens, schreef Starkenborgh op 1 februari 1942: “Daar vele geruchten reeds de omloop deden ook onder Duitsche vrouwen dat schip met geïnterneerden vergaan en aangezien het voorts ongewenscht is publicatie langer uit te stellen wegens kans eerder bericht buitenlandsche radio, is heden een korte verklaring uitgegeven dat een transport het voorwerp van Japansche actie is geworden welke een groot aantal slachtoffers heeft geëischt. Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk niets gezegd teneinde verkeerden indruk buitenland te vermijden.” Niettegenstaande deze poging om de ware toedracht te verbergen wisten enkele overlevenden vanaf het eiland Nias later toch een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen door te geven naar Duitsland.

 

Een klacht wegens moord, die een Duitse overlevende in 1953 tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff bij de Nederlandse justitie indiende, werd twee jaar later weliswaar in onderzoek genomen, maar resulteerde uiteindelijk 1958 in de conclusie dat er geen redenen waren om een strafvervolging in te stellen. Men beriep zich hiervoor o.a. op de ‘volledige’ scheepsverklaring, die kapitein H.J. Hoeksema op woensdag 4 februari 1942 samen met de vierde stuurman M.R. van der Sluis en de hoofdwerktuigkundige J. van der Ploeg aflegde voor de havenmeester van Batavia, de heer W.H. Morren  ten havenkantoor Tandjong Priok.

 

Ondanks de nadrukkelijke vermelding dat deze verklaring geheel overeenkomstig de waarheid en zonder bijvoeging of weglating van daadzaken zou zijn, roept het lezen van dit zeven A4-tjes tellende document toch wel enkele vragen op: De kapitein verklaarde dat de geïnterneerden goede ligging hadden in de daarvoor genoemde dekken, maar in hoeverre kan bij prikkeldraadkooien van 2 meter breed en 1 meter hoog van een goede ligging gesproken worden? De kapitein heeft samen met zijn bemanning en de militairen het zinkende schip verlaten terwijl daar nog honderden gevangenen in het ruim opgesloten waren, waarvan uiteindelijk 411 personen omkwamen die grotendeels gered hadden kunnen worden. In hoeverre kan hij dan beweren dat hij en zijn ondergeschikten zich aan hun verplichtingen hebben gehouden en steeds met de meeste zeemanschap hebben gehandeld? Een goede kapitein verlaat als laatste het zinkende schip! In zijn verklaring wil kapitein Hoeksema ons laten geloven, dat de reddingsboten allemaal vol waren en dat er voor de 477 geïnterneerden geen plaats was, hetgeen enerzijds betekent dat er al vanaf het begin geen rekening werd gehouden met een eventuele redding van de Duitse geïnterneerden, maar anderzijds spreekt hij zichzelf ook tegen. De Nederlanders beschikten over een motorsloep en vier gewone reddingssloepen met elk een minimale capaciteit van 42 inzittenden. Uit het feit dat er in de achtergelaten vijfde sloep uiteindelijk 53 man konden plaatsnemen blijkt, dat er ruim voldoende plaats was om een groot aantal drenkelingen te kunnen redden. De 84 bemanningsleden en 62 bewakers zaten dus heel uitgebreid in de sloepen terwijl er nog ruim 100 man erbij hadden gekund. Sowieso hadden ze de Joden mee moeten nemen, die in principe niet eens geïnterneerd hadden mogen worden. Wat de zwemmers betreft, die probeerden de reddingsboten te bereiken, heeft de kapitein het in zijn verslag weliswaar over een gewonde geïnterneerde, die in een van de sloepen werd meegenomen, maar hij verzuimde daarbij te vermelden, dat deze Duitser gewond raakte doordat er dwars door zijn hand geschoten werd bij zijn poging om aan boord van de boot te klimmen. Verder wordt in de verklaring de aanwezigheid van voldoende reddingsvesten en enkele reddingsmatrassen vermeld, maar wat hadden de drenkelingen eraan als zij door de haaien werden aangevallen en de Boelongan de volgende dag weigerde om de Duitse overlevenden aan boord te laten? Al deze vragen bleven tot op heden onbeantwoord.

 

In 1964 kreeg de cineast Dick Verkijk van Herman Wigbold van de VARA de opdracht om een documentaire over de Van Imhoff-affaire te maken voor de actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’. Vrij Nederland schreef op 1 februari 1969 met betrekking tot het feit dat de kapitein van het zinkende schip de gevangenen in het ruim aan hun lot overliet nadat hij zichzelf in veiligheid had gebracht: ‘Voor Wigbold stond vast dat er geweigerd is Duitsers te redden omdat zij Duitsers waren!’ Hoewel Justitie weigerde om gegevens hieromtrent aan Verkijk te verstrekken was hij er desalniettemin in geslaagd een nauwkeurige reportage over deze beschamende gebeurtenis te maken, die echter nooit is uitgezonden omdat de toenmalige televisiecommissaris Jan Willem Rengelink de uitzending botweg verboden had. Zo bleef de documentaire achter slot en grendel op de planken liggen en was later nergens meer te vinden. Gewoon spoorloos verdwenen! Wij kunnen er gerust van uit gaan, dat het ruwe materiaal vernietigd is. Een tweede documentaire van Verkijk over hetzelfde onderwerp, die wel aanzienlijk korter was dan de eerste, werd door de VARA-voorzitter Jaap Burger persoonlijk verboden, waarbij het niet uitgesloten is dat dit in overleg met de toenmalige regering gebeurde gezien het feit dat Jaap Burger onder Willem Drees oud-fractievoorzitter van de PvdA was.

 

Hoe dan ook, Dick Verkijk liet het er niet bij zitten en publiceerde de resultaten van zijn onderzoek op vrijdag 16 april 1965 in Het Parool, hetgeen nogal enige opschudding veroorzaakte. Naar aanleiding hiervan wijdde Der Spiegel op 22 december 1965 en 7 februari 1966 twee uitgebreide artikelen met foto’s en ooggetuigenverslagen aan de pogingen van zowel de VARA-leiding alsook van de Nederlandse autoriteiten het Van Imhoff-schandaal in de doofpot te stoppen. Dit had tot gevolg, dat de fractieleider van de PSP in de Tweede Kamer, Lankhorst, op 15 februari 1966 lastige vragen over deze affaire aan de toenmalige minister van Defensie Piet de Jong (Kabinet Cals) stelde. In zijn reactie wees de Jong op het onderzoek uit 1956 met het resultaat dat het ministerie van Buitenlandse Zaken de regering in Bonn destijds liet weten dat geen strafvervolging zou worden ingesteld. Ook in maart 1966 werd in de Eerste Kamer door de PSP, gesteund door de PvdA en de ARP, een voorloper van het CDA, op meer inlichtingen over de gebeurtenissen rondom de Van Imhoff aangedrongen. Minister De Jong gaf hierop de schriftelijke reactie, dat er geen onjuiste beslissingen waren genomen en dus geen grond aanwezig was voor een strafrechtelijke vervolging tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff. De Kamers kwamen daarna niet meer op het gebeurde terug en de discussie was gesloten.

 

Zo belandde de hele affaire opnieuw in de doofpot en werd door de latere publicaties van Van Heekeren en Bezemer slechts ten dele openbaar gemaakt. Tot op heden werd niemand verantwoordelijk gesteld voor de dood van 411 geïnterneerde Duitsers en Joden, waaronder Otto Moszkowicz, waardoor het Van Imhoff-schandaal nog steeds een zwarte bladzijde in de geschiedenis van maritiem Nederland zal blijven.

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf.

Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.

Weergaven: 179

Lees verder…

Door Albert van Prehn - Het verloren gevecht.

Het verloren gevecht.

10897280092?profile=originalDoor Albert van Prehn - Het verloren gevecht.
Jaren lang hebben wij geprobeerd om de opeen volgende regeringen zover te krijgen dat de ere schulden eindelijk eens worden erkend en uitbetaald. Is dit een verwachting met daadwerkelijke inhoud?
Ik denk van niet en gezien de ploegen die onze vertegenwoordigers moeten voorstellen heb ik weinig hoop en verwacht ik eindelijk, na jaren pogen en hopen, dat men daar in den haag totaal niet geïnteresseerd is om aan de eisen voor een eerlijke afhandeling te voldoen.
Eerlijkheid is nooit te combineren met die figuren die daar in de tweede kamer HET VOLK moeten vertegenwoordigen, zij zitten daar niet alleen voor zich zelf maar ook voor de grote bonzen, banken en al van die instellingen en personen. Nu komt er nog iets om de hoek kijken denk ik en dat is, als men met onze eisen gaat werken zouden er best stinkende beerputten opengehaald kunnen worden, wie weet wat er allemaal is gebeurd met die gelden, ik kan me best voorstellen dat die inmiddels ontvreemd zijn op de legale manier, net zoals er nu wordt gestolen van de mensen die hun leven lang de maatschappij hebben opgebouwd, gespaard hebben voor werkgelegenheid en pensioen. Wat te denken van diegenen die nu als oudere een klein vermogen hebben opgebouwd? Gespaard en vergaard met kromliggen en ijverig werken. Men doet nu net of dat DAT een misdaad is en de zogenaamde solidariteit met de jongeren, die moeten maar eens zien met hun verwende leventje door onze generatie op gebracht, om het zelfde te bereiken.
Sparen kunnen ze niet, al heel jong zitten ze met torenhoge schulden en het kan gewoon niet op. Moet dat nu alsnog op de zakken van de ouderen blijven teren?
Het is gewoon geen moraal en die jonge politici behoren bij de huidige hebberige en egoïstische generatie die de woorden norm en fatsoen al heel lang uit hun woordenboekje hebben geschrapt.
Maar nu terug naar de ereschulden of hoe die ook heten moge.
Denken wij nou echt dat wij begrip kunnen verwachten van politici die in een tijdstip van nu zijn opgegroeid? De asociale maatregelen die alleen maar de genen treffen die het minst te besteden hebben zijn daar goede voorbeelden van en wat wij kunnen verwachten.
Recentelijk is het schandaal van de ouderen die door kinderen moeten worden verzorgd nog even naar boven gekomen. De minst bedeelden uit onze maatschappij dragen weer de zwaarste lasten, want als je jouw ouders in huis zou halen, vervallen de vene toeslagen waar je recht op hebt en daartegenover verhogen jouw lasten, 5000 euro per jaar inleveren, hoe slim en geniepig is het systeem in elkaar gezet. Het is maar dat een paar slimme koppen vandaag de uitslag van de berekeningen op TV bekend maakten. Mijn tenen staan gewoon zo krom dat ze dwars door mijn schoenen dreigen te gaan.
Om maar niet te spreken over de gulle weggevertjes naar noodlijdenden in het buitenland, en nog erger het koesteren van hen die slimgebruik maken van de Nederlandse idioterie en in het buitenland prachtige inkomens genieten. Je kun beter Marokkaan of een andere buitenlander zijn in dit land dan Nederlander zelf, die gulheid en makkelijke tolerantie die genieten wij hier niet. Misschien dat we toch maar de zaak hier weggeven en ons in het buitenland vestigen, denkt u zich dat eens in, oude dag goed verzorgd met een inkomen waar je heel luxe van rond komt.
Laten de buitenlanders de zaak hier maar overnemen waarvan her en der wordt beweerd dat zij dat doel hebben. Maar laten ze dan ook die hele kliek in de tweede kamer ook overnemen, want daar hebben ze toch heel veel steun van gehad zou ik zeggen. Als ex-koloniaal of de afstammeling ervan koester ik weinig hoop op de eerlijke afhandeling van de ereschulden en perkara’s, zeker als het om duiten gaat. Wij kennen en ervaren nog steeds hoe zaken verlopen als het hier in dit land om centen gaat, als zouden die bij wijze van voorbeeld in een beerput liggen.
Nee lieve en beste lotgenoten, ik steun de berichten van de pogingen van onze mensen niet meer die de hoop wekken dat wij onze rechten nog ooit zouden krijgen, niet op de manier waarop het zo lang gaat, het enige is dat men het aandurft om het via het internationale recht erop aan laat komen, maar daar is de animo niet voor en waarschijnlijk ook door gebrek aan steun vanuit onze gemeenschap. Ik denk, dat naarmate gewacht wordt, naarmate de tijd verstrijkt, het een hopeloze en op niets uitlopende strijd gaat worden.
Indië is een verloren zaak en dat was het al bijna 70 jaar geleden al en de grote verliezers zijn zij, die uit de ex kolonie moesten verkassen. Net als al die ouderen die nu als weggooi gebruiksvoorwerp worden beschouwd, zo is het ook met ons, de ex-kolonialen, diegenen die TOEN nuttig genoeg waren om voor koningin en vaderland de stormen van de bersiap hebben moeten doorstaan.
Leve de koningin. leve het vaderland en verrek maar nu je niet meer van nut bent.

Albert van prehn (persoonlijke mijmeringen-12 mei 2014)

Lees verder…

Grondlegger van de Pasar Malam Mary Brückel-Beiten , de eerste jaren 1958-1965 door: Wim Brückel en Geraldine Brückel-Lang

10897286880?profile=originalPasar Malam, de eerste jaren 1958-1965    door:   Wim Brückel en Geraldine Brückel-Lang   

In aanloop naar de 56e Tong Tong Fair (vroeger: Pasar Malam Besar) hier een artikel over de oprichtster Mary Brückel-Beiten die in 1958 de allereerste Pasar Malam organiseerde in de Grote Zaal van de Haagse Dierentuin. De start van de Pasar Malam wordt heel vaak toegeschreven aan Tjalie Robinson, pseudoniem voor Jan Boon. Hier volgt het werkelijke verhaal, geschreven door de zoon en schoondochter van Mary, die nu al 55 jaren in Canada wonen.

Wie was Mary Brückel-Beiten?

Anna Maria (Mary) Beiten werd op 6 oktober 1904 in Bondowoso op Oost-Java geboren. Haar vader, Anton Beiten was een suikerplanter en haar moeder Emmy Aban was een Javaanse. Haar latere echtgenoot, Alexander Brückel, was bestuursambtenaar, geboren op 4 september 1902 in Amsterdam. Zij trouwden in 1935.   Mary Brückel-Beiten was in Indië al een pionierster op tal van gebieden. Zo deed ze als vrouw mee aan een autorally van Soerabaja naar Batavia, waarbij ze nog won ook. De volgende dag stonden alle kranten vol met de koppen dat een vrouw de rally had gewonnen, wat nauwelijks voor mogelijk werd gehouden. Smalend berichtten sommige kranten dat ze waarschijnlijk een man in haar auto had verstopt, die het grootste deel van de race voor haar reed. Mary was toen pas 18 jaar oud. Een tijd later werd in de kranten gevraagd welke vrouw in een klein vliegtuigje durfde te reizen en weer was Mary branie genoeg om dit te doen.

Mary Brückel-Beiten was lerares, journaliste en schrijfster. In de oorlog schreef ze gedichten voor kinderen en maakte ze schetsen en notities, die ze in een wasmand voor de Jappen verborg. Altijd stond Mary klaar om haar medemens te helpen.

Na de oorlog, in 1946, kwam Mary met haar gezin in Nederland terecht. Ze deed er direct alles aan om goed in de Nederlandse samenleving te integreren. Ze reisde van dorp naar dorp om de plattelandsvrouwen kennis te laten maken met de Indische cultuur en hen Indisch te leren koken. Soms kreeg ze ongezouten commentaar van een boer, die zei dat alleen kippen rijst eten, waarop zij terug kaatste, dat de varkens ook aardappelen eten, waarop de boer afdroop.

De vrouwen echter vonden haar kookkunst geweldig en al gauw werden er fancy fairs gehouden. Dit deed Mary gedurende een aantal jaren en de Nederlanders begonnen de Indische cultuur te begrijpen. Door de boekjes, die zij voor de Hollandse huisvrouw uitgaf werd zij al gauw een graag geziene gast op diverse bijeen-komsten, waar ze demonstraties gaf om het Indische koken in Nederland te promoten. Op een dag fluisterde een Indische vrouw haar in het oor: “Goh, Mary, het lijkt wel een pasar Malam, net als in Indië”. Toen ze thuiskwam, dacht ze dat dit klopte; haar fancy fair wás net als een pasar malam.

10897287499?profile=originalNa een kookdemonstratie voor de Vereniging van Huisvrouwen wordt er natuurlijk geproefd.

Tijdschrift “Onze Brug”

Op 3 oktober 1957 kreeg Mary een brief van Tjalie Robinson. Hij vroeg haar om mee te werken aan zijn tijdschrift “Onze Brug”. Mary stemde toe en al gauw stelde ze in december 1957 voor om het blad om te dopen in “Tong Tong”.      Ze had thuis een boek waarin     de Indonesische Tong Tong beschreven was. Ik vroeg haar of haar naam nu op de voorkant zou komen. Mary antwoordde: “Nee, dat is voor Tjalie… het is zijn blad. Hij is schrijver en journalist en hij gaat schrijven over wat we met de Vereniging Indische Nederlanders (VIN) gaan organiseren”. Door Mary’s instigatie werd toen met de leden van de VIN de “Indische Kunstkring” opgericht.

Een van de eerste evenementen die Mary organiseerde was het Tong Tong Cabaret samen met leden van de VIN. Tjalie was hierbij komiek en gaf ook speeches. Het geheel werd opgeluisterd door een Gamelan band. Ook Mary zelf deed mee en de première vond plaats op 12 april 1958 in aanwezigheid van Koningin Juliana en Minister Marga Klompé.

Tong Tong

Voorafgaand aan de première, tijdens een repetitie, zei Tjalie aan de andere leden: “Ik ga een nieuw blaadje oprichten; willen jullie meedenken aan een naam?” Velen verzonnen gekke namen, totdat er één zei: “Waarom niet Tong Tong, net zoals het Cabaret?” Tjalie vond dat een goed idee en zo werd het besloten. Mijn moeder begreep hier niets van. Had ze Tjalie niet al eerder gezegd dat het zo zou moeten heten?

