15 augustus komt er aan, de datum waarop in 1945 Japan capituleerde en de oorlog in de tropen eindigde. Maar vrede, zoals in Europa, kwam daar niet.
In Ned.-Indië kwam een einde aan een eeuwenlange koloniale bezetting door het op 17 augustus 1945 uitroepen van de republiek Indonesia.
Dat was het begin van ruim 4 jaar strijd totdat op 27 december 1949 de souvereiniteitsoverdracht plaats vond.
Geboren in april 1939 heb ik die hele periode als kind meegemaakt. totdat mijn ouders en ik in 1953 mijn moederland moesten verlaten om naar het - voor mij onbekende - Nederland te vertrekken.
De heimwee die mij sindsdien nooit helemaal verlaten heeft begon toen we de eerste stappen in Bibberland zetten in juni 1953.
In de 2-wekelijkse krant Argus schreef ik over mijn - ondanks alles - gelukkige jeugd een artikel dat ik vandaag en de komende dagen in gedeelten hier plaats.
Het artikel ging vooral over de kampjaren. Hier het eerste deel:
Kampherinneringen 1942-1945 (1)
Kampkleuter Jeroen Brouwers (1940) beschreef het leven in het Jappenkamp Tjideng (Oost-Java) als een hel, teenager Rudy Kousbroek (1929) vond het kamp Si Rengo-Rengo op Sumatra juist een verbetering in vergelijking met de strenge kostschool waar hij op zat.
Ze streden om het gelijk, maar ze hadden het allebei, natuurlijk. Oorlogservaringen verschillen nu eenmaal.
Ik (1939) was de oorlog en mijn kamptijd eigenlijk al glad vergeten toen mijn ouders en ik - kind van de koloniale rekening- in 1953 gedwongen naar Nederland kwamen.
Daar sprak men nog veel over de vreselijke hongerwinter van '44 en ik besefte ineens: 'Verrek, ik heb ook een oorlog meegemaakt'.
Mijn eerste herinnering – als driejarig jongetje - is die van een tocht staande in een open vrachtwagen met andere kinderen en hun moeders, op weg naar het interneringskamp, de vaders waren elders krijgsgevangen gemaakt.
Dat moet in de loop van 1942 zijn geweest, de Japanners waren Indië binnengevallen en interneerden alle blanken en veel halfblanken.
Alleen wie kon bewijzen minder dan 50% Neerlands bloed in de aderen te hebben, mocht buiten het kamp blijven.
Ambarawa (Midden-Java) kamp 6, waar we terechtkwamen, was voorheen een militaire kazerne van het KNIL(Koninklijk Nederlands-Indisch Leger), met tien stenen barakken.
Daar brachten mijn moeder, broer en ik drie-en-een-half jaar door met vierduizend andere moeders en kinderen achter de dichte omheining van het kamp.
Was het heel erg? Ik zou het niet kunnen zeggen, een kind weet niet beter dan dat het leven is zoals het is.
En je moeder hield je natuurlijk zover mogelijk weg van de ergste gebeurtenissen.
Voor die moeders was het ongetwijfeld een zware tijd, onzeker als ze waren hoe lang de oorlog zou duren en of hun man nog leefde.
Ook werd de omgang met de Japanse bewakers – die diepe buigingen verwachtten en makkelijk sloegen – als vernederend ondergaan.
Maar voor mij was het opgroeien in zo'n kamp normaal. (wordt vervolgd)
Foto: Kempetai, Japanse militaire politie
Minder weergeven
Opmerkingen