Ferry Schwab's berichten (2028)

Sorteer op

10897269701?profile=originalMijn levensverhaal - 3     door onze correspondent in Nieuw Zeeland, Adrian Lemmens    Aan boord van het schip, waarop wij naar Java zijn gevlucht en waarop wij zijn gebombardeerd, (als reeds eerder verhaald), vertelde mijn Moeder mij een dame te hebben ontmoet, die met het verkrijgen van haar eigen baby, geen borstmelk had, waarop het hospitaal mijn moeder verzocht, om ook dat kind haar moedermelk te geven, dus met mij te delen. Die dame zei aan boord komende, tegen mijn Moeder, Thea vergeef mij, maar jij bent als Duitse niet geliefd en ik kan het mij niet veroorloven, om in jouw gezelschap te verkeren of te worden gezien. Dat was blatant, ongegeneerd zelfs. Twee jaar oud, kreeg ik een maag-infectie, te Pladju. In Indië was dat meestal dodelijk, maar mijn vader accepteerde dat niet. Een van de eerste vliegtuigen van de KLM. die in Indië aankwam, een DC-3 (de latere Dakota), werd geheel door mijn Vader afgehuurd om mij naar Batavia in het ziekenhuis te krijgen vanuit Pladju-Palembang.

Ik heb er in het ziekenhuis gelegen, in een witte verduisterde kamer; ik heb er flarden van in mijn herinnering, met mensen in het wit die zich over bij bogen. Ik heb daar zes maanden gelegen en vrijwel alleen op eiwit gevoed, heb ik het overleefd. Het ellendige gevolg van deze episode was, dat ik nooit meer normaal was met eten. Mijn moeder moest het eten er bij mij bijna in slaan; ik ging met brood achter mijn kiezen naar bed en ik stond er de volgende morgen weer mee op, tot bijna de Japanse kampen aan toe. Zo ben ik altijd erg mager geweest, mogelijk was dat mijn moeders en mijn redding, gedurende die tijd, maar een normale moeder- kind relatie is er eigenlijk nooit geweest. Was dat mijn schuld, was dat mijn moeders schuld? Die vraag heb   ik tot nu toe nooit kunnen beantwoorden. Behalve een hardhandige opvoeding en het inpompen van manieren, zijn er nooit gesprekken tussen moeder en mij geweest en zeer zeker nooit of     te nimmer omhelzingen. Dit is voor mij de verhouding tussen moeder en kind geweest. Waar nu, bij mijn eigen kinderen en nu ook de kleinkinderen en hun moeders, totaal van afwijken.

Gedurende de periode van onze terugkeer, vanaf mijn vaders 1939 verlof periode in Europa tot onzevlucht van Balikpapan, naar Java en de overgave met de capitulatie aan de Japanse bezetters, had ik een kindermeisje, een (baboe), Sumina. Zij reisde met ons mee van Balikpapan om nog steeds op mij te passen. Haar verloofde, Sadimin, onze djongos, zag ik een maal met flikkerende ogen van haat naar onze tafel kijken.

Na onze eerste periode in een Hotel van mevrouw Pets, ook een Duitse en daarna naar het grote Hotel van Sarangan aan het meer, gingen wij naar Batavia, waar wij bericht ontvingen, dat mijn Vader in Bandoeng was gearriveerd. Bij onze aankomst was hij reeds gevangen genomen en had enige dingen voor ons bij goede vrienden achtergelaten. Moeder kreeg bericht dat mijn vader in de stad achter prikkeldraad zat en ze kon hem vanaf de straat te zien. Ik hoorde mijn vader zeggen, dat als er ooit iets met hem gebeurde, dat wij ons alleen aan de B.P.M. voor alles met advies moesten richten en niemand anders mochten vertrouwen. Dat was de laatste keer dat ik mijn vader zag, gebukt onder een spatbord van een vrachtauto, te midden van een grote hoeveelheid auto-onderdelen. Totdat een Japanse schildwacht naar ons begon te schreeuwen en daarna zelfs op ons begon te schieten. Dus gingen wij op de vlucht. Mijn Moeder hield zich aan zijn advies met de B.P.M., en in ons geval, werd “DAT” juist ons ongeluk.

Het was in Bandoeng, bij mijn Vaders vrienden, dat Greetje Brons ons wist te vinden en mijn moeder, via de Japanse Generale staf auto aan de bekende Art-Deco “Villa Isola” liet ontbieden, kennelijk om overreed, of uitgenodigd te worden, als een Duitse, voor de Japanse Generale Staf, dus de Japanse Generaal Imamura, als zijn secretaresse en tolk te fungeren. Toen ik met de twee zoons, Eppo en Rijnco

van de Brons de appeltuin in werd gestuurd, kreeg ik daar al gauw een dispuut met Rijnco, die mij een steen naar het hoofd gooide. Bloedend kwam ik op de tafel tussen al die Japanse Generaals en officieren te liggen, die mede hielpen mijn hoofd te verbinden, waarna ik als troost met de Japanse chauffeur en met Eppo in de Staf-auto een lunchpakket naar Brons mochten brengen in zijn gevangenis, waar hij, een grote man met een rood hoofd en witte haren, boven zijn medegevangenen uit stak.

Mijn Moeder niet van plan zijnde, om voor de vijand te werken, kon “dat” niet zo maar zeggen en vroeg een dag bedenktijd. Wij kregen echter slechts drie uren, dus overhaast pakten wij onze spullen en gingen op de trein naar Surabaya. De trein werd regelmatig door jonge Japanse officieren doorzocht, maar dankzij de hulp van RK. Nonnen hebben ze ons niet gevonden.

10897270073?profile=originalfoto- Mijn kameraden tijdens de militaire dienst

De Familie Brons werd tegen het einde van de oorlog  in een klein camp door de Japanners sluiks binnengeloodst  en kregen Rode Kruis pakketten tot het einde, dat ze met een kleine selecte groep moesten delen. Zij hadden de oorlog als een complete familie overleefd. Echter hoorde ik jaren later, dat zoon Rijnco in China aan een ongeneeslijke ziekte werd behandeld en niet lang daarna overleed. Eppo werd een professor aan de Leidse Universiteit en werd onzichtbaar en onbereikbaar voor mij. Nadat ik hem wilde bezoeken, bleek hij, eerst zo vriendelijk en behulpzaam, te zijn veranderd in een kille, onpersoonlijke man.

Ambarawa, ons tweede kamp   

Ten tijde van de berichtgeving, van mijn vaders dood in Kamp Ambarawa, duwde men mij in mijn moeders armen. Ik wist niet hoe gauw ik mij daaruit moest bevrijden en liep weg.  Een tweede maal gebeurde dit toen mijn Moeder weinig kans op overleving had vanwege malaria tropica, door toedoen van  zuster Diet de Neeff, onze “kamp-dokter-verpleegster”, tegen het einde van onze kamptijd in ”Kamp 10 Banyu-Biru”. Mijn Moeder sprak wartaal en wederom kon ik niet gauw genoeg uit haar armen loskomen. Dat was de moeder en zoon relatie, waar later haar tweede man J. den Besten profijt van wist te trekken. Helaas!

In ons eerste kamp Gedangan, het voormalige klooster, had ik de mazelen en werd ik met liefde en opofferingen in een hoek, op de grond van de slaapzaal, in een tent van dekens, dus in het donker, door mij vreemde dames verzorgd en daarna, kreeg ik een ontzettende smerige en stinkende uitlag op mijn hoofd, waar inderdaad mijn eigen moeder ook eens voor zorgde.

Na de bevrijding, nog steeds in ons kamp Banyu-Biru, waren op een gegeven moment de Japanners verdwenen, waarna ons kamp werd ingenomen door de guerrilla’s, en de vroegere claponners, die ons kamp begonnen te bezetten, de Bersiap. Men had de Japanner die de Keuken Piet werd genoemd, gevangen genomen en veroordeeld. Het was diens genoegen om met zijn enorme Braziliaans gevlochten lederen zweep, van zo’n 15 meter lengte, waar alle vrouwen benauwd voor waren, te slaan. Daarmee kon hij met een knal een stuk vlees uit een been slaan. Hij was  altijd keurig gekleed in kaki’s en een lichter hemd met hoogglans gepoetste bruine laarzen, een worstelaars type, (ik zie hem nog voor me). Hij sloop vaak ‘s nachts in de keuken rond, waar mijn Moeder aan het koken was, met haar assistenten De guerrilla’s hebben hem kennelijk te pakken gekregen, hij moest voor de poort van ons kamp, zijn eigen graf graven, waarbij onder ons een groot gejuich ontstond, zo waren wij geworden.

Maar de Bersiap hadden ons bereikt . Ons werden doodsangsten aangejaagd met luidsprekers, over verzamelingen van wilde dieren tijgers, panters, slangen en krokodillen, die op ons los zouden worden gelaten en moesten wij ringen van zandzakken bouwen, met een opening.  Ons werd verteld dat wij daarin bijeen zouden worden gedreven en met handgranaten zouden worden afgemaakt.  

Na ongeveer een week van  deze verschrikkelijke ellende, hoorden wij plotseling een geweldig geraas, het was een militaire groep Ghurca’s met een tank en vrachtwagens. Ons camp 10 werd in verdediging gebracht, Kamp 11, onze annex, was reeds ontruimd, waarvan wij later hoorden, dat het was uitgemoord door de Bersiap activiteiten.

Ons kamp had echter een solide muur en was kennelijk een ex-inlandse gevangenis van voor de oorlog. Voor onze loods werden 4 mortieren geplaatst, die vaak in actie waren, waarvan wij de wolkjes van de inslagen op de bergen konden zien en ‘s nachts waren de vier mitrailleurs, op de hoeken van onze gevangenis geregeld in actie en was het vaak moeilijk om te slapen. Op een gegeven moment werden hun tactieken veranderd. De Ghurca’s smeerden zich tegen de avond in met roet en gingen in groepen van vijf, slechts met een lendendoek om en met een jute zak over de schouder de nacht in met hun Guckry, (een halfronde vlijmscherpe zware dolk) tussen de tanden het kamp uit, tegen de vroege morgens kwamen zij terug en telden de hoofden, waarmee zij terug kwamen; het was een “sport” voor hen.

10897270089?profile=original foto - Mijn opleidingsschip de “Pollux”

Enige weken later werd het rustiger om ons kamp, geen schieten meer, tot aan ons vertrek, in de eerste week van december 1945. In die laatste weken, kon men vanuit ons kamp de geweldige strijd rond Kamp Ambarawa volgen. Met schrik en medelijden, zagen wij dat vanaf  een grote afstand aan, het was een kamp dat geen muren had, zoals wij dat hadden.  

In één groot en geweldig zwaar bewapend konvooi werd ons gehele kamp in een keer weggevoerd. Het was een geweldig konvooi van trucks met enige tanks en kanon-wagens er tussendoor en een schutter in iedere cabine. Overal waren vliegtuigen die schoten en bombardeerden om ons heen; overal waren vuren langs de wegen en alle gebouwen stonden in brand. Zo kwamen wij veilig in Semarang aan, waar wij, na enige dagen via pontons op het Amerikaanse schip de “Victoria Amhorst” naar Batavia werden getransporteerd. Zo eindigde onze kamptijd. Het kwam mij later ter oren dat de Ghurca’s, die ons verdedigden en beschermden, hadden gemuit van het Engelse commando, om ons te komen redden.

Van Den Haag naar Vlaardingen

J. den Besten werd overgeplaatst naar het Shell complex te Pernis, bij Maasdam en Vlaardingen en wij kwamen op de Florislaan 12 te wonen, in Vlaardingen, met in die tijd nog steeds boerderijen tegenover ons, waar wij voorheen in Den Haag in de Rabarberstraat woonden. Ik weet daar verder weinig over omdat dat in de periode van mijn twee kostscholen was, eerst St. Louise en daarna Don-Bosco, met de Salesianen, beiden in Amersfoort.    

Na ook weer het enige jaar in Don-Bosco, werd ik ook daar er weer af gehaald, dat was voor mij het tweede schooljaar en tevens het laatste van wat ik van scholen heb gezien, allen dankzij het overzicht van mijn Grootvader dat abrupt eindigde toen  J, den Besten ons (mijn grootvaders  en dus mijn vaders huis), in Amsterdam Centraal met verlies verkocht, om zodoende het verband daarvan met onze naam “Lemmens”, te vernietigen. Tevens stond mijn nu zeer oude grootvader op straat en werd door een, ons zeer vijandig gestelde dochter van hem op een armoedige wijze verder verzorgd. Tijdens een ontmoeting met mijn moeder,  gooide zij een doek naar  mijn Moeders hoofd en zei, dat mijn  

vader had moeten terugkomen en niet zij, mijn Moeder. Dat was het einde van die enig mogelijke relatie in het prilste begin. Ze had een kruideniers zaak en was met een Duitser getrouwd een den Heyer en ik heb een verdenking dat dat een Joodse zaak was, aan het Legmeer plein, ook in Slooterdijk. Het waren vreselijke mensen, die voor mij helemaal geen gevoel hadden.

Tussen 13 en 14 jaar oud werd ik op de algemene Mulo derde klas geplaatst, in Vlaardingen, meer vanwege mijn leeftijd dan mijn kunde, maar ik had kennelijk goede hersens en was vlug in het oppakken van de leerstof, in ieder geval in de dingen  die mij interesseerden. Slechts drie maanden later, op die school te Vlaardingen, altijd lopende of fietsend, daar ik geen busgeld kreeg, vloog ik in een geweldige storm in zware regen tegen een geparkeerde auto aan en vloog er overheen en kwam met een hersenschudding in het ziekenhuis terecht, dat was tevens voor mij, mijn laatste contact met enige school. Alles bij elkaar had ik nu twee jaar en drie maanden op drie verschillende scholen gezeten, beginnende als een totale analfabeet.

In kamp Ambarawa, begon ik school in het geheim, met een heel knappe jonge vrouw, mogelijk nog een meisje, als ik mij herinner, met een kring van kinderen om haar heen, maar diezelfde dag, werden wij met haar door een Japanse schildwacht ontdekt en de volgende dag, werd zij naakt en nog levend, maar vreselijk verminkt, en met alle extremiteiten van haar afgehakt en gesneden, tegenover onze plek aan het gedek opgehangen. Het uiteindelijke sterven moet minstens een uur hebben geduurd, het was vreselijk.

Uit het hospitaal ontslagen, hing ik rond thuis en werd voor werk uitgestuurd, om iets te verdienen, zonder enig geld kreeg ik ook geen eten. Ik werd heel veel gepest en getreiterd, wanneer Den Besten thuis kwam. Het was in die tijd, dat ik mij leerde te verbergen onder een bed, of achter de sofa, of in zijn werkplaats achter het huis, niet om uit te houden in de winter en op die manier nam ik vaak de aan mij gegeven boeken van mijn grootvader en ik begon te lezen, boeken werden vanaf die tijd mijn beste vrienden en prepareerden mij voor de rest van mijn leven. Ik werd een boekenverzamelaar in de latere jaren.

10897270861?profile=originalfoto - Kamp Ambarawa

Naar het gedwongen werk zoeken, vond ik na enig werk aan de havens, clandestien vanwege mijn leeftijd. Na veel zoeken werkte ik uiteindelijk voor niets bij een loodgieter in Rotterdam, waar ik een half jaar of meer, dag in dag uit in weer en winter, moest fietsen, op een oude vooroorlogse uit het water gehaalde fiets, van het uiteinde van Vlaardingen, via Schiedam, naar Rotterdam en weer terug, vanwege mijn leeftijd, kon ik niet officieel worden aangenomen, maar kreeg ik bus geld van die zaak, dat ik thuis afdroeg onder dwang. Zonder die afdracht mocht ik niet thuis komen of eten. Ik veegde daar en hielp met klusjes, maar men was verbaasd over mijn vaardigheid en bood mij een vaste baan aan bij mijn vertrek. Ik was nu 14 jaar en het werk op Pernis voor

Den Besten was afgelopen en zo verhuisden wij weer terug naar Den Haag, deze keer het Bezuidenhout, naar de Theresiastraat 219, waar mijn Moeder bleef en tenslotte vele jaren later, in Mei 1999 stierf.            

Korte tijd later wilde ik van huis weg, de pesterijen en manipulaties werden een kwelling. Ik mocht niet weg van huis, ik mocht niemand ontmoeten, er waren bekenden van mijn Moeders vroegere tijd en Den Besten kon niet verhinderen dat contacten werden gemaakt, navraag naar mijn welzijn sloeg hem de schrik om de oren. Mijn Moeder - uit schaamte -  vertelde iedereen dat ik erg moeilijk was en niet wilde studeren. De enige waar ik clandestien een positief contact mee had, was een oude oom en een zeer vertrouwde vriend van mijn Vader, oom Wim van Zoelen, in Wassenaar. Helaas na drie visites aan hem, werd mij mijn fiets ontnomen, na een klein ongeluk, terwijl ook een strikte controle op mij werd uitgeoefend.