10897288262?profile=originalTjalie en Mary

Maar Mary had nog steeds een voornemen om de fancy fairs uit te laten groeien tot een echte Pasar Malam. Zij vroeg de andere VIN leden haar initiatief te steunen, maar omdat niemand geld had, heeft Mary zelf met haar hele familie alle centjes op tafel gelegd om deze droom te realiseren. Iedereen deed mee: haar twee zusters, Bets en Ems, haar man, ook Jo, haar twee dochters Maud en Dee en schoonzoon Loek Mol. Haar twee zonen, waaronder ikzelf, zaten al in Canada. Uiteindelijk hadden ze geld genoeg om de allereerste Pasar Malam te organiseren, die toen in 1958 gehouden werd in de grote zaal van de Haagse Dierentuin. Het werd een groot succes, mede door het optreden van de Tielman Brothers, culturele Indonesische dansvoorstellingen en kookdemonstraties en dan  natuurlijk allerlei standjes en kramen. Het succes was zo groot dat besloten werd in 1959 opnieuw een Pasar te houden.

Nadat ze een achttal Pasars had georganiseerd vond Mary het te commercieel worden en droeg in

10897288659?profile=originalDansvoorstelling op Pasar Malam 1958

1965 haar gehele organisatie over  aan Tjalie Robinson. Tjalie populariseerde de Pasar Malam, die inmiddels verhuisd was naar de Houtrusthallen. Mary begon een nieuwe uitdaging in de vorm van de stichting “Uit en Thuis”.  Ze organiseerde vliegreizen per chartervlucht naar de USA en Canada, zodat ouders daar hun geëmigreerde kinderen konden opzoeken. Toch bleef zij op de jaarlijkse Pasar Malams haar kookdemonstraties ten beste geven, hetgeen zij tot op hoge leeftijd volhield.

10897288486?profile=originalTjalie was een vervent beoefenaar van de katapult

Pasar Malam Selamat Datang  in  Holland

Wie meer wil weten over het ontstaan van de pasar Malam in Nederland en het leven van Mary Brückel-Beiten, kan het boek bestellen dat door haar geschreven is onder de titel: “Pasar Malam Selamat Datang     in Holland”, verkrijgbaar bij www.amazon.com, ISBN nummer: 978-1-77136-099-9. Prijs: 16,00 US$, exclusief de verzendkosten.

Lees verder…

Indonesië wil nieuwe hoofdstad buiten Java – maar waar, dat is nog even de vraag

10897414083?profile=original

De Indonesische president heeft besloten om de hoofdstad van het land te verplaatsen naar een ander eiland dan het drukke Java. Maar een nieuwe locatie ter vervanging van het vervuilde en langzaam in zee zakkende Jakarta moet nog worden gevonden, zei de minister van Planning maandag.




De huidige hoofdstad, Jakarta, de thuisbasis van meer dan 10 miljoen mensen. Beeld AP

Regen en overlopende rivieren hebben Jakarta weer eens bijna tot stilstand gebracht. Het verkeer loopt vast en hele buurten staan blank. Al dat water gaat ook wel weer weg, weten de bewoners, maar voor president Joko Widodo is de maat vol. We gaan verhuizen, laat hij weten. De minister van Planning maakt het nieuws op een persconferentie bekend: over tien jaar is niet Jakarta, maar een andere stad de hoofdstad van Indonesië. Welke stad dat zal zijn weetnog niemand, maar er is geen weg terug meer.

Het heeft lang geduurd voordat die knoop werd doorgehakt. President Soekarno speelde al met de gedachte in de jaren ‘50. Hij liet zelfs de basis voor een nieuwe hoofdstad leggen in het midden van Kalimantan, op het eiland Borneo. Daar bouwde hij Palangkaraya, een provincieplaats met de plattegrond van een wereldstad. De veel te brede geasfalteerde straten en pleinen domineren in 2019 nog steeds een groen en landelijk stadje met minder inwoners dan een gemiddelde wijk in Jakarta.

Palangkaraya is het dus nooit geworden. Het was te ver weg, te moeilijk te bereiken en te zeer de middle of nowhere. Toch heeft elke president sinds Soekarno op zijn minst even met het idee van een verhuizing gespeeld. De vorige president Susilo Bambang Yudhoyono wilde verhuizen, maar wel op Java blijven. Hij heeft er nooit serieus werk van gemaakt. En nu is Joko Widodo aan de beurt. In 2017 heeft hij  zijn mensen opdracht gegeven een onderzoek te doen naar de mogelijkheden. Uit dat onderzoek kwamen drie plaatsen bovendrijven: alledrie op het eiland Borneo. En een van die drie, en de grootste kanshebber, is opnieuw: Palangkaraya.

Soekarno wilde verhuizen om redenen van nationalisme. Jakarta, het vroegere Batavia, was de hoofdstad van de oude kolonie, Nederlands-Indië. De nieuwe onafhankelijke republiek Indonesië had een nieuwe hoofdstad nodig. Maar de mensen bleken te zeer aan Jakarta gewend, of beter nog: gehecht.

Latere plannen hebben nog wel die nationalistische ondertoon, maar Widodo’s besluit heeft een veel praktischer achtergrond: Jakarta is uit zijn voegen gebarsten. De stad met zijn meer dan tien miljoen inwoners is een ramp. Jakarta heeft de ongebreidelde groei van de eigen bevolking en de explosieve toename van het verkeer niet kunnen bijbenen. De miljoenenstad beschikt niet eens over een geïntegreerd systeem van openbaar verkeer. Met als gevolg: dagelijks groeiende files. Onder Joko Widodo is er een inhaalslag begonnen, maar die heeft nog nauwelijks geleid tot enige verlichting.

Het verkeer is overigens niet eens het grootste probleem waarmee de stad te kampen heeft. De bodem van het noordelijk deel van Jakarta blijkt in snel tempo weg te zakken, waardoor een groot deel van de stad in de zee dreigt te verdwijnen. De verhuizing lijkt daardoor eerder een noodzakelijkheid dan een politieke wens te worden.

Niet heel Jakarta zal trouwens verhuizen. Het is de bedoeling dat Jakarta het economisch centrum van het land zal blijven. Alleen de politieke hoofdstad verhuist naar elders, een splitsing die ook bestaat in de Verenigde Staten, in Australië en Canada. Of misschien beter nog: in Myanmar. Daar heeft een militaire junta in 2005 midden in het land een gloednieuwe hoofdstad uit de grond gestampt: Naypidaw. Het resultaat is onthutsend: wegen van soms wel twintig rijstroken breed verbinden reusachtige regeringsgebouwen en vijfsterrenhotels met elkaar, maar nergens is een spoor van leven te bekennen. Niemand woont er, want iedereen verblijft als het even kan veel liever in de oude hoofdstad Yangon. Daar is het veel leuker.

ICM redactie.

In 2015 kwam de ICM krant in  het bezit van het Jakarta Baru Masterplan. Het plan van de president Jokowi ontvouwde dat om een geheel nieuwe Jakarta ging. Ruim 2300 miljard alleen al tot 2028, waar ruim 640.000 mensen werk aan hebben. Waar de ingenieurs veel moeite mee hadden was de 16 miljoen inwoners dat Jakarta en de files, dat misschien wel 40% van het budget ging zitten in voorzieningen zoals onteigeningen, de drukte, en transport van bouwmaterialen.  Meest voor de hand liggend was om een nieuwe Jakarta te bouwen.  Op www.icm-online.nl kan U het JBM (Jakarta Baru Masterplan downloaden.  

Lees verder…

10897281665?profile=original

Van puputan tot pasar malam                    door:   Sabina de Rozario 

 

Waar ooit duizenden mensen omkwamen, wordt nu elke zaterdagavond vertier gezocht en gevonden.  Ik zie vanaf de straat al de gezellige drukte op het plein.  Een monument, dat ter nagedachtenis van de gebeurtenis in 1906 is geplaatst, siert de historische plek in Denpasar. Veel gezinnen, jonge geliefden en studenten vertoeven er in alle ontspannenheid.

Monument Puputan in Denpasar

De politie houdt  er toezicht en leidt het verkeer in goede banen, parkeerwachters zijn druk in de weer om de bezoekers naar de parkeerplaatsen te loodsen. Als ik het ‘grasveldje’, meer is het niet, betreed, heerst er een ambiance vergelijkbaar met die van een pasar malam die ik ken van Nederland. Overal zie ik lichtjes, speelgoedverkopers en ruik ik de geur van vers geroosterde saté. Ik koop een maïskolf en besluit een rondje om het monument  te lopen.  De specifieke sfeer, die herinneringen bij me oproept, is me onverwacht niet vreemd. 

Hoge dosis trots

In het begin van de vorige eeuw was het op deze plek , het ‘veldje’ in de hoofdstad van Bali, waar gewapende Nederlandse militairen tegenover een Balinese koning met zijn onderdanen stonden.     De reden: radja Gede Ngurah Denpasar  werd verantwoordelijk gehouden voor het vergaan van een Chinees schip voor de kust van Sanur. Deze radja besloot zich niet zomaar over te geven  aan het Nederlandse leger en bedacht een scenario waarbij een hoge dosis trots aan ten grondslag lag. Het was voor de Balinezen al duidelijk dat zij de strijd nooit konden winnen met hun traditionele wapens. Echter, overgeven aan de vijand behoorde niet tot de opties.

Wat er toen gebeurde heeft niet veel Nederlandse geschiedenis-boeken gehaald. De radja droeg zijn onderdanen op zich in witte ceremoniële kleding  met hun mooiste juwelen te hullen. De zwaarden werden ter hand genomen en het paleis van de radja werd in vuur en vlam gezet. Gezeten op zijn draagstoel omringd door zijn familie, Hindoe priesters en onderdanen, wachtte hij het Hollandse leger op.

10897281283?profile=originalHet stoffelijk overschot van                  de vorst van Badung wordt overgebracht naar Denpasar

Puputan

Onder begeleiding van oorlogs-trommels gooiden de Balinese vrouwen geld en juwelen naar de naderende indringers. Terwijl dit vernederende schouwspel zich afspeelde, schoot het Nederlandse leger onder het commando van Generaal-majoor Rost van Tonningen verward om zich heen. Op dat moment liet de radja zich door de priester in het hart steken, het teken voor de onderdanen om zichzelf van het leven te beroven. Mannen, vrouwen en zelfs kinderen onderwierpen zich aan hun lot. Het bloedbad waarbij honderden mensen die zich voor de ogen van de Nederlanders ter aarde stortten, is de Balinese geschiedenis ingegaan onder de naam Perang Puputan Badung.

Puputan is een Balinees ritueel gevecht tot de dood erop volgt en heeft begin vorige eeuw in een korte tijd meerdere keren plaatsgevonden. Van 1894 tot 1908 komen duizenden Balinezen om tijdens zo’n rituele zelfmoord, waarvan de koloniale troepen niet alleen getuigen waren, maar ook aanstichters. Niet alle radja’s van Bali maakten vrijwillig een einde aan hun koningschap. De radja’s van onder meer  Badung, Denpasar en ook Pemucutan weigerden hun zelfstandigheid op te geven ten tijde van de kolonie en waren bereid ten onder te gaan. De radja van Tabanan besloot tot vrijwillige overgave, maar pleegde na twee dagen gevangenschap toch zelfmoord. Zijn stoffelijk overschot werd naar de Puri van Denpasar overgebracht tijdens de zevende Bali-expeditie, gericht tegen de vorst van Badung in 1906. De vorst van Klung Kung kwam tot een akkoord met de overheerser, tot ‘zijn’ puputan een einde maakte aan de samenwerking in 1908.

Archieffoto’s uit Nederland

Elk jaar worden de puputans herdacht bij het monument op het Puputan plein. Hoe dramatisch de toedracht ook is geweest, Bali zou Bali niet zijn om voor de gelegenheid van het 100-jarige jubileum in 2006 met alle trots een week lang optredens en andere feestelijkheden te plannen. Om begrip van de Nederlanders te generen werd de toenmalige Koningin Beatrix voor deze feestweek uitgenodigd. Voor de special gelegenheid werden archieffoto’s van de puputan ingevlogen, afkomstig uit de fotocollectie van de Leidse Universiteit. Het hoogtepunt van het wekelijkse festival was de kroning van Ida Tjokorda Ngurah Denpasar IX, de nieuwe radja van de hoofdstad.

Al lopend naar de uitgang probeert een verkoper me een Mickey Mouse-ballon aan te smeren. Uitgelaten kinderen rennen om me heen of spelen met hun net gekregen voetbal. De maïsverkoper ruimt zijn boeltje op, nog voor middernacht is hij ‘los’ en kan hij tevreden naar huis. De feestelijkheden op het Puputan plein achter zich latend zonder een notie te hebben van het bloedbad  dat er ooit heeft plaatsgevonden.

Bron: Java Post

 

Lees verder…

Door Albert van Prehn - De vloek van de religies.

Door Albert van Pfrehm - De vloek van de religies.

10897284474?profile=originalDe vloek van de religies. 

Religie is iets wat de mens al vanaf zijn ontstaan met zich mee draagt.

Vanaf het moment dat hij zijn brein kon gebruiken en de wereld wonderen om hem heen begon te aanschouwen kwam hij tot de ontdekking dat  er zaken zijn die hij niet kon verklaren en zo gebeurde het dat de mens het dan maar toeschreef als iets wat bovennatuurlijk is en niet verklaarbaar omdat er een almachtig wezen moet zijn wat zoveel onverklaarbaars teweeg brengt.

Het geloof in het bovennatuurlijke heeft de mens sindsdien alleen maar vastgehouden en al naar gelang de tijd vorderde zijn er zovele geloofsovertuigingen geweest naarmate de mens zich ontwikkelde al intelligent wezen.

Met de toename van het intelligentie peil nam ook de overtuiging toe dat er een almachtig wezen moest bestaan en daarbij ook een wezen met kracht, macht en geweld waar je diepe respect voor moet hebben en het strafproces voor het NIET respect hebben kwam om de hoek kijken.

De bovennatuurlijke macht werd al gauw gezien als een goddelijk wezen die je gunstig moet stemmen om dingen gedaan te krijgen die je zelf als mens, niet voor elkaar zou kunnen krijgen zoals  jouw eigen gelukzaligheid en voorspoed, tegenslag, overleven, goede oogsten, droogte en regen tijden, ziekten en heling en ga zo maar door.

Ieder stam heeft zijn eigen goddelijk wezen en deze kreeg vaak een eigen naam, maar met het bewustzijn van de aanwezigheid van een goddelijk wezen kwam ook de tussenpersoon in het leven die kon bemiddelen tussen mens en God. De man (meestal) of vrouw die bijzondere gaven had.

Dat werd een sjamaan, priester, medicijnman of wat voor benaming ook, die zijn macht en invloed had op de rest van de stam, het volk of gemeenschap.

Deze persoon was vaak bepalend voor de normen en waarden die hij of zij bedachten in combinatie met die van de stam, groep, of volkstradities in de cultuur verweven.

Heden ten dage zijn de primitieve geloofsovertuigingen bestempeld als bijgeloof, heidense gedachtenspinsels en noem maar op en heeft zich het fenomeen voorgedaan dat het overgrote deel van de menselijke aardse bevolking zich tot de christelijke of mohammedaanse geloofsovertuiging heeft gekeerd.

Niet geheel vrijwillig maar veelal heeft de geschiedenis laten zien dat het onder dwang is gebeurd, bijvoorbeeld door onderwerping, bij kolonisaties.

Er zijn zovele godsdiensten geweest en de goden hadden allemaal een eigen stam, volks, gemeenschap etc. naam.

Zo hadden de Noordeuropeanen Wodan, Thor en weet ik veel nog meer, de Grieken hadden Zeus, de Romeinen, Spanjaarden Egyptenaren en ga zo maar door allen hun eigen godsbeelden.

Totdat er vanuit het Midden-Oosten twee religies hun grote invloed konden uitbreiden, de joodse geloofsovertuiging en die van de Arabieren.

Deze twee voornaamste geloofsovertuigingen staan bol van cultuur inhoudelijke zaken die bij de betreffende volkeren hoort.

Doordat invloedrijke machthebbers zich tot deze geloofsovertuigingen wenden, werden al heel snel de onderworpenen al dan niet onder dwang ook bekeerd. Via de machthebbers in Rome in de tijd van het christusverhaal.

Maar laten wij eens dieper op de inhoud van de religies in het algemeen duiken.

Allereerst valt meteen op dat de goden menselijke gelijkenissen hebben en niet alleen dat, ze hebben ook de menselijke eigenschappen in zich en nog erger de menselijke gedachten gangen en hiërarchieën.

Zo is er een boven god die zijn zetel heeft als gelijk een menselijke koning, die heeft weer zijn onderdanen, er is een straffende God die vreselijk te keer kan gaan als je niet gehoorzaam bent en diezelfde god staat je bij in jouw strijd bij oorlogen, bevoordeelt je als je maar goed gehoorzaam bent en heeft jouw eigen volk als voorkeurs volk zodat je boven de andere volkeren een rechtspositie hebt verkregen en je het recht hebt om anderen te onderwerpen aan jouw god.

Dat is al eeuwen aan de gang en het gebeurt nog steeds, waardoor ik persoonlijk overtuigd ben geraakt dat er helemaal niet zo’n goddelijk wezen bestaat.

Bepaalde geloofsovertuigingen zijn net als clubjes waar je lid van moet worden, en als je er geen lid van bent ben je per definitie ongelovig, heiden, verdwaalde, en verlorene.

De heilige geschriften beelden de mannelijke denkwijze uit waar de vrouw de onderdanige en nietszeggende rol toebedeeld krijgt en eigenlijk alleen als broedmachine, lustobject, verkoopwaar, en slavin van de man is.

Het is ook niet anders want de geschriften zijn door mannenhanden samengesteld met mannengedachten in een mannencultuur, bovendien zijn ze puur menselijk met alle menselijke eigenschappen, zoals het belonigsstelsel, de vader, zoon verhoudingen alsof het gewoon een vleselijke menselijkheid is, het priesterschap wat alleen mannelijke leden heeft, kortom alles wat wij als structuur in onze maatschappijen hebben zo zal het ook daar in de vermeende hemel moeten zijn.

Is dat zo? Nee, zeg ik persoonlijk als ongelovige, in mijn optie is een Almachtig wezen ver van onze bekrompen ideeën verwijderd en wie zegt dat de Almachtige een man moet zijn. Ja, volgens de geschriften wel, maar die zijn zoals eerder vermeldt door mannen handen geschreven en beïnvloed door mannen gedachtegangen.

Zo is er ook een duivel uitgevonden wat in mijn ogen puur een middel is om de eigen onvolmaaktheid een plaats te geven en die figuur van satan is HET middel om je te verlossen van jouw geweten, immers je kunt er niets aan doen als die duivel je aanzet om rottigheid te veroorzaken.

Zo wordt je met 12 maagden beloond in de hemel als je als islamiet je eigen leven offert voor jouw geloofsgenoten in de strijd, alsof je daar in de hoedanigheid van geest nog seksverlangens kunt hebben. Alweer zon geval waar men abusievelijk aanneemt dat het daar niet anders aan toe gaat dan hier op aarde.

Er is een pracht en praal in Rome met een machtscentrum van jewelste die bepaalt of je veilig mag vrijen of niet en zich niet bezighoudt met het feit dat al die rijkdommen best eens aangewend kunnen worden aan het hongerprobleem op deze aardkloot waar men het simpele geld als echte ware god aanbidt. Het is ook nog een politiek bolwerk wat zich bezighoudt met dood en verderf en onderdrukking zoals zijn tegenhanger de islam. Politiek hoort niet in een echte religie thuis.

Je mag naar hartenlust andersdenkenden vervloeken, vermoorden, uitroeien en vooral als je machtswellustig bent. Wel in dienst van de godheid die je aanbidt of gebruikt voor jouw eigen frustraties en wellust/wreedheden. Alle eigen kwaadheid goedpraten in naam van allah of jezus of weet ik veel  wie nog meer. En dan ook anderen voor jouw vieze eigen karretje spannen en zelf proberen buiten schot te blijven.

Kortom zoals ik erover denk, en dat is persoonlijk, bestaat er geen god zoals de religies ons willen doen geloven, voor mij is het TE menselijk en is men met niets anders bezig dan met zijn eigen overtuigingen ZONDER eerst te kijken waar het om je heen echt aan toe gaat.

In mijn ogen is een goddelijke overtuiging niets anders dan het weten dat er een macht is wat jou en het hele universum beheerst, alle ingewikkelde natuurwetten heeft gecreëerd.

Anders dan dat wij willen geloven zijn wij allemaal, dieren planten en mensen, uit een zelfde energie ontstaan en dat bij iedere aantasting ervan je bezig bent met je zelf aan te tasten.

De vloek van de religie is het primitieve brein van de mens die zijn ego niet kan overwinnen.

Indien U en ik, en wij als mens allemaal niet alleen met onszelf bezig zijn, onze eigen IKKE, maar met de werkelijke essentie van het bestaan hier op aarde, HET LEVEN SAMEN MET ELKAAR, dan is geen religie nodig en hadden wij voor onszelf en voor onze medeschepselen een paradijs kunnen scheppen.

In mijn belevenis en overtuiging is het Almachtige wezen verre van menselijk en doen wij het te kort door religies die het uitbeelden als zijnde een mens met als onze hebbelijk en onhebbelijkheden.

Religies zijn nuttig voor het bewustzijn van het noodzakelijke om alles met elkaar te delen en doen, zonder onderscheid om gewoon simpelweg te overleven, maar ze zijn onbewust ontwikkeld tot een ordinair politiek spel van macht en overheersing.

De mens zal de ware Almachtige pas leren kennen als het zijn primitieve ego heeft overwonnen.

Tot die tijd zijn religies een vloek voor de mensheid door misbruik en eigen belang.

Wat wel is dat, hoe gestudeerd je ook denkt te zijn, je er niet omheen kunt dat het simpele van jouw eigen bestaan en de dingen om je heen zoals een simpele bloem, niet hebben KUNNEN ontstaan zonder een scheppende kracht. Alle ingewikkelde natuurwetten zijn er niet zomaar ineens uit het niets.

Ben je daarvan bewust, dan ben je ook bewust van jouw eigen nietigheid, en ben je daarvan overtuigd geraakt zal je heel anders in het leven staan. Het simpele feit dat je leeft is al een wonder op zich want je bent niets anders dan een product van stoffen uit de natuur die ook aanwezig zijn in ieder ander wezen op deze planeet. Intelligentie kan ook domheid inhouden die vernietiging van jezelf teweegbrengt. Intelligentie wat het  persoonlijke ego NIET kan uitschakelen is niets anders dan primitief aanwezig zijn. Op dat gebied verschillen wij niets van het dier.

In alle simpelheid beschreven met persoonlijke overtuiging.

Albert van Prehn.26 mei 2014.

Lees verder…

Drie meningen; Peter Keppy, Mollemans en Ferry Schwab over de verdwenen Indische Gelden.

10897284057?profile=original10897283898?profile=original10897350099?profile=originalBoek: “Opgevangen in andijvielucht” doet veel stof opwaaien

Niet vaak verschijnt er een boek, dat zoveel stof doet opwaaien en waarover voor en tegenstanders nog net niet rollebollend over de straat gaan, als het boek: “Opgevangen in andijvielucht” van Griselda Molemans. De auteur had zelf ook al ruim van tevoren voorspeld dat dit zou gaan gebeuren.

In het blog van het NIOD schrijft Peter Keppy dat Molemans valse hoop wekt bij veel Indische Nederlanders. Hij zegt onder andere naar aanleiding van het artikel van Lidy Nicolasen in de Volkskrant, dat NICC Magazine in de vorige editie plaatste:  

Het boek “Opgevangen in andijvielucht” begint met een invoelend geschreven relaas over de kille opvang van Indische Nederlanders in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Maar de epiloog lijkt een ander boek.

NIOD onderzoeker Peter Keppy

Molemans’ verontwaardiging over misstanden bij de opvang ontaardt aan het slot van haar boek namelijk in een slecht gefundeerde en warrige aanklacht tegen instanties, personen en onderzoekscommissies. Zij harkt het Indische repertoire van oorlog gerelateerde kwesties bijeen (veronderstelde verdwenen bank-tegoeden, niet uitbetaalde soldij van KNIL-militairen, het uitblijven van schadevergoeding). Volgens Molemans liggen er nog ergens door Indische Nederlanders niet-opgeëiste miljoenen. Zij slaagt er echter niet in dit hard te maken; erger nog: haar epiloog werkt vertroebelend voor wat we al weten.

Ongenoegen 

Molemans' ongenoegen lijkt een echo uit het midden van de jaren negentig. Er was een discussie gaande over Joodse tegoeden. Minister van Financiën Gerrit Zalm schokte de Indische gemeenschap met de uitspraak dat de Nederlandse regering niet op ‘Indisch geld’ zat. Onder druk van het Indisch Platform, het overkoepelend orgaan van Indische belangenorganisaties, besloot de Nederlandse regering  in 1998 tot onderzoek naar bank- en verzekeringstegoeden van de Indische Nederlanders.

Ik maakte deel uit van het onderzoeksteam van historici dat werd bijgestaan door enkele bancaire en juridische experts (bekend als de Commissie van Galen). Gedreven om aan te tonen dat Zalm het wel eens mis zou kunnen hebben, togen we aan het werk. We veronderstelden dat Indische Nederlanders als gevolg van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) en de daarop volgende Indonesische revolutie (1945 - 1949) waren beroofd van banktegoeden en verzekeringsgelden en dat de Nederlandse en de Nederlands-Indische overheid nalatig waren geweest.

Onze aanname bleek niet te kloppen. We vonden geen enkele aanwijzingen voor bij financiële instellingen geparkeerde tegoeden noch een grote groep rechthebbenden die daar na de oorlog aanspraak op zou kunnen maken. Wel vonden we bewijzen dat zowel overheden als banken en verzekeringsmaatschappijen die uitbetaling tijdelijk, en in een klein aantal gevallen zelfs permanent, hadden verhinderd. In 1955 was er sprake van dertig rechthebbenden die door twee levensverzekeringsmaatschappijen uit Canada waren benadeeld.

10897283898?profile=originalMolemans' miljoenen


Hoe zit het dan met Molemans’ miljoenen verdwenen bank- en verzekeringstegoeden? Volgens haar geeft een document van de Federal Reserve in New York, gedateerd in juni 1945, antwoord op de verzekeringskwestie. Zij betoogt dat dit document aantoont dat het mogelijk is onderzoek te doen naar individuele gevallen van niet-uitgekeerde verzekeringen, hetgeen door de Commissie van Galen is bestreden. Het document toont volgens Molemans dat in 1938 de zeventien grootste verzekeraars in Nederlands-Indië voor 251,8 miljoen gulden aan levensverzekeringen verkochten. 

Als Molemans meent dat onderzoek naar gedupeerden uitvoerbaar is op basis van dit document, waarom heeft zij dit dan niet gedaan? Het antwoord is eenvoudig. Niemand kan op basis van dit enkele document uitleggen hoe levensverzekeringen ná juni 1945 zijn afgewikkeld. Het geeft slechts een inventarisatie van de stand van zaken in 1938. De Commissie van Galen daarentegen heeft in 2000 wel het antwoord gegeven op de vraag hoe in       de context van de in augustus 1945 uitgebroken Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de soevereiniteitsoverdracht van 1949 levensverzekeringen en banktegoeden zijn afgewikkeld.

Journaliste en auteur Griselda Molemans

Dat Molemans deze onderzoeks-uitkomsten negeert is lichtzinnig. Haar suggestie van het bestaan van niet-opgeëiste miljoenen wekt valse hoop bij vele Indische oorlogsgetroffenen en ook hun nabestaanden over de kansen op vergoeding van materiële en immateriële schade. Dat is in mijn ogen regelrecht kwalijk. Molemans wil derhalve meerdere rekeningen vereffenen, maar het effectbejag in haar epiloog zit dat in de weg. Het principe van hoor en wederhoor is zoek. Collega-historici publiceerden over de   kille opvang van de Indische Nederlanders, over minister van Financiën Lieftinck die in de naoorlogse jaren zijn hand stijf op de knip hield, over de achterstallige salariëring van voormalige KNIL-militairen, de uitgebleven schadevergoedingen, en de strijd voor erkenning van leed en onrecht.

De boekenkast is inmiddels goed gevuld, maar we vinden deze bevindingen en titels niet terug bij Molemans. Onderzoeker Lizzy van Leeuwen poneerde de prikkelende stelling dat “Indische cultuur en identiteit zijn gaan behoren tot de groeiende cluster van mythen, legenden en broodje-aap verhalen”. Molemans doet haar duit onbeschaamd in dat zakje.

Reactie van Griselda op Keppy

Over de felle reactie van Keppy in het NIOD blog, wil ik het volgende zeggen:                                    De reden dat Keppy fors uithaalt naar het boek 'Opgevangen in andijvielucht' is eenvoudig te verklaren: in de epiloog lever ik bewijs voor A). het in veiligheid stellen van de administratie op microfilm en het belegd vermogen van de verzekeringsmaatschappij Nillmij in de kluizen van de Federal Reserve in New York en B). het in bewaring stellen van de geld- en goudvoorraden van De Javasche Bank bij diezelfde Federal Reserve in februari 1942. (De rechtsopvolger van de Nillmij is AEGON)

Keppy en zijn mede-onderzoekers namens het NIOD hebben naar eigen zeggen uitvoerig onderzoek naar de Indische Tegoeden verricht in buitenlandse archieven en hierover een eindrapport gepubliceerd, ook wel het 'rapport Van Galen' genoemd. Staat het bewijs voor deze kapitaalvlucht vanuit Batavia naar New York vermeld in het rapport? Met geen woord.                             Opmerkelijk genoeg komt mijn bewijslast uit de National Archives and Records Administration in College Park, Maryland; nota bene hetzelfde archief waar Keppy cum suis onderzoek heeft gedaan.

Wat nu? Hebben de heren onderzoekers de betreffende 'classified' documenten niet kunnen vinden? Of niet willen publiceren? Hadden ze de waarheid wel gepubliceerd, dan was dit grote bedrog door banken en verzekeraars al lang bekend geweest: het geld- en goudkapitaal is niet door de Japanse bezetter geconfisqueerd, maar in veiligheid gesteld in New York inclusief de administraties op microfilm. Hoeveel geld heeft de Nederlandse overheid ook alweer onder de vlag van Het Gebaar betaald voor dit rapport? Met andere woorden: hoeveel heeft de Nederlandse overheid aan haar eigen instelling betaald om de waarheid toe te dekken? Laat    het NIOD haar naam maar     liever veranderen in NIGOOD: Nederlands Instituut voor Gecensureerd Onderzoek en Oorlogs Documentatie.

10897284261?profile=originalTegoeden

 

Tenslotte het commentaar van de hoofdredacteur van ICM-online, Ferry Schwab over deze kwestie. De 381.000 Indische Nederlanders die tussen 1950 en 1970 Indonesië moesten ontvluchten, hebben nog miljoenen euro's tegoed van de Nederlandse overheid, meldde de Volkskrant op 18 maart jl.

Men veronderstelde dat het om nieuwe feiten zou gaan. In eerste instantie betreft het 341.000 mensen die hierdoor zijn getroffen en niet 381.000. Wat de Volkskrant meldt,  betreffen drie afzonderlijke dossiers die reeds onder aandacht staan van het Ministerie van VWS.  Vorig jaar 19 maart 2013 werd een Indische Petitie met ruim 10.000 handtekeningen na een Stille Tocht aan betreffende Ministerie van VWS overhandigd. Hierbij schitterde met name de Volkskrant door afwezigheid, waar deze Stille Tocht op voet werd gevolgd door andere media o.a. Omroep Max.  

ICM-online hoofdredacteur Ferry Schwab

Het Rapport van Gaalen staat geheel los van de andere die al bekend zijn binnen VWS en verdient daarom ook een andere benadering. Hier liggen de al opgestelde NIOD-Rapporten aan ten grondslag onder andere opgesteld door drs. Keppy en Drs. Meier die de belastingbetaler ruim anderhalf miljoen heeft gekost.  Dit dossier is nu in behandeling  en onder beheer bij de staatssecretaris Martin van Rijn, die binnenkort met het antwoord komt richting voorzitter van het Indisch Platform Silfraire Delhaye. Deze zal dit eerst terugkoppelen naar Dagelijks Bestuur van Het Indisch Platform of de voorgestelde compensaties als redelijk en fair mogen worden beschouwd voor die 69 jaren onrecht. De staatssecretaris is diverse malen gevraagd door het Parlement om met oplossing te komen in deze zaak. Als referentie wat betreft de compensatie ligt er al een kader, namelijk de Joodse Gemeenschap en Roma's. Deze hebben in 2001 wettelijk individueel tussen de 40 en 50 duizend gulden gecompenseerd gekregen. Veel geld voor de Overheid die een dergelijke regeling ook aan de Indische Nederlanders verschuldigd is. De Staatssecretaris zal echt met creatieve oplossingen moeten komen. Want hoe je ook wendt of keert, de Overheid heeft een forse schuld openstaan die al bijna 70 jaren oud is.

Het  dossier "Onderzoeksrapport naar tegoeden particuliere banken en levensverzekering van Nederlanders in Indië 1940 -1958", beter bekend als het Rapport van Gaalen dat in 1998 in opdracht van het Ministerie van VWS werd opgesteld dat door een team van 12 deskundigen,  werd verricht  o.l.v. de Commissie van Gaalen. Dit onderzoek gaat uit naar de verrichtingen en handelswijze van het Bankwezen - en Verzekeringswezen in het voormalige Nederlands-Indië. De essentie was dat alle geldstromen met de assets (goudvoorraden, waardepapieren, en -objecten)  in kaart zijn gebracht. Waar de assets zoals de goudvoorraden, polissen en overige naar toe zijn verhuisd tijdens de periode voor, tijdens en na de oorlog. Welke Banken,    Verzekeringsbedrijven, Handelsmaatschappijen en welke Multinationals hadden in voormalig Nederlands-Indië een vestiging of waren er aantoonbaar zelfstandige ondernemingen. Waar werden de consolidaties gehouden en belast (in Indonesië, Nederland of elders). Zo zijn de Amrobank en Mees & Pierson bekenden die hier uitspringen. In hoeverre heeft de Javaanse Bank een link met de Nederlandse Bank. Niet te vergeten de Handelshuizen die nu wereldwijd zijn vertegenwoordigd maar toen in het bijzonder in het voormalige Nederlands-Indië als groot deel van het volume omzetten, bijvoorbeeld Borsumij Wehry die later o.a. via Holland Systema als een van haar dochters de grote huisleverancier werd van de Banken in Nederland; die o.a. heeft geprobeerd om het selfbanking Concept Dassault binnen het Nederlandse Bank-wezen te introduceren.  Hier was sprake van duidelijke link naar het voormalige Indië en in hoeverre deze nu nog kunnen worden aangesproken voor het Indisch kapitaal. Wie nu naar de AEX gaat ziet nog vele maatschappijen op de lijst staan, gedreven door het Indisch Geld.  Betekent dat deze organisaties nu als nog via de AFM kunnen worden benaderd voor de openstaande claims.

Het rapport geeft conclusies, maar vreemd genoeg geen echte aanbevelingen met alternatieven en oplossingen met de te volgen stappen voor Het Vervolg. Dit zijn vragen die NU aan de opdrachtgever van het rapport kunnen worden gesteld  en aan de opstellers van het rapport. Ja, als journalist heb je een boek kennelijk nodig! Zeker als je materiedeskundige bent, of werkzaam bent geweest in deze sector. Ik weet niet of dit voor de onderzoekers geldt van dit rapport. In ieder geval is hier het laatste woord nog niet over gezegd.