Echter van die drie contacten kwam ik zeer veel van en over het vroegere leven van mijn Vader te weten, Oom Paul van Zoelen was mijn Vaders eerste werkgever, in het Nederlands- Indië van vroeger, waar Oom Wim van Zoelen voor Bruynzeel in de Bossen en Rimboes een opzichter was van de houthakkersploegen in Nederlands-Indië. Oom Wim tenslotte, dankzij ook weer mijn Vader, werd uiteindelijk voor de oorlog als Boormeester van de B.P.M-Shell gepensioneerd, waarna hij getrouwd met een dochter van de Duitse “Veltins Bier Brouwerij” in Duitsland, maar kinderloos, naar Nederland terugkeerde en zich in Wassenaar vestigde.  

Werkende met vijf andere Nederlanders, allen met ploegen van 12 Indonesiërs, werd mijn Vader zijn

leven gered, tijdens een “Amok”. Zijn ploeg Indonesiërs zetten mijn vader tegen een boom en vormden een cirkel om hem heen en beschermden hem met hun klewangs tegen de zestig anderen in hun amok. De vier andere Nederlanders werden vermoord, het ging om betaling. Waar de andere Hollanders veel geld inhielden van de vijf centen per dag,  nam  mijn vader daar geen genoegen mee en betaalde zijn werknemers volledig uit.  Zo waren er ook nog verschillende andere parables over mijn vaders eerste  jaren in Nederlands-Indië.   

Op een Frans “hongerschip”, waar de meeste andere Nederlanders vanaf vluchtten in  Zuid Frankrijk en met de trein terug gingen naar Nederland, bleef mijn vader tot het einde van die vreselijke reis en kwam zo totaal uitgeput, voor het eerst in Nederlands-Indië terecht, waar tenslotte Oom Wim van Zoelen, zijn eerste baas werd. Ook in Indië heerste een depressie en werkeloosheid, na de Eerste Wereld Oorlog, veelal ook, omdat Indië werd uitgeknepen, door Nederland.

Uiteindelijk wist ik eenmaal weg te komen van huis, doordat mijn Moeder weg was en wist ik door half Den Haag lopende de familie Henk en Lenny Versnell te bereiken. Ik zat echter nauwelijks bij hen op de sofa, toen er tegen de deur gebonsd en getrapt werd. Geschrokken deed Oom Henk Versnell de deur open en stormde Den Besten vloekend en scheldend het huis in,  greep mij bij de haren en trapte mij het huis uit en gebood mij buiten op hem te wachten. Hij schreeuwde die mensen de schrik om de hals, terwijl ik buiten alles kon horen. Onder andere dat zij geen contact met mij mochten hebben en hij hen zou weten te vinden en dan verloren ook zij hun baan bij de B.P.M. In die tijd waren veel oude Shell mensen, van het vroegere Indië bang voor hun toekomst, daar zij ook in Nederland niet gewenst waren, maar uit fatsoen werden voorzien van werk en een inkomen. De B.P.M.-Shell probeerde in die tijd fair te zijn, hetgeen hen ook in botsing bracht met de Nederlandse regering.  Echter nu weten we dat Nederland zich weinig van onze problemen en rechten aan trok en probeerden onze mensen op allerlei manieren kwijt te raken o.a. met emigratie.    

Deze gebeurtenis met mij, bij de Versnells, ging natuurlijk als een lopend vuurtje door naar de bij       mijn moeder bekende ex-Indische gemeenschap van vroeger. Ook bleek dat mijn moeder altijd moest weten, van wat of waar ik zou zijn. Ik had niet van haar verwacht, dat zij mij dit zou aandoen.  

10897271293?profile=originalLuchtfoto van kamp Ambarawa

Enige bijstand uit deze richting was voor mij uitgesloten, daar de combinatie den Besten–Brons snel bekend werd.  In die gemeenschap werd  dr. ir.  H.H. Brons, met en door zijn geweldige maatschappelijke macht ook als gevaarlijk beschouwd. Dit was tevens rond de tijd, dat Den Besten van mijn Moeder uitvond, over het verraad destijds, van de Fam. Brons met de Japanners, waarmede die familie zich gerieflijk door die Oorlog wisten te redden. Het was met chantage, op die Brons familie, dat J. den Besten in het complot tegen mij werd ingehaald.  Dr. ir. professor H.H. Brons was voorbereid, door zijn oude

vriend ir. Jan Brouwer een mede-directeur van de B.P.M.-Shell, voor het stichten van de Rotterdam Rijn Pijp Leiding Maatschappij, (dochter-maatschappij van de B.P.M.-Shell), voor het vervoer van Olie producten naar Duitsland. Brons was nu een machtige man, niet alleen van die Maatschappij, maar ook in Nederland, met een zeer riant inkomen met daarnaast ook nog geweldige afschrijvingsmogelijkheden naar zijn Maatschappij. Een combinatie die voor mij een levensgevaarlijke situatie betekende,  vanwege  mijn rechten   en claims, met betrekking tot toekomstige en originele erfrechten van mijn Vader, met mijn komende volwassenheid in het verschiet.   Ook al waren onze papieren grotendeels verdonkeremaand.            

Het waren juist deze twee mensen, Brouwer en Brons, die vroeger voor de oorlog, met mijn vader een dispuut hadden, vanwege hun, dronkenschap en wangedrag met vrouwen en het maken van schulden in de Indische samenleving. De B.P.M-Shell was daarmede uitermate gechoqueerd.  Een vreselijk lot, dat mijn vaders Familie trof na zijn dood, met het door hem ongewild maken, van zulke vijanden en verder ook nog, door het grote onrecht dat na de oorlog, daaruit voortkwam.  

Maar ook nog eens, dat het mij, de enige zoon van mijn Vader, bijna het leven heeft gekost met een bijna totaal verwoeste toekomst, als resultaat, waar eens, zulke schitterende mogelijkheden voor mij waren weggelegd. Ik ben dankbaar dat hij dit nooit geweten heeft. Ook ben ik dankbaar dat het mij, desondanks, na alle vreselijke belevenissen en tegenslagen is gelukt een redelijke levensstijl op te  bouwen, hoe moeizaam dat ook ging en waar ik   ook nog van heb kunnen genieten   Het is mijn overtuiging dat niet alleen Nederland, met ook de Indische Kwestie en ook met ons huis, maar ook de B.P.M.-Shell een geweldige schuld aan mij hebben te voldoen.  Gelden en toekomstmogelijkheden door mijn vader in 1939 bij zijn Maatschappij, de B.P.M.-Shell, tijdig voor mij te hebben verzorgd, het onheil van een toekomstige oorlog voorziende, was het grootste offer dat van hem kon worden verwacht

Helaas is dit door kwade opzet allemaal te niet gedaan.

Tot zover het derde deel van het levensverhaal van Adrian Lemmens, dat   hij voor deze NICC Nieuwsbrief schreef

 

 

Lees verder…

Besproken door: Pjotr.X. Siccama – deel 4

10897361683?profile=originalKousbroeks ‘’Kampsyndroom’’ 

Besproken door: Pjotr.X. Siccama – deel 4

Was het maar anders geweest..(!)” schrijft Kousbroek.

Ja, anders. Had de Nederlandse Staat en in haar verlengde het algehele principe van een oud koloniaal concept (die andere koloniale mogendheden toen eveneens strikt hanteerden) direct of geleidelijk in een nieuw beleid geleidelijk (of direct) geconverteerd, had zij als eerste de wereld laten zien dat het ook “anders” niet alleen mogelijk was, maar tevens het oude kolonialisme in die tijd vaarwel kunnen zeggen en andere koloniale mogendheden naar de kroon gestoken.

Een verdomd gemiste historische kans van jewelste. Het had alles te maken met geborneerdheid van politici, kortzichtigheid en afwezige visie en durf. Van de democratische bestanddelen waar wij zo rijkelijk van zijn voorzien en bevochten en gekoesterd hebben, werden merkwaardig genoeg niets aangesproken.

De Nederlandse Staat als koloniale mogendheid die in het midden van de 20e eeuw tot een einde is gekomen, keek allereerst en niet zonder zorgen, angstvallig naar de naaste Europese buren, hoe zij met het systeem omgingen in hun koloniën, uit vrees voor economische mishits en valse concurrentie. Een dwangmatige competitie schuilt blijkbaar in hun handelen. Het is het  patroon dat zich voortdurend herhaalt.

Het werd immers altijd gezien door een handelskijker om de status quo van het evenwicht in de wereldhandel te handhaven. Maatstaf voor een korte termijn denkwijze, maar niet wanneer een natie, een Staat op een wereldpodium te kijk staat en doet alsof zij het best goed doet in de Colonia. Eigenlijk zou de Nederlandse Staat best een hoofdrol willen spelen in het politieke

 10897273470?profile=original

Foto- trafkamp Boven Digoel op Nieuw Guinea waar de Indonesische intellectuelen werden gevangen gehouden.

wereldpodium, maar de omstandigheden van die tijd voor haar koloniën, waren helaas zo duister van aard, dat zij liever eieren voor haar geld koos, geen pottenkijkers duldde en op die manier alle kritieken te ontlopen.

Waren Soetan Sharir, Hatta en zovele vrije geesten maar niet gedeporteerd, maar  in plaats daarvan gehoord en naar hen geluisterd, dan was er voor beide landen Indonesië en  Nederland een veelbelovende toekomst weggelegd: de Wereld zou er voor beide landen er heel anders hebben uitgezien. Een exhibitie van een Staat en hoe een Staat tot zulke voor haar onwetend gehouden inwoners rampzalige beslissingen had kunnen nemen: mond gesnoerd, kop ingedrukt, ontnemen van de individuele vrijheid, beroven van menselijk geluk.: het waren ingrediënten van een politiestaat.  

Kousbroek verdwaalde, zo schrijft hij bij het lezen van een historische Europese roman van Hella Haasse, omdat hij geen in of uitgangen kon vinden. In mijn voorstelling was het beeld te vergelijken met het moment van het eerste uur van de strijders voor de onafhankelijkheid van de nieuwe Republiek Indonesië (Sharir, Hatta, Sukarno e.a.), maar bij hen waren er helemaal geen deuren die konden worden geopend, laat staan dat er stemmen van binnenuit konden worden gehoord.

Wanneer Indonesiërs voor studie of door omstandigheden in Nederland (en Europa) verbleven, waren zij uiterst verbaasd dat er in Nederland heel andere Hollanders woonden, die zich keurig gedroegen en bij wie niets te bespeuren viel van discriminatoire bejegening. Ze vroegen zich af of daar in de kolonie wellicht een andere soort Hollanders waren. Zulk een constatering geeft immers te denken en is voor een natie als Nederland werkelijk ernstig en uiterst pijnlijk. 

Een van de pijlers voor een harmonische samenleving is de zorg voor goed onderwijs waarbij de cultuurpolitiek een natuurlijk stimulerend fundament dient te zijn dat verantwoordelijkheden van de uitvoerders verlangt. En uitgerekend op dit terrein hadden zij in de kolonie die verantwoordelijk waren voor een van de meest belangrijk onderdelen het geheel laten afweten. In de “taal en cultuurpolitiek in de koloniën” van Groeneboer (zie serie artikelen in ICM) bijvoorbeeld werd al gewezen op de bizarre situatie in het onderwijs met name in Nederlands Indië: de zogeheten “wilde scholen” ontstonden (waar overigens Tjalie Robinson les had gegeven) en waar successievelijk het “wilde Nederlands” in de dagelijkse omgang werd gesproken. De autoriteiten vonden deze ontwikkeling maar niets, maar daar bleef het eigenlijk bij. Drastische maatregelen ter verbetering bleven eenvoudig uit. Weer een gemiste kans om de Nederlandse (zeg Europese) cultuur dicht bij de inheemse bevolking te brengen. In het begin vond het koloniaal bestuur het nodig om de (interne) discussie te openen over de vraag om het Maleis, (dus nog geen Bahasa) als Nationale eenheidstaal in heel Nederlands Indië in te voeren en/of het Nederlands.

Het idee om het Nederlands (taal van de koloniale mogendheid) over de gehele Archipel in te voeren kwam eigenlijk van ons westers buurland dat in India het Engels als voertaal wist door te voeren. Maar na veel interne consults en veelvuldig ingestelde commissies die over dit punt moesten buigen, zag het koloniaal Bestuur definitief ervan af. Redenen tot dit besluit waren discriminerend: Invoering zou een “gevaar” opleveren en een bedreiging voor de Nederlandse suprematie en ook nog: ..het zou de Inheemse bevolking makkelijk toegang verschaffen tot alle ontwikkelingen en in de Westerse wetenschap en zo meer, kortom a superiorcomplex. Het Nederlandse motto ‘’Je maintiendrai’’ wordt hier bedenkelijk en wel letterlijk gepraktiseerd.

 

Suprematie, uit het Latijn afgeleide term dat het Romeinse Rijk uiteindelijk de kop heeft gekost, zo ook Nederlands Indië waar heldere tekens van verval  overal de kop opstaken en zichtbaar werden om het einde aan te kondigen.

Dat alle Rijken gedoemd zijn ten onder te gaan, kan heel eenvoudig worden gezien en gemeten aan de hand van het gedrag en mentaliteit van de inwoners zelf. Want daar verbergen zich al tekenen tot verval. Het grootste voorbeeld was het Britse Imperium waar het begin van de ondergang zich had gemanifesteerd in de al maar groter wordende tegenstellingen en de verwerpelijke dagelijkse houding en gedrag van de Britten in de straten van India jegens haar oorspronkelijke inwoners.

 

Kousbroek over het trio Sharir, Hatta en Sukarno  : “..had het maar nog een generatie langer geduurd…’’ voordat de 2eWO begon, neem ik aan. (Die gelegenheid had een ieder ze van harte gegund)  Ja hád en wat dan ?

Zouden deze Indonesische intellectuelen anders hebben gereageerd na en tijdens de inval van de Japanse bezetting? Zouden ze wellicht onherroepelijk de zijde van het koloniaal bewind hebben gekozen? . Er zou dan bijvoorbeeld geen politionele actie zijn geweest waarop het Nederlands koloniaal beleid door de Wereldgemeenschap danig werd gekapitteld. Kortom er zou helemaal geen druppel bloed zijn vergoten. Maar al die mensen (arme onschuldige drommels) zijn nu dood en werkelijk voor niets gestorven, omdat politici alles stuk maken.  Was het inderdaad maar anders geweest.

 

Het leek alsof het hele Archipeldrama zich had afgespeeld op het artificiële speelveld  als een soort ondergaande straf, de Indonesiërs opgelegd, dat zij uit pure wraak de zijde van de nieuwe bezetter kozen. Was het ressentiment van de Indonesiërs? Zij waren immers door het koloniaal Bestuur in de steek gelaten.  Maar dan kwam de gelegenheid en het juiste moment dat  de


Indonesiërs het speelveld eindelijk op konden met een immense rugdekking van de nieuwe bezetter. De kinderen die eerst niet buiten mochten spelen daar het speelkwartier voor hen werd ingetrokken, speelden nu de hoofdrol. Beroofd werden zij daarvoor van al die speeluren door hen die te lichtzinnig over anderen hadden gedacht en geoordeeld.

Een grote historische stupiditeit van het koloniaal bewind met oerdomme bewindslieden die alleen de schijn wilden ophouden tegenover de 
Wereldgemeenschap om duidelijk te laten zien dat zij ook een majeure rol speelde  te vervullen had op het Wereldtoneel en immer ten koste van anderen.

 

Wanneer de heer Wertheim (wiens uitspraken en geschriften met betrekking tot het koloniaal bewind in Nederlands Indië ondergetekende kent en in het algemeen zeer waardeert) in het boek ten tonele verschijnt, valt zijn uitspraak me weer behoorlijk tegen als hij met “..heimwee naar de tijd van Sukarno” aan komt draven. Is dit valse nostalgie of een serieuze grap?

Jammer; maar waarom gaat deze man voorbij aan de ware nucleus van het strijdtoneel van de Merdeka van en door die uiterste belangwekkende mannen als Sharir en de zijnen die bergen hadden verzet en toch de belichaming vormden van die Merdeka als het geweten van de Nieuwe Republiek is een raadsel.

 

De schrijver Pramoedya Ananta Tour noemt Kousbroek een grote schrijver van dit moment in Indonesië, maar heeft ook kritiek op historische onderdelen en de onvermijdelijke tijdsperiodes van het koloniaal bewind. Over zijn werk kan ik moeilijk oordelen aangezien ik niet bepaald een groot kenner ben van zijn werk. In ieder geval brengt Kousbroek me op pad om er meer kennis van te nemen.

Deze Indonesische schrijver beschouwt Raden Adjeng Kartini (ze stierf toen ze amper 25 was in 1904) als een soort geestelijke verlosser en ziet in haar de belangrijkste vrouw voor de emancipatie van de inheemse geaardheid (en identiteit). Zij schijnt officieel tot nationale heldin te zijn verklaard. Haar rustplaats, een soort mausoleum, trekt elk jaar veel bezoekers als een waar pelgrimsoord. De Indonesische kunstenaars, niet alleen schrijvers (door Pramoedya wordt ze min of meer geclaimd voor het proletariaat) maar ook beeldende kunstenaars hebben Kartini in het hart gesloten en zien in haar de belichaming van de, wat we in het Westen noemen: de Artes Liberales. Voor nagenoeg alle uitingen van de Kunsten is zij het grote symbool geworden in heel Indonesië.