 

______________________        

Lees verder…
10897411473?profile=originalVandaag president verkiezingen in de republiek Indonesie, lijkt of de Nederlandse Media verboden wordt om hier aandacht aan te besteden
Net als die bewuste dag in april 2017 dat ik de president persoonlijk mocht spreken o.a. over Het Verdrag van Wassenaar tussen Nederland en de republiek, Dit verdrag hield in dat de republiek ruim 0,7 miljard betaalde aan Nederland; dit weer om het bedrag verder uit te betalen aan de Nederlandse / Indische burgers die het land uit werden gezet voor het verlies van al hun bezitting. Deze groep die van 1947 - 1962 in de republiek verbleven moeten nog de eerste euro ontvangen. Mijn hoop is dat hij aan blijft dan kan ik op hem een beroep doen dat Nederland de uitvoering/handhaving van dit verdrag niet is nagekomen.
 
Desondanks de Nederlandse omroepen als NPO het bezoek van president Joko Widodo onder de radar bewust hielden, heeft het ICM team een volledige reportage gemaakt. Met dank Lilian Ploumen en Hans de Boer .
Lees verder…

10897413864?profile=originalDj Paul Elstak: ‘Ik heb geen wrok tegen Nederlanders omdat mijn voorouders slaven zijn geweest’ mijn opa heeft nog voor het KNIL gestreden.

Happy hardcore-dj Paul Elstak ( 53 ) ziet zichzelf gewoon als Nederlander. ‘Ik heb me nooit een kleurling gevoeld.’






Paul Elstak. Beeld Casper Kofi

Paul Elstak (53) waarschuwt dat het een ingewikkeld verhaal is. ‘Elstak is een oude slavennaam uit Suriname. Wijntak, Elstak, dat soort namen. Mijn opa was zwart als roet. Vanuit Suriname ging hij naar Indonesië om te strijden voor het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger - red.), tegen de Jappen. Daar leerde hij mijn oma kennen, die was half-Indonesisch en half-Chinees. 

‘Mijn vader werd geboren in Jakarta. Na de onafhankelijkheid verhuisden ze naar Nederland, naar Den Haag. Ze hoorden bij de eerste immigranten. Mijn vader ging in een bandje spelen, hij zat in de Haagse rockscene, met Golden Earring en Shocking Blue. Op tournee in Duitsland ontmoette hij mijn moeder, die weer half Litouws is.’

Wat ben jij?

‘Vroeger ging ik wel naar een clubhuis met Indo’s die er trots op waren om Indo te zijn. Dat had ik niet. Wij woonden tussen de Nederlanders, ik heb me nooit een kleurling gevoeld. Ik werd er niet mee gepest. Sommige mensen krijgen op die manier een afkeer van Nederlanders, ik niet.

‘Ik zie mezelf gewoon als een Nederlander, wanneer ik niet in de spiegel kijk. Soms zien ze me aan voor Turks. In het buitenland denken ze: Israëlisch of Arabisch.’

En wat zijn je ouders?

‘Mijn moeder is heel snel Nederlands geworden. Die was bij het WK voetbal in 1974 al voor Nederland en niet voor Duitsland. Mijn vader werkte hard om zijn hoofd boven water te houden, hij had helemaal geen tijd om met zijn afkomst bezig te zijn. Eigenlijk zijn ze perfect geïntegreerde immigranten. Het gaat ook wel eens goed.’

Zien Indo’s of Nederlandse Surinamers jou als een van hen?

‘Geen idee. Ik heb in ieder geval geen wrok tegen Nederlanders omdat mijn voorouders slaven zijn geweest. Dat vind ik hetzelfde als mensen die nog steeds boos zijn op Duitsers. Niemand is verantwoordelijk voor zijn voorouders, nog niet eens voor wat zijn eigen vader heeft gedaan.

‘Ik hou niet van werkloze types die de slavernij erbij halen als excuus voor dat ze niet werken. Dat vind ik zwak. Get over it. Je moet gewoon zorgen dat je werk hebt, net als iedereen.

‘Surinamers kennen de naam Elstak, Nederlanders weten niet dat het Surinaams is. Die vragen: ben jij dé Elstak, de dj? De achternaam zegt ze niets, zij kennen alleen de Paul die ervoor staat. Het enige dat ik weet: het publiek van de happy hardcore ziet mij niet als een donkere, ze zien me als een van hen.’

Hoe begon je met happy hardcore?

‘Een donker publiek houdt niet zo van het hardere stampwerk, die trekken meer naar r&b en hiphop. Mij trok die harde muziek gelijk. Hoe dat kwam, dat moet je aan Onze-Lieve-Heer vragen.

‘Ik gaf mijn eigen draai aan housemuziek. Ik klooide maar wat aan, regels waren er niet. Later werd daar een label op geplakt. Van gabberhouse ging ik naar happy hardcore. Meer dj’s kwamen terecht in het hardere werk. Ik werd een promotor van die muziek omdat ik een eigen label had en veel uitbracht. De media probeerden gabberhouse zwart te maken, ik sprak me daartegen uit.’

Waren kaalgeschoren gabbers racistisch?

‘Hier wordt altijd naar gevraagd. Het is een overtrokken verhaal, ik heb nooit iets gemerkt van racisme – al betekent dit niet dat het niet bestaat.’

Ben je een echte Rotterdammer?

‘Ik kom natuurlijk uit Den Haag, ik verhuisde naar Rotterdam om in een discotheek te draaien. Een Hagenees ben ik niet, wel een Rotterdammer. Ik heb veel te danken aan deze stad, heb hem ook gepromoot. Mijn label heb ik Rotterdam Records genoemd.

‘In die tijd had Feyenoord als shirtsponsor Stad Rotterdam Verzekeringen. Bij shows in het buitenland droegen fans het Feyenoordshirt met die sponsortekst erop. In Spanje, Duitsland, Australië, overal zag je die shirts. Niet omdat ze voor Feyenoord waren, het ging ze om het woord Rotterdam. Jammer dat Feyenoord van sponsor is veranderd.’

Betekent pro-Rotterdam ook automatisch anti-Amsterdam?

‘Ik ben 53, daar ben ik niet meer mee bezig. Twee weken geleden was ik nog in Amsterdam, mijn dochter woont daar. Maar ik kan er niet meer optreden als dj, zo gaat dat helaas in Nederland. De laatste keer was misschien wel twintig jaar geleden.

‘Een tijdje terug was ik geboekt voor het festival Thunderdome in de Rai, die boeking hebben ze gecanceld. De organisatie kon niet instaan voor mijn veiligheid. Omdat ik toevallig uit Rotterdam kom en voor Feyenoord ben, wilden mensen mij in elkaar slaan. Het rare is: die fanatieke Ajax-aanhang komt niet eens uit Amsterdam, ze wonen in Almere of Purmerend.’

NEDERLANDS

‘Als ik in het buitenland uitleg wat voor muziek ik maak.’

SURINAAMS-INDISCH

‘Nooit.’

ETEN

‘Japans.’

PARTNER

‘Ze komt uit Zeeland en haar moeder is Duits, net als die van mij. Dat zorgde voor een soort klik.’

BLANK OF WIT

‘Blank is het woord waar ik mee ben opgevoed.’

Paul Elstak (Nederland, 1966) brak in 1991 door met de single James Brown Is Still Alive, gevolgd door hits als Rainbow in the Sky en The Promised Land. In 2010 maakte hij Turbo, de titelsong voor de film New Kids Turbo. En in 2017 scoorde hij met rapper Jebroer de hits Kind van de duivel en Engeltje.

Lees verder…

10897412456?profile=original

Als editor / onderzoeker journalist van ICM, Indische Internetkrant ben ik even door de nieuwe website gereisd van het IHC.  Met bizarre zaken desondanks de subsidie van ander half miljoen vraagt nog eens 25 euro aan donatie per persoon.

http://www.indischherinneringscentrum.nl/

Als eerste viel mijn oog op dat er heel wat van ICM Internetkrant is gekopieerd, het heeft nu ook een webshop. Alleen met producten die afkomstig zijn van hun partners, of moet ik zeggen lotgenoten die ook uit die ruif te eten krijgen (jaarlijkse subsidie van ander half miljoen).

Mijn oog viel op dat desondanks de subsidiestromen, het Sophia huis nog steeds is gesloten. 1 van de bestuursleden sprak reeds zijn bezorgdheid uit dat in de hoop eind juni open gaat. Wat opvallend is of was, er werden plannen geopperd met samenwerkingen, maar iedere behoeft nog een nadere concretisering.Allemaal vaag ......  

Wordt vriend wordt een donatie gevraagd van  25 euro voor een jaar, bizar eigenlijk dat naast ontvang subsidie van ander half miljoen.
. 
Opvallend is dat Het Indisch Platform wordt beloond na de Farce deal van de KNIL en ook een kantoor krijgt. Meest bizarre is dat hier wordt gesproken over de verbinding met de Indische Gemeenschap, en tegelijkertijd honderden bezoekers per week worden verwacht.

ICM als Indische Internetkrant waar o.a. de Pasars 1 van de speerpunten is, neemt nooit het woord Indische gemeenschap in de mond waar wel ruim 1 miljoen mensen worden verbonden met de Indische Culturele evenementen dag in dag uit het hele jaar door, want een FARCE!

Lees verder…

10897396076?profile=original

Istimewa nieuwsbrief

 

Programmering  -   Pasar Malam Istimewa XL Rotterdam Ahoy

Datum: 20-21-22 april (Paasweekend) Locatie: Rotterdam Ahoy, Ahoyweg 10, 3084 BA Rotterdam

 

In het Paasweekend, op 20, 21 en 22 april, is de Pasar Malam in Rotterdam welke sinds vorig jaar is uitgebreid naar 2 hallen in Ahoy. In 2017 bleek 1 hal van Ahoy al te klein en werd er een 2e hal bij betrokken. In beide hallen staat een podium waar meer dan 40 optredens plaatsvinden, de markt is inmiddels uitgegroeid tot ruim 120 kramen en 12 restaurants en snackstands met het beste uit de Indische en Indonesische keuken!

 

Openingstijden Zaterdag 20 april: 12:00 – 23:00 uur Zondag 21 april (1e Paasdag): 12:00 – 22:30 uur Maandag 22 april (2e Paasdag): 12:00 – 20:00 uur

 

Toegangsprijzen: Kinderen van 0 t/m 3 jaar  mogen gratis naar de Pasar Malam in Rotterdam.
Online voorverkoop Volwassenen: €7,50 Senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €5,00 3 dagen kaart volwassenen: €15,00 3 dagen kaart senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €10,00

 

KLIK HIER OM JE TOEGANGSKAARTEN ONLINE TE KOPEN!

 

Tickets aan de kassa Volwassenen: €9,50 Senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €7,00 3 dagen kaart volwassenen: €19,00 3 dagen kaart senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €14,00

 

Molukse dag met o.a. de band Remmen Los en een dansgroep van 30 personen                   Zaterdag 20 april staat in het teken van de Molukse eilanden met als één van de hoogtepunten een grandioos concert van één van de meest populaire Molukse bands van dit moment. “Remmen Los”. Daarnaast genieten de bezoekers van optredens van DJ Djoggèt, Gordon Smith, de Molukse ééneiige drieling DJ Triplets en de band Alex Pattipeiluhu & Friends. Heel bijzonder en uniek zullen ook de shows zijn van de zang en dansgroep LimaDiti. Deze groep, bestaande uit maar liefst 30 dansers, danseressen en muzikanten, brengt de show ‘Dari mana? Dari Tanimbar!’. (Waar vandaan? Van Tanimbar!). Tanimbar is een eilandengroep op de Molukken. Iedereen zingt, danst en brengt via tifa de hartslag (het ritme) van de Molukken voort. Eigenlijk zoals het eraan toe gaat in de kampung (dorpje) op Tanimbar.
Programma Hari Maluku Istimewa Istimewa Podium 12:30 – 13:15     Alex Pattipeiluhu & Friends 14:00 – 14:30     LimaDiti Zang en Dansgroep 15:15 – 16:00     Alex Pattipeiluhu & Friends 16:30 – 17:15     Ester Latama 17:45 – 18:30     Alex Pattipeiluhu & Friends 19:00 – 19:30     LimaDiti Zang en Dansgroep 20:15 – 21:15     RemmenLos 22:00 – 23:00     RemmenLos
Senang Podium 12:00 – 12:30     DJ Djoggèt 13:15 – 14:00     DJ Djoggèt 14:30 – 15:15     DJ Djoggèt 16:00 – 16:30     Gordon Smith 17:15 – 17:45     DJ Triplets 18:30 – 19:00     Gordon Smith 19:30 – 20:15     DJ Triplets 21:15 – 22:00     DJ Triplets

10897407686?profile=original

10897408258?profile=original10897408271?profile=original

10897407862?profile=original      10897408476?profile=original10897408684?profile=original

 

Remmen Los DJ Triplets Gordon Smith LimaDiti Leadzanger Alex Pattipeiluhu van de band Alex & Friends DJ Djoggèt

 

Kom je naar de Molukse dag? Klik op onderstaande link, zet jezelf op aanwezig in het Facebook evenement en blijf op de hoogte

 

Facebook Event: Hari Maluku Istimewa - Rotterdam

 

Massada in concert Onder leiding van Johnny Manuhutu werd Massada begin jaren 70 opgericht en aan het einde van dit decennium stonden ze op het podium van Pinkpop met o.a. The Police en Dire Straits. De band scoorde hits als Latin dance, Dansa (don’t quit dancing), en Sajang é. Onlangs brachten ze de CD ‘Baronda’ uit die uitermate goed ontvangen wordt. Op 1e paasdag, 21 april zal Massada een volledig concert geven op de Pasar Malam Istimewa XL in Ahoy. Naast Massada is het genieten van de allround Indo band Relight, de dansgroep Warna Semesta met Yayang Srikandi Haryono en de zangeressen Ester Latama en Diana Monoarfa.


Programma zondag 21 april (1e Paasdag) Istimewa podium 12:30 – 13:15     Relight 13:15 – 13:45     Warna Semesta Dance Collaboration 14:30 – 15:15     Relight 16:00 – 16:30     Warna Semesta Dance Collaboration 17:15 – 18:00     Relight 18:30 – 19:15     Relight 19:45 – 20:15     Warna Semesta Dance Collaboration 21:00 – 22:30     Massada
Senang Podium 12:00 – 12:30     Diana & Ester 13:45 – 14:30     Diana Monoarfa 15:15 – 16:00     Ester Latama 16:30 – 17:15     Diana & Ester 18:00 – 18:30     Diana Monoarfa 19:15 – 19:45     Ester Latama 20:15 – 21:00     Diana & Ester

 10897409058?profile=original

10897409462?profile=original

10897409081?profile=original10897409654?profile=original

Massada (foto: Peter Veerman)
Relight 2017 (foto: GeaFotografie)
Diana Monoarfa & Ester Latama (foto: Ponny San)
Warna Semesta Dance Collaboration
Yayang Srikandi Haryono (foto: GeaFotografie)

 

De top van de Countrymuziek: Trespass ft. Sarah Jory (UK) & Amy Lee Bennett (BE)
Op maandag 22 april (2e paasdag) komt Sarah Jory ‘World’s nr. 1 Female Pedal Steel Guitarist’ uit Engeland over. Ze heeft net een wereldtour met Van Morrison afgesloten en zal in Ahoy optreden samen met de voormalige countryband Trespass. De band Trespass die vanaf 1996 verschillende prijzen won en de de harten van het countrypubliek en de linedancers voor zich wist te winnen, besloot in 2007 ieder zijn eigen weg te gaan. Voor de Pasar Malam in Ahoy komen de heren weer bij elkaar en nemen ook een aantal muziekvrienden mee. Waaronder ook Amy Lee Bennett uit België. Amy Lee Bennett heeft meer dan 10 jaar op rij de Award for the Best Country singer from Belgium gewonnen. Met recht draagt zij de titel Queen of Country Music from Belgium.

10897409677?profile=original

Design: Albert Rumengan

 

Maar dit is niet de enige reünie deze dag, ook de dansgroep Bali Dance Art komt voor het eerst weer bij elkaar op een Pasar Malam. Edi, de leider van deze dansgroep is verhuisd naar zijn thuisland Indonesië, maar komt voor de Pasar Malam Ahoy naar Nederland. Verder zijn er optredens van de 3rd Generation Band, die als primeur op de Pasar Malam staan. Een samenstelling van derde generatie muzikanten die met elkaar eenzelfde achtergrond hebben namelijk de Indische cultuur. De energie en lol spat van het podium. Ook zijn de publiekslievelingen Danny Everett en Edu Schalk van de partij.

Programma maandag 22 april (2e Paasdag)
Istimewa Podium
13:00 – 13:45     3rd Generation Band
14:30 – 15:00     Bali Dance Art
15:30 – 16:15     3rd Generation Band
17:00 – 17:30     Bali Dance Art
18:00 – 18:45     Trespass ft. Sarah Jory (UK) and Amy Lee Bennett (BE)
19:15 – 20:00     Trespass ft. Sarah Jory (UK) and Amy Lee Bennett (BE)

Senang Podium
12:15 – 13:00     Edu Schalk
13:45 – 14:30     Edu Schalk
15:00 – 15:30     Danny Everett
16:15 – 17:00     Edu Schalk
17:30 – 18:00     Danny Everett
18:45 – 19:15     Bali Dance Art

 

10897408878?profile=original

10897409485?profile=original

10897408901?profile=original

10897410498?profile=original

3rd Generation Band
Bali Dance Art
Edu Schalk (foto: GeaFotografie)
Danny Everett

 

 

Kom je naar de Pasar Malam in Rotterdam Ahoy? Klik op onderstaande link, zet jezelf op aanwezig in het Facebook evenement en blijf op de hoogte

 

Facebook Event: Pasar Malam Istimewa XL Rotterdam Ahoy

 

 

 

Uw gastvrouw op de Pasar Malam Istimewa: Sylvia Elders

10897411258?profile=original


Sylvia is een echte kenner van de Indische, Indonesische en Molukse cultuur en zal de bezoekers meenemen op reis naar de Gordel van Smaragd en alles vertellen over deze  bijzondere en mooie cultuur.

Lees verder…
  • Leden van de Harderwijkse sportvereniging Kempo Kuntao Long Fu Moon

    Q.X. L
    Harderwijkse Kempo Kuntao vereniging sleept dertien prijzen binnen op het Open EK Kempo
03-04-2019, 10:24 | Lezersnieuws |

Tien leden van de Harderwijkse Kempo Kuntao sportvereniging hebben afgelopen zaterdag (30 maart) met groot succes deelgenomen aan de Open Europese Kampioenschappen Kempo te Mönchengladbach, Duitsland. Hoewel er een sterk deelnemersveld was, is de club erin geslaagd om maar liefst dertien prijzen binnen te slepen.

De wedstrijd werd georganiseerd door de World Martial Arts Association waarbij deelnemers uit zeven Europese landen meededen. Dat de intensieve voorbereidingen in de afgelopen maanden, onder leiding van hoofdleraar René Kraft van Ermel, zijn vruchten heeft afgeworpen is bewezen met het totaal aantal behaalde prijzen. Zo hebben Eddie Smeink, Deodaat Boer, Manon Arnold, Tomas van Slooten en Yenny Luu de eerste plaats, en Luuk van Asselt de derde plaats weten te bemachtigen in hun divisie binnen de categorie Hardstyle Kata. In de categorie Wapen kata zijn Yenny Luu en Peter Luu in hun eigen divisie eerste en Michel Luu tweede geworden. De eerste en tweede plekken in de categorie Self Defense Techniques gingen naar Roger Fremouw en Jan van Mondfrans. De familie Luu (Yenny, Michel en Peter) pakten tevens met hun Synchroon Kata goud. Ten slotte hebben vijf leden van de vereniging als team de eerste plaats behaald in de categorie Show Forms. Met een totaal aantal van dertien prijzen kan de Harderwijkse sportvereniging met veel trots terugkijken op een succesvolle EK.

Ondanks dat Kempo Kuntao in Harderwijk een relatief kleine school is, hebben ze zich door de jaren heen op de kaart weten te zetten door diverse nationale en internationale prijzen te winnen, demo’s op culturele (sport)evenementen te geven en hun deelname aan Hollands Got Talent 2017.

Meer informatie over Kempo Kuntao is beschikbaar via www.kempo-kuntao.nl

Lees verder…

Verslag met vragen en opmerkingen m.b.t. het Rondetafelgesprek 31 januari 2019

10897406656?profile=originalVerslag met vragen en opmerkingen m.b.t. het Rondetafelgesprek 31 januari 2019

Publicatiedatum: 25 maart 2019, Door: Histori Bersama
Ter kennisgeving gestuurd aan zowel de Nederlandse als de Indonesische regering en pers

Download Pdf: 

INHOUD:
Inleiding
1: Focus van het onderzoek
2: Soevereiniteit en restitutie
3: Apartheid
4. Alternatief schrijversteam synthese
Conclusie

Inleiding

Op donderdag 31 januari 2019 vond een rondetafelgesprek plaats tussen onderzoekers en programmaleiding van “Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950” en de initiatiefnemers en ondertekenaars van de open brief. De critici van het onderzoek werden voor deze gelegenheid ontvangen op het NIOD aan de Herengracht 380 in Amsterdam, in een pand dat door koloniale slavenarbeid bekostigd werd. De oprichter van de Deli-Maaschappij liet dit woonhuis in 1880 bouwen, dat is acht jaar nadat het Nederlands koloniale regime op Sumatra de zogenaamde “koelieordonnantie” instelde.

 Namens de critici namen deel aan het gesprek:

2 Initiatiefnemers van de open brief:Francisca Pattipilohy, Jeffry Pondaag (Stichting K.U.K.B.)

10 van de 137 ondertekenaars:
Armando Ello, Patty Gomes, Arthur Graaff, Perez Jong Loy, Sasha Mahe, Ethan Mark, Rogier Meijerink, Lara Nuberg, Marjolein van Pagee, Michael van Zeijl
2 Indonesische (PhD) studenten: Yance Arizona, Hadi Purnama

Namens het onderzoeksprogramma namen deel aan het gesprek:

3 directeuren:Gert Oostindie (KITLV), Ben Schoenmaker (NIMH), Frank van Vree, (NIOD),

7 onderzoekers:Esther Captain (KITLV), Ireen Hoogenboom (KITLV) Rémy Limpach, (NIMH), Peter Romijn (NIOD), Fridus Steijlen (KITLV) Marjon van der Veen (NIOD), Mariëtte Wolf (NIOD)

1. Focus van het onderzoek

 350 jaar koloniale onderdrukking

Waarom is 350 jaar koloniale uitbuiting niet het vertrekpunt van het onderzoek, zo vroeg Francisca Pattipilohy zich af. Het antwoord van Esther Captain daarop was: we besteden aandacht aan de periode voorafgaand aan 1945 d.m.v. literatuur te gebruiken. Dus eigenlijk: de focus is 1945-1950maar we nemen de koloniale periode in ons achterhoofd mee. Dat is niet voldoende, het gaat erom dat 350 jaar koloniale uitbuiting niet expliciet in de onderzoeksopzet wordt benoemd. In die zin is dit geen antwoord op een van de belangrijkste bezwaren van de open brief: namelijk het niet problematiseren van kolonialisme als hoofdthema van het onderzoek. Aangezien de diverse deelstudies dit kernprobleem helemaal niet (of slechts zijdelings) benoemen is het dus geen geruststelling te weten dat bestaande literatuur wordt geraadpleegd. Het gaat ons om de keuze voor deelstudies en de onderzoeksvragen die het thema kolonialisme niet als kernprobleem noemen. Dáár hadden wij op zijn minst een reactie op verwacht.

NIOD-directeur van Vree zei: “we focussen op 1945-1950 omdat die periode 60 jaar lang ontkend is,” maar ook dat is geen overtuigend argument aangezien ontkenning en collectief vergeten voor de hele koloniale periode geldt.

Wie fysiek geweld in de periode 1945-1950 wil begrijpen, zou 350 jaar kolonialisme als de kern moeten nemen. Zoals Francisca Pattipilohy in haar videoboodschapvan afgelopen 13 september zei: “Het kolonialisme wordt als een gegeven beschouwd. De illegaliteit van de Nederlandse bezetting (het kernprobleem) wordt niet onderzocht.” 

Het is daarbij belangrijk om te benadrukken dat de belangrijkste drijfveer om te koloniseren economisch gewin is. In die zin is geweld slechts een middel om toegang tot waardevolle grondstoffen af te dwingen. Zoals Michael van Zeijl zijn presentatie begon: het Nederlandse credo luidde niet voor niets “Indië verloren, rampspoed geboren.” Van Zeijl’s onthulling dat Indonesië tussen 1950-1956 een groot deel van de 4,5 miljard heeft betaald en daarmee deels voor de kosten van de koloniale oorlog opdraaide, is niet zomaar een interessant nieuwsfeitje voor in een voetnoot. De betalingen van de onderdrukten aan de onderdrukkers illustreren het kernprobleem: De Nederlandse economische afhankelijkheid van de kolonie was de eigenlijke motivatie voor de toepassing van al het geweld, ook na 1945. In de oorspronkelijke onderzoeksopzet wordt het economische aspect van (de)kolonisatie niet als wezenlijk onderdeel benoemd. Pas nadat Van Zeijl dit onderwerp tijdens de bijeenkomst naar voren bracht, beaamde het onderzoeksteam dat de schuldenkwestie inderdaad een belangrijk onderwerp is en dat het toegevoegd zou worden aan het onderzoeksprogramma.

Al met al schept het geen vertrouwen in de competentie van de onderzoekers. Tijdens het rondetafelgesprek waren zij niet in staat om een concreet antwoord te geven op de eenvoudige vraag of Indonesië nu wel of niet betaald had. De Indonesische betalingen aan Nederland zijn geen ingewikkelde kwestie, dat is wat er van gemaakt wordt, o.a. door historici die de belangen van de staat helpen verdedigen. (Zie overheidsrapport uit 2004.) Michael van Zeijl, die geen professioneel historicus is, heeft nu het antwoord op de vraag gevonden. Hij ontdekte daarbij dat het nog veel erger is dan tot nu toe altijd is gedacht: namelijk, dat Indonesië (zonder dit te weten) een deel van de zogenaamde ‘politionele acties’ heeft betaald. De Indonesische regering kwam hier pas in 1956 achter waarna de betalingen werden stopgezet. De Nederlandse bron die Van Zeijl heeft gevonden, legt een verband tussen de nationalisatie van het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië én het te veel betaalde bedrag. Het is tekenend dat Nederlandse historici er al die jaren niet in geslaagd zijn om hier eens en voor altijd helderheid over te verschaffen. Dit is geen kwestie van tegenstrijdige meningen. Indonesië heeft wel óf niet betaald, in dit geval ligt de waarheid niet in het midden. Daarbij komt dat de Nederlandse staat er alle belang bij heeft dat er geen helderheid komt over de Indonesische betalingen uit de jaren vijftig.

De vraag blijft hangen: waarom is kolonialisme niet het overkoepelende thema dat terugkomt in alle sub-projecten en onderzoeksvragen. Meindert van der Kaaij gaat in een deelproject wel de maatschappelijke nasleep in Nederland onderzoeken, waarom is er dan geen apart onderzoeksproject ingericht naar de voorgeschiedenis van kolonialisme?

Tijdens het rondetafelgesprek werd eveneens niet duidelijk wat verstaan wordt onder de term kolonialisme en welke definitie gebruikt wordt. KITLV-directeur Gert Oostindie zei op een gegeven moment dat niemand van hen denkt dat Nederland het recht had om te koloniseren, echter, de notie dat Nederlands-Indië illegaal was komt nergens terug op de website of in de onderzoeksopzet. Volgens Oostindie is het onnodig om dat expliciet te vermelden omdat het zo evident zou zijn. Maar is dat wel zo? Wij stellen dat de Nederlandse samenleving als geheel nauwelijks een idee wat zich al die eeuwen in Azië en elders op de wereld heeft afgespeeld, laat staan dat er een besef leeft dat de basis van de Nederlandse rijkdom gebaseerd is op roof, slavernij en uitbuiting. Nog steeds spreken veel mensen (en ook historici) over de VOC alsof het handel betrof. De onderzoeksvragen en de focus van dit onderzoek gaan uit van de kolonie als gegeven. De onderzoekers praten alsof het enige dat Nederland te verwijten valt het geweld is dat werd gebruikt om te rekoloniseren. Men praat alsof er geen vuiltje aan de lucht zou zijn geweest als Nederland eerder had erkent dat de tijd van koloniseren voorbij was. Dit suggereert alsof het daarvoor wel toegestaan was. Het is dan ook geen oplossing als de onderzoekers naar aanleiding van onze kritiek een disclaimer op de website plaatsen waarin gesteld wordt dat de kolonie niet legitiem was. Het gaat om het algehele vertrekpunt, het benoemen van het kernprobleem. De huidige opzet wekt de indruk alsof de onderzoekers het alleen problematisch vinden dat Nederlandse militairen tussen 1945-1950 oorlogsmisdaden pleegden.

Kortom: ons grootste bezwaar is dat het onderzoeksprogramma nergens formuleert dat de hele koloniale periode een wezenlijk onderdeel van het theoretisch kader uitmaakt. Sterker nog, het is in zijn geheel volstrekt onduidelijk welk theoretisch kader gebruikt wordt. Het ontbreken hiervan is wetenschappelijk niet te verantwoorden. We verwachten dat het onderzoeksprogramma dit alsnog helder en transparant formuleert: Wat is de conceptuele structuur van het onderzoek waaruit de deelstudies vertrekken?

Bersiap als beginpunt

Dat wij 1945 als startpunt problematisch vinden heeft ook te maken met de manier waarop het Indonesische antikoloniale geweld gebruikt wordt om te ‘derailen’ in de trant van ‘waar twee vechten hebben twee schuld.’ Zo wilde de VVD het onderzoek alleen financieren op voorwaarde dat ook het Indonesische geweld belicht zou worden, duidelijk met als doel om de Nederlandse schuldvraag te verlichten. In deze context heeft KITLV-directeur Gert Oostindie het vaak over de ‘founding myth’ van de Republiek: de Bersiap als pijnlijk onderwerp waar de meeste Indonesiërs volgens hem niets over willen weten omdat dit het Indonesische nationale narratief zou ondergraven. Nog los van de vraag hoe Oostindie dit kan weten (aangezien hij zelf geen Indonesisch spreekt of leest) suggereert hij hiermee dat de verhoudingen van onderdrukkers versus onderdrukten vervagen, of zelfs verdwijnen, op het moment antikoloniaal geweld meegenomen wordt als onderwerp van studie. Op9 februari 2017 schreef Van Vree in een brief aan de Tweede Kamer dat het onderzoek naar de Bersiap dient om: “De psychologische gevolgen voor Nederlandse militairen en burgers beter in kaart te brengen en om de vraag te stellen naar de betekenis van de Bersiap als belangrijke factor in de latere oorlogvoering.”

Dit citaat illustreert exact het probleem van het weglaten van 350 jaar koloniale uitbuiting. Van Vree draait de zaken om en stelt hier dat er chronologisch gezien éérst Indonesisch geweld was dat vervolgens een psychologisch effect had op Nederlandse militairen. Op de vraag van mevr. Pattipilohy hoe de onderzoekers het Bersiap-geweld zien in verhouding tot de periode van daarvoor antwoordt Van Vree slechts: “omdat de Bersiap een van die periodes is om te begrijpen wat er is gebeurd.” Opnieuw een heel vaag, onduidelijk antwoord. Want wat denkt hij te kunnen begrijpen van de Bersiap als hij het Indonesisch geweld slechts presenteert als chronologische voorgeschiedenis van Nederlandse oorlogsmisdaden? Op de opmerking van Pattipilohy dat de Bersiap pas ontstond nadat Brits-koloniale troepen waren geland, komt helemaal geen reactie.

Daarnaast spreekt Van Vree over burgers, maar het is onduidelijk welke burgers hij hiermee bedoelt. Doelde hij uitsluitend op mensen met de Europese status of heeft hij het ook over de impact op de oorspronkelijke Indonesische bevolking? En wie zijn zij dan volgens hem? Nederlandse onderdanen of Indonesiërs?

Als het gaat om psychologische gevolgen op mensenlevens is het van belang dat de eeuwenlange repressie, uitbuiting, racisme, seksisme en de verdeel- en heerspolitiek van het Nederlandse koloniale regime op de lokale, oorspronkelijke bevolking in kaart wordt gebracht. Juist in het kader van het Bersiap-onderzoek kan de psychologische impact van 350 jaar koloniale overheersing niet zomaar als bijzaak dienen. Toen President Sukarno in 1945 de onafhankelijk uitriep was het bevorderen van onderlinge saamhorigheid een belangrijk doel van de nieuwe Republiek om de desastreuze impact van de koloniale verdeel- en heers tactiek het hoofd te bieden. De oorspronkelijke bevolkingsgroepen van Indonesië waren door het Nederlandse koloniale regime eeuwenlang tegen elkaar opgezet. Het merendeel van de lokale bevolking leefde gedwongen in een apartheidssysteem waarbij zij op grond van ras en klasse onderaan de racistische ladder waren ingedeeld. Als dit aspect niet expliciet bestudeerd en geanalyseerd wordt, zal het Nederlandse onderzoeksteam de Bersiap nooit kunnen begrijpen. Zeker niet als projectleider en NIOD-directeur van Vree het omdraait en schrijft dat het onderzoek naar de Bersiap met name dient om de psychologische effecten op Nederlandse militairen en (Europese?) burgers te onderzoeken.

Is het onderzoeksteam op de hoogte van de officiële verklaring uit 1945 waarin de Indonesische regering stelde dat zij geen enkele vijandigheid koesterden ten aanzien van Indo-Europeanen, Molukkers of Menadonezen, omdat zij net zo goed tot de Indonesische bevolking behoorden? Dit staat in schril contrast met de continuïteit van verdeel- en heers die Nederland ook na 1945 bleef toepassen. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog voerde Van Mook een actieve federalisatiepolitiek waarbij gebieden buiten Java onafhankelijkheid werd beloofd onder Nederlands gezag. Het moet duidelijk zijn dat Nederland alles in werking stelde om de eenheid van de Republiek te breken. Volgens Esther Captain is de Bersiap voor mensen met Indo-Europese afkomst een belangrijke focus. Maar is het Bersiap programmaonderdeel dan speciaal ontworpen om deze groep te faciliteren? Afgaand op de samenstelling van de Klankbordgroep lijkt dit wel het geval, aangezien deze nu alleen bestaat uit Indische- en veteranenorganisaties.

Het is ons eveneens niet duidelijk met welke reden Esther Captain het geweld tijdens de Japanse bezetting vergeleek met het Indonesische Bersiap-geweld dat volgens haar veel erger was. Waartoe dient deze vergelijking? Dat gewelduitbarstingen gruwelijk en onwenselijk zijn is evident, waar het om gaat is het traceren van de oorzaak.

Vanuit onze optiek draagt Nederland als koloniale bezetter hoe dan ook 100% verantwoordelijkheid voor het conflict, inclusief de Bersiap. De Bersiap-slachtoffers zijn net zo goed slachtoffers van het Nederlands kolonialisme. (Nog los van de vraag wie deze mensen zijn, Indonesiërs of Nederlandse onderdanen, aangezien de Nederlandse staat 17 augustus tot op heden niet erkent.) Wij stellen dat als antikoloniaal geweld onderzocht wordt het in de verklaring dient te gaan over minstens drie factoren:

1.) De invloed van de periode vóór 1945: 350 jaar koloniale uitbuiting en racisme, op basis van illegale aanwezigheid.