 

In het hoofdstuk over Kartini onthulde Kousbroek en passant het feit dat Du Perron over deze vrouw schreef en een oordeel gaf. Het staat een ieder vrij om ergens over te oordelen (alhoewel ‘’oordelen’’  hoe dan ook een belastend werkwoord blijft en de moraal zo om de hoek komt kijken), maar in Du Perrons visie maak ik op dat hij wel (bij voortduring en niet zelden) behoorlijk tekeer kan gaan en deze vrouw in haar zwakheid treft en op haar ziel trapt  Zou het wellicht kunnen zijn omdat Kartini  een Javaanse vrouw of simpel een vrouw was? Du Perron kon toch immers ook weten hoe de levensomstandigheden waren en met name de opvattingen van de Javanen om de Westerse cultuur op te nemen (niet alleen afkomstig uit gegoede families en/of hogere milieus). De Javaanse gevoeligheden waren (en zijn) er gewoon en zeker voor vrouwen van het kaliber Kartini was het beslist niet eenvoudig en niet vanzelfsprekend een vreemde cultuur te bestuderen op haar manier. De vrouw had in al haar pogingen en wensen/verlangen moeten worden gestimuleerd en gestuurd. Was het omdat Kartini een Javaanse vrouw of gewoon een vrouw was?

 Per slot was Du Perron ook half Javaans, met een Javaans voorkomen en onmiskenbare Dravidische trekken overigens. Maar dit terzijde. Juist hij moest het beter weten, maar verloochening van zijn eigen achtergrond, afkomst en verleden scheen hem geen enkele moeite te hebben gekost, integendeel zou ik  zeggen: blijkbaar een sterke karaktertrek.

Het stond hem vanzelfsprekend vrij om zijn kritiek(en) te leveren; op zichzelf juist, maar wanneer je de destructieve kritieken die hij in zijn geschriften, overigens niet alleen jegens Kartini, leest, dan ontdek je de donkere zijden van zijn karakter als schrijver. Kousbroek naar aanleiding van de Perron s oordeel over het eigen maken van de “Westerse cultuur’’: Citaat: “..het geeft integendeel een voortreffelijk beeld van de ontwikkeling de Javanen die zich de ‘westerse cultuur’ wilden eigen maken en als zodanig ‘’de Europese provincie Holland’’ vonden..”.(einde citaat)

 

Voortreffelijk beeld! Ik meen te weten dat het begin van de ontmoeting met de Westerse Cultuur voor de Javanen een heel vreemde ervaring moest zijn geweest, dient niet vergeten te worden. In die voor de Javanen diffuse en verwarrende omstandigheid is de beschrijvende constatering misschien ( nogmaals: ab viso modo)  juist, maar hier spelen andere curieuze zaken een rol waarvan er een is: de leedvermakelijkheid.van Du Perron die met een minachtende toon op de


culturele adaptatie wees. Enfin men kon blijkbaar nooit iets goeds doen in zijn ogen. Volstrekte arrogantie van du Perron waar hij (of wilde niets van weten)  ongetwijfeld, ‘’de drempel’’ van het Javaans inzicht en Adat, naar mijn inziens als een razende Roeland voorbij was gerend en het hart volkomen had gemist.

Hier laat Kousbroek zich bewust (?) meeslepen in een naar mijn smaak vreemdsoortige gedachtengang van du Perron. En wel op een manier die mij niet bevalt. Ik vertrouw van mijn favoriete auteur dat hij zich hiermee niet schaart onder de betweterige auteurs die menen de wijsheid in de achterzak te hebben.

Terug naar Kartini. Het is niet mijn forte en heb ook niet een gezag om direct over de persoon te oordelen;  Ik constateer slechts dat het verschijnsel van de afwezigheid van juiste informatie en cultuurbronnen waar altijd al een groot gebrek aan was debet was en niet bepaald bevorderlijk voor een jonge progressieve vrouw als Kartini om zich in een andere cultuur te verdiepen. De andere berg die zij ook nog moest overwinnen was de toen nog strengere Javaanse hiërarchie dan nu het geval is waarin nauwelijks ruimte was voor geestelijke vrijheden en bevrijdingideologieën. De heren die dachten beter te weten moeten zich  schamen om zich bij voorbaat oordelen aan te matigen.

 

Maar dan de zin over “de ontwikkeling der Javanen die zich ‘de Westerse cultuur’ eigen wilde maken”. Voilà. Nu initieerden (eerder: grepen ze aan) de Javanen zelf de mogelijkheid om de “Westerse cultuur” goed te bestuderen en te ontwikkelen, of ze worden onmiddellijk gesanctioneerd door psychische onthoofding. Men zou er zijn bekomst van krijgen. Het was duidelijk dat op deze manier de toegang tot “de poorten van De Europese provincie Holland” voor alle Indonesiërs nu wel definitief waren gesloten. Hádden zij die ‘’Europese provincie maar niet gevonden’’, dan was het voor hen veel beter geweest om via een geheel andere weg het oude hart van Europa en de Europese ziel te ontdekken en op die manier ‘’de provincie Holland’’ vanuit dat centrum eens te bekijken. Maar alles is bij ons verkeerd gelopen en heeft het collegium poenalis haar destructieve werk gedaan. Einde van hetbegin van een sprookje.

Het ging hier onder andere (ook) over (vrouwen)emancipatie en een vrouw in de Javaanse cultuur werd (wordt nu veel beter) beschouwd als van een ander niveau, een andere categorie. Du Perron was naar mijn idee, op z’n zachtst gezegd vrouwonvriendelijk en bovendien een grote gemene snob die zichzelf als “echte Europeaan” zag, wat hij helemaal niet was.

 

Dat een buitenstaander (buitenlanders) werkelijk niets snapt (Kousbroek) van wat in de Dutch Indies heeft afgespeeld en zeker niet op dit niveau.is wel duidelijk – Is it a political or cultural dilemma? (hoor je maar al te vaak). Zo diep zijn we gezonken voor wat betreft het nalaten van propaganda en verspreiding over de Nederlandse cultuur. En die lieden die voor deze onduidelijkheid mede schuldig waren, zijn in dit artikel genoemd.

Ik stel daarom voor om forensische experts in te huren om deze culturele chaos onder de aandacht te brengen voor algehele uitleg aan onze buren in Europa en verder in het buitenland overal waar wij geaccrediteerd zijn, inclusief het Vaticaan.

Kousbroek ergert zich in zijn boek om het een en ander; welnu, wat mij ergert is het constante gekibbel van Du Perron (en ook Ter Braak in mindere mate) over andere auteurs die over Nederlands Indië hebben geschreven, in plaats daarvan hadden zij zich meer op hun eigen toko en op hun eigenlijke werk (en taak) moeten concentreren en zich niet te gedragen als een kwellend gezelschap.

Wás Du Perron maar niet vóór de 2e WO gestorven, dan zou hij wel zeker anders hebben gepiept.

Ach, was het inderdaad maar anders geweest.

 

Wordt vervolgd

10897273680?profile=original

10897274084?profile=original

 

 

470 × 352 - kecopbioinfo.blogspot.com

 v l.n.r. Soetan Sharir, Sukarno, Mohammed Hatta.

 

10897273885?profile=original

10897274475?profile=original

Graf van Kartini.                                                            Indonesische volksheldin  Kartini

10897274854?profile=original

Weergaven: 233

Lees verder…

Soekarno = een collaborateur

AMSTERDAM (3 januari 2020) Indonesië riep 75 jaar geleden de onafhankelijkheid uit. Soekarno was de kampioen van die strijd, schrijft publicist en journalist John Jansen van Galen. Verdient hij een straatnaam? "Absoluut niet".

Wordt het geen tijd voor Soekarnostraten, Soekarnolanen, Soekarno­pleinen? Op 27 december 2019 was het 70 jaar geleden dat Nederland de soevereiniteit over Nederlands-Indië overdroeg aan Indonesië. Dit jaar wordt herdacht dat Indonesiërs 75 jaar geleden de onafhankelijkheid van hun land uitriepen.

Het was een schamele vertoning, waaraan je de wereldhistorische betekenis niet zou aflezen. In een voortuin te Djakarta stonden op 17 augustus 1945 twee mannen, Mohammed Hatta en Soekarno, tussen radicale jongelui die hen in feite gijzelden totdat ze Indonesië onafhankelijk hadden verklaard. Met trillende handen en een stem schor van de malaria las Soekarno de proclamatie voor. Daarna werd de rood-witte vlag gehesen. Maar uit angst voor Japanse represailles ging men niet juichend de straat op.

Zou het geen mooi gebaar zijn om het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid te gedenken met de onthulling in Nederlandse steden van naamborden met Soekarnoboulevard en Soekarnopark? Het wordt van diverse kanten bepleit, zo ook door historica Anne-Lot Hoek, betrokken bij het officiële dekolonisatieonderzoek. In NRC Handelsblad (16 augustus 2019) schrijft ze het van ‘pijnlijk onbegrip’ te vinden dat dit niet allang is gebeurd.

Ik weet het nog zo net niet. Soekarno was, en is, ontegenzeggelijk de kampioen van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Misschien past het ons, de Nederlanders die hij bestreed, dat nu eindelijk ruiterlijk te erkennen in de naamgeving van onze openbare ruimte. Er zijn ook Gandhiwegen! Waarom wel eerbetoon bewijzen aan de nationalist die India ontrukte aan de Britten, maar niet aan de man die ons onze Gordel van smaragd afpakte? Kleinzielig, zou Anne-Lot Hoek zeggen. Pijnlijk onbegrip.

Collaborateur

Maar toen ik opgroeide, vlak na de Tweede Wereldoorlog, werd Soekarno in Nederland gezien als collaborateur, ook door mijn ouders. En terecht. Tijdens de Japanse bezetting van zijn land had hij immers hoge politieke functies aanvaard – evenals zijn strijdmakker Hatta, maar anders dan zijn bondgenoot Soetan Sjahrir, die het meteen opnam voor de verdediging van de democratie. Bovendien had Soekarno zijn niet geringe oratorische talenten in dienst gesteld van de Japanse oorlogsinspanning. Wat kon die man spreken! De Japanners stelden hem in staat de hele archipel door te reizen om menigten toe te spreken en op te zwepen. In die redevoeringen riep hij steevast uit: “Wij zullen Engeland verpletteren, wij zullen Amerika platstrijken.” Vind het dan maar raar dat de Nederlanders, pas door Amerika en Engeland bevrijd van vijf jaar naziterreur, daarvoor een pijnlijk soort onbegrip aan de dag legden.

Ach, misschien moet je na zeventig jaar zeggen: zand erover. Dat Soekarno uit politiek opportunisme de kant koos van Japan kan hem worden vergeven. Daarvan verwachtte hij immers meer voor de Indonesische onafhankelijkheid dan van Nederland – waarin hij trouwens lelijk bedrogen is uitgekomen.

Maar Soekarno ging verder, veel verder. Op podia van massameetings en vanaf grote affiches moedigde hij zijn landgenoten om als romu­sha in Japanse dienst te treden. Romusha betekent ‘arbeider’ in het Japans. Dat men in Indonesië nu denkt dat het dwangarbeider betekent is begrijpelijk, want daar kwam het op neer: de romusha’s moesten onder de meest erbarmelijke omstandigheden ploeteren tot ze er letterlijk dood bij neervielen. Tien- tot honderdduizenden kwamen om.

Japanse werkkampen

Willem Drees, als minister en premier verantwoordelijk voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid, placht tot op hoge leeftijd te zeggen: “Dat Soekarno in de oorlog de kans te baat heeft genomen om Nederland te bevechten, neem ik hem niet kwalijk. Maar dat hij honderdduizenden van zijn landgenoten heeft aangemoedigd in Japanse werkkampen te gaan waarvan hij wist dat velen van hen niet zouden terugkeren, dat neem ik hem hoogst kwalijk.”

Is dat nog steeds een struikelblok voor het naar Soekarno vernoemen van de openbare ruimte? Vermoedelijk wel. En terecht, zou ik zeggen.

Tegenover de vele nog levende slachtoffers van de Japanse, door Soekarno hartelijk toegejuichte terreur vind ik het van ‘pijnlijk onbegrip’ getuigen om nu te pleiten voor Soekarnostraten en Soekarnopleinen.

“#Soekarno is altijd beschouwd als collaborateur. "Terecht" vindt ook John Jansen van Galen. Het is dan ook stuitend dat radicale activisten - betrokken bij 'onafhankelijke' Indië-onderzoek - deze oorlogsmisdadiger mogen promoten als 'held' https://t.co/LtQ5mHsNkP
TWITTER.COM
“#Soekarno is altijd beschouwd als collaborateur. "Terecht" vindt ook John Jansen van Galen. Het is dan ook stuitend dat radicale activisten - betrokken bij 'onafhankelijke' Indië-onderzoek - deze oorlogsmisdadiger mogen promoten als 'held' https://t.co/LtQ5mHsNkP
“#Soekarno is altijd beschouwd als collaborateur. "Terecht" vindt ook John Jansen van Galen. Het is dan ook stuitend dat radicale activisten - betrokken bij 'onafhankelijke' Indië-onderzoek - deze oorlogsmisdadiger mogen promoten als 'held' https://t.co/LtQ5mHsNkP
Lees verder…

Programma Facebook ICM Video - kanaal

Programma Facebook ICM Video - kanaal

10897417876?profile=original

Goed nieuws! Zoals U weet heeft ICM Krant reeds sinds haar bestaan een Video kanaal op www.icm-online.nl en YouTube. Vanaf augustus werd dit kanaal op Facebook ICM groepen geimplementeerd en uitgetest ( Uitzendingen van 60 minuten). Hermee is bereik in 1 keer toegenomen met meer dan 100.000 kijkers.  Wij mogen stellen dat de proef succesvol geslaagde onderneming is.

Bovendien is ICM Video Kanaal en ICM Krant nu te ontvangen op uw flat/smart tv zodat U met de hele familie Hiervan kan genieten.

Wordt daarom vandaag nog abonnee !

Inschrijven op www.icm-online.nl ;

OP FACEBOOK GEPUBLICEERD 

PROGRAMMA  ICM VIDEO KANAAL 30 - 31 december 2019.

Deze is ook te ontvangen op uw flat/smart tv of uw smart-phone, en des temeer u dan geniet met de hele familie, en heeft ICM krantje bij de hand! Geen vreselijke Indische verhalen  zoals op NPO 2 van de BN/Vara, maar wat leuker!

Top 10 ICM Video-Kanaal zal tussen 30 december - 31 december worden uitgezonden op ICM Facebookgroepen; 

De kijkers stelde deze lijst samen :


1. That's my life van Andy Gina T Tielman
2. 60 Life in concert met Massada
3. Pasar Malam Steenwijk vooraankondiging van Dvd van Mana
4. De Weduwe van Indie leeft
5. Stamboel van RIP Ed Brodie
6. 60 minuten met The Crazy Rockers
7. Pasar Festival in de Rai
8. Xanur pasar malam Steenwijk
9. Pasar Malam Dordrecht
10. Honolou king TTF

Lees verder…

Tweede Kamer neemt FIN op in lobbyregister


Tweede Kamer neemt FIN op in lobbyregister

10897417090?profile=original

DEN HAAG (17 december 2019) - De Tweede Kamer schreef FIN vandaag officieel in in het openbare lobbyistenregister. Daarmee kent het Binnenhof voor het eerst een permanente Indische vertegenwoordiging. Op de foto voorzitter Hans Moll bij het horen van het nieuws

https://twitter.com/FederatieIn…/status/1207027754476158976…T

Hans en Misha proficiat pukul teroes !

Lees verder…

 Overhandiging ICM Press Release aan  Mr. Joko Widodo – President of the Republic Indonesia

Het is gelukt om even een momentje met Jokowi van gedachten te wisselen!

"Aku djuga orang Betawi ",  "Apa ini disini  ! " en waren vijf minuten verder, 

overhandigde ICM Presss Release, en ICT Informatieplan Jakarta Baru Masterplan.

Op zij lijn gaf Hans de Boer een knipoog !

Met dank Hans de Boer, Lilianne Ploumen, en KBRI allen dragen ICM een warm hart toe!

Onderstaand ICM Press Release zoals beloofd, de eerste mijlpaal is geslagen

voor het vervolg!

10897335872?profile=original10897336270?profile=original

KOPIE ICM PRESS RELEASE

Met dank aan Ellen !

10897314458?profile=original

 

April 22, 2016

ICM Press Release for Mr. Joko Widodo – President of the Republic Indonesia

On behalf of all 400.000 ICM-Online readers and the 9.000 signers of the Petition ‘Payment Treaty of Tractate from Wassenaar 1966’, I welcome you kindest at the Kurhaus in Scheveningen.

ICM-Online is the Dutch-Indonesian Internet paper, with the mission to provide the Dutch people and the Dutch Government, amongst others the daily developments of the Republic of Indonesia. Tilln now we have succeeded very well, in co-operation with our correspondents in Jakarta.

Saya orang Betawi !