2.) De invloed van de ontwikkelingen die tijdens 1945 plaatshadden: de Nederlandse weigering om de proclamatie serieus te nemen, het feit dat het Bersiap-geweld pas losbarstte nadat duidelijk werd dat Nederland de Republiek niet erkende en nadat Brits-koloniale troepen geland waren. Ook dient rekening gehouden te worden met het gegeven dat de geweldspiraal niet eenzijdig was: bij het Britse bombardement op Surabaya op 10 november 1945 kwamen bijvoorbeeld tienduizenden Indonesische burgers om het leven.

3.) Tot slot ging de Bersiap niet alleen over wraakgevoelens, het ging ook over de realistische angst dat Nederland als kolonisator terug zou keren. Deze angst is gegrond gebleken. Dit betekent dat een studie die antikoloniaal geweld wil verklaren ook de factor ‘realistische dreiging’ mee moet nemen als reden voor geweldpleging. Nederland bleef de Indonesische soevereiniteit immers tot 1949 schenden.

2. Soevereiniteit en restitutie

 Juridische erkenning 1945

Tijdens het rondetafelgesprek geven zowel Rémy Limpach als Peter Romijn aan dat ze 1945 als belangrijk ‘historisch feit’ zien. Maar daar gaat de discussie niet over, dit zegt de staat namelijk ook. Het is vanzelfsprekend een historisch feit dat Sukarno op 17 augustus de onafhankelijkheid uitriep. Dat kan niemand ontkennen. Het gaat ons specifiek om de weigering van de Nederlandse staat om 1945 juridisch te erkennen en de taak van historici om uit te leggen dat de wet uit 1949, ook ná de spijtbetuiging van Ben Bot in 2005, ongewijzigd is gebleven. In de rechtszaken die stichting K.U.K.B. namens Indonesische slachtoffers inbrengt spreekt de rechtbank in Den Haag namelijk ook over “Nederlandse onderdanen.” Kortom: een mondelinge erkenning van 1945 als historisch feit is oppervlakkig en negeert de realiteit, zoals Rogier Meijerink dit tijdens het rondetafelgesprek uitlegde. Zolang Nederlandse historici niet schrijven dat hun overheid nog steeds aan 1949 vasthoudt, kunnen zij niet zomaar uit politiek-correcte overwegingen de term ‘Indonesië’ gebruiken voor de periode 1945-1949. Als zij dat wel doen is het wat ons betreft geschiedvervalsing, een camouflage van de werkelijkheid. Indien de onderzoekers 17 augustus 1945 juridisch erkennen dan is het correct dat ze de term Indonesiërs bezigen. De consequentie hiervan is echter wel dat de komst van het Britse en later Nederlandse leger in Indonesië beschouwd moet worden als een aanval op een soevereine staat en dat is een oorlogsmisdaad. De juridische consequenties hiervan moeten dan bestudeerd worden.

Wat ons opvalt is dat de onderzoekers zich distantiëren van legale en/of politieke gevolgen van hun werk als geschiedschrijvers. Dat is een onhoudbaar standpunt. Het onderwerp en de resultaten van dit onderzoek zijn politiek en zullen als zodanig gebruikt worden. Nu al gebruikt de overheid het onderzoeksprogramma in haar correspondentie met K.U.K.B. om vragen te ontwijken. De staat wil graag de indruk wekken dat met de financiering van het onderzoek al voldoende verantwoordelijkheid wordt genomen en dat het pas na vier jaar duidelijk zal zijn wat ze met deze geschiedenis aan moeten. Onderwijl diverse claims afwijzend.

De onderzoekers erkennen de invloed van politieke belangen wel als het gaat om de Excessennota uit 1969, maar nu zij zelf uitvoerders zijn van een door de overheid gefinancierde studie doen ze ‘gewoon hun werk’ en hebben ze niks met de politiek te maken. Als reactie op de inbreng van Arthur Graaff zegt Oostindie letterlijk: “Wij gaan niet over Nederlandse rechtspraak.” Maar is dat wel zo? Als Nederlandse historici bij monde de datum van 17 augustus 1945 erkennen dan betekent dit dat zij vinden dat Nederland een autonoom land heeft aangevallen. Aan hen de taak om vervolgens toe te lichten dat zij hierin van mening verschillen met de Nederlandse staat en de rechtbank, aangezien laatstgenoemden wel uitgaan van ‘onderdanen’ die tot 1949 onder Nederlands gezag stonden. Door deze kwestie diffuus te houden en de discussie over juridische erkenning te negeren, faciliteren de onderzoekers in feite de staat die er alle belang bij heeft dat Ben Bot’s aanwezigheid bij de onafhankelijkheidsviering in 2005 gezien wordt als het einde van een discussie. Limpach en Romijn kunnen de proclamatie van 1945 dan wel als een belangrijk historisch feit zien, het blijft nog steeds onduidelijk vanuit welk perspectief zij de koloniale oorlog gaan beschrijven: was het een aanval van een buitenlandse mogendheid op een soevereine staat of was het een aanval van een koloniaal regime op mensen die Nederland als eigen onderdanen beschouwden? Bovendien had Nederland als koloniale bezetter al in maart 1942 gecapituleerd. Vanuit Indonesisch perspectief maakte de Japanse bezetting een einde aan de Nederlandse overheersing. Wij verwachten alsnog een helder antwoord op deze vraag.

Restituties

Tijdens het rondetafelgesprek toonde Jeffry Pondaag documenten van de rechtszaken waarin het NIMH twaalf keer wordt genoemd. Desgevraagd ontkende NIMH-directeur Ben Schoenmaker niet dat zijn instituut de Nederlandse overheid ondersteunt in de rechtszaken. Echter, hij ontkende wel dat zijn instituut in die zin de daders vertegenwoordigt, ook al valt het NIMH direct onder het Ministerie van Defensie. Schoenmaker claimde desalniettemin onafhankelijk te zijn. Zoals bekend worden de rechtszaken gevoerd door Indonesische nabestaanden van slachtoffers van Nederlandse gewelddadigheden die nu onderzocht worden. Waarbij het NIMH de staat assisteert in de historische verificatie van de claims. Overigens beperken zij zich door slechts de Nederlandse archieven te raadplegen, het NIMH doet geen onderzoek ter plaatse in Indonesië. Zie bijvoorbeeld de zaak van de onthoofding van de Indonesische verzetsleider Andi Abubakar Lambogo die nu speelt.

De kwestie van de dubbele rol van het NIMH sluit aan op de vraag die Hadi Purnama stelde maar die door Peter Romijn onjuist werd geïnterpreteerd. In het verlengde van wat Pondaag zei over de gevolgen van het niet erkennen van 1945, bracht Hadi Purnama in dat het internationaal recht om te beginnen nogal koloniaal georiënteerd is. Hij stelde dat de uitkomst van het onderzoek hoe dan ook juridische consequentie zal hebben als het gaat om compensaties. Zelfs als de onderzoekers 1949 aanhouden dan betekent dit dat Indonesiërs via een Nederlandse rechtbank hun gelijk kunnen halen. Peter Romijn daarentegen, dacht dat Purnama uitsluitend sprak over een veranderende wereldorde waar Nederland destijds geen oog voor had. Romijn gaf aan graag een keer met Hadi Purnama verder te praten. Onze vraag is of de onderzoekers in lijn van deze discussie zouden willen reageren op het onderwerp waar Purnama het werkelijk om ging: de mogelijkheid tot restituties en de betekenis van het onderzoek om daarin te faciliteren. NIMH-directeur Schoenmaker stelde immers dat zij niet per se de staat vertegenwoordigen maar dat zij als wetenschappers een onafhankelijke positie innemen.

Deze vraag sluit ook aan op het voorstel van Annemarie Toebosch die de onderzoekers in haar videoboodschap opriep om samen met Jeffry Pondaag en advocate Liesbeth Zegveld te gaan zitten en alle belangrijke documentatie rond de rechtszaken tegen de Nederlandse staat in het onderzoek te betrekken. De schriftelijke reactie daarop was: “Onze onderzoekers raadplegen alle mogelijke relevante archieven, inclusief deze rechtszaken en – nog belangrijker – de onderliggende documentatie. We zijn dan ook blij dat de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden ons heeft toegezegd dat wij deze documenten mogen inzien.”

Dat K.U.K.B. bij deze het archief aan getuigenissen zou openstellen aan de onderzoekers is een misverstand. Toebosch riep op om met Pondaag en Zegveld te gaan zitten. Dat betekent communicatie, een gesprek. Daarvoor is vertrouwen nodig. Aangezien de open brief duidelijk maakt hoe weinig vertrouwen Pondaag heeft in de huidige onderzoeksopzet, is het vanzelfsprekend dat hij zijn archief niet zomaar gaat openstellen zolang er niets gedaan wordt met zijn serieuze bezwaren.

Dit is niet de eerste keer dat er een misverstand ontstaat over het archief van Jeffry Pondaag. De onderzoekers verwarren ‘samenwerking’ met het tonen van belangstelling voor zijn archief. Eerder in mei 2017 (dus nog voordat het project officieel van start ging) bracht Fridus Steijlen een bezoek aan Jeffry Pondaag thuis waarbij hij eveneens interesse toonde voor zijn archief. Steijlen schreef later in een post op de website van het onderzoeksproject: “dan had ik kunnen vertellen dat wij, de coördinatoren van het Getuigenproject, al in mei 2017, contact hadden opgenomen met de voorzitter van de K.U.K.B. om samen te werken.” Blijkbaar verstond hij onder samenwerking dat Pondaag zijn archief beschikbaar stelde aan een onderzoek dat hij bij voorbaat niet vertrouwde. Terwijl het woord ‘samenwerking’ volgens Pondaag nooit is gevallen.

Apartheid

‘Kleur-ontkennend’ racisme

We gaan ervan uit dat instituten, die zich gespecialiseerd hebben in kolonialisme en genocide studies, wetenschappelijk onderzoek verrichten naar ras en racisme. We verwachten ook dat de academici die daar werkzaam zijn een helder beeld hebben van de verschillende vormen van racisme, toen en nu. Het is voor ons om die reden onacceptabel dat het racisme (dat aan kolonialisme ten grondslag ligt) geen centrale plaats heeft als deelstudie of onderzoeksvraag. Wij stelden dit al in punt 9 van de bijlage van de open brief, waarop wij nog geen reactie hebben ontvangen.

Met betrekking tot het Nederlandse geweld in de periode 1945-1949 zegt Van Vree geïnteresseerd te zijn in de epistemologie van ontkenning. Wij zien een andere vorm van ontkenning als het gaat om racisme. Tijdens het gesprek kwam naar voren dat de betrokken onderzoekers zich totaal niet bewust zijn van hun eigen raciaal-sociale constructie. Van Vree en de andere onderzoekers toonden in ieder geval geen oog te hebben voor racistische situaties. Wij noemen dit fenomeen ‘kleur-ontkenning’ (vaak aangeduid met de validistische term ‘kleurenblindheid.’) Hieronder een aantal voorbeelden van het kleur-ontkennend racisme dat wij hebben ervaren en waarvan wij op 31 januari getuige waren.

Allereerst het gebrek aan bewustzijn (of het niet benoemen van) de expliciet koloniale plek waarin het NIOD huist. Ondanks de aanwezige kennis over de achtergrond van het pand werd op voorhand geen rekening gehouden dat de locatie mogelijk gevoelig zou kunnen liggen bij de ondertekenaars van de open brief. Pas nadat een niet-wit persoon hierover begon werd een opmerking geplaatst in de trant van ‘interessante discussie’. Echter, de geschiedenis van het NIOD-gebouw is niet zomaar ‘interessant’ voor de aanwezige niet-witte mensen: het is pijnlijk. Dit is kleur-ontkennend racisme.

Ten tweede was er de opmerking van Fia Hamid-Walker, een bruine vrouw, over de psychologische nasleep van koloniaal racisme in haar leven, door de onderzoekers volledig genegeerd. Vervolgens werd haar opmerking over het mogelijke machtsverschil tussen het Indonesische en Nederlandse onderzoeksteam van tafel geveegd. Zowel het nagenoeg negeren van haar bijdrage als het moreel veroordelen van haar standpunt, zijn voorbeelden van kleur-ontkennend racisme. Zij die opgeleid zijn in racisme begrijpen het onverbloemde racisme achter de reactie “wij zien geen kleur”, of “kleur is niet relevant”, of “van ras-dynamiek en ongelijkheid is geen sprake”.

Ten derde de opmerking van Mariëtte Wolf dat Pondaag’s organisatie K.U.K.B. niet bij de klankbordgroep hoort omdat deze alleen voor Nederlandse ‘umbrella-organisaties’ bedoeld is. Op zichzelf is deze opmerking al problematisch genoeg voor een studie die zegt een inclusieve werkwijze te hanteren. Het buitensluiten van een invloedrijke Indonesiër als
Jeffry Pondaag valt op geen enkele manier te rijmen met de bewering dat Indonesische perspectieven betrokken worden. Feit is en blijft dat een in Nederland gevestigde organisatie die als een van de weinigen Indonesische slachtoffers vertegenwoordigt, niet is uitgenodigd voor de Klankbordgroep. Dit is niet meer terug te draaien of te vergoelijken. Diverse onderzoekers kunnen dan wel in opiniestukken oproepen om naar ‘de Indonesiërs’ te luisteren, de programmaleiding kan dan wel zeggen dat zij de Indonesische historici als gelijkwaardige partners zien, het is allemaal betekenisloos zolang niemand inziet hoe racistisch het is dat Jeffry Pondaag vanaf het allereerste moment genegeerd werd. Het niet aanvoelen wat het buitensluiten van Pondaag betekent, is eveneens een voorbeeld van kleur-ontkennend racisme. Het betrekken van een aantal Indonesische onderzoekers in deelstudies (die zich niet openlijk kritisch opstellen) kan nooit als excuus dienen voor het buitensluiten van een kritische Indonesische stem als Pondaag. Nog los van het feit dat ook mevr. Pattipilohy steeds genegeerd wordt en in de correspondentie niet aangesproken wordt als mede-initiatiefnemer van de open brief. Dat Pondaag bij de tweede publieke bijeenkomst, na een lange, moeizame mailwisseling, wél tienminuten spreektijd kreeg kan al helemaal niet als excuus dienen voor het feit dat hij allereerst werd buitengesloten.

Ten slotte is het tekenend dat het de onderzoekers blijkbaar niet is opgevallen dat de belangrijkste critici die aan tafel zaten niet-witte mensen zijn, in tegenstelling tot hunzelf. Mevr. Pattipilohy was nota bene aanwezig als de enige Indonesische ooggetuige van het tijdperk dat wordt onderzocht. Gezien de scheve verhoudingen voor wat betreft representatie zou het ondenkbaar moeten zijn dat de schriftelijke beantwoording zich vooral richt op een video van 7 minuten van een witte academicus. Ook dit is een voorbeeld van het niet begrijpen, of niet aanvoelen, van kleur-ontkennend racisme. De uitgebreide aandacht voor de kritiek ingebracht door een wit persoon staat in schril contrast met de zeer korte schriftelijke reactie op de harde eisen die Michael van Zeijl (De Grauwe Eeuw) tijdens het gesprek deed. (Overigens heeft De Grauwe Eeuw naar aanleiding hiervan zelf een antwoord gestuurd.) 

De onderzoekers stellen slechts dat Van Zeijl inderdaad belangrijke vragen inbracht “waarvan het merendeel in het onderzoek aan de orde komt.” Hiermee werden zijn concrete eisen niet alleen gereduceerd tot suggesties, het is ook nog eens onjuist. Het onderwerp dat hij aankaart komt namelijk op geen enkele manier terug in de onderzoeksopzet en vragen. In elk geval is het op deze manier afserveren van zijn inbreng als niet-wit persoon (in tegenstelling tot de uitgebreide beantwoording van de vragen van een wit persoon) een voorbeeld van kleur-ontkennend racisme. Hetzelfde geldt voor het negeren van de videoboodschap van Fia Hamid-Walker, als wel het onjuist interpreteren van de vragen van Hadi Purnama. Wij gaan ervan uit dat alle vragen ingebracht door niet-witte personen alsnog een gelijke behandeling krijgen qua beantwoording.

Seksisme

Het is ons opgevallen dat het aspect gender niet benoemd wordt in de onderzoeksopzet. (KNIL-) militairen waren dan wel mannen maar dat betekent natuurlijk niet dat vrouwen geen rol speelden als het gaat om oorlog en geweld. Racisme en seksisme zijn nauw verwant. Verkrachting is een geweldsvorm tegen vrouwen die regelmatig voorkomt in militaire acties. Verder komen aspecten als ‘troostmeisjes’ en ‘nyai’s’ veelvuldig voor in de koloniale samenleving. Ook hebben Indonesische vrouwen een belangrijke rol gespeeld in de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Als gezegd wordt dat het onderzoek inclusief is en ook het Indonesisch perspectief meeneemt, is het belangrijk om het lot en de rol van vrouwen expliciet te benoemen.

Helaas moeten wij op basis van bovengenoemde voorbeelden concluderen dat wij geen enkel vertrouwen hebben in de kennis en vaardigheid van dit onderzoeksteam als het gaat om ras, racisme en het daar aan verwante seksisme. 

Indonesisch onderzoeksteam

Fia Hamid-Walker wees in haar videoboodschap op de continuïteit in koloniale verhoudingen en vroeg aandacht voor het feit dat Indonesiërs als gevolg van die lange kolonisatie nog steeds geneigd zijn tegen witte mensen op te kijken en met ze mee te praten. Ze noemde de betrokken Indonesische onderzoekers “de bruine gezichten met witte maskers,” verwijzend naar Frantz Fanon. Het was schrijnend om te zien dat Van Vree als witte man niet in staat was om enige vorm van zelfreflectie toe te passen, hij wist slechts te oordelen dat haar opmerking denigrerend was naar de Indonesische onderzoekers toe. Dit geeft aan dat Van Vree het probleem dat zij aankaartte óf niet begrijpt óf niet serieus neemt. Zijn reactie illustreert in feite hoe ‘verdeel en heers’ doorwerkt, of hij zich daar nu bewust van is of niet. Als witte man presenteert hij zich als het neutrale midden die in zijn oordeel meer waarde hecht aan mensen van kleur die aan zijn project verbonden zijn dan aan dezelfde mensen van kleur die de durf hebben om tegen de dominant witte visie in te gaan. Hij vergeet dat hij met een budget van 4,1 miljoen euro in een machtspositie zit. Met zijn reactie gebruikt hij de tweespalt onder Indonesiërs om daarmee het onderzoeksproject te rechtvaardigen.

Daarbij komt dat geen enkele Indonesiër aanwezig was tijdens de kick-off van het onderzoek. Zelfs een deel van het aanwezige publiek liet merken het vreemd te vinden dat Jeffry Pondaag met zijn voortrekkersrol niet een van de sprekers was. Indonesiërs konden door de taalbarrière bij voorbaat al niet deelnemen aan de discussie aangezien de voertaal Nederlands was. Waarom wordt deze realiteit ontkent tijdens het rondetafelgesprek? Zo zei Oostindie dat het hem anderhalf jaar had gekost om ons aan tafel te krijgen. Hiermee draait hij de zaken om. Hij koos ervoor om Pondaag destijds te negeren. Het is een onomkeerbaar feit dat de onderzoeksopzet zonder Indonesische inbreng tot stand is gekomen, de Indonesische onderzoekers zijn pas in een later stadium benaderd en zijn momenteel slechts verbonden aan deelstudies. Toen wij een maand later de open brief presenteerden vond Oostindie dat onze bezwaren “te bizar voor woorden” waren. Hij heeft nadien nooit de moeite genomen om in gesprek te gaan. De enige reden dat wij op 31 januari aan tafel zaten was de lange, moeizame e-mailwisseling tussen Jeffry Pondaag en Fridus Steijlen. (Pas na commentaar van Pondaag dat Fridus Steijlen geen projectleider is, nam Van Vree contact op waarna projectcoördinator Mariëtte Wolf de communicatie overnam.)

Daarnaast bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de precieze aard van het samenwerkingsverband tussen de Nederlandse en Indonesische onderzoekers. Tijdens de kick-off werd de indruk gewekt dat het contact en de samenwerking met het Indonesische team heel nauw is. Verschillende keren reisde een delegatie Nederlandse onderzoekers, waaronder ook Oostindie, naar Yogyakarta af om overleg te plegen. Echter, later werd duidelijk dat de Indonesische professor Bambang Purwanto in werkelijkheid een eigen, apart team had geëist. Dit is erg verwarrend, want betreft het nu een nauwe samenwerking of twee volledig aparte studies? Er zit hoe dan ook iets tegenstrijdigs in de manier waarop de samenwerking wordt gepresenteerd, enerzijds wordt gesteld dat het Indonesische team volledig onafhankelijk is, terwijl anderzijds gesproken wordt over een uitwisseling en het voornemen om een gezamenlijke artikelenbundel te publiceren. Ireen Hoogenboom kondigde tijdens het rondetafelgesprek aan dat de Indonesische onderzoekers binnenkort met een eigen website zullen komen, maar de schriftelijke reactie op de vraag van Lara Nuberg leest:

“Door gezamenlijk workshops te organiseren kunnen de projectteams elkaar informeren, hun bronnen, perspectieven en ideeën uitwisselen en discussiëren over het gebruik van deze bronnen, de historiografie en de terminologie. De projectgroep Regionale studies en het Indonesische project zullen een gezamenlijke artikelenbundel publiceren.”

Is het nu een samenwerking of niet? Wij willen graag weten hoe de resultaten van de Indonesische historici met de Nederlandse resultaten vergeleken zullen worden, aangezien hun perspectieven verschillend kunnen zijn.

Hebben de betrokken Nederlandse onderzoekers enig idee waaromBambang Purwanto zo graag een apart, onafhankelijk team wenste? Is het mogelijk dat hij zich niet helemaal kon vinden in de Nederlandse onderzoeksvragen? En als dat zo is, op welke punten verschilt hij van mening? Wat vindt hij wel of niet relevant om te onderzoeken? En wat zegt dit over het eurocentrische vertrekpunt van het onderzoek? Het geeft toch te denken dat beide Indonesische projectleiders er niet bij waren tijdens de kick-off van het onderzoek. Het is belangrijk om de aarzeling aan de kant van de Indonesische onderzoekers te duiden. Waar komt dit vandaan, wat zit erachter?

Tijdens het rondetafelgesprek vroeg Jeffry Pondaag hoeveel geld het Indonesische team van Nederland ontvangt. In de schriftelijke beantwoording staat slechts dat 4 gepromoveerde onderzoekers voor drie jaar naar Indonesische standaarden zullen worden betaald. Hoeveel euro is dat precies? Aangezien het om belastinggeld gaat is het belangrijk dat hierover helderheid bestaat. Nogmaals verzoeken we om de namen van de Indonesische historici en de universiteiten waaraan zij verbonden zijn, kenbaar te maken, alsmede het budget dat hen ter beschikking is gesteld.

Betrekken Indonesisch perspectief

Van Vree zegt dat hij het helemaal met Michael Van Zeijl eens is dat het Indonesische perspectief aandacht verdient en dat het al die tijd ondergesneeuwd is geweest. Als bewijs dat de onderzoekers dit heel belangrijk vinden verwijst hij naar de deelstudie ‘Regionale Studies.’ Wat ons opvalt is dat het argument ‘we moeten naar de Indonesiërs luisteren’ steeds terugkomt in opiniestukken van betrokken onderzoekers zoals Anne-Lot Hoek, Martijn Eijckhoff en Remco Raben. Het probleem is echter dat uit de onderzoeksopzet blijkt dat niet naar Indonesiërs geluisterd wordt. Het perspectief van de onderdrukten is niet leidend. Als er al over slachtoffers gesproken wordt dan gaat het steeds over Nederlands(-Indische) slachtoffers, terwijl de Indonesische slachtoffers slechts ‘getuigen’ worden genoemd. (Zie ook radio 1 interview Een Vandaag, gesprek met Fridus Steijlen en advocate Liesbeth Zegveld.) Nog los van het feit dat de omgang met kritische Indonesische stemmen als die van Pondaag en Pattipilohy erop duidt dat men niet openstaat voor een Indonesische visie in het geval deze lijnrecht tegenover de Nederlandse visie staat.

Het is onduidelijk wat de drie instituten met ‘het Indonesisch perspectief’ willen gaan doen. Wij stellen dat het slachtoffer-perspectief niet naast het perspectief van de dader kan bestaan alsof ze allebei evenveel recht van spreken hebben. Of zoals Esther Captain stelde dat de rollen wisselend en diffuus zijn, soms slachtoffer, soms dader.Het Nederlands koloniaal perspectief zal moeten wijken. Het Indonesisch perspectief als interessante aanvulling is onmogelijk. In de schriftelijke reactie op de vragen van Annemarie Toebosch valt te lezen dat het onderzoeksprogramma ontkent dat zij aan ‘nivelleren’ doen. De onderzoekers vinden dus niet dat hun streven naar ‘meerstemmigheid’ en ‘multi-perspectiviteit’ de indruk wekt dat zij alle perspectieven naast elkaar willen laten bestaan. In het punt over de Bersiap hebben wij al toegelicht op welke manier er volgens ons wel degelijk genivelleerd wordt. Het simpelweg ontkennen hiervan is geen overtuigend antwoord op de vraag welke waarde wordt gehecht aan de perspectieven van de onderdrukten. Esther Captain zei dat het allemaal niet zo zwart-wit ligt. Dit is een dooddoener. Nuanceren is een typisch koloniaal reflex. Er is namelijk altijd een overkoepelend narratief waarin dader/slachtoffer verhoudingen helder te benoemen zijn.

4. Alternatief schrijversteam synthese

Wij eisen dat Gert Oostindie vervangen wordt, wij achten hem ongeschikt om de synthese te schrijven. De redenen hiervoor zijn al uitgebreid behandeld in punt 3 van de bijlage van de open brief. Hieronder kort samengevat nog eens de meeste belangrijke redenen:

  • Hij erkent de problematische opzet van het onderzoek niet, hij doet de bezwaren van de open brief slechts af als ‘te bizar voor woorden’;
  • Hij spreekt geen Indonesisch;
  • Hij is geen Indonesië-kenner;
  • Hij ziet de koloniale geweldstraditie niet als iets dat bij Nederland hoort. In zijn boek ‘Soldaat in Indonesië’ schrijft hij dat Nederland geen sterke militaire cultuur kent en betoogt dat zijn land zich vanaf begin 20e eeuw als neutrale mogendheid profileerde;
  • Hij doet (publiekelijk) onverantwoorde uitspraken zoals: ‘ik ben het onderwerp zomaar ingerold,’ ‘er zijn slechte maar ook goede kanten aan kolonialisme,’ ‘Nederlandse oorlogsmisdaden moeten worden begrepen in de context van toen: bescherming van de bevolking, herstel van orde en vrede’ ‘historici mogen niet moraliseren’, ‘gelukkig kent Nederland geen ontwikkelde traditie van postkoloniale-studies’.
  • Hij heeft een verouderde, positivistische blik op geschiedschrijving en ontkent zijn eigen subjectiviteit;

Kortom: wij vinden dat iemand die niet begrijpt hoe racisme werkt, die kolonialisme en slavernij nivelleert en die niet weet wat voor verantwoordelijkheden zijn privileges met zich meebrengen, ongeschikt is om de samenvatting van een onderzoek over koloniaal geweld te schrijven. We stellen voor dat een onafhankelijk onderzoeksteam de synthese schrijft, bestaande uit Nederlandse maar vooral Indonesische onderzoekers die vanuit een dekoloniaal perspectief te werk gaan. We denken hierbij aan onderzoekers als Rushdy Hoesein, Fia Hamid-Walker, Ady Setyawan, Yongky Gigih Prasisko, Jan Breman, Ewald van Vugt, Sandew Hira. De exacte samenstelling van het schrijversteam staat nog niet vast, maar het moet duidelijk zijn dat degenen die de synthese schrijven niet deelnemen aan het onderzoek.

Conclusie

Tot slot de vraag wat er gedaan wordt met onze bezwaren. De open brief werd al in november 2017 verstuurd maar anderhalf jaar later vormt kolonialisme nog steeds geen overkoepelend thema in de opzet. Daarnaast zijn diverse punten uit de open brief nooit beantwoord, ook niet tijdens het rondetafelgesprek. Denk aan punt 10 van de bijlage over vergelijkend onderzoek, punt 12 over de wet van 1971, punt 13 dat gaat over Indonesië-weigeraars. En niet te vergeten onze serieuze bezwaren tegen de betrokkenheid van oud-generaal de Kruif als ‘expert’ in de wetenschappelijke adviescommissie. Wij zouden graag zien dat de opzet ook daadwerkelijk aangepast wordt. Daarom verwachten wij een duidelijk antwoord op de vraag: wordt onze kritiek ter harte genomen en krijgt 350 jaar koloniale uitbuiting vanaf nu wel een prominente plek in het onderzoek?

Lees verder…

website-banner-ahoy

 

 

 


Bekijk hier de flyer!

Locatie
Rotterdam Ahoy
Hal 3 & Hal 5

Adres
Ahoyweg 10, 3084 BA Rotterdam

Datum
20 t/m 22 april (Paasweekend)

Openingstijden
Zaterdag 20 april: 12:00 – 23:00 uur
Zondag 21 april (1e Paasdag): 12:00 – 22:30 uur
Maandag 22 april (2e Paasdag): 12:00 – 20:00 uur

Toegangsprijzen
Online voorverkoop

website-banner-ahoy

 
Volwassenen: €7,50
Senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €5,00
3 dagen kaart volwassenen: €15,00
3 dagen kaart senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €10,00

Tickets aan de kassa
Volwassenen: €9,50
Senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €7,00
3 dagen kaart volwassenen: €19,00
3 dagen kaart senioren 65+ & kinderen 4 t/m 12 jaar: €14,00

Programma

Zaterdag 20 april (12:00 – 23:00)

Hari Maluku

Istimewa Podium

12:30 – 13:15     Alex Pattipeiluhu & Friends

14:00 – 14:30     LimaDiti Zang en Dansgroep

15:15 – 16:00     Alex Pattipeiluhu & Friends

16:30 – 17:15     Ester Latama

17:45 – 18:30     Alex Pattipeiluhu & Friends

19:00 – 19:30     LimaDiti Zang en Dansgroep

20:15 – 21:15     RemmenLos

22:00 – 23:00     RemmenLos

 

Senang Podium

12:00 – 12:30     DJ Djoggèt

13:15 – 14:00     DJ Djoggèt

14:30 – 15:15     DJ Djoggèt

16:00 – 16:30     Gordon Smith

17:15 – 17:45     DJ Triplets

18:30 – 19:00     Gordon Smith

19:30 – 20:15     DJ Triplets

21:15 – 22:00     DJ Triplets

 

 

Zondag 21 april (12:00 – 22:30)

Istimewa Podium

12:30 – 13:15     Relight

13:15 – 13:45     Warna Semesta Dance Collaboration

14:30 – 15:15     Relight

16:00 – 16:30     Warna Semesta Dance Collaboration

17:15 – 18:00     Relight

18:30 – 19:15     Relight

19:45 – 20:15     Warna Semesta Dance Collaboration

21:00 – 22:30     Massada

 

Senang Podium

12:00 – 12:30     Diana & Ester

13:45 – 14:30     Diana Monoarfa

15:15 – 16:00     Ester Latama

16:30 – 17:15     Diana & Ester

18:00 – 18:30     Diana Monoarfa

19:15 – 19:45     Ester Latama

20:15 – 21:00     Diana & Ester

 

 

 

 

Maandag 22 april (12:00 – 20:00)

Istimewa Podium

13:00 – 13:45     3rd Generation Band

14:30 – 15:00     Bali Dance Art

15:30 – 16:15     3rd Generation Band

17:00 – 17:30     Bali Dance Art

18:00 – 18:45     Trespass ft. Sarah Jory (UK) and Amy Lee Bennett (BE)

19:15 – 20:00     Trespass ft. Sarah Jory (UK) and Amy Lee Bennett (BE)

 

Senang Podium

12:15 – 13:00     Edu Schalk

13:45 – 14:30     Edu Schalk

15:00 – 15:30     Danny Everett

16:15 – 17:00     Edu Schalk

17:30 – 18:00     Danny Everett

18:45 – 19:15     Bali Dance Art

 

Bereikbaarheid en parkeren

Rotterdam Ahoy is ideaal gelegen aan de snelweg, bij metro- en bushalte Zuidplein.
Ahoy hanteert een vast parkeertarief van €13,00 per dag.
U kunt gratis parkeren op de Oldegaarde en omliggende straten. Vanaf hier loopt u in ca. 10 minuten door het Zuiderpark naar de Pasar Malam.
Andere opties zijn de parkeergarage van winkelcentrum Zuidplein (€1,00 per 22 minuten) of P+R Transferium Slinge, vanaf hier is het 1 halte met de metro. (€2,00 als u met uw OV-chipkaart verder reist met het openbaar vervoer, niet-OV-gebruikers betalen het normale tarief van €0,50 cent per 18 minuten)

Huisdieren
Honden en overige huisdieren zijn niet toegestaan op de Pasar Malam in Rotterdam Ahoy.
We maken alleen een uitzondering voor speciaal getrainde honden die ter begeleiding worden gebruikt van mindervaliden, zoals blindengeleidehonden en Stichting Hulphond-honden.

Traditiegetrouw is er in het Paasweekend weer een Pasar Malam in Rotterdam Ahoy.

Een gezellige en grote Pasar Malam in de havenstad.

Lees verder…

Masterplan - Visie Nederland CO 2 toekomst bestendig

10897413295?profile=original
Masterplan - Visie Nederland CO 2 toekomst bestendig
De periode 1990 – 2000, kende Nederland een gelijksoortige situatie als klimaat transitie, hier ging het om de euro, voorbereiding op de globalisering  en het Millennium. 
Kreten als millennium – en euro bestendig plus de globalisering voor Banken, Verzekeringen, Overheden, MKB en de bedrijven. Hierin werden de burgers gelukkig niet in betrokken, dus gespaard. Hier echter zat de regie van deze mega transitie niet bij de politiek maar nadrukkelijk bij Consultancy bedrijven. Een platform die nadrukkelijk bij alle ontwikkelingen er bij waren. Deze periode werden van de bureaucratisch model – dus organisaties met verschillende niveaus – getransformeerd naar platte organisatie naar klantgerichtheid. Alles gebeurde in fases, in weloverwogen stappen. Deze jaren werden alle organisaties geconfronteerd met sterk verouderde organisaties, automatisering en computersystemen.
 
De deadline was het Millennium en de euro, dat alle systemen en organisaties dienen dus bestendig te zijn. Deze transitie heeft ruim 10 jaar geduurd, en de organisatie, ondernemingen, en de Overheid bakken geld gekost. Gelukkig hebben de burgers niet hoeven mee te betalen aan deze mega – transitie.
 
Dankzij de koploper AB Beslustmoddeller uit Zweden, kwam deze met de oplossingen, te mooi om waar te zijn; een Millennium – en Euro bestendig systeem met de functionaliteiten geschikt voor alle landen, geschikt voor alle hardware platformen met het label ERP, en Global. Deze oplossing werd vanaf 2000 gekopieerd door SAP, AFAS …… kortom door de hele Nederlandse software Industrie. Mijn onderneming werd als partner aangewezen voor de Benelux.
 
Waarom dit verhaal ?
 