As ICM-editor, I am very honoured with your visit. In fact, you are the fourth President, whom I happen to meet, although in a different entourage. The former three Presidents, I have personally met in a private-social atmosphere; the late Bung Karno was a business friend of my father, his daughter Mrs. Megawati Putri Dewi, I have known during my childhood in the age of 11 years, while I met her regularly in the Istana in Jakarta. In the summer of 1966, the late President Suharto and his retinues, came to visit my elderly house in Voorburg. My late father was advisor of the parliament at the time of Bung Karno. Unfortunately he died far to young at the age of 39. However, at heart he has always been an Indonesian.

Many of us (especially the Dutch-Indonesian Group/the Indisch people) still have their roots and ties in your beautiful country and we very much regret the cold attitude from the Dutch Government towards the Republic of Indonesia, regarding mutual relationship. On behalf of the 400.000 ICM-Online readers, please accept our sincere apologies. We feel ashame and like to express to you and the entire Indonesian people, to please look forward and give the Dutch Government a new opportunity.

Your intentions and ambitions for co-operation on economic and political affairs, with priority to intensification of the relationship between The Netherlands and the Republic of Indonesia, is and will always be our main and fervid wish. Besides that, this point also lays in the extension, as stipulated in the agreement of the ‘Treaty of Tractate from Wassenaar 1966’. For more than 50 years, the Dutch Government has failed to fulfil this part of the agreement, whilst the financial part in total has not been fulfilled at all.

They have never paid-off the Dutch-Indonesian Group for the amount of Dfl. 689 million. Your Government, has fulfilled this Treaty completely by payment of the whole amount, towards the Dutch Ministry of Foreign Affairs. As you might know, this amount was meant as a pay-off for compensation of the Dutch-Indonesian Group, for the loss of goods and chattels by leaving Indonesia (aka repatriation).

Now our readers and signers of aforementioned Petition, requested ICM to inform you of this long-lingering matter. We do know, that this case is an internal affair between the Dutch Government and the Ministry of Foreign Affairs, presided by Minister Bert Koenders. Nevertheless, we will have to look back on this item, in order to come in a humanitarian way, to a satisfactory solution for our Group of people.

Much effort has been made for many years, to organise Indonesia-Netherlands Business Forums, just like it is held today in 2016. This Forum is an excellent economical intitiative in order to present the Dutch Companies the possibilities which Indonesia offers to extend their business and to innovate further developments for Indonesia.

This now, leads us to the excellent development of the Jakarta Baru Masterplan in your former function being the Governor of Jakarta and which has been playful propagated worldwide. On request of former President Susilo Bambang Yudhoyono in 2008, the solution of the Jakarta Watermanagement Problem was developed by an independent Engineering Company in co-operation with private multinational investors. The latest report with integral solution for Jakarta, was officialy presented to former vice-governor Basuki Tjahaja Purnama, in February 2013. The settlement of the financial part is still being in negotiation with the private multinational investors. It must be noticed, that the investors wish, that this project will be carry out under direct management and that the Government is free to participate in this project.

For this huge megaproject, with estimated costs of 640 billion and that will offer approximately 640.000 jobs till the year 2028, an ICT Informationplan has been developed. For such a big megaproject, a thorough Informationplan is indispensable for support of efficient management, to conduct, control and to lead the organisation still to be established.

As I am an ICM-editor, emeritus ICT Management Consultant, I offer you this Information- plan symbolic and I would like to express our hope and wish, that the Dutch Government will follow this gesture, to invest largely and that other companies will follow as such, at the same time.

The ultimate wish is to embody your well-meant intentions and ambitions in a new agreement between The Netherlands and Indonesia, in the extension of the ‘Treaty of Tractate from Wassenaar 1966’ in which co-operation is one of the main stipulation of this agreement.

 

Ing. MBA Ferry Schwab ICM-Editor / ICM Online

10897314458?profile=original

 

22 april 2016

ICM Press Release voor Mr. Joko Widodo – President van de RI

Namens alle 400.000 ICM-Online lezers en 9000 ondertekenaars van de Petitie ‘Uitbetalen Traktaat van Wassenaar 1966’, heet ik U van harte een warm welkom toe in het Kurhaus te Scheveningen. ICM-Online is de Indische Internetkrant die als missie heeft om o.a. de ontwikkelingen van de Republiek Indonesië dagelijks onder de aandacht te brengen, bij het Nederlands publiek en de Nederlandse regering. Dit lukt ons tot op de dag van vandaag uitstekend, mede door samenwerking met onze correspondenten in Jakarta.

Saya orang betawi!

Als ICM-Editor ben ik zeer vereerd met uw bezoek. U bent de vierde president, met wie ik een persoonlijke ontmoeting mag hebben, zij het vandaag in een geheel andere entourage. De drie voorgaande presidenten heb ik persoonlijk namelijk  in de privésfeer gekend; wijlen Bung Karno, als zakenvriend van mijn vader, zijn dochter Megawati Putri Dewi die ik als kinderen van 11 jaar regelmatig in de Istana in Jakarta trof. In de zomer van 1966 bracht wijlen President Soeharto en zijn gevolg een bezoek aan mijn ouderlijk huis te Voorburg. Wijlen mijn vader was destijds onder Bung Karno als adviseur verbonden aan het parlement en overleed helaas veel te vroeg in de leeftijd van 39 jaar. In zijn hart echter is hij altijd Indonesiër gebleven.

Voor velen van ons (met name de Nederlands-Indische bevolkingsgroep, ook wel de ‘Indischen’) liggen  onze wortels -de banden- nog steeds in uw prachtige land en wij betreuren ten zeerste de kille houding en opstelling inzake de wederzijdse betrekkingen, die de Nederlandse regering tegenover de Republiek Indonesië uitdraagt.

Ik bied u als ICM-Editor en tevens namens die 400.000 lezers dan ook onze welgemeende excuses aan. Wij schamen ons hiervoor en spreken met u en het hele Indonesische volk de wens uit, om a.u.b. vooruit te kijken en de Nederlandse regering een nieuwe kans te geven.

 

Uw intenties en ambities voor samenwerking op economisch en politiek gebied met als prioriteit intensivering van de banden tussen Nederland en Indonesië, is en blijft onze voornaamste en vurige wens. Bovendien ligt dit uitgangspunt in het verlengde, dat wordt belichaamd door het ‘Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966’.

Nederland heeft zich op dit onderdeel van het verdrag ruim 50 jaar niet aan de afspraak gehouden, terwijl het financiële gedeelte in zijn geheel niet werd nagekomen. Nederland heeft namelijk Hfl. 689 miljoen nimmer uitbetaald aan de Indische Gemeenschap. Uw regering heeft zich met de betaling aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, tot op de laatste cent aan uw verplichtingen voldaan. Dit bedrag werd betaald ter compensatie voor het verlies van al onze bezittingen tijdens het vertrek, de z.g. repatriëring, uit de Republiek Indonesië.

Onze lezers en ondertekenaars van eerdergenoemde Petitie vinden, dat ICM u hiervan op de hoogte dient te stellen. Wij beseffen tegelijkertijd, dat dit een interne kwestie betreft tussen de Indische Gemeenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken onder leiding van Minister Bert Koenders. Desalniettemin zullen wij op dit punt moeten terugblikken, om deze langslepende kwestie op humanitaire wijze voor de Indische Gemeenschap tot een bevredigende oplossing te kunnen brengen.

Er wordt al jaren veel inspanning gestoken in het organiseren van Indonesia –  Netherlands Business Forums, zoals ook nu weer het geval is voor 2016. Dit forum is economisch een heel goed initiatief om Nederlandse bedrijven in contact te laten brengen met de mogelijkheden die Indonesië biedt voor de groei van deze bedrijven en de verdere innovatieve ontwikkelingen van de Republiek.

Dit brengt ons bij het Jakarta Baru Masterplan dat u destijds in 2012/2013 als Gouverneur van Jakarta uitmuntend heeft ontwikkeld en ook ludiek wereldwijd heeft uitgedragen. 
Op verzoek van de toenmalig president Susilo Bambang Yudhoyono (SBY) in 2008 was de oplossing van het Jakarta Watermanagement Probleem ontwikkeld door een onafhankelijk ingenieursbureau in samenwerking met private multinationals investors. Het laatste rapport met de integrale oplossing voor Jakarta, was officieel afgegeven in februari 2013 aan toenmalig vice-gouverneur Basuki Tjahaja Purnama (Ahok). De oplossing van het financiële deel is nog in onderhandeling met de private multinationals investors. Het dient te worden opgemerkt, dat de investeerders wensen, dat het project in eigen beheer wordt uitgevoerd en de overheid is vrij om in het project te participeren.

Voor dit immense megaproject dat tot het jaar 2028 zo’n 640.000 arbeidsplaatsen biedt, met kosten geraamd op 640 miljard,  is een ‘ICT Informatieplan JBM” ontwikkeld. Voor een dergelijk megaproject is een gedegen informatieplan onontbeerlijk, ter ondersteuning van een doelmatige bedrijfsvoering voor de nog op te zetten organisatie, om deze mega- projecten te beheren, te controleren en aan te sturen.

Als ICM Editor – emeritus ICT Management Consultant, stel ik symbolisch dit informatieplan beschikbaar en spreek ik de hoop uit, dat de Nederlandse overheid dit voorbeeld zal volgen door ruim te investeren en dat tevens andere Nederlandse bedrijven het voorbeeld zullen volgen.

 

De ultieme wens is om uw welgemeende intenties en ambities te belichamen in een nieuw te sluiten verdrag tussen Nederland en Indonesië, in het verlengde van het ‘Verdrag van Wassenaar 1966’ waarin het samenwerkingsverband tot één van de belangrijkste  overeenkomsten behoort.

 

 

Ing. mba. Ferry Schwab ICM-Editor / ICM Online

10897234678?profile=original

Steun ACTW66 ! 

Uw donatie  kan U storten op Rabo rekening NL41 RABO 03977255 07   ten name van F.Schwab / ICM Online onder vermelding van donatie Traktaat van Wassenaar.

Lees verder…

Het weerzien met Anton

10897358699?profile=originalHet weerzien met Anton

Zwemlessen in Tjihampelas, de vlucht naar een beschermingskamp en het weerzien met een oude vriend in Bandoeng/Bandung: Ami Emanuel vertelt.

Door Ami Emanuel

Ami Emanuel, ca. 1950

Op een goede dag, ergens medio 1944, kwam een zekere Anton Matulessy bij ons binnenwaaien. Anton was die dag uit de Soekamiskin gevangenis vrijgelaten. Een medegevangene, oom Henk Matulessija, had Anton aangeraden bij ons onderdak te zoeken.

‘Ons’ was onze woning in Bandoeng op Kebon Djoekoet 11, van tante Ootje Berhitoe, oudste zuster van moederskant, waar wij na de Japanse inval uit Buitenzorg naar toe waren verhuisd om zo gezamenlijk bezetting en oorlog door te komen.

Anton, ongeveer 20 jaar oud, bleek een ‘oud-Steurtje’ te zijn, dat wil zeggen een voormalig kind van het bekende Protestants kindertehuis van Pa van der Steur in Magelang. Waarom hij door de Japanners was gevangen genomen heeft hij nooit verteld.

Dit ‘binnenwaaien’ was ons niet geheel onbekend. Enige tijd daarvoor was ene Aadje Runtuwene al enige dagen bij ons wezen logeren, onderweg van de olievelden van Pladjoe naar Australië. Dat reisdoel was te hoog gegrepen. Nadat hij zich in Soerabaja had aangesloten bij een verzetsgroep, werd hij door de Kenpeitai gevangen genomen en ter dood gebracht.

Het zwembad Tjihampelas, Bandoeng (TM-60017144)

Voor mij als 13-jarige puber bleek deze binnenvallende Anton een waardevolle pedagoog. Gedurende de wandeling ‘s zondags naar zwembad Tjihampelas mocht ik van Anton menig opvoedkundig advies ontvangen, een ervaren ‘Steurtje’ waardig. Hij was degene die mij heeft leren zwemmen toen de Nederlandse scholen gesloten waren en alles wat het leren waard was, werd aangegrepen. 

Bersiap in Bandoeng

Op een morgen, als ik me uit een later schoolopstel herinner zondag 25 november 1945, bleken de straten bij het aanbreken van de dag uitgestorven, onder een geheel bewolkte opvallend donkere hemel, met continu zware regenbuien. De hele dag lag een onheilspellende sfeer over de stad. Ook in Bandoeng was de bersiap uitgebroken.

Uit de pers hadden we inmiddels vernomen van de strijd tussen het Britse leger en de Indonesische jeugd in Soerabaja en Semarang. Omdat we aan de spoorbaan woonden waren wij nu getuige van het krijgshaftig ‘merdeka’-geschreeuw uit een binnenkomende trein. De arriverende troepen uit Midden- en Oost-Java noemden de bevolking van de Preanger, de Soendanezen, ‘bancis’, kerels zonder moed,  slappelingen, die hoognodig moesten worden wakker geschud.

Tegen de middag vroeg Tante Ootje ons of we naar het Tjihapitkamp wilden gaan, om te kijken of we daar terecht konden als we eventueel zouden moeten vluchten. In de nog steeds vallende zware regen begaven Anton en ik ons op weg. Via de Landraadweg, Javastraat, Niasstraat en Billitonpark reden wij langs het Jaarbeursgebouw richting Tjihapit. Door de vele modderpoelen in de weg dreigden onze massieve rubberbanden van hun velgen te lopen.

Bandoeng: uitgebrande bioscoop aan de aloon2, voorjaar 1946.

In de Noorder Kampementsstraat vonden wij in een reeds half bewoonde woning nog een lange kamer met slaapgelegenheid. Onder een lang bamboebed was een lege ruimte om eventuele koffers, tassen, etc. met kleding in onder te brengen.

Eerst de volgende dag – de regen was opgehouden en de zon scheen weer – keerden wij terug naar huis. De achterblijvers vertelden ons een angstige nacht te hebben beleefd toen een groepBoeka! (Open!)-schreeuwende rampokkers op de gesloten deuren en ramen bonsden. Door een geopende raam had Tante Ootje om hulp geschreeuwd. De djaga (nachtwaker) van de buren bleek over een revolver te beschikken. Enkele schoten in de lucht had de rovers op de vlucht doen slaan.

De Amerikaanse hoogleraar Smail maakt in zijn studie ‘Bandung in the early revolution 1945-1946’ (Cornell University Press, 1964) duidelijk dat, gezien het beperkte aantal vuurwapens waar de nationalisten in Bandoeng over beschikten, deze helper een vooraanstaand leider onder de plaatselijke pemoedas moet zijn geweest. Het buitengewoon bijzondere feit deed zich hier dus voor dat een jonge Indonesische vrijheidsstrijder het leven van de belaagde Indisch-Nederlandse buren wist te redden!

Met een toevallig langskomende vrachtauto van de MTD (Militaire Transport Dienst), reeds half gevuld met vluchtelingen uit Kebon Kawoeng, konden wij allen naar onze nieuwe vluchtwoning in het beschermde deel van de stad worden vervoerd. Hier zouden wij voorlopig blijven wonen, tot ons vertrek naar Nederland, in juli 1947.

Een weerzien

In 1970 keerde ik voor het eerst weer terug naar Bandoeng. We logeerden bij een Indonesische familie aan het Tjitaroemplein. Onze gastvrouw vertelde ons dat haar zoon leerling was op de plaatselijke Hogere Technische School (HTS) met een zeer gewaardeerde directeur, een ‘oud-Steurtje’ luisterend naar de naam ‘Pak Mat’.
Nieuwsgierig gemaakt door de combinatie ‘Mat’ en ‘Steurtje’, vroeg ik haar of de bewuste directeur toevallig Matulessy heette. Verrast keek zij me aan: “Ja, ken je hem dan?”
Ik vroeg of haar zoon aan Pak Mat wilde vertellen dat ik hem graag wilde ontmoeten. De jongen kende mijn naam niet, en sprak slechts over ‘een logé uit Holland’. “Vertel je gast maar dat ik straks om 5 uur bij jullie thuis langs kom”, was het antwoord.

Pak Mat kwam zelfs nog wat vroeger, net toen ik uit de badkamer kwam. Van achter in het huis zag ik hem in de voorgalerij staan: het wás hem!!!
“Anton!”, riep ik hem toe.
Tot mijn verbazing verstijfde hij, zonder te reageren. Toen ik naderbij kwam zag ik echter een zeer geëmotioneerde Anton.
Wij omhelsden elkaar en toen vertelde hij: “Ik heet geen Anton, maar Daniel. Anton was mijn zelf gekozen schuilnaam toen ik uit de Soekamiskin-gevangenis werd ontslagen.”
Toen wist ‘Anton’ ook wie ík was.

In een Soendanees visrestaurant, op een ons zo bekende plek vlakbij Tjihampelas, hebben we elkaar ons levensverhaal verteld, vanaf het moment van die gezamenlijke vlucht naar Tjihapit.