Wij hebben ruim ongeveer 270 mensen in de Tweede Kamer en het Kabinet. Ik mis een gedegen Infomatieplan die de Visie Nederland CO2 toekomst bestendig beschrijft. 270 man academisch gevormd, en geen 1 heeft zo’n plan gemaakt dan alleen het gekissebis. Dit was in mijn tijd wel anders! Eerst zo’n Toekomst visie plan schrijven, en weg met alle plannen en uitvoerde activiteiten, die horen pas thuis bij de uitvoering dus helemaal aan het einde van het traject, valt mij vies tegen van het Parlement en het Kabinet.Dan hoe betrouwbaar zijn die klimaattafels.
 
Onbegrijpelijk dat Overheid niet met zo'n Infomatieplan "Visie Nederland CO 2 toekomst bestendig" is gekomen in tegenstelling tot de invoering van de Euro en Het Millennium.
 
In de casus die ik schets waar om complexe software transitie gaat mocht een dergelijk Informatie plan niet ontbreken. In het Informatie plan zegt iets over de reis hoe je van 2019 naar 2030 komt conform de cockpit van Balanced Scorecard; dus naar de perspectieven ; Klant (burgers), organisaties, Middelen en innovaties per fase. Voorwaarde wel is dat iedereen het algemeen belang dient. Voor een succesvolle implementatie . Uiteraard wordt zo’n Informatieplan “Visie Nederland CO2 bestendig “ voorzien van de methodieken als SDM , en Balanced Scorecard van Kaplan en Norton. Het informatieplan gaat uit van fases, dus stap voor stap. Voor iedere stap heb je een organisatie, middelen, mensen, en innovaties nodig om naar de volgende stap te gaan. Net als film draai je deze af. Visionaire mensen zijn schaars te vinden, maar zijn er kijk naar een Bill Gates, waar de hele wereld geniet van de visionariteit van deze man.
 
De verkennende fase, heeft nu in principe plaatsgevonden in mijn optiek o.a. via de 100 plannen uit de verschillende klimaattafels. Deze plannen zijn meer gericht op de uitvoeringen, maar kunnen niet geselecteerd worden op de prioriteiten, wegens het ontbreken van de informatie uit het informatie plan ; wanneer, wat en welk op de gewenste situatie dient te worden uitgevoerd. Kortom aansluiting en de inpasbaarheid.
 
Fase selectie is dan aan de orde wederom conform het informatieplan. Deze geeft de vereiste / gewenste situatie aan voor dat moment.
 
Tot slot fase implementatie, de voorgaande faseringen moeten er voor zorgen er een goede test, proefimplementatie en gebruikersacceptatie plaatsvinden voor de grootschaligheid.
 
Q & A
 
Voorwaarde alle partijen dienen algemeen belang te dienen voor het succes, dus hun eigen partij belangen in de ijskast zetten;
 
Mark Rutte probeert constructief positief economische aspecten te vinden. Met vol enthousiasme kan hier positief op reageren met het antwoord, , en misschien helpen wat concreter te maken . Nederland als koploper verwijs ik graag naar mijn casus van het Bedrijf AS Modeller AB uit Zweden . World Wide de trendsetter werd; World Wide werd deze gevolgd. Kortom een succesvol Business Model.
 
Nederland kan als koploper dan zijn business slijten in China, Rusland, Afrika, Amerika……. Dit zijn de harde praktijkervaringen uit alle ontwikkelingen. Alleen aan Rutte hoe ga je de bedrijven aan banden leggen dat de winsten uit dit businessmodel ook naar de burgers terug gaan vloeien, het geldt ook uiteraard voor CO 2 energieheffing op de bedrijven dat deze nadrukkelijk niet naar de burgers worden door belast.
 
Jesse Klaver; wat was nu “wordt of word”, grapje, volg mijn seminars, niet met alleen woorden heb deze zelf als bevoorrecht mens mogen meemaken en succesvol mogen uitvoeren, en dat met mijn eigen adviesbureau met 32 consultants in dienst. Als mens blijf in jezelf geloven en je kunt alles aan , maar zoals mijn pa zei “blijf bescheiden en eerlijk, daar bereik je veel mee”
 
Therry Baudette, langs deze weg,
 
je ziet voor de troepen uitlopen of koploper zijn ; kent alleen winnaars met zijn voordelen zie het bewijs van mijn casus, of die van Bill Gates of Facebook, en ik geloof er in omdat wij Nederland een kennis land zijn met vele innovaties, laat Nederland nu koploper zijn, dan het Zweden of Amerika !.
 
Lees verder…

10897412872?profile=originalIndische Nederlanders uit Voormalige Indië hebben nog miljoenen tegoed van de Overheid, Bank en erVzekeringsmaatschappijen.

10897253880?profile=originalIndische Nederlanders uit Indië hebben nog miljoenen tegoed van de Overheid, Bank en Verzekeringsmaatschappijen.                    

 

Dit meldt de Volkskrant van 18 maart jl.                  

 

De 381 duizend Indische Nederlanders die tussen 1950 en 1970 Indonesië moesten ontvluchten, hebben nog miljoenen euro's tegoed van de Nederlandse overheid, dit meldt de Volkskrant van 18 maart jl.

In de veronderstelling dat het om nieuwe feiten gaat. In eerste instantie betreft 341.000 mensen die dit noodlot zijn getroffen en niet 381 duizend. Wat de Volkskrant meldt gaat om drie afzonderlijke dossiers die reeds onder aandacht zijn van het Ministerie VWS.  Sterker nog nu al lopen en zijn opgepakt. Vorig jaar 19 maart 2013 werd naar aanleiding van de gehouden Indische Petitie waar ruim 10.000 handtekeningen werden verzameld en met de Stille Tocht aan betreffende Ministerie van VWS werd overhandigd. Hier ontbrak de Volkskrant in alle velden, waar deze Stille Tocht op voet werd gevolgd door andere media o.a. Omroep Max.  

Dit dossier (rapport van Gaalen)  staat geheel los van de andere die al bekend zijn binnen VWS en verdienen daarom ook een andere benadering. Hier liggen de al opgestelde NIOD - Rapporten aan ten grondslag o.a . opgesteld door drs. Kleppy en Drs. Meier die de belastingbetaler ruim anderhalf miljoen heeft gekost. Dit dossier is  nu in behandeling en onder beheer bij de staatssecretaris Martin van Rijn, die binnenkort met het antwoord komt richting voorzitter van het Nieuwe Indisch Platform Silfraire Delhay. Deze weer eerst zal terugkoppelen naar Dagelijks Bestuur van Het Indisch Platform of de voorgestelde compensaties als redelijk en fair mag worden gewogen voor die 70 geleden jaren. Waarna de Staatssecretaris deze aan het Kabinet voorlegt. Niet onthouden mag worden,  dat diezelfde Ministerie "De Pensioenen van Indische - Nederlanders in Indonesie" een wetsvoorstel hebben ingediend om "deze pensioenen aan de levensstandaard van de Euro wordt geïndexeerd" met ingang van december 2012.  Dit ligt nu voor ter goedkeuring bij Het Kabinet.

Voorts is de staatssecretaris diverse malen verzocht door het Kabinet om met oplossingen te komen in deze zaak. Als referentie wat betreft de compensatie ligt er al een kader namelijk;  de Joodse Gemeenschap en Romano's . Deze hebben in 2001 wettelijk individueel tussen de 40 duizend tot 50 duizend gecompenseerd gekregen als gelijkgestemde. Veel geld voor de Overheid die aan De Indische Nederlanders verschuldigd is, en desondanks door de komende meevallers VWS zal de Staatssecretaris met creatieve oplossingen moeten komen. Want hoe je ook keert of draait de Overheid heeft een forse schuld openstaan dat al 70 jaren oud is.

Het andere dossier " onderzoekrapport naar tegoeden particuliere bank en - levensverzekering van Nederlanders in Indie 1940 -1958" beter bekend staat onder het rapport van Gaalen dat in 1998 in opdracht van het Ministerie van VWS werd opgesteld dat door een Team van 12 deskundigen  werd verricht o.l.v. de commissie van Gaalen. Dit onderzoek gaat uit naar het Bankwezen - en Verzekeringswezen in het voormalige Indie. De essentie dat alle financiële geld stromingen met de assets /zekerheden  (goudvoorraden, waarde papieren, en objecten)   in kaart zijn gebracht. Waar de assets zoals de goudvoorraden, polissen en overige zijn verhuisd de periode voor - , tijdens en na de oorlog. Nu vergelijkbaar met Multinationals in welk land de belastingen worden belast.

Welke organisaties zoals de Banken - , Verzekeringsmaatschappijen, handelshuizen en Multinationals hadden daar een vestiging of waren aantoonbaar geheel zelfstandige ondernemingen. Waar werden de consolidatie gehouden en belast (In Indonesie, Nederland of overige) . Zo zijn de Amrobank en Meer & Piersen bekenden die hier uitspringen. In hoevere De Javaanse Bank een link heeft met de Nederlandse Bank. Niet te vergeten de Handelshuizen die wereldwijd zijn vertegenwoordigd maar toen in het bijzonder in het voormalige Indie als groot potentieel van de volume omzetten o.a. bijvoorbeeld Bursemij Werie die later o.a. via Holland Systema als 1 van haar dochters de grote huisleverancier werd van de Banken in Nederland; die o.a. heeft geprobeerd om het selfbanking Concept Dassault binnen het Nederlandse Bankwezen te introduceren.  Hier sprake van duidelijke link naar het voormalige Indie, en in hoeverre deze kunnen worden aangesproken voor het Indisch kapitaal . Wie nu naar de AEX gaat ziet de vele maatschappijen op de lijst staan gedreven door het Indisch Geld.  Betekent dat deze organisaties nu als nog via de AFM kunnen worden benaderd voor de openstaande claims.

Het rapport geeft conclusies, maar vreemd genoeg geen aanbevelingen met alternatieve oplossingen met de gevolgde stappen voor Het Vervolg. Dit zijn vragen die NU aan de opdrachtgever van het rapport kunnen worden gesteld , en aan de opstellers van het rapport. Het rapport is nu in een staat van een  "huis dat casco opgeleverd sinds 2001".

Ja, als journalist heb je een boek kennelijk nodig! Zeker als je verre van materiedeskundige bent, of werkzaam bent geweest in deze sector; Ik weet niet of dit voor de onderzoekers geldt van dit rapport.

ICM Red. wordt vervolgd.  

HET RAPPORT IS  >>>>>>> HIER  /> TE RAADPLEGEN.

In het kader van die miljoenen, en om precies te zijn  0,7 miljard, na actualisatie CPB 4,2 miljard, heeft ICM op verzoek van haar abonnees in 2015 het project ACTW-66 in het leven geroepen. Begonnen is met onderzoek, aan de hand van de onderzoek is een intensieve campagne gestart via o.a. alle pasar malams en het Internet om deze zaak wereldkundig te maken voor de burgers in het voormalige Indie die hiervoor in aanmerking komen.. Ruim 15.000 hebben de petitie getekend en toegezegd te doneren.  Inmiddels aan de hand van onderzoek is het "rapport uitbetalen Trakaat van Wassenaar tot stand gekomen (WOB lopen nog) die in boekvorm is uitgebracht.  Tot heden hebben slechts 300 gedoneerd. Tegelijkertijd staan wij in fase II met dit project.

Inmiddels werd vanaf de start ruim over de 80.000 geinvesteerd in de facilitaire kosten. Alle werkzaamheden zijn door een team van mensen op basis van vrijwilligheid gedaan.  Is nu aan de Indische Gemeenschap om die 4,2 miljard van onze ouders naar ons toe te halen.  Voor  de alle duidelijkheid zoals Kleppy schets is geheel afzonderlijk dossier.  Dit dossier valt onder familierecht dus kent erfgenamen. Ook dit vorm een probleem om uit zoeken wie het zijn. Nu al werd de petitie getekend via verschillende kanalen. Van slechts 2000 man/vrouw zijn de contactgegevens bekend. Ruim 400 hebben zich ingeschreven als deelnemer actw66. Van deze groep is alle gegevens bekend. Schatting is dat zeker naast de 15.000 nog ruim 25.000 geen weet hebben van het bestaan van traktaat Actw66 (actie comite traktaat van Wassenaar) is een burger initiatief. 400.000 is benodigd voor fase II .   Voor Fase  I werd ruim 80.000 uitgegeven en aan werkzaamheden door 9 man/vrouw van 2015 tot 2018, werkzaamheden die bij de Overheid thuishoort. Het ACTW66 - project staan nu op HOLD.

 

10897234678?profile=original

Schrijf U vandaag nog in 

Ook kunt het inschrijfformulier aanvragen info@icm-online.nl of direct via deze site inschrijven
U bent € 50 verschuldigd als deelnemer ACTW66, en U heeft 1 jaar gratis een ICM Abonnement en toegang tot ons Video-kanaal, het  enige Indisch Kanaal !  

Steun ACTW66 ! 

Uw donatie  kan U storten op Rabo rekening NL41 RABO 03977255 07   ten name van F.Schwab / ICM Online onder vermelding van donatie Traktaat van Wassenaar.

Advertenties

Lees verder…

Pasar Malam Beursgebouw Eindhoven 29, 30, 31 maart

Pasar Malam Stellar Eindhoven 29 t/m 31 maart 2019
De gezellige Pasar Malam Stellar vindt weer drie dagen plaats in Eindhoven!
Bestel uw kaarten via  Ticket - online

10897409700?profile=original

Een zeer grote markt met meer dan 80 kramen met bijzondere artikelen uit heel Azië.

Heerlijke verrassende sambals, bijzondere vruchten, sponscake, spekkoek, saté, pisang goreng en natuurlijk volledige maaltijden zoals Ikan Bali en een complete Nasi Goreng op authentieke wijze bereidt zijn er om u trek in iets lekkers te stillen.

En zin in een heerlijke Tjendol, een echt Bintang biertje of een tropische cocktail? Ook daarvoor komt u naar de Pasar Malam van Stellar.

Vele non-food kramen met (zilveren en gouden) sieraden, edelstenen, bijzondere leren tassen, kleding, houtsnijwerk, bijzondere lampen, T-shirts met uw opdruk, kookboeken met originele Indische recepten, speelgoed, decoratie voor uw huis, medicinale lotions, tijgerbalsem, wierook, kunst en nog veel, veel meer! U kijkt uw ogen uit.

Gezellig dwalen over de markt is een belevenis op zich.

Een uitgebreid entertainment programma op een sfeervol podium met daarvoor genoeg zitplaatsen. Met een drankje in uw hand wordt het heerlijk relaxen, meezingen en de dansvloer ligt er uitnodigend bij!

Kom genieten van de tropische feestzanger van Trafassie: Edgar (Bugru) Burgos! Die natuurlijk de het hele Beursgebouw zal omtoveren in een deinende feestzaal. Drie dagen bijna non-stop entertainment.

Maar ook van de andere artiesten zoals de bekende formatie XANUR, René le Blanc als de Nederlandse Engelbert Humperdinck die een speciale Jack Jersey Show zal verzorgen, Diana Monoarfa, de dansgroep Bunga Melati, the Swinging Sound Machine, Johnny Valentino en Of Course, Madaloka Dance Studio met modeshow, dansgroep Wahana Budaya Nusantara, de geweldige soulshow van the Philly Sound met Justine Pelmelay. Meer dan 80 artiesten treden op!

Kortom het Beursgebouw biedt u drie dagen tropisch vermaak, shoppen en culinair genieten.

Openingstijden:

Vrijdag 29 maart 13.00 – 22.00 uur

Zaterdag 30 maart 13.00 – 22.00 uur

Zondag 31 maart 12.00 - 19.00 uur

Tarieven:

• Volwassenen € 7,50

• 65 + vrijdag tot 17.00 uur € 5,00

• Kinderen tot 12 jaar onder begeleiding gratis

Kaarten via  Ticket - online

Programma:

Vrijdag 29 maart

13.00 - 13.45 uur CD Ind. Muziek

13.45 - 14.30 uur Of Course

15.00 - 15.30 uur Diana Monoarfa

16.00 - 16.30 uur Wahana Budaya Nusantara

17.00 - 17.45 uur Off Course & Johnny Valentino

18.15 - 18.45 uur Wahana Budaya Nusantara

19.15 - 19.45 uur Diana Monoarfa

20.15 - 21.30 uur Of Course & Johnny Valentino

22.00 uur Einde

Zaterdag  30 maart

13.00 - 13.30 uur CD. Ind.muziek

13.30 - 14.15 uur Swinging Sound Machine

14.45 – 15.15 uur Madaloka Dance Studio

15.45 - 16.15 uur René Le Blanc

16.45 - 17.30 uur Swinging Sound Machine

18.00 - 18.30 uur Madaloka Dance Studio

19.00 - 19.30 uur René Le Blanc, Celebration Show

20.00 - 20.45 uur Edgar 'Bugru' Burgos Trafassi Show

21.00 - 21.45 uur Swinging Sound Machine

22.00 uur          Einde

Zondag  31 maart

12.00 - 12.30 uur CD muziek

12.30 - 13.00 uur Xanur

13.20 - 13.50 uur Bunga Melati

14.10 - 14.40 uur Philly Motown Sound

15.00 – 15.30 uur Xanur

16.00 - 16.30 uur Bunga Melati

17.00 - 17.30 uur Philly Motown Sound

18.00 - 18.45 uur Xanur

19.00 uur Einde 3e dag

Overige informatie:

• Op de website van de Stichting Stellar (www.pasarstellar.nl) kunt u het volledige programma binnenkort bekijken.

• Geschikt voor het hele gezin

• Slechts 5 minuten lopen van het station

• Scootmobiel toegankelijk

• Huisdieren niet toegestaan uitgezonderd hulphonden.

Op zaterdag en zondag is er een speciaal kinderprogramma voor kinderen van 5 tot 12 jaar. En voor hen is de toegang gratis onder begeleiding.

10897410462?profile=original

Datum En Tijd

vr, 29 mrt. 2019, 13:00 –

zo, 31 mrt. 2019, 18:00 CET

Aan agenda toevoegen

Locatie

Beursgebouw Eindhoven

8 Lardinoisstraat

5611 ZZ Eindhoven

Kaart bekijken

Lees verder…