Lees verder…

Geschiedenis : Trakaat van Wassenaar - Deel VI

Geschiedenis : Trakaat van Wassenaar  - Deel VI

 (komt ook in 10 delen uit in ons ICM Bulletin) 

 

6.     Nederland komt de financiële uitvoering niet na

10897330276?profile=original

 

10897354098?profile=original

Op de redactie 

van ICM -de Indische Internetkrant opgericht in 1999-  kwamen veel reacties binnen van abonnees/lezers met betrekking tot het financiële onderdeel van dit Verdrag. Waarom wordt niets ondernomen door de Indische belangenorganisaties aangesloten bij het Indisch Platform, of door het Indisch Platform zelf? Er zijn praktijkgevallen bekend van claimanten, die door het betreffende Ministerie van Buitenlandse Zaken (Min. van BuZa) van het kastje naar de muur werden gestuurd, met de letterlijke mededeling “het geld maar bij Soekarno te innen”

 

 Tijdens het IP & ICM-Festival in oktober 2009 stelde Halbe Zijlstra (oppositie VVD) Kamervragen met betrekking tot ‘waar het bedrag van Hfl. 600 miljoen is gebleven?’.           

 

(Zie reportage ICM Link: http://icmonline.ning.com/video/reportage-ip-manisfestatie-ip

  

De Nederlandse Overheid, in dezen vertegenwoordigd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt verweten het financiële gedeelte van het Verdrag bewust niet conform te hebben uitgevoerd en verzuimd de Nederlandse - Indische Gemeenschap erop te wijzen, dan wel te informeren over de mogelijkheden van deze voorziening.

Publicatie verscheen, zij het gedurende een zeer korte periode van drie maanden, in de -voor de meeste getroffenen weinig toegankelijke- Staatscourant. Tegelijkertijd zijn gedurende de periode 1966 tot 2015 voldoende mogelijkheden aanwezig geweest om deze voorlichting via haar collega ‘het Ministerie van VWS’ alsnog te regelen, opdat de betreffende Nederlands-Indische bevolkingsgroep zich kon beroepen bij;

 

  • de gehouden onderzoekscommissies - Contactgroep Tegoeden WO-II

(Commissie Van Kemenade), - Commissie Kordes (Tastbare zaken), - Commissie Scholten (Financiële tegoeden), - Commissie Van Galen (Indische tegoeden), - Commissie Ekkart (Teruggave Kunst) 

  • 2000 Het Gebaar
  • WUV (1973), WUBO (1984) en WIV (1986), KNIL-uitkering 10 december 2015

Daaraanvolgend zal de forse kapitaalvernietiging over een periode van ruim 15 jaar voor rekening komen van de Nederlandse Staat, waar de gulden een forse koersval maakte door invoering van de Euro in 2001, door het ontzien van vruchtbaar gebruik van het kapitaal, rente op rente en indexering.  

10897257083?profile=originalAFM & De Nederlandsche Bank   

                    

Naar aanleiding van verzoeken van ICM-lezers zijn de AFM en De Nederlandsche Bank benaderd.  Deze laatste ter verificatie of inderdaad de betalingen aan Nederland hebben plaatsgevonden (zie e-mail berichten in de bijlage).

Om beide BV’s, ClaimIndo en BelIndo, als toezichthouder bedrijfsmatig aan de kaak te stellen, diende de ICM Redactie een klacht in bij de AFM, met als insteek vanuit het perspectief van de consument. De AFM was van mening dat deze zaak te complex was en niet tot hun werkterrein behoort. Bij navraag bevestigt de Nederlandsche Bank, dat de Republiek Indonesië de bedragen volledig heeft overgemaakt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor het laatst in 2001.

 

Lees verder…

Ons beeld van de pemoeda

Veel Indonesische jongeren kregen hun militaire training in de Japanse periode, 1942-1945

Door Mary van Delden

Het beeld van de pemoeda in de Nederlandse literatuur is uiterst negatief: alle pemoedawaren gewelddadig, ongeorganiseerd en ongedisciplineerd. Natuurlijk toont de Bersiapperiode aan dat tal van pemoeda misbruik maakten van de ‘Merdeka’ (vrijheid) om hun gewelddadige gang te gaan. Aan de andere kant echter waren er dankzij Japanse opleidingen wel degelijk gedisciplineerde en georganiseerde pemoeda

Volgens een Japanse bron kregen ca. 2 miljoen Indonesische jongeren in de  leeftijd van twaalf tot tweeëntwintig jaar (semi)- militaire opleidingen in het vrijwilligersleger (PETA), op politie- en zeevaartscholen, in (middelbare school) studentenkorpsen en in jeugdorganisaties als de Seinendan, Hizboellah en het Voorvechterskorps. De harde, intensieve  opleidingen waren op Japanse militaire leest geschoeid met aandacht voor discipline, nationalisme en zelfvertrouwen. Jongeren met leiderschapskwaliteiten volgden kaderopleidingen voor (onder)officier, stuurman en brigadier in trainingscentra. Daarna werden ze teruggestuurd naar hun regio om onder Japanse leiding lokalepemoeda te trainen en de organisatie uit te breiden. Op deze manier vormden zich netwerken over heel Java; reden waarom de revolutie overal tegelijk kon oplaaien. Alleen al van de PETA lagen 61 getrainde bataljons verspreid over Java, 5 op Madura en 3 op Bali. Totaal ca. 37.000 man.

Als gevolg van deze opleidingen was het mogelijk dat de jeugd in staat bleek zich na de capitulatie vrijwel meteen over heel Java te organiseren. Na een oproep van Soekarno op 23 augustus 1945 werd op basis van de PETA de BKR (Volksveiligheid Organisatie) opgericht die vervolgens al op 5 oktober overging in het Indonesische leger. De op 18 november! geopende Militaire Academie in Tangerang (MAT) moest voorzien in nieuwe kaders. Stuurlui en matrozen legden binnen twee maanden in verschillende kustplaatsen de basis voor de Indonesische marine en de inheemse politie die al onder de Japanners functioneerde, organiseerde een republikeinse  politiekorps. De Hizboellah en het Voortrekkerskorps vormden hun eigen militaire eenheden en op verschillende vliegvelden werd zelfs een embryonale luchtmacht opgezet. Daarnaast vormden zich honderden meer of minder getrainde en georganiseerde   strijdgroepen op basis van etniciteit, partij of geloof.

Vanaf medio september 1945 werd duidelijk dat een uitbarsting van geweld en anarchie onvermijdelijk was. Ook Soekarno besefte al snel dat de revolutie uit de hand liep. Op 9 oktober 1945 schreef hij een brief aan de Britse bevelhebber op Java, luitenant-generaal Christison, waarin hij o.a. stelde dat de (Indo)-Europese burgers aan alle kanten omringd waren door miljoenen Indonesiërs. Hij vroeg zich af wie hun veiligheid kon garanderen wanneer massahysterie in de plaats kwam van de ideologie van de vrijheid. Er waren al voldoende bewijzen van een Indonesisch-Nederlandse strijd met de ongewenste trekken van een rassenoorlog.

Oktober 1945

Frappant is dat twee dagen later, tussen 11  en 19 oktober 1945 onverwacht de internering begon van (Indo)-Europese oudere mannen en weerbare jongens in het binnenland van Java. Zij werden door lokale pemoeda (of politie) van huis opgehaald of kregen het bevel zich ergens te verzamelen. Opvallend is dat in onrustige residenties vrouwen en kinderen tegelijk met de mannen werden geïnterneerd. Dat was het geval in heel West-Java en in residenties als Pekalongan, Madioen en Soerabaja. Vanwege felle Brits-Indonesische gevechten in de corridor Semarang/Magelang en in Soerabaja werden eind oktober en in november en december ook de overige vrouwen en kinderen geïnterneerd. Lokale politie en pemoeda bewaakten de geïnterneerden in zogenoemde Republikeinse kampen. Meestal kwamen de geïnterneerden veilig in hun kampen aan. Bij de gevangenissen in Buitenzorg, Koeningan, Brebes en Poerworedjo en vooral in Soerabaja echter liepen de interneringen uit de hand en vonden moorden plaats als gevolg van lokale gewelddadigheden. Totaal hebben pemoeda en politie ca. 46.000 (Indo)-Europeanen in veiligheid gebracht en bewaakt, waardoor veel bersiapslachtoffers zijn voorkomen.

Niet veel later kwamen pemoeda opnieuw in actie toen de Britten in december 1945 de Indonesische regering verzochten de ex-Japanse gevangenen in de Republikeinse kampen (plus de (Indo)-Europese geïnterneerden) naar de Britse bruggenhoofden te transporteren. De Indonesische regering ging akkoord en de organisatie van de evacuaties kwam in handen van een speciaal opgericht Indonesisch legeronderdeel; de POPDA (organisatie voor transport van Japanners en APWI [ex-Japanse gevangenen]). Met grote aandacht voor de veiligheid van de evacués heeft de POPDA allen die wilden evacueren naar Batavia en Semarang vervoerd.

Gewelddadig, ongeorganiseerd en ongedisciplineerd? Een onbekend aantal  zeker, maar daartegenover staan vele pemoeda die in twee logistiek gecompliceerde  acties ca. 46.000 (Indo)-Europeanen het leven hebben gered, bewaakt en veilig geëvacueerd naar de Britse bruggenhoofden.

x
x
Dit artikel verscheen eerder, onder de titel ´De andere kant van de Bersiap´, in Pelita Nieuws, jaargang 23, nr.3, december 2016.

Lees verder…

Indië-docu leidt tot klacht bij NPO

10897415080?profile=original

Indië-docu leidt tot klacht bij NPO

DEN HAAG (19 december 2019) – Federatie Indische Nederlanders (FIN) heeft bij de NPO een officiële klacht neergelegd over de omstreden BNNVARA-docu ‘Onze Jongens op Java’. Al sinds de eerste uitzending is er forse kritiek, onder meer omdat BNNVARA weigert manipulatieve dodencijfers te rectificeren. “Dit riekt naar politiek activisme” aldus FIN-voorzitter Hans Moll.

“Wij staan voor onze geschiedenis en onjuiste voorstellingen van zaken zullen wij altijd aankaarten. Ondanks keiharde feiten en cijfers steekt BNNVARA haar kop in het zand. FIN kan daarom niet anders dan de kwestie nu bij de NPO voor te leggen” aldus Moll. Het blijft een raadsel waarom BNNVARA de onjuiste dodencijfers niet gewoon rectificeert. De omroep zelf rechtvaardigt haar alternatieve feiten door te verwijzen naar schattingen van het NIOD. Opmerkelijk, want de cijfers van het NIOD bevestigen juist dat BNNVARA het totaal aantal Nederlandse slachtoffers significant lager voorspiegelt dan dat er in werkelijkheid vielen. “Onbegrijpelijk” liet Moll twee weken geleden weten.

De documentairereeks ligt al vanaf het begin onder vuur, onder meer omdat BNNVARA onvolledige en suggestieve dodencijfers blijkt te hanteren. De onjuiste cijfers zorgden voor de nodige onrust onder met name Indische Nederlanders, omdat hun doden door de omroep zijn weggemoffeld, terwijl zij zwaar hebben geleden onder Indonesische terreur. In de tweede aflevering gooide BNNVARA zowaar olie op het vuur door kijkers wijs te maken dat Indische Nederlanders tijdens de Bersiap door Indonesiërs zouden zijn afgeslacht omdat zij “met de Hollanders samenwerken”. De eigenlijke reden, hun Nederlandse afkomst, werd verzwegen.

Bersiap, Maleis voor “Wees paraat” of “Geef acht!”, slaat op de uiterst gewelddadige periode, die volgde op de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Gedurende de Bersiap zijn tienduizenden (Indische) Nederlanders op gruwelijke wijze gemarteld, verkracht en vermoord door Indonesiërs, vanwege hun Nederlandse c.q. Europese etniciteit. Ook Chinezen, Molukkers en andere etnische minderheden waren de klos, omdat zij werden verdacht Nederlandsgezind te zijn. Het exacte aantal Nederlandse slachtoffers dat tijdens de Bersiap is gevallen is tot op de dag van vandaag onduidelijk. De schattingen variëren tussen de 15.000 en 30.000 doden en 15.000 vermisten.

BNNVARA rept echter over “ruim 100.000 Indonesiërs en meer dan 6.000 Nederlandse militairen” die tussen 1945 en 1949 om het leven zouden zijn gekomen. Daarmee gaat BNNVARA volledig voorbij aan de tienduizenden Nederlandse burgerdoden, die slachtoffer werden van Indonesiërs, gedurende dezelfde periode. FIN riep BNNVARA daarom herhaaldelijk op om te rectificeren, maar dat weigert de omroep vooralsnog. In een verklaring verwees BNNVARA naar schattingen van het NIOD. De cijfers van het NIOD bevestigen echter dat BNNVARA het totaal aantal Nederlandse doden significant lager voorspiegelt dan dat er in werkelijkheid vielen.

bron: http://www.federatie-indo.nl/19-12-19/

Lees verder…

Herstelbetalingen Indie

MICHEL MAAS IN UTRECHT

Nederland komt altijd maar weer met geld, en altijd te weinig

763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8



Jan Banning heeft een sterke band met zijn onderwerpen. Zelfs een oorlog van 75 jaar geleden weet hij te portretteren. In Sporen van oorlog deed hij dat door 24 overlevenden van de Birma- en Pakanbaroe-spoorweg te fotograferen, onder wie zijn eigen vader. De mannen stonden allemaal met ontbloot bovenlijf op de foto, alsof ze net van het werk aan de spoorlijn waren gekomen. Banning bracht het allemaal dichtbij, en het laat ook hemzelf niet los. Sporen van oorlog is een van de twee projecten die Banning aan de Japanse bezetting van Indonesië wijdde. Het andere is Troostmeisjes, dat hij in 2010 maakte met journaliste Hilde Janssen, over vrouwen die in hun jeugd door de Japanse bezetter in soldatenbordelen waren gestopt.

Ik spreek Banning thuis over herstelbetalingen en eerherstel, onderwerpen die telkens weer opgerakeld worden, en die de komende weken misschien voor de zoveelste keer weer bij de Nederlandse regering op tafel worden gelegd. Hij wil er graag over praten, hij heeft wel een mening, maar wel met de kanttekening dat hij helemaal geen expert is. 

763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8
Jan Banning: ‘Hoelang moet je oude mensen hiermee belasten?’

De oorlog is alweer bijna 75 jaar geleden. Misschien wordt het tijd daar eens mee te stoppen? Banning: ‘Begrijp goed: ik heb niks tegen het geven van geld. Troostmeisjes waren nu 80, 85 jaar oud en stonden nog steeds op het land te werken. Niet omdat ze dat leuk vonden, maar omdat ze moesten, uit pure armoede die voor een deel een gevolg was van wat ze hadden doorgemaakt. Omdat ze niet konden trouwen, omdat hun baarmoeder aan gort was. Ik gun het die vrouwen van harte. Maar alles wat ze kregen werd geplunderd, door de kepala desa (het dorpshoofd), door de gemeenschap, een soort gotong royong-achtige toestand.’

Hij haalt het voorbeeld van Rawagede aan: daar kregen de weduwen van mannen die door de Nederlanders waren afgeslacht ieder 20 duizend euro. Ze hebben er niet van kunnen genieten. Iedereen plunderde ze, en de weduwen bleven achter met een wrok die ze heel hun leven nog niet hadden gevoeld. De enige die zich beter voelde was de Nederlandse staat, die op dezelfde voet verder ging.

Bannings vader kreeg compensatie: ‘Mijn eigen vader, die heeft dat geld wel geaccepteerd. 7.500 gulden als ik het goed heb. Hij deed daar zelf nogal schamper over. De enorme tijd die er overheen was gegaan, en dan dat luttele bedrag...’ zegt Banning.

763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8
Sporen van oorlog.

‘Dat automatisch naar geld grijpen, dat is toch altijd een beetje op een koopje, en dus is het dan symbolisch, en eigenlijk peanuts. Ze vervangen morele afhandeling door financiële afhandeling.’

Zijn invoelingsvermogen speelt hem misschien parten. Hij ziet hoe mensen lijden onder hun eigen woede, die hun leven verzuurt. ‘Hoe lang moet je oude mannen en vrouwen hiermee belasten? Is het niet beter ze dat te besparen?’

Maar ook Banning weet wel dat er te veel onrecht is begaan door de Nederlandse staat om het zomaar te vergeten. Vooral tegen de Indische Nederlanders die na 1949 naar Nederland kwamen en hier als ongewenste kostgangers werden bejegend. Ze werden in pensions gestopt die ze zelf moesten betalen, en ze kregen een voorschot van de staat dat ze moesten terugbetalen. Maar hun salaris over de oorlogsjaren dat kregen ze niet. Tot op de dag van vandaag.

‘Dat was bar, heel vreselijk. Van die mensen kun je natuurlijk niet verwachten dat ze het erbij laten zitten. Zelfs de tweede generatie heeft er onder geleden. Je hoeft er Van Dis maar op na te lezen.’

763?appId=93a17a8fd81db0de025c8abd1cca1279&quality=0.8
Ellen van der Ploeg.

Dertig Nederlandse kabinetten hebben de kwestie doorgeschoven naar het volgende. Nu ligt het weer in de Tweede Kamer. De SP heeft nu een motie ingediend, waarin wordt gevraagd om instelling van een ‘commissie van wijze personen’ die een ‘finaal oordeel’ moet gaan vellen over wat Nederland verschuldigd is aan de overlevenden van de Japanse bezetting en hun nabestaanden. En dan gaat het natuurlijk over geld, tientallen miljarden in dit geval.

Banning vreest dat zelfs die miljarden de woede nooit kunnen wegnemen. Hij vertelt over de Nederlandse Ellen van der Ploeg, een van de troostmeisjes die hij fotografeerde. Haar werd geld aangeboden uit Japan. Banning: ‘Het was ingezameld geld, en het werd niet gepresenteerd als geld van de Japanse staat. Ellen vond dat de staat zich verantwoordelijk zou moeten stellen. Ze hoefde dat geld niet. Ze had, denk ik, veel liever gehad dat het verhaal van de troostmeisjes eerlijk in de Japanse schoolboeken zou zijn gekomen.’

Lees verder…

10897234678?profile=originalRapport Traktaat van Wassenaar in boekvorm door  Calbona uitgegeven, en is nu te bestellen.

Vele vragen via de telefoon, per email , brieven  op ICM stand komen op de redactie binnen, daarom werd besloten tot uitgave boekvorm.  Al uw vragen worden met dit rapport beantwoord, ook de wijze waarop de uitbetaling  worden voorgesteld.  De stappen die al zijn ondernomen, en de nog te nemen stappen.

Het boek is bestemd voor de groep  die het verdrag traktaat van Wassenaar niet kent, de groep die de petitie hebben ondertekend. En de groep die zich hebben ingeschreven als deelnemer van de claimorganisatie ACTW – 66. Wie hebben aan het rapport gewerkt? Bestuur van Nines Zuid, ICM redactie team, en team advocaten.

Om de feiten boven tafel te krijgen werd als leidraad het document “To forget of a promise for the Future" van het Ministerie van Buitenlandse zaken gebruikt. Bij de onderzoeken van de feiten zijn uiteraard mensen ondervraagt. Zo geeft meer dan 15.000 aan nooit van het verdrag te hebben gehoord. Dit wordt min of meer ondersteund door WOB – verzoeken aan de andere Ministeries o.a. Economische zaken.

Het rapport geeft ook aan de momenten dat de NL Staat mogelijkheid had om openbaar te maken. Ook komt aan de orde  wat de waarde nu  is van het bedrag van traktaat dat in 1966 werd gesloten. Voor de opwaardering van het vermogen (689 miljoen – 39 miljoen) zijn verschillen rekenmethodes. Voor de hand liggend is uiteraard voor welk percentage de 689 miljoen had op de begroting van de miljoenennota 1966 . Niet de rente maar deze percentage dient vervolgens tegen de miljarden van nota 2019 te worden aan gehouden.

Rapport gaat in welke stappen reeds zijn ondernomen in fase I , welke stappen voor Fase II. Niet onbelangrijk is dat wordt voorgesteld de uitbetaling conform het model Het Gebaar te hanteren, dus niet conform de uitdelingswet van Traktaat.

Kortom dit rapport geeft u het inzicht wat zoal staat te gebeuren.

Het rapport boek onder het ISBN nummer 978-94-92575-18-0 is nu te bestellen via schwab@ICM-online.nl . Prijs             50 euro inclusief verzendkosten,

 

Bestelformulier rapport boek Rapport traktaat van Wassenaar onder het ISBN nummer 978-94-92575-18-0

Aantal             ____________ exemplaren

Naam ___________________________________________________________________

Adres____________________________________________________________________

Postcode _________________________________________________________________

Woonplaats _______________________________________________________________

Telefoon __________________________________________________________________

 

Formulier kan U ook sturen naar F.Schwab/ICM wouterskampen 68 - 3849 BC Hierden

                                                  KVK - nummer 72173122

Lees verder…

Staatsbezoek Indonesië 

10897416055?profile=original

Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander en Hare Majesteit Koningin Máxima brengen op uitnodiging van president Joko Widodo een staatsbezoek aan de Republiek Indonesië. Het bezoek vindt plaats in de week van 9 maart.

Het staatsbezoek is een bevestiging van de brede en hechte relatie tussen beide landen en staat in het teken van toekomstgerichte samenwerking op het gebied van landbouw, gezondheid, maritieme industrie en kustbescherming, circulaire economie en watertechnologie. Ook wordt aandacht besteed aan natuurbehoud, wetenschap, cultuur en de vele banden die, onder meer op basis van het gedeelde verleden, bestaan tussen Indonesiërs en Nederlanders.
De Koning en Koningin worden bij hun bezoek begeleid door minister Blok van Buitenlandse Zaken.

Minister Kaag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, minister Van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat en minister Bruins voor Medische Zorg en Sport leiden gelijktijdig een brede handelsmissie naar Indonesië om het potentieel voor economische samenwerking te benutten.

Op 23 april 2016, drie jaar geleden werd aan de president Jokowi Dodo persoonlijk door Ferry Schwab sr. ICM pers Release overhandigd, waarin werd gesteld dat tussen Nederland en Indonesie een nieuw handelsverdrag te sluiten. Dit in het verlengde  van Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966 werd gesloten.  Onderstaand het document dat namens de ICM abonnees en 15.000 die de petitie traktaat van Wassenaar hebben ondertekend.

ICM Press Release for Mr. Joko Widodo – President of the Republic Indonesia

Het is gelukt om even een momentje met Jokowi van gedachten te wisselen!

"Aku djuga orang Betawi ",  "Apa ini disini  ! " en waren vijf minuten verder, 

overhandigde ICM Presss Release, en ICT Informatieplan Jakarta Baru Masterplan.

Op zij lijn gaf Hans de Boer een knipoog !

Met dank Hans de Boer, Lilianne Ploumen, en KBRI allen dragen ICM een warm hart toe!

Onderstaand ICM Press Release zoals beloofd, de eerste mijlpaal is geslagen

voor het vervolg!

10897335872?profile=original10897336270?profile=original

KOPIE ICM PRESS RELEASE

Met dank aan Ellen !

10897314458?profile=original

 

April 22, 2016

ICM Press Release for Mr. Joko Widodo – President of the Republic Indonesia

On behalf of all 400.000 ICM-Online readers and the 9.000 signers of the Petition ‘Payment Treaty of Tractate from Wassenaar 1966’, I welcome you kindest at the Kurhaus in Scheveningen.

ICM-Online is the Dutch-Indonesian Internet paper, with the mission to provide the Dutch people and the Dutch Government, amongst others the daily developments of the Republic of Indonesia. Tilln now we have succeeded very well, in co-operation with our correspondents in Jakarta.

Saya orang Betawi !

As ICM-editor, I am very honoured with your visit. In fact, you are the fourth President, whom I happen to meet, although in a different entourage. The former three Presidents, I have personally met in a private-social atmosphere; the late Bung Karno was a business friend of my father, his daughter Mrs. Megawati Putri Dewi, I have known during my childhood in the age of 11 years, while I met her regularly in the Istana in Jakarta. In the summer of 1966, the late President Suharto and his retinues, came to visit my elderly house in Voorburg. My late father was advisor of the parliament at the time of Bung Karno. Unfortunately he died far to young at the age of 39. However, at heart he has always been an Indonesian.

Many of us (especially the Dutch-Indonesian Group/the Indisch people) still have their roots and ties in your beautiful country and we very much regret the cold attitude from the Dutch Government towards the Republic of Indonesia, regarding mutual relationship. On behalf of the 400.000 ICM-Online readers, please accept our sincere apologies. We feel ashame and like to express to you and the entire Indonesian people, to please look forward and give the Dutch Government a new opportunity.

Your intentions and ambitions for co-operation on economic and political affairs, with priority to intensification of the relationship between The Netherlands and the Republic of Indonesia, is and will always be our main and fervid wish. Besides that, this point also lays in the extension, as stipulated in the agreement of the ‘Treaty of Tractate from Wassenaar 1966’. For more than 50 years, the Dutch Government has failed to fulfil this part of the agreement, whilst the financial part in total has not been fulfilled at all.

They have never paid-off the Dutch-Indonesian Group for the amount of Dfl. 689 million. Your Government, has fulfilled this Treaty completely by payment of the whole amount, towards the Dutch Ministry of Foreign Affairs. As you might know, this amount was meant as a pay-off for compensation of the Dutch-Indonesian Group, for the loss of goods and chattels by leaving Indonesia (aka repatriation).

Now our readers and signers of aforementioned Petition, requested ICM to inform you of this long-lingering matter. We do know, that this case is an internal affair between the Dutch Government and the Ministry of Foreign Affairs, presided by Minister Bert Koenders. Nevertheless, we will have to look back on this item, in order to come in a humanitarian way, to a satisfactory solution for our Group of people.

Much effort has been made for many years, to organise Indonesia-Netherlands Business Forums, just like it is held today in 2016. This Forum is an excellent economical intitiative in order to present the Dutch Companies the possibilities which Indonesia offers to extend their business and to innovate further developments for Indonesia.

This now, leads us to the excellent development of the Jakarta Baru Masterplan in your former function being the Governor of Jakarta and which has been playful propagated worldwide. On request of former President Susilo Bambang Yudhoyono in 2008, the solution of the Jakarta Watermanagement Problem was developed by an independent Engineering Company in co-operation with private multinational investors. The latest report with integral solution for Jakarta, was officialy presented to former vice-governor Basuki Tjahaja Purnama, in February 2013. The settlement of the financial part is still being in negotiation with the private multinational investors. It must be noticed, that the investors wish, that this project will be carry out under direct management and that the Government is free to participate in this project.

For this huge megaproject, with estimated costs of 640 billion and that will offer approximately 640.000 jobs till the year 2028, an ICT Informationplan has been developed. For such a big megaproject, a thorough Informationplan is indispensable for support of efficient management, to conduct, control and to lead the organisation still to be established.

As I am an ICM-editor, emeritus ICT Management Consultant, I offer you this Information- plan symbolic and I would like to express our hope and wish, that the Dutch Government will follow this gesture, to invest largely and that other companies will follow as such, at the same time.

The ultimate wish is to embody your well-meant intentions and ambitions in a new agreement between The Netherlands and Indonesia, in the extension of the ‘Treaty of Tractate from Wassenaar 1966’ in which co-operation is one of the main stipulation of this agreement.

 

Ing. MBA Ferry Schwab ICM-Editor / ICM Online

10897314458?profile=original

 

22 april 2016

ICM Press Release voor Mr. Joko Widodo – President van de RI

Namens alle 400.000 ICM-Online lezers en 9000 ondertekenaars van de Petitie ‘Uitbetalen Traktaat van Wassenaar 1966’, heet ik U van harte een warm welkom toe in het Kurhaus te Scheveningen. ICM-Online is de Indische Internetkrant die als missie heeft om o.a. de ontwikkelingen van de Republiek Indonesië dagelijks onder de aandacht te brengen, bij het Nederlands publiek en de Nederlandse regering. Dit lukt ons tot op de dag van vandaag uitstekend, mede door samenwerking met onze correspondenten in Jakarta.

Saya orang betawi!

Als ICM-Editor ben ik zeer vereerd met uw bezoek. U bent de vierde president, met wie ik een persoonlijke ontmoeting mag hebben, zij het vandaag in een geheel andere entourage. De drie voorgaande presidenten heb ik persoonlijk namelijk  in de privésfeer gekend; wijlen Bung Karno, als zakenvriend van mijn vader, zijn dochter Megawati Putri Dewi die ik als kinderen van 11 jaar regelmatig in de Istana in Jakarta trof. In de zomer van 1966 bracht wijlen President Soeharto en zijn gevolg een bezoek aan mijn ouderlijk huis te Voorburg. Wijlen mijn vader was destijds onder Bung Karno als adviseur verbonden aan het parlement en overleed helaas veel te vroeg in de leeftijd van 39 jaar. In zijn hart echter is hij altijd Indonesiër gebleven.

Voor velen van ons (met name de Nederlands-Indische bevolkingsgroep, ook wel de ‘Indischen’) liggen  onze wortels -de banden- nog steeds in uw prachtige land en wij betreuren ten zeerste de kille houding en opstelling inzake de wederzijdse betrekkingen, die de Nederlandse regering tegenover de Republiek Indonesië uitdraagt.

Ik bied u als ICM-Editor en tevens namens die 400.000 lezers dan ook onze welgemeende excuses aan. Wij schamen ons hiervoor en spreken met u en het hele Indonesische volk de wens uit, om a.u.b. vooruit te kijken en de Nederlandse regering een nieuwe kans te geven.

 

Uw intenties en ambities voor samenwerking op economisch en politiek gebied met als prioriteit intensivering van de banden tussen Nederland en Indonesië, is en blijft onze voornaamste en vurige wens. Bovendien ligt dit uitgangspunt in het verlengde, dat wordt belichaamd door het ‘Verdrag Traktaat van Wassenaar 1966’.

Nederland heeft zich op dit onderdeel van het verdrag ruim 50 jaar niet aan de afspraak gehouden, terwijl het financiële gedeelte in zijn geheel niet werd nagekomen. Nederland heeft namelijk Hfl. 689 miljoen nimmer uitbetaald aan de Indische Gemeenschap. Uw regering heeft zich met de betaling aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, tot op de laatste cent aan uw verplichtingen voldaan. Dit bedrag werd betaald ter compensatie voor het verlies van al onze bezittingen tijdens het vertrek, de z.g. repatriëring, uit de Republiek Indonesië.

Onze lezers en ondertekenaars van eerdergenoemde Petitie vinden, dat ICM u hiervan op de hoogte dient te stellen. Wij beseffen tegelijkertijd, dat dit een interne kwestie betreft tussen de Indische Gemeenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken onder leiding van Minister Bert Koenders. Desalniettemin zullen wij op dit punt moeten terugblikken, om deze langslepende kwestie op humanitaire wijze voor de Indische Gemeenschap tot een bevredigende oplossing te kunnen brengen.

Er wordt al jaren veel inspanning gestoken in het organiseren van Indonesia –  Netherlands Business Forums, zoals ook nu weer het geval is voor 2016. Dit forum is economisch een heel goed initiatief om Nederlandse bedrijven in contact te laten brengen met de mogelijkheden die Indonesië biedt voor de groei van deze bedrijven en de verdere innovatieve ontwikkelingen van de Republiek.

Dit brengt ons bij het Jakarta Baru Masterplan dat u destijds in 2012/2013 als Gouverneur van Jakarta uitmuntend heeft ontwikkeld en ook ludiek wereldwijd heeft uitgedragen. 
Op verzoek van de toenmalig president Susilo Bambang Yudhoyono (SBY) in 2008 was de oplossing van het Jakarta Watermanagement Probleem ontwikkeld door een onafhankelijk ingenieursbureau in samenwerking met private multinationals investors. Het laatste rapport met de integrale oplossing voor Jakarta, was officieel afgegeven in februari 2013 aan toenmalig vice-gouverneur Basuki Tjahaja Purnama (Ahok). De oplossing van het financiële deel is nog in onderhandeling met de private multinationals investors. Het dient te worden opgemerkt, dat de investeerders wensen, dat het project in eigen beheer wordt uitgevoerd en de overheid is vrij om in het project te participeren.

Voor dit immense megaproject dat tot het jaar 2028 zo’n 640.000 arbeidsplaatsen biedt, met kosten geraamd op 640 miljard,  is een ‘ICT Informatieplan JBM” ontwikkeld. Voor een dergelijk megaproject is een gedegen informatieplan onontbeerlijk, ter ondersteuning van een doelmatige bedrijfsvoering voor de nog op te zetten organisatie, om deze mega- projecten te beheren, te controleren en aan te sturen.

Als ICM Editor – emeritus ICT Management Consultant, stel ik symbolisch dit informatieplan beschikbaar en spreek ik de hoop uit, dat de Nederlandse overheid dit voorbeeld zal volgen door ruim te investeren en dat tevens andere Nederlandse bedrijven het voorbeeld zullen volgen.

 

De ultieme wens is om uw welgemeende intenties en ambities te belichamen in een nieuw te sluiten verdrag tussen Nederland en Indonesië, in het verlengde van het ‘Verdrag van Wassenaar 1966’ waarin het samenwerkingsverband tot één van de belangrijkste  overeenkomsten behoort.

 

 

Ing. Ferry Schwab ICM-Editor / ICM Online

10897234678?profile=original

Steun ACTW66 ! 

Uw donatie  kan U storten op Rabo rekening NL41 RABO 03977255 07   ten name van F.Schwab / ICM Online onder vermelding van donatie Traktaat van Wassenaar.

Lees verder…

Herdenking aanval op Pearl Harbor

Herdenking aanval op Pearl Harbor  

10897417661?profile=original

10897414478?profile=originalDEN HAAG (7 december 2019) - Exact 78 jaar geleden, op 7 december 1941, voerde Japan een verrassingsaanval uit op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor op Oahu, Hawaï. De luchtaanval duurde nauwelijks twee uur, maar was zeer destructief. Door het bombardement zonken 18 van de 96 schepend, werden 188 van de 394 vliegtuigen vernietigd en sneuvelden 2335 Amerikanen.

De luchtaanval vormde, gevolgd door oorlogsverklaringen van de As-mogendheden - het fascistisch militaire bondgenootschap tussen Italië, Japan en Nazi-Duitsland, een kantelpunt in de Tweede Wereldoorlog, omdat het leidde tot wereldwijde en rechtstreekse betrokkenheid van de Verenigde Staten van Amerika.

Na de aanval op Pearl Harbor veroverde Japan in hoog tempo grote delen van Zuidoost-Azië. Op 11 januari 1942 vielen de jappen voormalig Nederlands-Indië binnen en na de door de jappen gewonnen slag in de Javazee konden zij vrijwel ongehinderd Java bezetten. Op 8 maart 1942 moest het Koninklijk Nederlands–Indisch Leger (KNIL) officieel capituleren en begon de bezetting van Nederlands-Indië.

Lees verder…

Herdenking 'Zwarte Sinterklaas'

Herdenking 'Zwarte Sinterklaas'

10897417501?profile=original

Michael Meyer heeft een link gedeeld.

10897414478?profile=original

DEN HAAG (5 december 2019) - Vandaag - 62 jaar geleden - verklaarde Soekarno de laatste Nederlanders in de Indische archipel tot staatsgevaarlijk en dwong hij hen voorgoed te vertrekken. Ook Nederlandse bedrijven werden door Indonesië genationaliseerd en Sinterklaas was niet langer welkom. Het betekende 'Niet uitpakken maar inpakken'. De anti-Nederlandse acties staan daarom ook bekend als 'Zwarte Sinterklaas'. Het vormde de climax van jarenlang haatzaaien door Indonesische fanatiekelingen op het voorheen Nederlands overzeese grondgebied.

Lees verder…

10897361683?profile=originalLandschap op Sumatra die Kousbroek ongetwijfeld gezien had.

Column: van: Pjotr.X.Siccama

De kennis van Kousbroek over Tjalie Robinson is indrukwekkend. Het werk van Robinson wordt hier kritisch en zowaar forensisch, maar respectvol

geanalyseerd. De door Tjalie gebezigde Indo-vocabulaire en niet te vergeten het idioom (wat bij de Indo’s uitermate gewichtig wordt gevonden – ook interessant – maar op de vraag naar het waarom moet ik het antwoord helaas schuldig blijven) zit Kousbroek tot in zijn haarvaten schijnbaar. Het is voor mij onthullend dat er een dergelijke rijke en complexe taalbron bestaat die nu, fossiel geworden (lijkt het Latijn wel) zo goed als een dode taal is. Ik kan het wonderwel nog wel heel summier wat van lezen en als ik het doe, dan ruik ik ongetwijfeld de cocos en pisangbladeren.

Deze Tjalie Robinson, die in de tweede helft van de vijftiger jaren plots als een duveltje in allerlei media verscheen met het organiseren van de Tong Tong fairs en Pasar Malams, zoals hij (en ik) dat in Indonesië gewend waren te vieren, had het lef om daarbij DE Identiteit van de Indo/Europeaan (de Indische/Nederlander), dus ook ZIJN identiteit wilde hij ermee zeggen op de kaart te zetten. Deze Indogemeenschap werd door Tjalie met trots uit die armetierige anonimiteit gehaald (nadat zij bij hun aankomst in het moederland op een schofterige manier zijn behandeld maar ook gediscrimineerd niet te vergeten). Niet alleen de Indo/Europeaan als individu maar ook wat hun bezig hield met onder andere de (Indo) taal deed hij bewust, niet provocerend, maar eerlijk en met heel zijn hart en ziel. Een monument waard. Tjalie was trots om wie hij was en waar hij vandaan kwam met alles erop en eraan. Zo hoort het ook in tegenstelling tot die Indo(‘s) die de Indotaal maar niets (minderwaardig ?) vond(en) (en wellicht nog vindt(en)) en zich tegen de opkomst van Tjalie Robinsons ideeën begonnen te keren. Een soort zelfverlochening: geen liefde voor de eigen cultuurbron lijkt het wel. Met andere woorden (kon ik nog heel goed herinneren) dat vele Indo’s geschokt waren over het lef van Tjalie Robinsons initiatieven en ideeën; geschokt omdat deze bewuste Indo’s juist meenden dat zij immers toch (‘al’) volledig geïntegreerd waren (eigenlijk veelal zijn opgegaan) in de Nederlandse samenleving en nu opeens weer werden teruggeworpen naar: “terug naar af”. De tegenstanders (de reactionairen onder de Indogemeenschap, men wilde meer dan Hollander zijn) keerden vandaar zich tegen de opleving en herleving (lees: een zekere verheffing) van de Indo-cultuurgemeenschap. En juist die Indo’s houden zichzelf voor de gek: ze zijn weliswaar half Europeaan, maar de Hollander ziet dat helemaal niet. Die groep reactionairen spelen slechts mee met de leuke kanten, bij tijd en wijle genietend van de gekoesterde (eigen)cultuur (onder andere, muziek/literatuur en de obligate pasar malams e.d.) maar werkelijk deelnemen aan activiteiten op het niveau van andere kunsten en/of culturele solidariteit : ho maar! Heel merkwaardig en triest voor zo’n rijke, maar toen gespleten gemeenschap. Ik werd in die tijd voor gek versleten om mijn sympathieën en bewondering voor deze bijzondere en moedige man. De Indo Europeaan had immers de Nederlandse cultuur op alle niveaus verrijkt.

Kousbroek vindt Tjalie Robinson een groot schrijver die in dit land danig is onderschat en daar heeft hij geen ongelijk. Er bestaat in de Indo-gemeenschap, vooralsnog geen grotere persoonlijkheid en equivalent op literair gebied.

Tjalie Robinson was veel té vroeg gestorven. Een groot verlies.

De vraag overigens die velen (en niet alleen gesteld door Ind/Nederlanders) zich nu bezighouden: waar is de aandacht die hij verdient? En de publiciteit over zijn werk? Die is er ook al niet over deze bijzondere schrijver. Wat is er toch aan de hand in dit land? Louis Couperus, een van de grootste schrijvers van de Lage Landen (die de taal van de Lage Landen immens op bijzondere manier had verrijkt) schijnen mensen totaal vergeten te zijn.

Heeft deze generatie schrijvers/journalisten en lezers soms geen weet van de man die in de 50-er jaren literair gezien in dit land zowat revoltes had uitgelokt? De aandacht lijkt te worden verschoven naar commerciële actuele en veelal modieuze activiteiten. Overtuigd van het feit dat er in dit land elementen aan het werk zijn die zich meer bewust dan onbewust schuldig maken aan ongewone selectieve onhebbelijkheid: wel een buitenlandse Iraanse (waarvan ik de naam in dit werk niet wil noemen) schrijver de hemel in prijzen  (Joost mag weten waarom) die het Nederlands al helemaal niet beheerst, maar alle andere aanwezige talenten in dit land gewoonweg negeren. Onverschillig jegens de eigen kunst en culturele tradities, maar daarenboven de selectiviteit van xenofilie wat even eng en ernstig is als xenofobie. Waar hebben we dit eerder gezien in Europa?

Ik heb altijd al het gevoel gehad dat politici (en de politiek) zich vaak stiekum en soms openlijk de scheppende kunstenaars en dan voornamelijk schrijvers (“want zij zijn het gevaarlijkst – maar, let wel, ook ‘’bruikbaar’’ ) goed in de gaten houden, opportunistisch genoeg. Ongegeneerd naar believen

aanschurken en zich liefst breeduit in beeld (in de media) exhibitioneren samen met gevierde kunstenaars, daar het in hun voordeel werkt.

Vandaar dat dit land verdacht veel op Oostenrijk lijkt, wat betreft de (vrije) Kunsten: alle getalenteerde eigen burgers negeren ze, jagen ze die over de klink of schoppen ze zo de grens over. Voorbeelden hiervan zijn nu meer dan ooit actueel en zijn talloos in de Europese geschiedenis te weten Oostenrijk, Duitsland, Hongarije om er een paar te noemen.

 

Tjalie Robinson bij een Pasar Malam in Den Haag (toen gehouden in de Dierentuin) begin van de 60er jaren, (let goed op de katapult in zijn hand).

Er bestonden en bestaan onderling nog vele meningsverschillen en even zovele misverstanden onder de talloze auteurs die Kousbroek in zijn boek noemt, die over het voormalige Nederlands Indië hadden en hebben geschreven (en nu nog steeds doen); daar geboren en getogen zijn of juist niet, Europeaan, half Europeaan, (Indo-Europeaan: de zogeheten Indo‘s.) De auteurs ervan worden door Kousbroek uitvoerig tot in alle bijzonderheden besproken, met of zonder verbazing, bewondering en verwondering. De discussies nemen in zijn boek wendingen waar men soms wel naar kan raden; daar waar men soms wel en weer niet verwacht, terecht of onterecht; dat doet er hier even niet toe. Eén geruststelling gedachte bij het het lezen van het boek is daarbij de fortuinlijke afwezigheid van academische discussies; gelukkig maar, want dan wordt het echt oorverdovend saai.

Het lijkt een soort competitie (of niet) (jij hoort er bij hoor, jij niet) wie er hier aanspraak maakt op het predicaat Indische schrijver of liever gezegd wie behoort of behoren tot de schrijvers van de Indische Letteren.

Om een voorbeeld te noemen: de schrijver Springer wil zich hier (of daar) niet achter scharen of schrijver worden genoemd van de Indische Letteren. Wat voor redenen hij daarvoor heeft gehad zal een ieder worst zijn. Het is zijn keus. Sudah: laat maar zitten, dat moet hij zelf weten.

  1. Nieuwenhuijs ter variatie, koketteert daarentegen met zijn ambivalentie, wanneer hij zich verontschuldigt dat hij er niet Indischer uitziet. Wilde hij soms er echt bij horen? Hij zag de koloniale maatschappij met de grootste Indo-Europese gemeenschap heel goed om zich op die manier te verontschuldigen, om de eenvoudige reden dat die Indo-Europese gemeenschap gevoelig, misschien té gevoelig was voor verhoudingen en sociale ordening. Maar dat zou hier toch geen probleem hoeven te zijn; het gaat in de literatuur toch om wát men schrijft en niet om wie het schrijft, zoals Kousbroek opmerkte? Blijkbaar dus niet.

Mensen zijn sterfelijk, literatuur is dat niet.

Wij komen tot de kern en wellicht tot ‘den Scheidewegen’, die mensen, schrijvers, scheppende kunstenaars bewegen. Buiten en naast hun taak als schrijver en het uitoefenen van het schrijverschap, is het scheppen van kunstwerken om het leven aangenamer te maken. Het geldt voor alle scheppende kunstenaars. Zo zit dat. Mensen stellen immers het denken aan de eigen stervelijkheid telkens uit omdat het ongetwijfeld in onze genen zit.

En telkens komt de afkomst, (heb jij Indisch bloed? En dat wordt dan ook zo letterlijk bedoeld) op de proppen, zo ook hier weer.

Hella Haasse heeft bijvoorbeeld geen werk of roman geschreven in een Indotaal. Was zij daar té Hollands voor zoals Tjalie Robinson haar heeft verweten? (het is overigens veel te moeilijk). Of kunnen alleen Indoschrijvers dat?

Tjalie Robinson noemde Hella Haasse een Hollands meisje uit de tropen, geen Indisch kind. Het heeft haar naar zij zelf bekende veel pijn gedaan. Waarom heeft het haar zo gekwetst, vraag ik me af. Robinson stelt hier heel gewoon een vaststaand feit.

Maar hoe het ook zij, is dat geen reden om haar niet tot de Indische schrijvers te laten behoren. Het lag naar mijn inziens niet in het veel grotere Nederlandse taalgebied dan (in vergelijking) het in omvang veel kleinere Indotaal; dat zou onzinnig zijn, want de Indo’s lazen en lezen eveneens het ‘gewone’ gangbare Nederlands.

Robinson had, vertelde Kousbroek uitvoerig, ook hevige kritiek op haar roman ‘Oeroeg’ omdat zij de Indische gemeenschap en de verhoudingen niet vanuit haar eigen beleving kende, en dus slechts vanuit haar eigen milieu en van grote afstand. Ik ben het deze keer niet helemaal met hem eens. Robinson verbond het (kunst)werk met de persoon als onlosmakelijke eenheid. Op zichzelf zou het lovend zijn geweest een ‘klein lauwerkransje’ aan een collega op te dragen, maar dat deed Robinson niet; hij was teleurgesteld. Hella Haasse was een groot schrijfster, onmiskenbaar. Het gaat hier om de authenticiteit van het werk van de kunstenaar en niet om de persoon zelf. Zo ziet men hier alweer een van de kernen van een misverstand die zo eenvoudig kan worden verklaard.

Wij weten maar al te goed waarover het nu gaat.

Ik denk dat ik weet te voelen wat Tjalie Robinson met het verwijt aan Hella Haasse in essentie be­doelde en dat is dat je “HET in je vlees en bloed moet hebben” wanneer men

iets doet, denkt, onderneemt, (en niet alleen in het schrijversvak) niet met een ziel maar dé ziel en idee ontbrak naar zijn gevoel. Maar Haasse had voor zijn gevoel ‘alleen maar’ (Indisch: niet ‘slechts’) de zichtbare en onzichtbare tegenstellingen in die tijd van macht en machteloosheid van de hoofdrolspelers in het werk Oeroeg willen tonen. En die hoofdrolspelers zijn in ’Oeroeg’, een totok (een blanke jonge Hollander) en een Indonesische jongen, GEEN INDO-jongen. Twee Werelden: eenvoudig zwart/wit tegenstellingen. Daar wringt de schoen in Robinsons belevenis blijkbaar onder ander óók. Hella Haasse moest een keuze maken in haar werk wie de hoofdrolspelers zouden moeten zijn. Zij heeft voor het zwart/wit denken gekozen.

Het was voor haar een voor de hand liggende keuze: het moest in het werk helderheid worden verschaft, (zwart/wit) zeker als het gaat om de onderdrukker en de onderdrukte met al hun beperkingen en gevolgen waarin natuurlijke vriendschappen onmogelijk worden gemaakt met alle implicaties van dien.

Het racisme komt dan zo af en toe om de hoek kijken, zowel in de beschrijving van Kousbroek als ook uiteraard in het werk van Hella Haasse.

De opmerking van A.H. den Boef: “De stoere Hollandse knapen van Robinson maakten nooit racistische opmerkingen over hun Indonesische leeftijdgenootjes”.(..) was zeer ironisch en ook nog ontstellend hypocriet. Openlijke en verborgen racisme wás er gewoon en dat zijn feitelijkheden waar we nu maar eens een einde aan moesten maken, omdat er, naar mijn idee al veel te veel tijd is verspild aan dit onderwerp.

Opvallend toch het telkens terugkerend thema van ras, denk en cultuurverschillen. Het zijn weer de Indo’s die kennelijk voor vuurwerk zorgen en niet alleen bij auteurs. Een kleine oriëntatie: er bestonden toen in Indië (altijd al) stoere Indojongens, van nature stoer (maar niet macho zoals nu) die door Hollandse jongens in heel hun gedrag werden geïmiteerd en alom bewonderd om hun kennis van de autochtone bevolking (inlanders); hun adat (gewoontes) en gecompliceerde cultuur; verder hun lichtgetinte huidskleur (die ongewoon was voor een Hollander), hun dikwijls atletische voorkomen met ravenzwarte haren, ze zwommen als Johnny Weismuller en konden soms ook nog gitaar spelen.


De tegenwoordige modieuze machocultuur was toen niet aan de orde. Het zijn in verhouding nu stereotypen geworden, maar toch. Ik kan het weten omdat ik zes broers heb, die onder andere heel hard op Harley Davidsons reden, maar zich wel bovenal als ware gentlemen gedroegen en het nu nog zijn.

Halverwege het boek van Kousbroek lijkt het of ik in de dertiger jaren ben aanbeland; niet vanwege de beschrijvingen van de prachtige kunst- en architectuuruitingen van die tijd, maar eerder door de verwerpelijke geschriften en denkbeelden van diverse daarin genoemde auteurs (met ongetwijfeld racistische en fascistoïde affiliaties: anders zouden ze het onderwerp op die manier nimmer hebben aangevat) die zich ongegeneerd aanmatigden om als uitgehongerde tijgers op hun prooi te storten en zowat hun nek breken om zo nodig hun mening neer te pennen en te verkondigen als ware een slechte boodschap: waarover?: (surprise, surprise…) de Indo’s. Alsof er geen enkele positieve noot aan hen te verbinden valt. Schaamteloos en socio/psychologisch gezwets onder de verschillende schrijvers, wat volstrekt onverantwoord schadelijk en schandelijk is voor een harmonische gemeenschap waarvan hun bestaan toch al, min of meer wordt ontkend. Alles wat niet goed was (en is) aan en met hen werd met hun geassocieerd. De discussies zijn niet nuttig, irrelevant en dragen niet bij aan de helderheid van een harmonische samenleving.

In de door Kousbroek opgetrommelde geschriften, van de in het boek geciteerde auctores intellectualis, werden de tegenstellingen van twee gemeenschappen op de spits gedreven op een schadelijke en schandelijke wijze dat het gif nu nog door blijft sijpelen en een eigen leven is gaan leiden. Historisch gesproken waren zij de feitelijke miscreants die verantwoordelijk waren ‘en nog zijn voor de aangerichte culturele schade. Er was immers geen probleem. Men zocht en men schiep een probleem dat er nooit was geweest.

Gemeenschappen werden getart. Er waren en er zijn hier onzindelijkheden aan het werk en alweer in het verborgene. Er waren en zijn nooit gegronde redenen voor een negatieve stellingname zoals sommigen die dachten zich te permitteren dat te doen. Maar ook al waren ze er,

dan nog was er geen enkele rechtvaardiging op welke wijze dan ook om in het geheel een gemeenschap buitengewoon negatief te afficheren.

Als een van de voorbeelden noemt Kousbroek o.a. een zekere Opheffer (pseudoniem voor Gongrijp-NRC.1988) die zich in zijn geschriften laatdunkend uitliet over de Indo-gemeenschap waarbij (het wordt nog absurder) hij onderscheid maakt tussen een beschaafde Indo en een Kampong Indo! Een ordinaire scheldnaam in Indie toen, maar deze heer Grongrijp-Opheffer suggereerde hiermee dát er onder de ´´gemengbloedigen´´ alreeds

een sociale onderklasse was ontstaan in de Indo-Europese gemeenschap. Niets is minder waar.

landschap op Sumatra waar Rudy Kousbroek was geboren

Verbazingwekkend dat geconstrueerd onderscheid. Kousbroek vond het

evenmin onduidelijk. Het is net zo’n imbeciele vergelijking als een boer uit een gehucht ergens in Holland en een provincieboer in de stad. Onzinnige vergelijkingen, die kant noch wal raken. Bewust kwetsend bedoeld natuurlijk.

De redenen en/of overwegingen zijn in dit geval wel relevant en zitten in het hersenloze hoofd van de auteur. Zover de Indo’s weten, bestond er toen geen Kampong-Indo onder de beschaafde Indo. Weer een verzinsel van Gongrijp. Het is iedereen zowaar onduidelijk waar deze man de wetenschap vandaan haalt. Ter oriëntatie: er bestond en bestaat slechts één soort Indo en het is de ware integere Indo-Europeaan, de Indo, solidair met de Indo gemeenschap . Het gebruik van die termen heeft deze heer Gongrijp zelf bedacht of waarschijnlijk ergens in een stoffige lade gevonden en zo uit de losse tangan gedistilleerd. Ook al een reden om via een omweg (die er niet is) aanleiding te vinden deze gemeenschap te kleineren.

Het wordt nog fraaier wanneer een zekere G.L. Cleintuar (ook uit de losse pols) beweert dat de: “keuze zelf onnatuurlijk blijft aanvoelen (……) en laat zelden na zijn stempel te drukken op de persoonlijkheid van de kiezer.”) Dat haalt je de koekoek ! De Indo was bewust sociaal-politiek in die onmogelijke (als men dat zo wilt zien) positie gemanoeuvreerd en krijgt dat hier voor de kiezen. Onzindelijkheden dus, nog afgezien van de hier impliciet

verwerpelijke taxaties. Racistisch gezwetst dus. Hier gaat het over dé Indo-Europeanen. Jegens andere nationaliteiten bijvoorbeeld onze oosterbuur Duitsland en de Duitsers beneemt men precies hetzelfde. Heel merkwaardig.

Jeugdmijmeringen van Kousbroek

Kousbroek mijmert verder over zijn jeugd en met weemoed lees ik de prachtige beschrijvingen in het boek van de natuur, de jungle op Sumatra waar hij heeft gewoond: het lijkt alsof de schrijver je werkelijk mee aan de hand neemt en je de geur van het tropisch woud laat ruiken, vertelt en zijn ervaringen in je oor fluistert, worden voelbaar, ja tastbaar bijna. Hij wordt overweldigd door de schoonheid van de Natuur en de lezer eveneens. Het doet me denken aan een moment van absolute schoonheid, maar dan een van een andere orde, die ik ervoer in Florence. Bij het zien van het toen net gerestaureerd schilderij van Botticelli ‘La Primavera’ werd ik na ongeveer een uur plots onwel; ‘ziek’ van de schoonheid. Men dacht in eerste instantie niet dat het met het ‘syndroom van Stendhal’ te maken zou kunnen hebben.

Toegegeven ben ik enigszins gepreoccupeerd, maar door iemand die zijn omgeving op zo’n manier beschrijft, blijf ik nu nog dromen van het Paradijs dat ik als kind toen in Indië had.

Hollanders zijn ware kooplieden, marktkooplui, zaken doen zit hen in het bloed, het moet onge­twijfeld als genetisch worden beschouwd. Geen vreemde eigenschap zaken doen, goed geld verdienen maar bijna altijd ging het ten koste van anderen.

Die eigenschap is en zijn zo in de loop der tijd ontwikkeld tot een Hollandse karaktertrek die heden ten dage zelfs wordt gecultiveerd en gekoesterd, zelfs bewonderd door mensen die geen Hollanders zijn. Ieder zijn vak. Maar in de Hollandse kunst- (en cultuur)wereld zijn wonderlijk genoeg geen of nauwelijks dramatis personae te vinden (met uitzondering van een handjevol meestersschilders uit voornamelijk de 17e eeuw met hun fabelachtige verbeeldingskracht) zelfs niet bij het toneel en al helemaal niet in de Nederlandse filmwereld, ook al denkt men dat. Het blijft een leegte die nu beter zou zijn op te vullen door mensen die juist géén filmacademie of aanverwante opleiding hebben gevolgd, is mijn oordeel. Nederlandse acteurs en actrices spelen, acteren een rol zoals zij die geleerd hebben; over het algemeen niet uit zichzelf met hart én ziel; men moet ermee geboren zijn. ‘’je bent het of je bent het niet’’. Ze spelen hun rol met hun hoofd. Er bestaan talloze voorbeelden; een

beroepsacteur die onlangs bij het zien van een Nederlandse documentaire cultuurfilm, opmerkingen maakte ..’’..dat de personen in die documentairefilm, niet (goed) konden acteren..’’ Het kan wel zo wezen, maar vergeet te voelen dat het in die film om mensen ging die wellevend en spontaan praatten als het leven zelf: direct vanuit het hart. Een weergave die de filmer van de bewuste documentaire juist registreert maar ook wilde registreren. Ter illustratie, Frederico Fellini deed het al zijn hele filmcarrière lang. De bewuste acteur heeft blijkbaar zijn axiradius nooit bereikt of de acteur in kwestie dient een ander beroep te kiezen. De man praatte zonder ziel.

Kort gezegd: je bent een dramatis persona of je bent het niet, omdat zoiets nu eenmaal nooit te leren valt, ook al heeft men en kunst en/of filmacademie gevolgd. Dat heeft Kousbroek maar al te goed gezien bij de verfilming van Oeroeg. Een complete deceptie vond hij de hele verfilming.

Kousbroeks constatering is pijnlijk, maar waar; men kan toch zeker niet verbergen wat men niet heeft. Sommigen menen zowaar te weten dat men dat wel heeft. Een kleine verklarend rondje:

Ieder mens wordt gevormd door zíjn omgeving, naast de opvoeding en afkomst, sociaal milieu e.d.; dé omgeving is bepalend voor het vermogen tot (natuurlijke) verbeelding en fundamenteel inzicht. Doch men dient bij de geboorte alreeds hiertoe een ziel te hebben (afgezien van talent(en) in de volle omvang van het leven.

ICM 23.5.2017

 

Lees verder…

ICM ARCHIEF : INDO ZIJN IN DE TEGENWOORDIGE TIJD

10897233865?profile=original10897245264?profile=originalINDO ZIJN IN DE TEGENWOORDIGE TIJD.
Hebben wij het tegenwoordig niet erg veel met elkaar over het INDO zijn?
Ik kom hoe langer hoe meer gemeenschapsgenoten tegen die zich op een of andere manier afvragen wat het INDO zijn betekent en wat voor gevoel ze daarbij zelf hebben.
Komt het nu door de vele etnische verschillen in dit land die vooral worden benadrukt door de huidige buitenlanders, turken, Marokkanen, Afghanen, en weet ik wie nog meer zich in dit land bevindt.
Het is waar dat de vreemdelingen nadrukkelijk laten merken wat hun etnische achtergrond is en ze zijn wat dat betreft veel trotser op hun roots dan de meesten van ons Indische Nederlanders het waren en zijn. Er waren velen die hun indo zijn verloochenen en zich meer blanda willen voelen. De turken laten van zich horen, nu zeker, de Marokkanen kennen wij maar al te goed, als dan niet in negatieve zin.
Raar is het als een Marokkaan zegt dat hij Medelander is, of een turk die hetzelfde beweert te zijn terwijl hun hart en hun zíjn meer bij hun roots liggen.


Hoe zit dat bij ons?

Welnu mijn ervaring is dat wij ons toen koest hielden, als échte MEDElanders waren wij niet zo mondig, respecteerden wij onze nieuwe toekomst en voelden wij ons niet Indonesiër, alhoewel de onwetende Nederlander niet beter wist en nog weet dat wij geen Indonesiërs zijn.
Het is erg triest om te ervaren dat wij op een of andere manier helemaal niet duidelijk waren van wie we zijn en waren toen wij hier in dit land binnenkwamen. Alleen al de behandeling van onze gemeenschapsgenoten die als indringers werden beschouwd en als mensen van een andere planeet. Men had het niet zo met ons, ik weet uit ervaring dat mijn etnische achtergrond en uiterlijk niet zo omzichtig werd behandeld als de vreemdelingen nu. 


Des te triester is het ons na 70 jaren nog steeds niet is gelukt om een eerlijke behandeling te krijgen. Onze ouders moesten alles terugbetalen als voormalige Nederlandse kolonisten die vanuit de oost met níéts hiernaartoe kwamen, nee wij werden niet in kampen neergezet met allerlei luxe en gemakken, of wij kwamen in de barakken of in pensions waar we uitgebuit werden door de pensionhouders die toen flink rijk aan ons zijn geworden.


Natuurlijk kan je zeggen ja, dat was toen, echter tot op de dag van vandaag is men nog steeds niet genegen om ons nu eens echt als voormalige kolonisten te zien, nog steeds noemt men ons Indonesiërs, terwijl men van de meeste allochtonen weten wat hun herkomst is, hun geschiedenis en daarbij, staat men voor de allochtonen nu veel meer open, al dan niet uit lafheid en angst. Want wat wij nooit openlijk durven te zeggen is dat wij gediscrimineerd werden, wij beschouwden dat als minderwaardig terwijl men nu als buitenlander gewiekst gebruik maar van het roepen dat men gediscrimineerd wordt om van alles voor elkaar te krijgen, en zelfs de wet doet mee.


Oké, nu genoeg erover voor ik weer door een aantal lezers word beticht van racist, besef wel, beste lezer dezes dat het mij niet gaat om diegenen die echt hulp nodig hebben, het gaat er mij meer om de verschillen in behandeling duidelijk te maken. Tegenwoordig vlucht eenieder hiernaartoe die vanuit de Afrikaanse landen alleen maar het idee hebben dat het hier een paradijs is. Het is het niet, want eenmaal hier gekomen is de wegwerpmaatschappij een feit en profiteren deze economische vluchtelingen van voorzieningen die een normale Nederlander niet eens krijgt. Ik denk vooral aan de ellende rondom de verpleeghuizen en de zorg, mensen die de zorg niet meer kunnen betalen terwijl iedere uitgeprocedeerde asielzoeker een oprotpremie krijgt van enkele duizenden euro’s. Zelfs is het zo dat die gasten hier onderduiken in de illegaliteit, wat dit land ook weer geld gaat kosten. Ik snap het gewoon niet meer, in mijn ogen is, uitgeprocedeerd, gelijk in het vliegtuig onder begeleiding en vertrekken met die zooi. Ook geen oprotpremie. De echte noodlijdenden moeten boeten voor die profiteurs.


Ik ga nu echt over op de Indo en zijn Indo gevoel,

ik weet dat er inmiddels weer mensen zijn die nu zeggen, zie je wel, hij blijft racist. Ik zou zeggen lees goed dan weet je racist zijn, nee, wij houden niet van die brutaliteit en je niet willen aanpassen. Trouwens, ik heb een stille enquête gehouden onder indo’s tijden de verkiezingen, van alle door mij ondervraagden kozen,,,,schrik niet…..85 % voor Wilders en gaven aan op hem te hebben gestemd en dat is níét omdat……….
Wat is het indo zijn in deze huidige tijd eigenlijk, wat moet ik mij ervan voorstellen. Is het ons uiterlijk? Is het ons dialect? Is het onze cultuur? Of is het ons gevoel?


Ik persoonlijk denk dat laatste, we voelen ons net even anders en dat komt omdat onze cultuur die wij in stilte voor ons zelf behielden in ons sterk aanwezig is, generatie na generatie. Wij hebben ons altijd bescheiden gedragen en onze adat (cultuur) binnen onze kringen gehouden. Dat het uiteindelijk tot de Nederlanders door drong lag niet aan ons. Het komt door onze manier van doen, we zijn bescheiden, hadden onze muziek, onze gastvrijheid, onze keuken, onze kumpulans en pasars. Dat alles lieve mensen is voortgekomen uit ons heimwee gevoel. Wij wilden weer eens ons zelf zijn en zochten hoofdzakelijk voor onszelf naar wat wij in de ex-kolonie hebben móéten achterlaten. Het bloed kruipt…….ja…het bekende.

In deze tijd is het indo zijn voor een groot deel bij de ouderen aanwezig, de tweede en derde generatie, en ik moet zeggen voor een deel ook bij de 4e en mogelijk 5e generatie.
Bij mijn kinderen en kleinkinderen merk ik een soort zelfbewustzijn, alsof er genen de boodschap doorgeven dat ze van Indische afkomst zijn. Het is heel raar, maar dat is een fenomeen wat je bij alle etnische groepen terugvindt, zelfs soms tot en met de zoveelste generatie. Wat is het indo zijn nu?
Ik denk gewoon, dat het nu zover is dat het voor een groot deel gaat verdwijnen. De generaties die nu nog echt indo zijn met hun cultuur verliest zijn waarde met de tijd dat de tijd verstrijkt.


Indo zijn nu is: Lekker eten, lekker koken, muziek en kumpulans, onderling kijven, onderling geen eendracht kennen, de sudah laat maar mentaliteit, de jam karet (altijd te laat zijn) de zwijgzaamheid, het verdriet en heimwee naar de tempo dulu, ons de kaas van het brood laten eten, de pasarbezoeker, de beloftes die te snel gemaakt worden en even snel worden vergeten, bij tijd en wijle de pronkzucht, weinig modebewust zijn omdat het niet belangrijk is, de totale ongeïnteresseerdheid voor politiek, waardoor wij onze politieke rechten vanwege de ex-kolonie gewoon hebben laten afnemen, allemaal Indo eigenschappen, maar we zijn ook indo op gebied van tolerantie, vrijgevigheid, gastvrijheid, muzikaliteit en innerlijke beschaafdheid die onze ouder ons hebben bijgebracht al dan niet gepaard met mishandeling, want dit lieve mensen is bij vele tweede generaties nog een vorm van een stress syndroom.

Onze ouders met name vaders sloegen ons met alles wat binnen handbereik was, mede doordat de oorlog en de situatie in Indonesië ook bij hen een fors PTS-syndroom heeft nagelaten. Vele mannelijke Indo’s kunnen hierover nog vertellen. De rotanstok, de sapu lidi, de riem en ga zo maar door, gehoorzaamheid en respect werd er ingeslagen. Bij sommigen heeft het lelijke sporen achtergelaten in de vorm van onbegrip en verontwaardiging, en ach….u moet maar zo denken lieve lezers, het was moeilijk om indo te zijn en om je indo te voelen, de geschiedenis heeft ons als nakomelingen van de kolonisten laten ontstaan.
Indo is: In Nederland Door omstandigheden, maar ook elders in de wereld waar indo zijn, zullen dezelfde gevoelens zijn, de gevoelens van het Indo zijn of niet zijn.


Ik ga nu in de plaats van die Engelsman staan en zeg niet to be or NOT to be, maar to be indo or not to be indo that ’s the question en aan u die dit epistel leest laat ik het indo zijn over.
Ikzelf voel me naarmate ik ouder word hoe langer hoe meer indo en diep in mij brandt het verdriet van het verleden, ook de heimwee naar wat eens was en het verlangen naar de rust die ik as kind in de natuur van Indonesië vond, het kind zijn en de weg naar volwassenheid heeft vele ervaringen achtergelaten, sommige in de vorm van gelukkig zijn, maar ook heel wat waar ik heden ten dage nog mee worstel in de vorm van een PTS-syndroom. Het is niet anders en ik moet ermee leren leven wat niet makkelijk is. Voor mij heeft het indo zijn mij het bewustzijn gegeven dat je als mens niet heb kunnen kiezen in welke hoedanigheid je op de wereld komt. Ik denk dat het ook geldt voor de vele miljoenen die op deze wereld geboren worden in de problematische regio’s op onze aardbol. Mijn eigen leven heeft mij veel geleerd, ik heb veel mogen zien, voelen, ervaren en horen en meemaken en als mij dat de indo heeft gemaakt die ik nu ben, So be it, het is niet anders.


Albert van Prehn 1 mei 2017 (N.I.C.C. columnist)

INDO ZIJN IN DE TEGENWOORDIGE TIJD. Hebben wij het tegenwoordig niet erg veel met elkaar over het INDO zijn? Ik kom hoe langer hoe meer gemeenschapsgenoten tegen die zich op een of andere manier afvr…

Lees verder…